Keltische Mythen en Legenden

Chapter 2

Chapter 23,468 wordsPublic domain

Wij hebben reeds melding gemaakt van twee der groote oorlogen, door de op het vasteland wonende Kelten gevoerd; wij komen thans tot den derden, dien tegen de Etruskers, die hen ten slotte in botsing bracht met de grootste macht van het heidensche Europa, en aanleiding gaf tot hun grootste wapenfeit, de plundering van Rome. Omstreeks het jaar 400 v.C. schijnt het Keltische rijk het toppunt van zijn macht te hebben bereikt. Onder een koning, bij Livius Ambicatus genoemd, die waarschijnlijk het hoofd van een overheerschenden stam was in een militairen bond, zooals in onze dagen de Duitsche Keizer, schijnen de Kelten in sterke mate te zijn samengesmeed tot een politieke eenheid, en een op eenzelfde doel gerichte politiek te hebben gevolgd. Daar zij aangetrokken waren door het vruchtbare land van Noord-Italië, daalden zij af door de passen der Alpen, en wisten zij zich daar, na hevige gevechten met de Etruscische inwoners, te handhaven. In die dagen drongen de Romeinen van beneden af op de Etruskers aan, en Romeinen en Kelten werkten volkomen met elkander in overleg en voor dat doel verbonden met elkander samen. Maar de Romeinen, die waarschijnlijk een groote minachting hadden voor de Noordelijke barbaarsche krijgslieden, hadden de onbezonnenheid oneerlijk spel met hen te spelen bij het beleg van Clusium (301 v.C.) welke plaats de Romeinen beschouwden als één der bolwerken van Latium tegen het noorden. De Kelten herkenden Romeinen, die bij hen gekomen waren in het onschendbare karakter van afgevaardigden, als strijders onder de rijen van den vijand. De gebeurtenissen, die toen volgden, zijn, in den vorm, waarin zij tot ons zijn gekomen, zeer vermengd met legenden, maar er zijn toch enkele trekken onder van dramatische kracht en levendigheid, waarin het ware karakter der Kelten duidelijk herkenbaar naar voren treedt. Zooals ons wordt verhaald, wendden zij zich tot Rome, om genoegdoening te krijgen voor het verraad der afgezanten, de drie zonen van Fabius Ambustus, den opperpriester. De Romeinen weigerden aan dien eisch gehoor te geven, en kozen juist de Fabii tot militaire tribunen voor het volgende jaar. Daarop braken de Kelten het beleg van Clusium op en trokken regelrecht op Rome af. Zij dachten er niet aan, op goed geluk te plunderen of te verwoesten, zij vielen geen enkele stad of vesting aan. "Wij zijn op weg naar Rome," zoo riepen zij tot de wachten op de muren der provinciesteden, die verwonderd en beangst den ontzaglijken troep, die onafgebroken naar het zuiden trok, nastaarden. Eindelijk bereikten zij de Allia, enkele mijlen van Rome af, waar de geheele beschikbare troepenmacht der stad in slagorde stond geschaard om hen tegemoet te trekken. De slag werd geleverd den 18den Juli 390, dien ongelukkigen _dies Alliensis_, die lange jaren in den Romeinschen kalender de herinnering levendig hield aan de diepste vernedering, die de Republiek ooit heeft ondergaan. De Kelten omsingelden het Romeinsche leger en vernietigden het in één enkelen geweldigen aanval. Drie dagen later waren zij in Rome, en omstreeks een jaar bleven zij meester van de stad of van haar puinhoopen, totdat een groote geldboete was betaald en de trouweloosheid bij Clusium ten volle was gewroken. Omstreeks een eeuw lang nadat het vredesverdrag gesloten was, bleef de vrede tusschen de Kelten en de Romeinen gehandhaafd, en het verbreken van dien vrede, toen enkele Keltische stammen zich met hun ouden vijand, de Etruskers, verbonden tijdens den derden Samnietischen oorlog, viel samen met het ineenstorten van de Keltische macht. [16] Wij moeten thans nog twee vragen bespreken voordat wij het geschiedkundige gedeelte van deze Inleiding kunnen afsluiten. In de eerste plaats, wat zijn de bewijzen dat de Keltische macht zich gedurende die periode zoover over Midden-Europa heeft verspreid? In de tweede plaats, waar waren toen de Germaansche volksstammen, en wat was hun verhouding tot de Kelten?

Keltische plaatsnamen in Europa.

Het zou ons te ver tot philologische vraagstukken terugvoeren, die alleen de wetenschappelijke beoefenaar der Keltische wetenschappen ten volle kan waardeeren, als wij deze vragen volledig zouden willen beantwoorden. Men vindt de bewijzen volledig ontwikkeld in het werk van de Jubainville, waarnaar wij reeds herhaaldelijk hebben verwezen. De studie der Europeesche plaatsnamen vormt den grondslag zijner bewijsvoering. Neem bij voorbeeld den Keltischen naam _Noviomagus_, samengesteld uit twee Keltische woorden, waarvan het bijvoeglijk naamwoord "nieuw" beteekent en _magos_ (in het Iersch _magh_) een veld of vlakte. [17] Er waren in de oudheid negen plaatsen met dien naam bekend. Zes waren in Frankrijk gelegen, daaronder de plaatsen, nu Noyon, in Oise gelegen, Nyon in de Vogezen, Nyons, in Drôme. Buiten Frankrijk waren er drie, en wel Nijmegen, in de Nederlanden, Neumagen, in het Rijnland en één in Spier, in het Palatinaat.

Het woord _dunum_, dat nog zoo veelvuldig in onzen tijd in plaatsnamen kan worden herkend (Dundalk, Dunrobius enz.) en dat vesting of kasteel beteekent, is een tweede typisch Keltisch element in Europeesche plaatsnamen. Het kwam zeer dikwijls in Frankrijk voor--b.v. _Lugdunum_ (Lyon), _Virodunum_ (Verdun). Men vindt het ook in Zwitserland--b.v. _Minno-dumun_ (Moudon), _Eburo-dunum_ (Yverdon)--en in Nederland, waar de naam Leiden kan teruggevoerd worden tot het Keltische _Lug-dunum_. In Groot-Brittannië werd de Keltische uitdrukking dikwijls eenvoudig vertaald door _castra_; zoo werd _Camulo dunum_ Colchester, _Brano-dunum_ Brancaster. In Spanje en Portugal worden door classieke schrijvers acht namen, die op _dunum_ eindigen, vermeld. In Duitschland kunnen de moderne namen Kempton, Karnberg, Liegnitz, teruggevoerd worden tot de Keltische vormen _Cambo-dunum_, _Carro-dunum_, _Lugi-dunum_, ook vinden wij een _Singi-dunum_, nu Belgrado in Servië, _Novi-dunum_, nu Isakstcha, in Rumenië, een _Carro-dunum_ in Zuid-Rusland, bij den Dniester, en een ander in Croatië, thans Pitsmeza. _Sego-dunum_, nu Rodez, in Frankrijk, wordt ook in Beieren gevonden (Wurzburg) en in Engeland _(Sege-dunum)_, nu Wallsend, in Northumberland, en het eerste gedeelte, _sego_, vindt men terug in Segorbe _(Sego-briga)_, in Spanje. _Briga_ is een Keltisch woord, de oorsprong van ons _burg_, en komt in beteekenis overeen met _dunum_.

Nog een ander voorbeeld: het woord _magos_, een vlakte, dat veel voorkomt als deel van Iersche plaatsnamen, wordt herhaaldelijk in Frankrijk gevonden, en ook buiten Frankrijk; in landen, die niet meer Keltisch zijn, komt het voor den dag in Zwitserland (_Uro-magus_, nu Promasens) in het Rijnland (_Broco-magus_, _Brumath_), in Nederland, zooals wij reeds opmerkten (Nijmegen), verschillende malen in Lombardije, en in Oostenrijk.

Wij hebben met die enkele voorbeelden het onderwerp volstrekt niet uitgeput, maar zij dienen alleen om een denkbeeld te geven hoezeer de Kelten over Europa verbreid waren, en om aan te toonen, dat over dat uitgestrekte gebied de taal der Kelten overal dezelfde was. [18]

Oude Keltische kunst.

De overblijfselen van oude Keltische kunstwerken geven alle hetzelfde beeld. In het jaar 1846 werd een groote vóór-Romeinsche necropolis (doodenstad) ontdekt te Hallstatt, bij Salzburg, in Oostenrijk. Het bevat overblijfselen, die naar de meening van Dr. Arthur Evans afkomstig zijn uit den tijd van 750 tot 400 v.C. Die overblijfselen wijzen in sommige gevallen op een hoogen trap van ontwikkeling en beschaving en een uitgebreiden handel. Men vindt daar barnsteen uit de Oostzee, Phoenicisch glas en goudblad van Oostersche bewerking. Er worden ijzeren zwaarden gevonden, waarvan de gevesten en scheeden rijkelijk versierd zijn met goud, ivoor en barnsteen.

De Keltische beschaving, zooals die zich openbaart in de overblijfselen te Hallstatt, ontwikkelden zich later in wat men noemt de beschaving uit de La-Tène periode. La Tène was een nederzetting aan het noordoostelijke uiteinde van het meer van Neuchâtel, en daar zijn een aantal voorwerpen van het hoogste belang gevonden, sedert die plaats in 1858 voor het eerst werd nagezocht. Die oudheden vertegenwoordigen volgens Dr. Evans het hoogtepunt der Gallische beschaving en dagteekenen van ongeveer de derde eeuw vóór Christus. Het type der kunst, die daar is gevonden, moet beoordeeld worden in het licht van een opmerking door Romilly Allan voor eenige jaren gemaakt in zijn "Keltische Kunst" (blz. 13).

"De groote moeilijkheid voor het begrijpen der ontwikkeling van de Keltische kunst is gelegen in het feit, dat de Kelten, hoewel zij nooit nieuwe denkbeelden schijnen te hebben uitgevonden, een buitengewone vatbaarheid bleken te hebben, om denkbeelden aan te grijpen en over te nemen van de verschillende volken, met wie zij hetzij door oorlogen, hetzij door handelsbetrekkingen in aanraking kwamen. En zoodra de Kelt een denkbeeld van zijn naburen had overgenomen, was hij in staat daaraan een zóó duidelijk Keltische kleur te geven, dat het spoedig iets werd, dat volkomen afweek van wat het oorspronkelijk geweest was, en dan ook bijna niet meer te herkennen was."

Wat nu de Kelten ontleenden aan de kunstbeschaving, die op het vasteland haar hoogtepunt bereikte in de overblijfselen van La Tène, waren bepaalde, oorspronkelijk aan de natuur ontleende motieven van Grieksche versierselen en wel in de eerste plaats de palmette- en de meander-motieven. Maar een eigenaardige karaktertrek van de Kelten was het, dat zij in hun kunst er tegen waakten, de natuurlijke vormen der planten- en dierenwereld na te bootsen of zelfs maar in de verte te naderen. Zij brachten alles terug tot zuivere versiering. Wat zij bij hun versieringen beoogden, was de afwisseling van breede kromme en golvende lijnen met dicht ineen gedrongen spiralen of krullen, en met die eenvoudige grondmotieven, en met overneming van enkele motieven, ontleend aan Grieksche kunst, bouwden zij een prachtig en fijn stelsel van versiering op, rijk aan afwisseling, dat zij toepasten op wapenen, sieraden en huishoudelijke voorwerpen van den meest verschillenden aard, in goud, brons, hout en steen, en voor zoover wij in staat zijn daarover te oordeelen, ook op geweven stoffen. Eén prachtige wijze van versiering van metaalwerk schijnt geheel haar oorsprong gehad te hebben in het Keltische gebied. Emailleeren was bij de classieke volken onbekend totdat zij het van de Kelten hadden geleerd. Tot zelfs in de derde eeuw na Christus was het voor de classieke wereld een vreemde bewerking, zooals wij vernemen uit een mededeeling van Philostratus:

"Zij zeggen, dat de barbaren, die in den oceaan gelegen zijn, (Britten) die kleuren gieten over verhit koper, dat deze zich daarop vasthechten, zoo hard worden als steen, en de patronen bewaren, die daarop zijn aangebracht."

Dr. J. Anderson schrijft in de "Verhandelingen van het Genootschap van Oudheidkundigen van Schotland:"

"De Galliërs, zoowel als de Britten--van denzelfden Keltischen stam--oefenden het emailleeren uit vóór de Romeinsche verovering. De werkplaatsen voor het emailleeren te Bibracte, met haar fornuizen, smeltkroezen, mallen en bruineersteenen, en met het ruwe email op de verschillende trappen van bewerking, zijn voor enkele jaren opgegraven uit de puinhoopen der stad, die door Caesar en zijn legioenen verwoest was. Maar het email van Bibracte is niets meer dan het werk van knoeiers op kunstgebied, vergeleken met het Britsche werk. De zetel der kunst was in Brittannië gevestigd, en de stijl der patronen, zoowel als de wijze, waarop zij in verband stonden met de voorwerpen, waarop de versiering was aangebracht, wezen er met absolute zekerheid op, dat zij haar hoogsten trap van inheemsche ontwikkeling had bereikt voordat zij in aanraking kwam met de Romeinsche beschaving." [19]

Het Nationale Museum te Dublin bevat een aantal prachtige voorbeelden van Iersche decoratieve kunst in goud, brons en email, en de "krachtige Keltische kleur" waarvan Romilly Allen spreekt, is even duidelijk daar waar te nemen als bij de overblijfselen van Hallstatt of La Tène.

Alles wijst dus op een gemeenschappelijke cultuur, op een volkomen gelijkheid in het karakter van het ras, dat men in het geheele uitgestrekte grondgebied vindt, en dat bij de oude wereld bekend stond als het gebied der Kelten.

Kelten en Germanen.

Maar, zooals wij te voren hebben opgemerkt, dit gebied was niet uitsluitend door de Kelten bewoond. In het bijzonder moeten wij trachten de vraag te beantwoorden, wie de Germanen, de Teuto-Gothische stammen waren, die ten slotte de plaats innamen der Kelten, als een uit het noorden afkomstige bedreiging der classieke beschaving; en tevens moeten wij nagaan, waar deze hun zetel hadden.

Zij worden genoemd door Pytheas, den voortreffelijken Griekschen reiziger en aardrijkskundige (omstreeks 300 v.C.), maar zij spelen geen rol in de geschiedenis, totdat zij onder den naam van Cimbren en Teutonen in Italië afdaalden, waar zij op het einde der tweede eeuw v.C. door Marius werden overwonnen. De oude Grieksche aardrijkskundigen van vóór den tijd van Pytheas weten niets van hen af, en schrijven het geheele gebied, dat thans als Germaansch bekend staat, aan verschillende Keltische stammen toe.

De verklaring, door de Jubainville gegeven, en die door hem is gegrond op verschillende philologische overwegingen, is deze, dat de Germanen een onderworpen volk waren, te vergelijken met die "onvrije stammen," die in Gallië en in het oude Ierland werden gevonden. Zij leefden onder de heerschappij der Kelten, en hadden geen onafhankelijk politiek bestaan. De Jubainville is van oordeel, dat alle woorden, die samenhangen met wet en regeering en met den oorlog, die zoowel voorkomen in de Keltische als in de Teutonische talen, door de Teutonen aan de Kelten waren ontleend. De voornaamste daaronder zijn de woorden, voorgesteld door het moderne Duitsche woord _Reich_ (Hollandsch, _rijk_), _Amt_ (Hollandsch, ambt) en het Gothische _reiks_, Koning, welke woorden alle ontwijfelbaar van Keltischen oorsprong zijn. De Jubainville telt eveneens onder de woorden, aan het Keltisch ontleend, _Bann_, een bevel, _Frei_, vrij; _Geisel_, een gijzelaar, _Erbe_, een erfenis; _Werth_, waarde; _Weih_, gewijd, _Magus_, een slaaf (Gothisch); _Wini_, een vrouw (Oud-Hoogduitsch); _Skalks_, _Schalk_, een slaaf (Gothisch); _Hartha_, slag (Oud-Duitsch); _Helith_, _Held_, een held, van denzelfden stam als het woord Kelt; _Heer_, een leger (in het Keltisch _choris_); _Sieg_, overwinning; _Beute_, buit; _Burg_, een kasteel; en nog een aantal andere woorden.

De etymologische geschiedenis van sommige van die woorden is bijzonder merkwaardig. _Amt_, bij voorbeeld, dat woord, dat van zoo groote beteekenis is in het moderne Germaansche staatsbestuur, kan teruggevoerd worden tot een oud Keltisch woord _ambhactos_, dat is samengesteld uit de woorden _ambi_, omtrent en _actos_ een verleden deelwoord, afgeleid van den Keltischen stam _AG_, dat handelen beteekent. Nu is _ambi_ afgeleid van het oorspronkelijke Indo-Europeesche _mbhi_, waar de _m_ aan het begin een soort van klinker is, die later in het Sanskrit is voorgesteld door _a_. Die klinker _m_ werd een _n_ in die Germaansche woorden, die onmiddellijk zijn afgeleid van de oorspronkelijke Indo-Europeesche taal. Maar het woord, dat nu door _amt_ wordt voorgesteld, komt in zijn oudsten Germaanschen vorm voor als _ambaht_, waaruit dus duidelijk blijkt, dat het afstamt van het Keltische _ambhactos_.

Zoo wordt het woord _frei_ in zijn oudsten Germaanschen vorm gevonden als _frijo-s_, dat afkomstig is van het oorspronkelijke Indo-Europeesche _prijo-s_. Het woord beteekent hier echter niet vrij; het beteekent bewind (Sanskrit _priya-s_). Wij zien echter, hoe in de Keltische taal _prijos_ zijn _p_ aan het begin verliest, in het oude Keltisch was de moeilijkheid, die letter uit te spreken een eigenaardig kenmerk; tevens veranderde de _j_, volgens een vasten regel, in _dd_, en zoo komt in de moderne volkstaal van Wales het woord voor onder den vorm _rhydd_--vrij. De Indo-Europeesche beteekenis is in de Germaansche talen blijven bestaan in den naam van de godin der liefde, _Freia_, en in de woorden _Freund_, vriend, _Friede_, vrede. De beteekenis van het woord op het gebied van het burgerlijk recht kan tot een Keltischen oorsprong worden teruggebracht, en schijnt in dien zin aan het Keltisch ontleend te zijn.

Het Germaansche _Beute_, buit, roof, heeft een bijzonder leerzame geschiedenis. Er bestond een Gallisch woord _bodi_, dat gevonden wordt in samenstellingen, zooals de plaatsnaam Segobodium (Seveux), en verschillende namen van personen en stammen, zooals Boudicca, beter bij ons bekend als de "Britsche strijdlustige koningin", Boadicea. Het woord beteekende oudtijds "overwinning." Maar de vrucht der overwinning is de buit, en in dien stoffelijken zin werd het woord overgenomen in het Duitsch, in het Fransch (_butin_), in het Noorsch (_byte_), en in de volkstaal van Wales (_budd_). Daarentegen heeft het woord zijn hoogere, meer verheven beteekenis gehouden in het Iersch. In de Iersche vertaling van Kronijken XXIX, 11, waar de Vulgata in het oorspronkelijke luidt: "Tua est, Domine, magnificentia et potentia et gloria et victoria", wordt het woord _victoria_ in het Iersch vertaald door _búaidh_, en zooals de Jubainville terecht opmerkt, "ce n'est pas de butin qu'il s'agit." Hij vervolgt zijn betoog aldus: "_Búaidh_ heeft in het Iersch, dank zij een krachtige en voortdurende beschaving, de verheven beteekenis gehouden, die het in de taal der Gallische aristocratie had. De stoffelijke beteekenis van het woord werd alleen opgemerkt door de lagere klassen der bevolking, en het is de overlevering van die lagere klassen, die in de Germaansche, Fransche en Cymrische talen is bewaard gebleven." [20]

Er waren echter twee dingen, die de Kelten òf niet wilden òf niet konden opdringen aan de overwonnen Germaansche stammen--hun taal en hun godsdienst. In die twee groote factoren van raseenheid en trots liggen de zaden van den opstand der Germanen en ten slotte van het omverwerpen der Keltische overmacht. De namen der Germaansche godheden verschillen van die der Keltische, ook hun begrafenisgebruiken, waarmede de diepste godsdienstige opvattingen der oorspronkelijke rassen samenhangen, zijn geheel andere. De Kelten, of ten minste het overheerschende gedeelte van hen, begroeven hun dooden, en beschouwden het gebruik van vuur als een vernedering, die alleen mocht worden opgelegd aan misdadigers, of aan slaven of gevangenen bij die vreeselijke menschenoffers, die de grootste smet zijn op hun oorspronkelijke cultuur. De Germanen daarentegen begroeven hun beroemde dooden op brandstapels, evenals de oude Grieken--en als geen brandstapel kon worden opgericht voor het geheele lichaam, dan werden de edelste deelen, zooals hoofd en armen, verbrand, terwijl het overige gedeelte werd begraven.

Ondergang van het Keltische rijk.

Wij zullen wel nooit met juistheid te weten komen, wat geschiedde ten tijde van den Germaanschen opstand; doch zeker is het, dat ongeveer na het jaar 300 v.C. de Kelten allen mogelijken politieken samenhang en alle gemeenschappelijk streven hadden verloren, die zij ooit hadden bezeten. Als waren zij door de uitbarsting van de eene of andere onderaardsche kracht uiteengescheurd, stortten hun stammen als stroomen lava neer naar het zuiden, oosten en westen van hun oorspronkelijke woonplaats. Enkelen baanden zich een weg naar Noord-Griekenland, waar zij het schandelijk vergrijp pleegden, dat hun vroegere vrienden en bondgenooten zoozeer ergerde, en wel de plundering van den tempel van Delphi (273 v.C.). Anderen hernieuwden, doch met slechter resultaat, den ouden strijd met Rome, en kwamen in groote menigte te Sentinum (295 v.C.) en bij het meer Vadimo (283 v.C.) om. Eén afdeeling drong tot Klein-Azië door, en stichtte den Keltischen staat Galatia, waar, zooals de Heilige Hieronymus verhaalt, nog in de vierde eeuw na Christus een Keltisch dialect werd gesproken. Anderen namen als huurtroepen dienst onder Carthago. Een woelige oorlog van Kelten tegen verstrooide Germaansche stammen, of tegen andere Kelten, die vroegere golvingen van veranderingen in woonplaats en van verovering vertegenwoordigden, werd over geheel Midden-Europa, Gallië en Brittannië gevoerd. Toen deze tot rust kwam, bleven Gallië en de Britsche eilanden feitelijk de eenige overblijfselen der Keltische oppermacht, de eenige landen, die nog onder Keltische wetten en onder Keltische leiding stonden. Tegen het begin der Christelijke jaartelling waren Gallië en Brittannië onder het juk van Rome gekomen, en was het slechts de vraag, hoe lang het nog zou duren, voordat zij in ieder opzicht in zeden en karakter geheel Romeinsch zouden geworden zijn.

De eigenaardige historische gesteldheid van Ierland.

Ierland was het eenige land, dat nooit door de Romeinsche legioenen bezocht, laat staan onderworpen was, en dat in naam zijn onafhankelijkheid tegen alle bezoekers wist te handhaven tot aan het einde der twaalfde eeuw, doch practisch zelfs nog een goede driehonderd jaar later.

Ierland is hierom dan ook van een zoo eigenaardige beteekenis, en boezemt ons dan ook hierom zooveel belang in, dat het een zuiver inheemsche Keltische beschaving, Keltische instellingen, kunst en letterkunde en den oudsten nog in leven gebleven vorm der Keltische taal [21] over de kloof draagt, die de oude wereld van de moderne scheidt, de heidensche van de Christelijke, en die haar brengt onder het volle licht der moderne geschiedenis en der moderne waarneming.

Het Keltische karakter.

De zedelijke zoowel als de lichamelijke karaktertrekken door de classieke schrijvers aan de Keltische volken toegeschreven, vertoonen een merkwaardige helderheid en bestendigheid. Veel wat omtrent hen wordt verhaald, zou, zooals wel te verwachten was, kunnen worden gezegd van ieder nog primitief en ongeletterd volk, maar er blijft toch zóóveel over, dat hen onder de verschillende menschenrassen onderscheidt, dat indien die oude mededeelingen omtrent de Kelten zouden worden voorgelezen zonder dat de naam van het ras genoemd werd, waarop zij sloegen, iedereen, die alleen door zijn kennis der nieuwe geschiedenis daarmede bekend was, zonder een oogenblik te aarzelen de Keltische volken zou noemen als die, waarvan in de beschrijving werd melding gemaakt.

Sommige van die mededeelingen zijn reeds door ons aangehaald, en wij behoeven de bewijzen niet te herhalen, die ontleend zijn aan Plato, Ephorus of Arrianus. Maar wel mogen wij hier een opmerking aanhalen, die M. Porcius Cato over de Galliërs maakt. "Er zijn twee dingen," zoo zegt hij, "waaraan de Galliërs bijzonder gehecht zijn--de krijgskunst en de scherpzinnige wijze van uitdrukking" ("rem militarem et argute loqui").

De beschrijving van Caesar.

Caesar heeft ons een nauwkeurige en critische beschrijving van hen gegeven, zooals hij ze in Gallië heeft leeren kennen. Zij waren, zooals hij zegt, bijzonder strijdlustig, maar spoedig door tegenspoed uit het veld geslagen. Zij waren zeer bijgeloovig, en onderwierpen zich aan de beslissing der Druïden in alle publieke en private aangelegenheden, en beschouwden het als de grootste straf, als zij in den ban werden gedaan en hun geweigerd werd aan de godsdienstige ceremoniën deel te nemen.