Keltische Mythen en Legenden

Chapter 19

Chapter 194,073 wordsPublic domain

Het terug winnen van de "Tain" is het onderwerp van een aantal legenden, die door Sir S. Ferguson in zijn "liederen van Westelijk Wales" zijn bijeengebracht in een gedicht, dat getuigt van een zoo helder inzicht in de geest der Galische mythen, dat wij het bij het weergeven van dit merkwaardig en schoone verhaal zooveel mogelijk op den voet zullen volgen. Het verhaal luidt, dat Sanchan Torpest, de voornaamste bard van Ierland, eens op een feest na het verlies van de "Tain" door den opperkoning Guary gehoond werd met het feit, dat hij niet in staat was het meest beroemde en het schitterendste der Galische gedichten voor te dragen. Dit tastte den bard in zijn eer, en hij besloot te trachten de verloren schat te herwinnen. Wijd en zijd door Erin en door Alba zocht hij naar sporen van het lied, maar hij kon niets anders dan verspreide stukken vinden. Hij zou zelfs door tooverkunsten den geest van Fergus hebben opgeroepen, om hem het lied te leeren, zelfs ten koste van zijn eigen leven--want dat zou, naar het schijnt, de prijs geweest zijn, die voor de tusschenkomst en de hulp van den doode geëischt werd--maar de plaats, waar Fergus was begraven en waar de tooverformulieren moesten worden opgezegd, kon niet worden ontdekt. Eindelijk zond Sanchan zijn zoon Murgen met diens jongeren broeder Eimena op reis naar Italië, om te trachten, daar het lot te ontdekken van het op stokken geschreven boek.

Beiden reisden nu in oostelijke en in westelijke richting over Erin, totdat Murgen na een langen tocht bij Loch Eïn niet verder kon. Zijn broeder ging toen alleen verder, na hem te hebben opgedragen, bij een rechtopstaande steen op zijn terugkomst te wachten.

Toen zag Murgen op de plaats waar hij leunde beneden aan de hoeken van den steenen pilaar letters in Oghamschrift. "Het is," zeide hij, "een grafsteen, en die strepen bevatten waarschijnlijk den naam van den één of anderen krijgsman; kon ik de teekens maar ontcijferen." Letter na letter spelde hij, totdat hij ontdekte, dat het opschrift luidde: _"Hier is Fergus, de Zoon van Roy begraven."_ Hoewel nu Murgen wist, welke straf er op stond, deed hij toch een beroep op Fergus, om medelijden te hebben met de droefheid van een zoon, en beloofde, als hij de "Tain" kon terugkrijgen, zijn leven te zullen offeren, zijn bloedverwanten en vrienden en de maagd, die hij liefhad, in den steek te zullen laten, opdat zijn vader niet zou worden beschimpt. Maar Fergus gaf geen teeken, en daarom deed hij op andere wijze nog eens een beroep op Fergus, en zeide: "Fergus, vrouwenliefde laat u nu onverschillig, voor kinderliefde, menschelijk instincten, zijt gij ongevoelig; maar als gij dan niet ter wille der liefde ontwaakt, doe het dan terwille van den zang. Gij waart de eerste, die de Galiërs de dichtkunst hebt gegeven; zij hebben tegenwoordig hun schoonste gaven verloren, doch laat het lied de eenige schat zijn, die hun in hun geboorteland is overgebleven."

Fergus stond op; met hem stak ook een nevel op, zóó dik, dat toen Eimena terugkeerde, hij die nevel niet kon doorboren. Den geheelen nacht echter hoorde Murgen de liefelijke stem weerklinken, en hoorde hij het lied van de "Tain". Bezield keerde hij naar Sancha terug; driemaal werd het geheele lied voorgedragen, totdat Murgen zijn trouwe geliefde opzocht en haar mededeelde, hoe hij zijn leven en zijn liefde voor haar had opgeofferd. De diep bedroefde maagd zegt hem, dat de onsterfelijke roem, dien de zanger deelachtig wordt, niet opweegt tegen één traan der geliefde.

Daarop zegt Sanchan, dat twee gouden bekers het loon zullen zijn van Murgen, als hij de woorden en de melodie van _Tain-Bo-Cueilgne_ regel voor regel kan voordragen.

En zoo zong Murgen het heerlijke lied, door Fergus vervaardigd, over de mannen van Ulster en over Cuchulain en Conall van de Overwinningen en over Cuchulains makker Ferdia. Doch zie, daar kwam onder heftige donderslagen _Fergus, de Zoon van Roy_ de zaal binnen, en eischte van den harpspeler het geëischte loon op. Plotseling veranderde Murgen in een stuk klei. "Leg hem," zoo sprak Fergus, "op zijn lijkbaar naast mij, nooit zal een inhalige koning mij meer bespotten; slaven zullen Sanchan voor den gek houden; maar omdat de maagd voor haar droevig lot dient getroost te worden, komt haar het duur gekochte loon, de beide gouden bekers, toe.

Doch het meisje wilde van die bekers niets weten en liet ze in den oceaan werpen, ver uit het gezicht en de herinnering, en zij voegde er de vervloeking aan toe, dat de _Tain-Bo_ met die bekers zou te gronde gaan, alsof die nooit was teruggevonden.

En zoo geschiedde het, dat het lied, dat eens ten koste van een zóó hoogen prijs was teruggevonden, bijna geheel is verloren gegaan, voordat het zelfs eenmaal volledig was gezongen.

De spookwagen van Cuchulain.

Cuchulain komt weer op indrukwekkende wijze ten tooneele in een latere legende van Christelijken oorsprong, die gevonden is in het "Boek der vale koe," uit de twaalfde eeuw. Het verhaal luidt, dat hij door St. Patrick uit de Hel is opgeroepen, om de waarheden van het Christendom en de afgrijselijkheid der verdoemenis te bewijzen aan den heidenschen vorst, Laery mac Neill, den koning van Ierland. Laery staat met St. Benen, een metgezel van St. Patrick op de Vlakte van mac Indoc, als een ijzige stormvlaag hen bijna van de voeten rukt. Het is de wind van de Hel, nadat deze voor Cuchulain geopend is, zoo verklaart Benen. Daarop bedekt een dichte nevel de vlakte, en dadelijk wordt een groote tooverwagen met galoppeerende paarden, een schimmel en een zwart paard, door den nevel heen zichtbaar. Daarin zijn de beide beroemde personen Cuchulain en zijn wagenmenner gezeten, reusachtige figuren, gewapend met al den glans van den Galischen krijgsman.

Daarna spreekt Cuchulain met Laery, en dringt er bij hem op aan, "in God en den Heiligen Patrick te gelooven, want het is niet een booze geest, die tot u gekomen is, maar Chuchulain de zoon van Sualtam." Om zijn identiteit te bewijzen, verhaalt hij zijn beroemde krijgsdaden en eindigt met een droevige beschrijving van zijn tegenwoordige toestand:

Hoeveel droefheid ik ook geleden heb, O Laery, te land en ter zee-- Eén enkele nacht was nog veel erger, Als de booze geest toornig was! Hoe groot mijn heldenmoed ook was, Hoe stevig ook mijn zwaard, De duivel drukte mij met één vinger neder In de roode houtskool!"

Hij eindigt met St. Patrick te smeeken hem den hemel te doen beërven en de legende verteld dat zijn bede werd verhoord en dat Laery tot het Geloof kwam.

Dood van Conor mac Nessa.

Ook om den dood van den heer van Cuchulain, Conor, den koning van Ulster, hebben zich Christelijke denkbeelden gegroepeerd. Hij stierf op de volgende wijze. Hij had een onrechtvaardigen en wreeden aanval gedaan op Mesgedra, den koning van Leinster, bij welke gelegenheid die vorst den dood vond door de hand van Conall van de Overwinningen [164]. Conall nam de hersenen uit het hoofd van den dooden koning en vermengde die met klei, om een slingersteen te vervaardigen--welke "hersenballen", zooals zij genoemd worden, beschouwd worden als de doodelijkste werptuigen. Die bal werd bewaard in de schatkamer van den koning te Emain Macha, waar de kampioen van Connacht, Ket, de zoon van Maga, dien op zekeren dag vond, toen hij vermomd op buit uitging door Ulster. Ket nam hem weg, en hield hem voortdurend bij zich. Niet lang daarna roofden de mannen van Connacht vee uit Ulster en de mannen van Ulster, haalden hen onder aanvoering van Conor in bij een wadde in Westmeath die nog Athnurchar (de wadde van den geworpen Slinger) heet. Een slag was op handen, en een aantal dames van Connacht kwamen aan den oever van de rivier om de beroemde krijgslieden van Ulster te zien, en vooral Conor, den statigsten man van zijn tijd. Conor was ook bereid zich te vertoonen, en daar hij niet anders dan vrouwen zag aan den anderen oever, kwam hij dicht bij haar; maar Ket, die in een hinderlaag op de loer lag, stond nu op en slingerde den hersenbal naar Conor en trof hem midden op het voorhoofd. Conor viel neer, en werd door zijn op de vlucht gejaagde volgelingen meegevoerd. Toen zij hem naar Emain Macha nog levend thuis hadden gebracht, verklaarde zijn geneesheer Fingen, dat hij moest sterven, als de bal uit zijn hoofd werd gehaald; deze werd daarom met gouddraad vastgenaaid, en den koning werd geraden zich te onthouden van paardrijden en van alle heftige inspanning en gemoedsbeweging, opdat hij er geen hinder van zou hebben.

Zeven jaar later zag Conor, dat de zon des middags werd verduisterd, en hij liet zijn Druïde komen, om hem de beteekenis van dit voorteeken te verklaren. De Druïde vertelt hem in een magische geestverrukking van een heuvel in een ver afgelegen land, waarop drie kruisen staan, aan elk waarvan een menschelijk gedaante was vastgespijkerd, en één van hen is als de Onsterfelijken. "Is hij een boosdoener?" vraagt Conor daarop. "Neen," zegt de Druïde, "maar de Zoon van den levenden God," en hij verhaalt de koning de geschiedenis van den dood van Christus. Conor barst in woede los, en na zijn zwaard getrokken te hebben, hakt hij op de eikeboomen in het heilige boschje los, en riep hij uit: "Zoo zou ik zijn vijanden behandelen," maar door de opwinding en inspanning barstte de hersenbal uit zijn hoofd en hij valt dood neer. En zoo is de wraak van Mesgedra vervuld. Met Conor en met Cuchulain is de glorie van de Rooden Tak en de overmacht van Ulster verdwenen. De volgende cyclus van Iersche legenden, die van Ossian, voert weer verschillende karakters ten tooneele, een omgeving van een andere natuurgesteldheid en geheel verschillende levensidealen.

Ket en het everzwijn van mac Datho.

Ket, de kampioen van Connacht, wiens voornaamste krijgsdaad het verwonden van koning Conor te Ardnurchar was, komt ook voor in een zeer dramatisch verhaal, dat tot titel draagt "Het voorsnijden van het everzwijn van mac Datho". De geschiedenis luidt aldus: Er woonde eens in de provincie Leinster een rijk, gastvrij heer, Mesroda genoemd, de zoon van Datho. Hij had twee bezittingen; en wel een hond, die harder liep dan eenige andere hond of eenig ander wild dier in Erin en een everzwijn, dat het mooiste en grootste was dat ooit door iemand was gezien.

De faam van dien hond was over het geheele land verspreid, en groot was het aantal vorsten en edelen, die hem wilden bezitten. Zoo kwam het, dat Conor, de koning van Ulster en Maev, de koningin van Connacht, boden naar mac Datho zonden met de vraag, hun den hond te verkoopen, en beide boden kwamen denzelfden dag aan de dun van mac Datho. De bode uit Connacht zeide: "Wij zullen u in ruil voor den hond zeshonderd melkkoeien geven en een wagen met twee paarden, de beste, die in Connacht te vinden zijn, en een jaar later zult gij nog eens hetzelfde krijgen." En de bode van koning Conor zeide: "Wij zullen niet minder dan Connacht geven en daarbij de vriendschap en het bondgenootschap met Ulster, en dat is meer voor u waard dan de vriendschap van Connacht.

Daarop verzonk Mesroda mac Datho in diepe stilte, en drie dagen lang weigerde hij te eten en te drinken, en des nachts kon hij niet slapen, maar woelde onrustig op zijn bed heen en weer. Zijn vrouw zag in welken toestand hij was, en sprak tot hem: "Gij hebt lang gevast, Mesroda, hoewel er overvloed van goed voedsel naast u staat, en des nachts draait gij uw gelaat tegen den muur, en ik weet zeer goed, dat gij niet slaapt. Wat is de reden van uw onrust?"

"Er is een spreuk," antwoordde mac Datho, die luidt: "Vertrouw een knecht geen geld, en een vrouw geen geheim."

"Wanneer zou een man met een vrouw spreken," antwoordde zijn vrouw, "als hij het niet doet, als hij in moeilijkheden verkeerd? Wat uw geest niet kan oplossen, kan misschien die van een ander doen."

Daarop vertelde mac Datho zijn vrouw van het verzoek om zijn hond zoowel van Ulster als van Connacht op hetzelfde oogenblik. "En wien van beiden ik het weiger, die zal mijn vee wegrooven en mijn mannen dooden."

"Hoor dan naar mijn raad," zeide de vrouw. "Geef hem aan beiden, en laten zij hem komen halen, en als er geplunderd moet worden, laat hen dan liever elkander plunderen; maar in geen geval moogt gij den hond houden."

Mac Datho volgde dien wijzen raad, en noodigde de mannen van Ulster en Connacht uit op een groot feest op denzelfden dag, onder mededeeling, dat zij den hond daarna konden krijgen.

Zoo kwamen dan op den vastgestelden dag Conor van Ulster, en Maev, met hun gevolg van vorsten en aanzienlijken bijeen in de dun van mac Datho. Daar zagen zij een groot feest aangericht, en mac Datho had als hoofdgerecht zijn beroemd everzwijn laten dooden, een dier van ontzaglijke grootte. De vraag kwam toen ter sprake, wien de eervolle taak zou worden opgedragen, het voor te snijden, en Bricriu van de Vergiftigde Tong stelde in overeenstemming met zijn strijdlustigen aard voor, dat de krijgslieden van Ulster en Connacht hun voornaamste krijgsdaden zouden vergelijken, en het voorsnijden van het everzwijn zouden opdragen aan hem, die zich het verdienstelijkst had gemaakt bij de gevechten, die steeds aan de grens van beide provincies werden geleverd. Na veel heen en weer praten en na veel beleedigingen gaat Ket, de zoon van Maga, over het everzwijn staan, met het mes in de hand, en daagt ieder der edelen van Ulster uit, hun dappere daden met de zijne te vergelijken. Een voor een staan zij op, Cuscrid de zoon van Conor, Keltchar, Moonremur, Laery de Zegevierder, en anderen--Cuchulain komt in dit verhaal niet ten tooneele--en bij ieder verhaal weet Ket de ééne of andere prikkelende mededeeling te doen van een ontmoeting, waarbij hij het er beter heeft afgebracht dan zij, en één voor één zetten zij zich beschaamd en zwijgend ter neder. Eindelijk wordt een kreet van welkom gehoord aan de deur der zaal en de mannen van Ulster heffen een gejubel aan. Conall van de Overwinningen is ten tooneele verschenen. Hij stapt naar het everzwijn, en Ket en zij groeten elkander met ridderlijke hoffelijkheid.

"En nu, welkom, O Conall, man van het ijzeren hart en het vurige bloed; scherp als het glanzende ijs, altijd overwinnend opperhoofd; heil u, machtige zoon van Finnchoom!" sprak Ket.

En Conall zeide: "Heil u, Ket, bloem der helden, heer der wagens, een stormende zee in den slag; een krachtige stier vol majesteit; heil u, zoon van Maga!"

"En nu," vervolgde Conall, "sta op van uw plaats bij het everzwijn, en maak plaats voor mij."

"Waarom!" antwoordde Ket.

"Zoekt gij met mij te strijden?" zeide Conall. "Gij zult uw zin hebben. Bij de goden van mijn volk zweer ik, dat ik sedert ik voor het eerst de wapenen ter hand nam, nooit één dag heb doorleefd, dat ik niet een man uit Connacht doodde, noch één nacht, dat ik niet een strooptocht tegen hen ondernam, en nooit heb ik geslapen, zonder het hoofd van een man uit Connacht onder mijn knie gehad te hebben."

"Ik geef toe," zeide daarop Ket, "dat gij een beter krijgsman zijt dan ik, en ik sta u het everzwijn af. Maar als mijn broeder Anluan hier was, zou hij iedere oorlogsdaad van u het hoofd bieden, en het is treurig en een schande, dat hij niet hier is."

"Anluan is hier," riep Conall uit, en daarbij wierp hij uit zijn gordelriem het hoofd van Anluan, en smeet het in het gezicht van Ket.

Daarop sprongen allen op en er ontstond een woest geschreeuw en rumoer en de zwaarden vlogen van zelf uit de scheeden, en de slag woedde in de zaal van mac Datho. Spoedig vlogen de troepen uit de deuren van de dun en sloegen en doodden elkander in het open veld, totdat de troepen van Connacht op de vlucht gejaagd waren. De hond van mac Datho volgde den wagen van koning Ailell van Connacht totdat de wagenmenner zijn kop afsloeg, zoodat de oorzaak van den strijd door geen van beide partijen werd gewonnen, en mac Datho wel zijn hond verloor, maar zijn landen en zijn leven redde.

De dood van Ket.

De dood van Ket wordt verhaald in de "Geschiedenis van Ierland" door Keating. Toen hij van een strooptocht in Ulster terugkeerde, werd hij overvallen door Conall op een plaats, de wadde van Ket genoemd, en zij vochten lang en wanhopig. Ten slotte werd Ket verslagen, maar Conall van de Overwinningen was er niet beter aan toe, en lag ter neder op het punt van dood te bloeden, toen een andere kampioen van Connacht, Beälcu [165] genaamd, hem vond liggen. "Dood mij," zeide Conall tot hem, "opdat men niet kan zeggen, dat ik viel door één man uit Connacht." Maar Beälchu zeide: "Ik zal iemand niet dooden, die op het punt is te sterven, maar ik zal u naar huis brengen, en genezen, en zoodra gij uw kracht hebt teruggekregen, zult gij met mij in een tweegevecht strijden." Daarop legde Beälchu Conall op een draagbaar, en bracht hem naar huis, en liet hem verzorgen, totdat zijn wonden genezen waren. Maar toen de drie zonen van Beälchu zagen, hoe sterk de de kampioen van Ulster was in zijn volle kracht, besloten zij hem te vermoorden, voordat het gevecht zou plaats hebben. Doch door een krijgslist wist Conall te bewerken, dat zij in plaats daarvan hun eigen vader doodden; en daarna ging hij als overwinnaar zooals hij gewoon was, naar Ulster, terwijl hij de hoofden der drie zonen medenam.

De dood van Maev.

Ook het verhaal van den dood van koningin Maev is door Keating bewaard gebleven. Toen Fergus mac Roy door Ailell gedood was door een speerworp, terwijl hij met Maev in een meer baadde, en toen Ailell door Conall gedood was, trok zich Maev terug naar een eiland [166] in Loch Ryve, waar zij gewoon was iederen morgen te baden in een vijver dicht bij de landingsplaats. Toen Forbay, de zoon van Conor mac Nessa, die gewoonte van de koningin had ontdekt, vond hij op zekeren dag het middel, onopgemerkt naar den vijver toe te gaan en den afstand te meten van den vijver tot aan den oever van het vasteland. Daarna ging hij terug naar Emania, waar hij den zoo gemeten afstand uitzette, en na een appel op een stok te hebben geplaatst wierp hij daar met een slinger voortdurend naar, totdat hij zóó goed op dien afstand had leeren mikken, dat hij nooit meer zijn doel miste. Daarop zag hij op zekeren dag, na een gunstige gelegenheid aan de oevers van Loch Ryve te hebben afgewacht, Maev het water instappen, en na een kogel in zijn slinger te hebben geworpen, mikte hij zóó juist op haar, dat hij haar in het midden van het voorhoofd trof en zij dood ter neder stortte.

Naar verhaald wordt, had de dappere en krijgszuchtige koningin acht en tachtig jaar in Connacht geregeerd. Zij is een treffend voorbeeld van de soort vrouwen, die de Galische barden zoo gaarne schilderen. Bescheidenheid en zachtheid waren volstrekt niet haar gewone karaktertrekken, maar eer een onstuimige, overvloeiende levenslust. Men vindt tallooze voorbeelden van oorlogvoerende vrouwen zooals Skatha en Aifa, en men herinnert zich de Gallische vrouwen, met haar krachtige sneeuwwitte armen, die het zoo gevaarlijk is te tarten, van wie de classieke schrijvers ons verhalen. De Gallische barden, die in zoo menig opzicht de voorloopers waren van de denkbeelden der ridderromantiek, plaatsten de vrouwen niet op een andere lijn dan de mannen. Vrouwen werden beoordeeld en behandeld als mannen, noch als slavinnen, noch als godinnen, en wij weten, dat zij zelfs nog in historische tijden met de mannen ten strijde trokken, een gebruik, dat eerst in de zesde eeuw eindigde.

Fergus mac Leda en het volk der dwergen.

Van die verhalen van den Cyclus van Ulster, die niet gegroepeerd zijn om de figuur van Cuchulain, is één der meest merkwaardige dat van Fergus mac Leda en den Koning van het volk der dwergen. In dit verhaal treedt Fergus op als koning van Ulster, maar daar hij een bondgenoot was van Conor mac Nessa, en bij den Strooptocht van Quelgny wordt voorgesteld als Conor in den oorlog te volgen, moeten wij besluiten, dat hij in werkelijkheid een onderkoning was, zooals Cuchulain of Owen van Ferney.

Het verhaal opent te Faylinn, of het Land en het Volk der dwergen, een ras van Kaboutermannetjes, die een aardige periode voorstellen van menschelijke instellingen op verkleinde schaal, maar die (evenals dwergen in de literatuur der primitieve rassen meestal worden gedacht) begiftigd zijn met toovermacht. Jubdan [167], de koning van Faylinn, bluft, als hij bij een feest zich ruim aan wijn heeft te goed gedaan, op de grootheid van zijn macht en de onoverwinnelijkheid van zijn gewapende troepen--behoort daartoe niet ook de sterke man Glower, die er om beroemd is dat hij met één slag van zijn bijl een distel kon afhakken? Maar Eisirt,de bard van den koning, heeft iets hooren verluiden van een reuzenvolk aan de overzijde der zee, in een land, Ulster genoemd, van wie één man een geheel bataljon van het Volk der dwergen kan vernietigen, en onvoorzichtig geeft hij daaromtrent den pochenden vorst een wenk. Onmiddellijk wordt hij om zijn vermetelheid in de gevangenis geworpen, en alleen vrijgelaten onder voorwaarde, dat hij dadelijk naar het land dier machtige mannen zal gaan, en de bewijzen zal leveren van de waarheid van zijn ongeloofelijk verhaal.

Zoo vertrekt hij dus; en op een schoonen dag vinden dan ook koning Fergus en zijn edelen aan de poort van hun dun een nietig kereltje, prachtig uitgedost in de kleederen van een koninklijken bard, die toegang vraagt. Hij wordt daar binnen gedragen op de hand van Aeda, den dwerg en bard van den koning, en nadat hij het hof heeft bekoord door zijn verstandige en geestige gezegden, na een rijke belooning te hebben ontvangen, die hij dadelijk verdeelt onder de dichters en andere hovelingen van Ulster, keert hij weer naar huis terug, waarbij hij als gast den dwerg Aeda medeneemt, voor wien het volk der dwergen vlucht als ware hij een reus uit "Fomoria," hoewel de gemiddelde mannen van Ulster, zooals Eisirt uitlegt, hem als een kind kunnen dragen. Jubdan is nu overtuigd, maar Eisirt stelt hem onder _geise_, den band der ridderlijkheid waaraan geen Iersch opperhoofd zich kan onttrekken zonder schande te ondervinden, om evenals Eisirt gedaan heeft, naar het paleis van Fergus te gaan en de pap van den koning te proeven. Nadat Jubdan Aeda gezien heeft, is hij zeer ongerust, maar hij maakt zich gereed te gaan, en verzoekt Bebo, zijn vrouw, hem te vergezellen. "Gij deedt een slechte daad," zoo sprak zij, "toen gij Eisirt liet gevangen nemen; maar er is ongetwijfeld niemand onder de zon, die u naar rede kan laten luisteren."

Zoo vertrekken zij dan, en het tooverpaard van Jubdan draagt hen over de zee, totdat zij Ulster bereiken en tegen middernacht staan zij voor het paleis van den koning. "Laat ons de pap eten, zooals wij verplicht zijn," zegt Bebo, en vóór het aanbreken van den dag weer vertrekken". Zij dringen heimelijk naar binnen en vinden den pot met pap, tot welks rand Jubdan alleen maar kan reiken als hij boven op zijn paard gaat staan. Toen hij zich voorover boog om de pap te bereiken, verliest hij het evenwicht en valt in den pot. Hij blijft in de dikke pap vastzitten, en de waschmeiden van Fergus vinden hem bij het aanbreken van den dag, terwijl de trouwe Bebo luide weeklaagt. Zij dragen hem naar Fergus, die verbaasd is, dat hij een andere dwerg, en dat wel met een vrouwelijke dwerg in zijn paleis vindt. Hij ontvangt hen gastvrij, maar weigert elk verzoek om ze te laten terugkeeren. Het verhaal deelt nu in een geest, Rabelais waardig, verschillende avonturen mede, waarin Bebo betrokken is, en geeft een aardig gedicht weer, dat door Jubdan zou zijn uitgesproken in den vorm van raadgevingen aan de vrouw die in het paleis van Fergus belast is met de bezorging van het vuur, omtrent de voordeelen van het branden van verschillende soorten hout. Hier volgen enkele uittreksels:

"Verbrand niet den zoeten appelboom met neerhangende takken, met witte bloesems, naar wiens sierlijken kruin iedereen de hand uitstrekt."

"Verbrand niet den edelen wilg, het onfeilbare sieraad der gedichten; bijen drinken van zijn bloesems, allen verheugen zich in de sierlijke tent."