Chapter 20
"Den fijnen, luchtige boom der Druïden, met zijn bessen, dien moet gij branden; maar vermijd den zachten boom, verbrand niet den slanken hazelaar."
"Verbrand niet den esschenboom met zijn zwarte kop--hout, dat het wiel aandrijft, dat den ruiter zijn zweep verschaft; de esschenhouten speer is de maatstok van den strijd."
Eindelijk kwamen de dwergen in groote menigte om te verzoeken, Jubdan los te laten. Toen de koning dit weigerde, bezochten zij het land met verschillende rampen. Zoo sneden zij de korenaren af; lieten de kalveren alle koeien droog zuigen, bezoedelden de bronnen en dergelijke; maar Fergus was verstokt. In hun hoedanigheid van aardgoden, _dei terreni_, beloven zij te zullen zorgen, dat de vlakten vóór het paleis van Fergus ieder jaar dik met koren zullen staan, zonder dat zij behoeven te ploegen of te zaaien, maar alles is vergeefs. Eindelijk stemt Fergus er in toe, Jubdan uit te leveren tegen de beste zijner tooverschatten, waarop Jubdan ze één voor een opsomt--de ketel, die nooit leeg wordt, de harp, die vanzelf speelt, en ten slotte maakt hij melding van een paar waterschoenen, waarmede ieder, die ze aantrekt even goed over of onder het water kan loopen als op het droge. Fergus kiest de schoenen en Jubdan wordt losgelaten.
De misvorming van Fergus.
Maar het is voor een sterveling moeilijk, het van de tooverwereld te winnen--een trek van verborgen moedwil is in toovergiften geborgen, en dit bleek ook nu weder. Fergus had er nooit genoeg van, de diepten der meren en rivieren van Ierland te onderzoeken; maar op zekeren dag kwam hij in Loch Rury een vreeselijk monster tegen, de _Muirdris_ of het rivierpaard, dat dit meer bewoonde, en dat hij nauwelijks kon ontkomen door naar den oever te ontvluchten. Door den schrik bij die ontmoeting was zijn gezicht geheel scheefgetrokken; maar daar een misvormd man in Ierland niet kon regeeren, stelden zijn koningen en edelen onder verschillende voorwendsels, alles in het werk, alle spiegels uit het paleis verwijderd te houden, en zorgden zij er voor, dat hij geen kennis kreeg van den toestand, waarin hij verkeerde. Op zekeren dag echter wierp hij een roede naar een dienstmeid wegens de eene of andere nalatigheid, waarop de meid verontwaardigd uitriep: "Het ware beter voor u, Fergus, als gij u wreektet op het rivierpaard, dat uw gezicht heeft verdraaid, dan dappere daden tegenover vrouwen te verrichten!" Fergus beval hem een spiegel te brengen, en bekeek zich daarin. "Het is waar", zeide hij, "dit heeft het rivierpaard van Loch Rury gedaan."
De dood van Fergus.
Daarop trok Fergus de tooverschoenen aan, nam zijn zwaard in de hand en ging naar Loch Rury. Een geheelen dag en nacht bleef hij onder de golven buiten het gezicht, maar al de mannen van Ulster, die aan den oever stonden, zagen het meer koken en rood worden door zijn bloed. Toen bij het aanbreken van den dageraad ook de lucht rood werd, verrees hij--en in zijn hand hield hij den kop van Muirdris. De misvorming was verdwenen! Op zijn bevallig gelaat had iedere trek weer symmetrisch zijn plaats ingenomen; en allen die hem zagen ontdekten weer in zijn geheele gezicht de koninklijke rust, breed en kalm. Hij glimlachte, wierp de tropee op den oever, en sprak "mannen van Ulster, ik heb overwonnen"! daarna verzonk hij in de diepte.
Dit schoone verhaal is door Standish Hayes O'Grady in zijn "Silva Gadelica" uitgegeven. De luimige behandeling van het tooverelement in de geschiedenis zou er op wijzen, dat het behoort tot een latere periode der Iersche legenden, maar het tragische en edele slot wijst er onmiskenbaar op, dat het paste in de bardenliteratuur van Ulster, en het valt binnen dezelfde orde van denkbeelden, als de verhalen van Cuchulain, en is zelfs misschien uit dezelfde periode afkomstig.
Beteekenis van Iersche plaatsnamen.
Voordat wij met dezen uitgebreiden cyclus van legendenliteratuur eindigen, willen wij nog even wijzen op datgene, wat misschien de aandacht van enkele lezers heeft getrokken--hoezeer de voornaamste karakters en episodes genoemd zijn in de nog overgebleven plaatsnamen van het land. [168] Dit geldt in het algemeen voor Iersche legenden, maar vooral voor den cyclus van Ulster. Getrouw hebben die namen, gedurende vele eeuwen van duisternis en vergetelheid, gewezen op de verborgen schatten van helden-romantiek, die de arbeid van onze dagen nu aan het licht brengt. De naam van de kleine stad Ardee, brengt ons, [169] zooals wij gezien hebben, den tragischen dood in herinnering van Ferdia door toedoen van zijn trouwsten makker, den edelsten held van Wales. De puinhoopen van Dun Baruch, waar Fergus op het verraderlijke festijn was genoodigd, zien nog neer op de wateren van Moyle, waarover Naisi en Deirdre hun tragisch lot tegemoet gingen. Ardnurchar, de Heuvel van den Geslingerden Steen, in Westmeath, [170] brengt ons de geschiedenis van den fieren monarch voor den geest, de menigte toeschouwende vrouwen, en den zich bukkenden vijand met het doodelijke werptuig, dat de wraak van Mesgedra droeg. De naam Armagh, of Ard Macha, de Heuvel van Macha, bewaart de herinnering aan de tooverbruid en haar heldenoffer, terwijl nog steeds de graswal zichtbaar is, waar de oorlogsgodin in de oudere legende met de pen van haar speld den omtrek uitzette, toen zij de koninklijke vesting Ulster stichtte. Wij zouden nog een aantal bladzijden met die voorbeelden kunnen vullen. Misschien zijn in geen ander modern land plaatsnamen zóó zeer verbonden met bepaalde legenden als in Ierland. Poëzie en mythen zijn daar nog altijd nauw verbonden met den grond van het land--een feit, waarin een bron van opvoeding en bezieling der edelste soort voor de hand ligt, als wij maar in staat waren die te zien en de kunst verstonden, daarvan gebruik te maken.
HOOFDSTUK VI: VERHALEN UIT DEN CYCLUS VAN OSSIAN.
De Fianna van Erin.
Evenals de verhalen van den Cyclus van Ulster zich concentreeren om de heldenfiguur van den hond van Cullan, zoo concentreeren zich die van den Cyclus van Ossian om de figuur van Finn mac Cumhal [171], wiens zoon Oisin [172] (of Ossian, zooals Macpherson hem genoemd heeft in de zoogenaamde vertalingen uit het Galisch, waardoor hij voor het eerst in de Engelsch sprekende wereld werd ingevoerd) was zoowel een dichter als een krijgsman, en is de traditioneele vervaardiger van de meeste dier verhalen. Men meent, dat de gebeurtenissen van den Cyclus van Ulster hebben plaats gegrepen omstreeks de geboorte van Christus. Die van den Cyclus van Ossian vielen meestal tijdens de regeering van Cormac mac Art, die leefde in de derde eeuw na Christus. Gedurende zijn regeering bereikten de Fianna van Erin, die worden voorgesteld als een soort van militaire orde, welke hoofdzakelijk bestond uit de leden van twee Clans, Clan Bascna en Clan Morna, en van wie men meende, dat zij zich verbonden hadden tot den dienst van den opperkoning en tot het verdrijven van vreemde invallers, hun hoogsten roem onder het opperbevel van Finn.
De kroniekschrijvers van het oude Ierland behandelden de geschiedenis van Finn en de Fianna, in hare voornaamste trekken, als gewone geschiedenis. Dit kan zeker niet juist zijn. Ierland had geen vreemde overweldigers gedurende de periode, toen de Fianna geacht werden gebloeid te hebben, en de verhalen werpen geen spoor van licht op de werkelijke geschiedenis van het land; zij hebben veel meer betrekking op een tooverland, dat bevolkt is door bovennatuurlijke wezens, schoon of verschrikkelijk, dan met een werkelijk deel der aarde, dat door echte mannen en vrouwen bewoond wordt. De moderne critische lezer van die verhalen zal spoedig inzien, dat het ijdel zou zijn te willen zoeken naar eenigen op feiten berustenden grondslag in die glinsterende luchtspiegeling. Maar die luchtspiegeling werd geschapen door dichters en vertellers van zoo buitengewone gaven voor die soort van literatuur, dat zij onmiddellijk een stevig houvast kreeg op de verbeelding der Iersche en der Schotsche Galiërs.
De Ossian-Cyclus.
De oudste verhalen van dezen cyclus, die nog zijn overgebleven, worden gevonden in handschriften der elfde en der twaalfde eeuw, en werden waarschijnlijk enkele eeuwen vroeger samengesteld. Maar de cyclus bleef krachtig groeien gedurende een periode van duizend jaar, tot aan het "Lied van Oisin in het Land der Jeugd", van Michael Comyn, dat omstreeks 1750 werd samengesteld, en dat de lange geschiedenis der Galische literatuur afsloot. Men schat, [173] dat indien alle vertellingen en gedichten van den Ossian-Cyclus, die nog zijn overgebleven, konden worden gedrukt, zij een goede vijf en twintig deelen van de grootte van dit werk zouden vullen. Bovendien zou een zeer groot gedeelte van die literatuur, al waren er volstrekt geen handschriften, gedurende de laatste en de voorafgaande eeuwen kunnen zijn opgevangen van de lippen van wat dwaselijk een "ongeletterde" boerenstand in de Hooglanden en in de Galisch sprekende gedeelten van Ierland is genoemd. Het moet ons zeker wel belang inboezemen, het karakter eener literatuur te bestudeeren, die in staat is geweest, zulk een betoovering uit te oefenen.
Verschil met den Cyclus van Ulster.
Laat ons beginnen met de opmerking, dat de lezer zich in een geheel andere atmosfeer zal vinden dan die waarin de helden van den Cyclus van Ulster leven en zich bewegen. Alles spreekt van een latere periode, toen het leven liefelijker en zachter was, toen men meer in steden en nederzettingen leefde, toen het Volk van Dana duidelijker feëen en minder godheden waren, toen in de letterkunde de elementen van wonderen en romantiek de overhand hadden, en de ijzeren snaar van heldenmoed en zelfopoffering, niet zooveel meer meeklonk. Er is in de Ossian litteratuur een bewust genot in de woeste natuur, in landschappen, in het gezang van vogels, de muziek der jacht in de bosschen, in geheimzinnige en romantische avonturen, wat alles onmiskenbaar spreekt van een tijd, toen op het vrije leven in de open lucht "onder de groene boomen" werd terugzien en dat geïdealiseerd werd, maar dat leven niet meer als regel werd geleefd door hen die het bezingen. Ook is er een gewichtig verschil in de plaats der handeling. De verhalen van Conor waren het uitvloeisel van een litteraire beweging, die haar oorsprong had te midden van de frissche heuvelen of op de sombere door rotsen omgeven kusten van Ulster. In den Ossian-Cyclus bevinden wij ons in de binnenlanden van het zuiden van Ierland. Veel van de handeling heeft plaats te midden der zachte betoovering van het landschap Killarney, en het verschil tusschen de beide streken weerspiegelt zich in het ethische karakter der vertellingen.
In den Cyclus van Ulster zal men opmerken, dat hoe buitensporig men gebruik gemaakt heeft van het bovennatuurlijke element, de eindbeteekenis van bijna ieder verhaal, het einddoel, waarop de geheele bovennatuurlijke opzet uitloopt, iets werkelijks en menschelijks is, iets wat in verband staat met de deugden of de ondeugden, de hartstochten of de plichten van mannen en vrouwen. Dit is, in het algemeen gezegd, bij den Ossian-Cyclus niet het geval. De edeler ader der literatuur schijnt uitgeput te zijn, en wij hebben nu schoonheid alleen ter wille van de schoonheid, romantiek ter wille der romantiek, afgrijzen of geheimzinnigheid ter wille van de spanning, die zij opwekken. De Ossian-verhalen zijn "liefelijke verschijningen, gezonden om een oogenblik tot sieraad te strekken." Zij missen dat eigenaardige, dat in de edelste kunst, zoowel als in de edelste persoonlijkheden wordt gevonden, dat de gave heeft "te waarschuwen, te troosten, te beheerschen."
De komst van Finn.
Koning Cormac mac Art was ongetwijfeld een historische figuur, wat misschien meer is dan wij van Conor mac Nessa kunnen beweren. Of er een werkelijke persoonlijkheid schuilt achter de roemrijke figuur van zijn grooten legeraanvoerder Finn, is moeilijker te zeggen. Maar het is voor ons doel niet noodig, ons in dit vraagstuk te verdiepen. Hij was een schepping van den Keltischen geest in één land en in één periode van zijn ontwikkeling, en het is hier onze taak, na te gaan, wat voor soort van karakter de Iersche geest wenschte te idealiseeren en te dramatiseeren.
Finn stamde, zooals de meeste Iersche helden, gedeeltelijk af van het Volk van Dana. Zijn moeder, Murna met den Witten Nek, was de kleindochter van Nuada met de Zilveren Hand, die gehuwd was met Ethlinn, de dochter van Balor den Fomoriër, die aan Kian den Zonnegod Lugh gebaard had. De vader van Finn was Cumhal,de zoon van Trenmor. Hij was het opperhoofd van den Clan Bascna, die met den Clan Morna streed om de oppermacht over de Fianna, en door dezen werd ten onder gebracht en gedood in den slag bij Knock. [174]
Onder den Clan Morna was een man, Lia genaamd, heer van Luachar in Connacht, die de schatmeester der Fianna was, en die den zak met schatten bewaarde, een zak vervaardigd van de huid van kraanvogels, en waarin hij tooverwapenen en kostbare juweelen had, die nog afkomstig waren uit den tijd van het Volk van Dana. En hij werd ook schatbewaarder van den Clan Morna en bewaarde nog steeds den zak in Rath Luachar.
Murna zocht na de nederlaag en den dood van Cumhal een schuilplaats in de bosschen van Slieve Bloom, [175] en daar bracht zij een jongen ter wereld, dien zij Demna noemde. Uit vrees, dat de Clan Morna hem zou ontdekken en dooden, liet zij hem opvoeden in het dichte bosch door twee oude vrouwen, en zelf trouwde zij met den koning van Kerry. Maar toen Demna tot een knaap was opgegroeid werd hij "Finn" of de Blanke genaamd, om de blankheid van zijn huid en zijn gouden haren, en onder dien naam was hij later voortdurend bekend. Zijn eerste daad was, Lia te dooden, die den zak met schatten van de Fianna had, waarna hij zich van den zak meester maakte. Daarna spoorde hij zijn oom Crimmal op, die met enkele andere oude mannen, die van de hoofden van de Clan Bascna in het leven waren gebleven, en aan het zwaard te Castleknock ontsnapt waren, in groote armoede en zeer treurig leefden in de schuilhoeken der bosschen van Connacht. Hij voorzag hen van een gevolg en een lijfwacht uit de jongelingen, die zijn fortuin volgden, en gaf hun den zak met schatten. Hij zelf ging uit om poëzie en wetenschap zoo volmaakt mogelijk te leeren van een ouden wijze en Druïde, Finegas genaamd, die aan de Boyne woonde. Hier in een poel dier rivier woonde onder de takken van een hazelaar, waarvan de Noten der Kennis op de rivier vielen, Fintan de Zalm der Kennis, waarvan het bekend was, dat wie daarvan at alle wijsheid der eeuwen zou bezitten. Finegas had herhaaldelijk getracht dien zalm te vangen, maar was daar niet ingeslaagd, totdat Finn gekomen was, om zijn leerling te worden. Toen ving hij hem op zekeren dag, en gaf hem Finn, om hem te koken, met het bevel daarvan zelf niet te eten, maar hem te waarschuwen als hij klaar was. Toen de knaap den zalm binnenbracht, zag Finegas, dat zijn uiterlijk veranderd was. "Hebt gij van den zalm gegeten?" vroeg hij. "Neen," antwoordde Finn, "maar toen ik hem aan het spit omdraaide, brandde ik mijn duim, en stak dien in mijn mond." "Neem den Zalm der Kennis en eet er van," zeide Finegas daarop, "want in u is de voorspelling bewaarheid. En ga nu heen, want ik kan u niets meer leeren."
Daarna werd Finn even wijs als hij krachtig en dapper was, en men verhaalt, dat zoo dikwijls hij wenschte te raden, wat zou gebeuren, of wat op een afstand geschiedde, hij slechts zijn duim in den mond behoefde te steken, en daarop te bijten, waarna de kennis, die hij wenschte te verwerven, de zijne zou zijn.
Finn en de booze geest.
In dien tijd was Goll, de zoon van Morna, de aanvoerder der Fianna van Erin, maar toen Finn den mannelijken leeftijd had bereikt, wilde hij de plaats van zijn vader Cumhal innemen. Daarom ging hij naar Tara, en zat hij tijdens de Groote Vergadering, als niemand zijn hand tegen een ander mocht opheffen binnen het grondgebied van Tara, neder onder de krijgslieden des konings en de Fianna. Eindelijk merkte de koning hem als vreemdeling onder hem op, en vroeg hem zijn naam en afkomst te noemen. "Ik ben Finn, de zoon van Cumhal", zeide hij, "en ik ben hier gekomen om onder u dienst te nemen, zooals mijn vader gedaan heeft, o koning." De koning nam hem gaarne op, en Finn legde een eed af, dat hij hem trouw zou dienen. Niet lang daarna kwam de tijd van het jaar, waarop Tara verontrust werd door een boozen geest, die tegen het aanbreken van den nacht kwam en vuurkogels wierp tegen de koninklijke stad en die in vlam zette, en niemand kon den strijd tegen hem opnemen, want zoodra hij kwam speelde hij zóó liefelijk op de harp, dat ieder die het hoorde, in droomen werd gehuld, en alles op aarde vergat, om naar die muziek te kunnen luisteren. Toen dit Finn was medegedeeld, ging hij tot den koning en zeide: "Zal ik, als ik den boozen geest dood, de plaats van mijn vader krijgen, als hoofd der Fianna?" "Ja zeker," zeide de koning en bij eede verbond hij zich daartoe.
Onder de krijgslieden behoorden ook een oude volgeling van Cumhal, den vader van Finn, die een tooverspeer bezat met een bronzen kop en klampen van Arabisch goud. De kop was omhuld door een leeren foedraal, en zij had de eigenschap, dat als het bloote lemmer tegen het voorhoofd van iemand gehouden werd, deze een zóó groote kracht en krijgswoede zou krijgen, dat hij in iederen strijd onoverwinnelijk zou worden. Fiacha gaf die speer aan Finn, en leerde hem hoe die te gebruiken, en daarmede wachtte hij de komst af van den boozen geest op de wallen van Tara. Toen de nacht viel en de nevelen zich in de wijde vlakte rondom den heuvel begonnen te verzamelen, zag hij een donkeren vorm snel naar hem toekomen en hoorde hij de tonen der tooverharp. Maar door de speer tegen zijn voorhoofd te houden, schudde hij de betoovering van zich af, en het spook vluchtte voor hem weg naar den Tooverheuvel van Slieve Fuad, en daar haalde Finn hem in en doodde hem, en bracht zijn hoofd naar Tara terug.
Daarop plaatste koning Cormac Finn voor de Fianna, en beval hen allen, hem gehoorzaamheid te zweren als hun hoofd of anders ergens anders dienst te nemen. En het eerst van allen legde Goll mac Morna den eed af, en daarop volgden al de overigen, en Finn werd het hoofd van de Fianna van Erin, en regeerde over hen totdat hij stierf.
De voornaamste volgelingen van Finn: Conan mac Lia.
Met de komst van Finn bereikten de Fianna van Erin den hoogsten bloei, en na zijn dood taande hun roem weer. Want hij regeerde zooals geen ander aanvoerder ooit had gedaan, zoowel krachtig als verstandig, en nooit koesterde hij tegen iemand een wrok, maar vergaf iemand gaarne alle overtredingen behalve trouweloosheid tegen zijn heer. Zoo verhaalt men, dat Conan, de zoon van den heer van Luachar, die den zak met schatten in bezit had, en die door Finn bij Rath Luachar was verslagen, gedurende zeven jaar vogelvrij verklaard en een strooper was, die de Fians voortdurend lastig viel, en hier een man, daar een hond doodde, woningen in brand stak en het vee weg voerde. Eindelijk werd hij te Carn Lewy in Munster in een hoek gedreven, en toen hij zag, dat hij niet meer kon ontsnappen, sloop hij achter Finn toen deze na een jacht ter neder zat en sloeg van achteren zijn armen om hem heen, waarbij hij hem zóó vast hield, dat beweging onmogelijk was. Finn wist, wie hem zoo vast hield, en zeide: "Wat wilt gij Conan?" Conan antwoordde: "Ik wil met u een verdrag sluiten, dat ik u trouw zal dienen, want ik kan uw toorn niet langer ontloopen." Finn lachte daarop en zeide; "Het zij zoo, Conan, en als gij blijkt trouw en dapper te zijn, zal ik mijn belofte houden." Conan diende hem daarna dertig jaar lang, en van al de Fianna was er niemand dapperder en kloeker in den strijd.
Conan mac Morna.
Er was nog een andere Conan, en wel mac Morna, die zwaar en kaal was, en lomp in mannelijke oefeningen, maar wiens tong bitter en gemeen was; er werd geen edele of dappere daad verricht, die niet door Conan den Kale belachelijk werd gemaakt of naar beneden gehaald. Men verhaalt, dat hij langs zijn rug en zijn kruis de vacht van een zwart schaap droeg in plaats van de huid van een man, en dit kwam op de volgende wijze voor den dag. Op zekeren dag, toen Conan met enkele anderen van den Fianna in het bosch op jacht was kwamen zij bij een statige dun met witte muren, met gedekt gekleurd riet en zij traden naar binnen, om daar gastvrijheid te zoeken. Maar toen zij binnen gekomen waren, vonden zij er niemand, alleen een groote ledige zaal met pilaren van cederhout en zijden behangsels, zooals men die vindt in de zaal van een rijken edele. In het midden der zaal was een tafel, gedekt met een rijken voorraad zwijnenvleesch en wild, en een groot vat van taxishout, vol met rooden wijn, en bekers van goud en zilver. Zij zetten zich dus vroolijk neder om te eten en te drinken, daar zij na de jacht hongerig waren, en zij spraken en lachten luide rondom de tafel. Maar één van hen sprong na korten tijd overeind met een kreet van vrees en verbazing, en allen keken om en zagen voor hun oogen, dat de met tapijten behangen muren veranderden in ruwe houten balken, en de zoldering in gewoon, roetachtig stroo, zooals men dat vindt in de hut van een veehoeder. Hieruit bleek het, dat zij door een betoovering van het toovervolk waren gevangen, en allen sprongen overeind en spoedden zich naar den uitgang, die niet langer hoog en statig was, maar verminderd was tot de grootte van een vossegat--behalve Conan de Kale, die gulzig de lekkere spijzen op de tafel verslond en nergens anders op lette. Nu schreeuwden zij hem toe, en toen de laatste van hen naar buiten trad, trachtte hij op te staan en te volgen, maar hij bleek vastgeplakt aan zijn stoel, zoodat hij zich niet kon bewegen. Daarom holden twee der Fianna, toen zij zagen in welke moeilijkheid hij verkeerde, terug, pakten hem bij de armen en trokken zoo hard zij konden en bij het wegrukken bleef het grootste deel van zijn kleeding en van zijn huid aan den stoel hechten. Niet wetend wat anders met hem te doen in zijn pijnlijken toestand, sloegen zij toen op zijn rug wat zij het dichtst in hun bereik vonden, namelijk de huid van een zwart schaap dat zij namen van de kudde van een boer in de nabijheid, en deze groeide daaraan vast en Conan droeg die tot hij stierf.
Hoewel Conan een lafaard was en hij zich zelden in een gevecht waagde met de Fianna, viel toch eens, aldus luidt het verhaal, een sterk man door zijn hand. Dat was op den dag van den grooten veldslag met de rooversbende op den Slachting-heuvel in Kerry [176]. Want Liagan, een van de roovers, ging voor den troep staan en daagde den dapperste der Fians uit tot een tweegevecht en de Fians duwden spottend Conan naar voren. Toen hij verscheen, begon Liagan te lachen, want hij had meer kracht dan geest, en hij zeide: "Het is dwaas dat ge komt, gij armzalige oude man." En toen Conan nog nader bij kwam hief Liagan woest zijn hand op, en Conan zeide: "Voorwaar ge loopt meer gevaar van den man achter, dan van den man voor u." Liagan keek om en op dat oogenblik sloeg Conan hem het hoofd af, toen wierp hij zijn zwaard weg en liep naar de gelederen der lachende Fians. Maar Finn was zeer vertoornd, omdat hij de overwinning had behaald door een list.
Dermot O'Dyna.