Keltische Mythen en Legenden

Chapter 18

Chapter 183,952 wordsPublic domain

Daarop draaide Sualtam woedend zijn paard om en was op het punt te vertrekken, toen zijn nek door een beweging van zijn schimmel, viel tegen den scherpen rand van het schild op zijn rug, waardoor zijn hoofd werd afgesneden en op den grond viel. Maar toch bleef het zijn boodschap zelfs toen nog herhalen, en eindelijk liet Conor het op een pilaar zetten, opdat het rustig zou zijn. Maar toch ging het door met schreeuwen en vermanen, totdat eindelijk in den verduisterden geest van den koning de waarheid begon door te dringen, en de verglaasde oogen der krijgslieden begonnen te glinsteren, en langzaam de betoovering van den vloek van Macha van hun geesten en lichamen wegtrok. Daarop rees Conor op en zwoer een krachtigen eed, waarbij hij zeide: "De hemelen zijn boven, de aarde onder ons, en de zee is om ons heen; en als de hemelen niet op ons neerstorten, en de aarde niet opengaapt om ons te verzwelgen en de zee de aarde niet overstroomt, zal ik zoo zeker als ik leef iedere vrouw naar haar haardstede, en iedere koe naar haar stal terugvoeren." [153] Zijn Druïde kondigde af, dat het weer gunstig was, en de koning beval zijn boden in iedere richting uit te trekken en Ulster te wapen te roepen, en hij noemde hun zoowel krijgslieden, die reeds lang dood waren, als de levenden, daar de nevel van den vloek nog niet van zijn hersenen was opgetrokken.

Nu de vloek van hen was afgenomen, stroomden de mannen van Ulster verheugd op de oproeping toe, en iedereen was bezig speren en zwaarden te slijpen, en de wapenrusting aan te trekken en strijdwagens in te spannen voor het te velde trekken der mannen van Ulster. Eén legerafdeeling kwam onder koning Conor en Keltchar, den zoon van Uthecar Hornskin, uit Emania naar het zuiden en een andere kwam uit het westen juist op het spoor van het leger van Maev. En de troep van Conor stootte op honderd zestig man van Erin in Maeth, die een grooten buit van vrouwelijke gevangenen medevoerden, en zij versloegen ieder der honderd zestig man en bevrijdden de vrouwen. Daarop trok Maev met haar leger terug op Connacht, maar toen zij Slemon Midi, den Heuvel van Slane, in Meath, bereikt hadden, vereenigden zich daar de troepen uit Ulster en maakten zich gereed slag te leveren. Maev zond haar boodschapper mac Roth uit, om het leger van Ulster op de Vlakte van Garach gade te slaan en daaromtrent verslag te doen. Mac Roth kwam terug met een angstwekkende beschrijving van wat hij gezien had. Bij den eersten blik zag hij de vlakte overdekt met herten en andere wilde dieren. Deze waren, zoo verklaart Fergus, uit de bosschen verjaagd door de naderende troepen der mannen van Ulster. Toen hij hen den tweeden keer gadesloeg, zag hij een nevel over de valleien, waar boven de toppen der heuvels als eilanden uitstaken. Uit dien nevel kwamen donderslagen en bliksemschichten te voorschijn, en een storm wierp hem bijna ter neder. "Wat beteekent dit?" vraagt Maev, en Fergus vertelt haar, dat de nevel afkomstig is van de diep ademende krijgslieden op hun marsch, en het licht de flikkering van hun oogen, en de donder het geratel hunner strijdwagens en het gekletter hunner wapenen, als zij ten strijde trokken: "Zij meenen, dat zij dien nooit zullen bereiken," zegt Fergus. "Wij hebben krijgslieden om hen te bestrijden," zegt Maev. "Gij zult die noodig hebben," antwoordt Fergus, "immers in geheel Ierland, ja zelfs in de geheele Westelijke Wereld, tot aan Griekenland en Scythië en den Toren van Bregon [154] en het eiland Gades, zijn er geen mannen, die de mannen van Ulster in hun woede kunnen weerstaan."

Daarop volgt een beschrijving van het uiterlijk en de wapenrusting van ieder der aanvoerders van de mannen van Ulster.

De slag bij Garach.

De troepen werden handgemeen in de vlakte van Garach in Meath. Fergus, die een tweehandig zwaard hanteerde, het zwaard dat, naar gezegd werd, als het in den slag werd gezwaaid kringen maakte als een regenboog, maaide heele rijen der mannen van Ulster weg met iederen slag [155], en de grimmige Maev deed driemaal een uitval op het centrum van den vijand. Fergus werd handgemeen met koning Conor, en raakte hem op zijn schild met gouden rand, maar Cormac, zijn zoon, smeekte om het leven van zijn vader. Fergus wendde zich nu tot Conall van de Overwinningen.

"Gij zijt te vurig," zeide Conall, "tegen uw volk en uw ras voor een wellusteling". [156] Fergus hield toen op, de mannen van Ulster te dooden, maar in zijn strijdwoede sloeg hij met zijn regenboogzwaard tusschen de heuvelen, en sloeg de toppen der drie _Maela_ van Meath af, zoodat zij tot op den huidigen dag platte toppen (mael) hebben.

Cuchulain hoorde in zijn bewusteloosheid het gekraak van de slagen van Fergus, en toen hij langzaam bijkwam, vroeg hij Laeg, wat dat beteekende. "Het is het zwaardgekletter van Fergus," zeide Laeg. Toen sprong hij op en zijn lichaam zette zóó zeer uit, dat zijn omslagen en zwachtels, die om hem heen gebonden waren, afvlogen, en hij wapende zich en stortte zich in den strijd. Daar ontmoette hij Fergus. "Draai u hierheen, Fergus," riep hij uit; "ik zal u wasschen als schuim in een waterpoel, ik zal over u heen gaan, zooals de staart over de kat gaat, ik zal u kastijden, zooals een moeder haar kind kastijdt." "Wie spreekt zoo tot mij?" riep Fergus. "Cuchulain mac Sualtam; en vermijd mij nu, zooals is afgesproken." [157]

"Dat heb ik beloofd," zeide Fergus, en daarop verdween hij uit het gevecht, en tegelijk met hem de mannen van Leinster en die van Munster, terwijl zij Maev met haar zeven zoons en het leger van Connacht alleen achterlieten.

Het was middag, toen Cuchulain in den strijd kwam; toen de avondzon scheen tusschen de bladeren der boomen, bestond zijn strijdwagen slechts uit twee wielen en een handvol gebroken stukken hout, terwijl het leger van Connacht in volle vlucht was naar de grens. Cuchulain haalde Maev in, die onder haar wagen kroop en om genade smeekte. "Ik ben niet gewoon, vrouwen te dooden," zeide Cuchulain, en hij beschermde haar, totdat zij den Shannon bij Athlone was overgestoken.

Het gevecht der stieren.

Maar de Bruine Stier van Quelgny, die Maev langs een omweg naar Connacht had gezonden, ontmoette den Stier van Ailell met witte horens op de Vlakte van Aei, en de twee dieren begonnen te vechten; maar de Bruine Stier doodde onmiddellijk den anderen, en wierp de stukken over het land, zoodat deelen er van verstrooid lagen van Rathcroghan tot aan Tara; daarna holde hij dol voort, totdat hij dood viel, loeiende en zwart geronnen bloed uitspuwend, op den Bergrug van den Stier, tusschen Ulster en Iveagh. Ailell en Maev sloten een zevenjarigen vrede met Ulster, en de mannen van Ulster keerden met roem beladen naar Emain Macha terug.

Zoo eindigt de "Tain Bo Cuailgné," of de Strooptocht van Vee van Quelgny; deze is opgenomen in het "Boek van Leinster" in het jaar 1150 door de hand van Finn mac Gorman, Bisschop van Kildore, en op het einde geschreven: "Gezegend zijn zij, die de 'Tain' letterlijk opzeggen, zooals zij hier staat, en het niet in een anderen vorm weergeven."

Cuchulain in het tooverland.

Eén der vreemdste verhalen onder de Keltische legenden vermeldt hoe Cuchulain, toen hij na de jacht in slaap lag tegen een steen van een pilaar, een droomgezicht had van twee vrouwen uit het Volk van Dana, die tot hem naderden, met roeden gewapend en hem om beurten zóó hard sloegen, dat hij zoo goed als dood was, en hij geen hand kon opsteken, om zich te verdedigen. Den volgenden dag, tot zelfs een jaar daarna, lag hij doodziek ter neder, en er was niemand, die hem kon genezen.

Daarop kwam een man, dien niemand kende, die hem beval zich naar den steen van den pilaar te begeven, waar hij het droomgezicht had gezien; daar kon hij vernemen, wat voor zijn herstel kon worden gedaan. Hij vond er een vrouw uit het Volk van Dana in een groenen mantel, en wel één van die, welke hem hadden gekastijd, en deze deelde hem mede, dat Fand, de Parel der Schoonheid, de vrouw van Mananan den Zeegod, op hem verliefd was geworden en dat zij met haar echtgenoot Mananan in onmin leefde; haar rijk werd belegerd door drie demonenkoningen, tegen wie de hulp van Cuchulain werd ingeroepen, en de prijs voor zijn hulp zou de liefde van Fand zijn. Daarop werd Laeg, de wagenmenner, door Cuchulain weggezonden om over Fand en haar boodschap berichten in te winnen. Hij ging het tooverland binnen, gelegen aan de andere zijde van een meer, dat hij in een bronzen tooverboot overstak, en kwam tehuis met een verslag van de onovertrefbare schoonheid van Fand en de wonderen van het koninkrijk; daarop ging Cuchulain daarheen. Hier leverde hij in een dichten nevel een gevecht tegen de booze geesten, die beschreven worden als te gelijken op golven der zee--ongetwijfeld moeten wij aannemen dat dit de helpers zijn van den vertoornden echtgenoot Mananan. Daarop bleef hij bij Fand vertoeven, bij wie hij zich een maand lang in alle genietingen van het Tooverland verheugde, waarna hij afscheid van haar nam, en een plaats op aarde, het Strand van den Taxisboom, afsprak, waar zij hem zou kunnen treffen.

Fand, Emer en Cuchulain.

Maar Emer hoorde van de afspraak; maar hoewel zij meestal de tallooze gevallen van ontrouw van Cuchulain gewoonlijk nog al kalm opnam, kwam zij bij die gelegenheid aanzetten met vijftig van haar gezellinnen, met scherpe messen gewapend, om Fand te dooden. Cuchulain en Fand zien reeds van verre haar wagens, en de gewapende vertoornde vrouwen, met gouden gespen, die op haar borsten schitterden, en hij maakt zich gereed, zijn geliefde te beschermen. Hij spreekt Emer aan in een merkwaardig gedicht, waarin hij de schoonheid, de bekwaamheid en de magische macht van Fand beschrijft. "Er is niets wat de geest kan wenschen of zij bezit het." Emer antwoordt: "Inderdaad schijnt de dame, aan wie gij u vasthecht in geen enkel opzicht beter dan ik, maar het nieuwe is altijd zoet, en het goed gekende is zuur; gij hebt al de wijsheid van heden, Cuchulain! Eertijds leefden wij in eere te zamen en zouden dat nog kunnen doen, als ik genade in uw oogen kon vinden." "Op mijn eerewoord, dat doet gij, "sprak Cuchulain, "en dat zal het geval zijn zoolang ik leef."

"Geef mij dan op," zeide Fand daarop. Maar Emer sprak: "Neen, het is beter dat ik de verlatene ben." "Niet alzoo," zeide Fand, "ik ben het, die moet heengaan." En de behoefte tot weeklagen overviel Fand, en haar ziel in haar was groot, want het was voor haar een schande verlaten te worden en weer regelrecht naar huis terug te keeren; bovendien was in haar hart een onstuimige liefde voor Cuchulain. [158]

Maar Mananan, de Zoon der Zee, kende haar smart en haar schande en kwam haar te hulp, terwijl niemand hem zag, dan alleen zij, en zij verwelkomde hem in een mystiek gezang. "Wilt gij bij mij terugkeeren?" sprak Mananan, "of wilt gij bij Cuchulain blijven?" "Geen van u beiden is inderdaad beter of edeler dan de ander," zeide Fand, "maar ik wil met u medegaan, Mananan, want gij hebt geen andere gezellin, die u waardig is, terwijl Cuchulain Emer heeft."

Daarom ging zij met Mananan mede, en Cuchulain, die den god niet zag, vroeg Laeg, wat er geschiedde. Hij antwoordde: "Fand gaat weg met den Zoon der Zee, daar zij geen genade kon vinden in uw oogen."

Daarop sprong Cuchulain in de lucht en vlood van de plaats weg, en bleef langen tijd liggen, zonder spijs of drank te willen gebruiken, totdat de Druïden hem ten slotte een drank van vergetelheid schonken; en naar verhaald wordt schudde Mananan zijn mantel tusschen Cuchulain en Fand, opdat zij in der eeuwigheid elkander niet meer zouden ontmoeten. [159]

De wraak van Maev.

Hoewel Maev na den slag bij Garach met Ulster vrede sloot deed zij toch de gelofte, dat Cuchulain moest vallen, om al de schande en de verliezen, die hij over haar en haar provincie had gebracht, en zij zocht naar een middel, hoe zij zich op hem zou kunnen wreken.

Nu had de vrouw van den toovenaar Calatin, die bij de wadde door Cuchulain was gedood, na diens dood zes kinderen tegelijk ter wereld gebracht, en wel drie zoons en drie dochters. Zij waren mismaakt, monsterachtig leelijk, vergiftig, tot kwaad geboren; en Maev, die van hen had gehoord, zond hen uit, om de tooverkunst te leeren, niet alleen die van Ierland maar ook van Alba; en zelfs gingen zij naar Babylon om geheime wetenschap op te doen, zoodat zij uitgeleerd in tooverkunsten terugkeerden; daarop liet zij hen op Cuchulain los.

Cuchulain en Blanid.

Cuchulain had, behalve den Clan Calatin, nog andere vijanden, en wel Erc, den koning van Ierland, den zoon van Cairpre, die door Cuchulain in den slag was gedood, en Lewy, den zoon van Curoi, den koning van Munster. [160] Immers de vrouw van Curoi, Blanid, was in liefde voor Cuchulain ontstoken, en smeekte hem bij haar te komen, en haar weg te halen uit de dun van Curvi, en een gunstige gelegenheid af te wachten, om de dun aan te vallen, en wel als hij zag, dat de rivier, die daaruit stroomde, wit werd. Cuchulain en zijn manschappen wachtten daarop in een bosch in de nabijheid, totdat Blanid van oordeel was, dat het geschikte oogenblik was aangebroken, en zij stortte toen in de rivier de melk van drie koeien. Daarop viel Cuchulain de dun aan, nam die bij verrassing in, en doodde Curoi, waarna hij de vrouw wegvoerde. Maar Fercartna, de bard van Curoi, ging met hen mede, en verraadde zijn bedoelingen niet, totdat hij, toen hij eens in de onmiddellijke nabijheid stond van Blanid, naast den wand van de klip van Beara, zijn armen om haar heensloeg, zich met haar van de rots stortte, op die wijze kwamen zij om, en was Curoi ten opzichte van zijn vrouw gewroken.

Al die personen werden nu door Maev door middel van geheime boodschappen, door berispingen en vermaningen tegen Cuchulain opgezet, en zij wachtten, totdat zij hoorden, dat de vloek van Macha weer zwaar rustte op de mannen van Ulster, en daarna verzamelden zij een leger en trokken op naar de Vlakte van Murthemney.

De krankzinnigheid van Cuchulain.

Eerst waren het de kinderen van Calatin, die schrik en gedruktheid op den geest van Cuchulain wierpen, en zij wisten door de overkapte distels en de wolfsveeten en waaiende bladeren van het bosch den indruk te wekken van gewapende bataljons, die tegen Murthemney optrokken, en Cuchulain meende aan alle kanten den rook van brandende woningen te zien opstijgen. En twee dagen lang streed hij met de droombeelden, totdat hij ziek en uitgeput was. Daarop overreedde hem Cathbad en de mannen van Ulster, om zich terug te trekken in een eenzamen bergpas, waar vijftig der vorstinnen van Ulster, onder wie ook Niam, de vrouw van zijn trouwen vriend Conall van de Overwinningen, hem verpleegden, en Niam dwong hem tot de belofte, dat hij de dun waar hij was niet zou verlaten, voordat zij hem haar toestemming daartoe gaf.

Maar nog steeds vulden de kinderen van Calatin het land met oorlogsverschijningen, en rook en vlammen stegen op, en woeste kreten en jammerklachten, met gesnap en gelach van kabouters, en het geschal van trompetten en horens werd door den wind aangedragen. En Bave, de dochter van Calatin, ging den bergpas binnen, en na de gedaante te hebben aangenomen van een dienstmaagd van Niam, riep zij haar op zijde en voerde haar tot op een afstand tusschen de bosschen, en legde een betoovering over haar, zoodat zij verloren raakte en haar weg naar huis niet meer kon terugvinden. Daarop ging Bave in de gedaante van Niam naar Cuchulain en riep hem op, om Ulster te bevrijden van de legers, die het teisterden, en de Morrigan kwam in den vorm van een groote kraai op de plaats waar Cuchulain met de vrouwen zat en kraste voortdurend over oorlog en doodslag. Daarop sprong Cuchulain op en riep Laeg om zijn wagen in te spannen. Maar toen Laeg den Schimmel van Macha ging halen om hem op te tuigen, vlood het paard van hem weg en verzette zich, en slechts met de grootste inspanning kon Laeg het voor den wagen spannen, terwijl groote tranen zwart bloed langs zijn kop stroomden.

Daarop reed Cuchulain weg, na zich in zijn wapenrusting te hebben gestoken; en aan iederen kant vervolgden hem gestalten en geluiden van verschrikking, die zijn geest benevelden, en toen leek het hem of hij een groote rookwolk verlicht door uitbarstingen van roode vlammen, boven de wallen van Emain Macha zag, en meende hij, dat hij het lijk van Emer over de wallen zag slingeren. Maar toen hij aan zijn dun te Murthemney kwam, was Emer in leven, en zij smeekte hem, de spookverschijningen uit den weg te gaan, maar hij wilde niet naar haar luisteren en nam afscheid van haar. Daarna nam hij afscheid van zijn moeder Dectera, en zij gaf hem een beker wijn te drinken, maar voordat hij den wijn kon drinken, veranderde deze in bloed, en hij slingerde dien weg en sprak: "Het einde van mijn leven is nabij, dezen keer zal ik niet levend uit den strijd terug keeren." En Dectera en Cathbad smeekten hem, de komst van Conall van de overwinningen af te wachten, die op reis was, maar hij wilde dat niet.

Het waschmeisje aan de wadde.

Toen hij aan de wadde kwam op de vlakte van Emania, zag hij daar aan het water iets knielen, dat op een jong meisje geleek, en dat weende en jammerde, het waschte een hoop bloedige kleeren en krijgswapenen in het water, en toen het een druipend buis of borststuk uit het water optilde, zag Cuchulain dat dit hem toebehoorde. Toen zij de wadde overstaken, verdween zij uit hun gezicht. [161]

Nog eens Clan Calatin.

Na nog eens afscheid genomen te hebben van Conor en de vrouwen in Emania, ging hij weer naar Murthemney en den vijand. Maar op weg daarheen zag hij aan de kant van de weg drie oude vrouwen, ieder blind aan één oog, monsterachtig leelijk en deerniswaardig, zij hadden een klein vuur van stokjes gestookt, en braadden daarboven een dooden hond aan een spit van hout. Toen Cuchulain voorbij kwam, riepen zij hem toe, af te stijgen, bij hen te vertoeven en haar maal te deelen. "Dat zal ik werkelijk niet doen," zeide hij. "Als wij een groot feest hadden," spraken zij, "zoudt gij wel gebleven zijn; het past den aanzienlijke niet de geringen te minachten." Daarop steeg Cuchulain af, daar hij niet wilde, dat men hem voor onwellevend hield tegenover ongelukkigen, en hij nam een stuk van het gebraden vleesch, en at dat op, maar de hand, waarmede hij het had aangenomen, werd tot aan den schouder verlamd, zoodat haar vroegere kracht gebroken was. Immers het was voor Cuchulain _geis_ een haard te naderen, waarop gebraden werd, en daar voedsel van te nemen, en het was eveneens _geis_ voor hem, van zijn naamgenoot te eten. [162]

De dood van Cuchulain.

Cuchulain vond het leger van zijn vijanden bij Slieve Fuad, ten zuiden van Armagh, en woedend reed hij tegen hen in, de "donderkunst" op hen toepassend, totdat de vlakte met hun dooden bezaaid was. Daarop naderde hem een hekeldichter, daartoe door Lewy aangezet, die hem om zijn speer vroeg. [163] "Daar hebt ge hem," zeide Cuchulain, en wierp die met zóó groote kracht tegen hem aan, dat zij dwars door hem heenging en nog bovendien negen man doodde. "Een koning zal door die speer vallen," zeiden de zonen van Calatin tot Lewy, en Lewy greep haar en wierp haar naar Cuchulain, maar zij trof Laeg, den koning der wagenmenners, zoodat zijn ingewanden op de kussens van den wagen vielen, en hij nam afscheid van zijn meester en stierf.

Daarop vroeg een tweede hekeldichter om de speer, maar Cuchulain zeide: "Ik behoef niet meer dan één verzoek per dag in te willigen." Maar de hekeldichter sprak: "Dan zal ik Ulster om uw verzuim beschimpen," en Cuchulain wierp hem toen evenals te voren de speer toe, en nu greep Erc haar, die haar terugwierp, waardoor de schimmel van Macha doodelijk getroffen werd. Cuchulain trok de speer uit de zijde van het paard, en zij namen afscheid van elkander, en de schimmel galoppeerde weg, met het halve juk aan den nek.

En ten derden male slingerde Cuchulain zijn speer naar een hekeldichter, en Lewy pakte die weer en slingerde haar terug, en zij trof Cuchulain zelf, en zijn ingewanden vielen in den wagen, en het overgebleven paard de Zwarte Sainglend, brak los en liet hem in den steek.

"Ik zou zoo gaarne naar dien kant van het meer gaan om te drinken," sprak Cuchulain, die wist, dat zijn einde nabij was, en zij lieten hem gaan, toen hij beloofd had weer tot hen te zullen terugkeeren. Daarop nam hij zijn ingewanden bijeen, stak ze in zijn lichaam en ging naar den kant van het meer, en dronk, en baadde, en keerde terug om te sterven. Er was in de nabijheid een groote steenen pilaar, die ten westen van het meer stond, en hij ging daarheen, en sloeg zijn gordelriem daaromheen en om zijn borst, opdat hij staande zou kunnen sterven, en niet neerliggend; en zijn bloed vloeide in een kleinen stroom in het meer, en een otter kwam buiten het meer en likte het op. En de vijandelijke troepen verzamelden zich rondom, maar durfden hem niet te naderen, terwijl het leven nog in hem was, en het licht van den held straalde boven zijn voorhoofd. Daarop kwam de Schimmel van Macha, om hem te beschermen, en verstrooide zijn vijanden door te bijten en te schoppen.

En daarna kwam een kraai, die zich op zijn schouder neerzette. Toen Lewy dit zag, kwam hij nader, haalde het haar van Cuchulain naar één kant over diens schouder, en sloeg met zijn zwaard het hoofd af; en het zwaard viel uit de hand van Cuchulain en sloeg de hand van Lewy af, in zijn val. Als wraak daarvoor namen zij de hand van Cuchulain, en zij droegen het hoofd en de hand naar het zuiden naar Tara en begroeven die daar, en richtten daarover een hoogte op. Maar Conall van de Overwinningen, die zich, toen hij het bericht van den oorlog kreeg, naar Cuchulain's zijde spoedde, ontmoette den Schimmel van Macha, die stroomde van bloed, en samen gingen zij naar den oever van het meer en zagen hem daar zonder hoofd en aan den pilaar gebonden, en het paard kwam nader en legde zijn kop op Cuchulains borst. Conall reed naar het zuiden om Cuchulain te wreken, en hij ontmoette Lewy bij de rivier de Liffey, en omdat Lewy maar één hand had, bond Conall één van zijn handen achter zijn rug, en zij vochten den halven dag, maar geen van beiden behaalde de overwinning.

Daarop kwam het paard van Conall, de Rood-gespikkelde, en beet een stuk uit de zijde van Lewy, en Conall doodde hem, nam zijn hoofd, en keerde naar Emain Macha terug. Maar er werd geen feestelijken intocht gehouden, toen zij de stad binnentrokken, want Cuchulain, de Hond van Ulster, leefde niet meer.

Het terugwinnen van de Tain.

De geschiedenis van de "Tain" of de Strooptocht om den Bruinen Stier van Quelgny was volgens de overlevering door niemand anders geschreven dan door Fergus mac Roy, maar het groote lied was langen tijd verloren. Men meende, dat het in Oghamletters geschreven was op houten stokken, die een bard, die ze in bezit had, medegenomen had naar Italië, vanwaar zij nooit terugkwamen.