Keltische Mythen en Legenden

Chapter 17

Chapter 173,949 wordsPublic domain

Nu volgen een aantal op zich zelf staande gebeurtenissen. Het leger van Maev verspreidt zich en verwoest het grondgebied van Bregia en van Murthemney, maar zij kunnen niet verder in Ulster doordringen. Cuchulain is voortdurend om hen heen, en verslaat hen bij twee of drie te gelijk, en niemand weet, waar hij een volgenden keer zal nederschieten. Maev zelf is bang, als door de worpen van een onzichtbaren slingeraar een eekhoorntje en een lievelingsvogel gedood worden, terwijl zij op haar schouders gezeten zijn. Later, als de woede van Cuchulain heftiger wordt, daalt hij met bovennatuurlijke kracht neer op heele troepen van het leger van Connacht, en honderden vallen onder zijn aanval. Er volgt een beschrijving van de karakteristieke vervorming of _riastradh_, die hem in zijn strijdwoede overviel. Hij werd een ontzagwekkend en veelvormig schepsel, zooals nooit te voren gezien was. Ieder deeltje van zijn lichaam beefde als een waterriet in stroomend water. Zijn kuiten en hielen en dijen kwamen aan zijn voorzijde, en zijn voeten en knieën van achteren, en de spieren in zijn nek stonden rechtuit als het hoofd van een jong kind. Zijn ééne oog zat diep in zijn hoofd, terwijl het andere naar buiten uitstak, zijn mond bereikte zijn ooren, het schuim stroomde uit zijn kaken als de wol van een hamel van drie jaar. Zijn hartslagen klonken als het gebrul van een leeuw, die zich op zijn prooi stort. Een licht scheen boven zijn hoofd, en zijn haar werd verward als ware het de takken van een rooden doornstruik, die in de opening van een haag was gestopt. Grooter, dikker, harder, langer dan de mast van een groot schip was de loodrechte straal van donker bloed, die uit het midden van zijn schedel opspoot en zich verspreidde in de vier hoofdrichtingen, waarbij een magische nevel van duisternis gevormd werd, die geleek op het berookte kleed, dat een koninklijk paleis omhult, als een koning tegen het vallen van den avond na een winterdag daar nadert. [147] Dit was het beeld, waarin Galische schrijvers de voorstelling van bovenmenschelijke woede hulden. Men verhaalt dat eens, bij het gezicht van Cuchulain in zijn woede, honderd der krijgslieden van Maev dood van afgrijzen neervielen.

De Overeenkomst aan de Wadde.

Maev trachtte hem toen door groote geschenken over te halen, de zaak van Ulster in den steek te laten en had een onderhoud met hem, waarbij beiden aan de overzijde van een bergpas stonden, waarover zij met elkander de zaak bespraken. Zij bekeek hem zorgvuldig en werd getroffen door zijn nietig en jongensachtig uiterlijk. Zij kon hem niet van zijn trouw jegens Ulster afbrengen, en meer dan ooit daalt de dood neder op de troepen van Connacht; de mannen zijn bevreesd met minder dan twintig of dertig op strooptochten uit te gaan, en 's nachts fluiten door het kamp de steenen uit den slinger van Cuchulain voortdurend, die de hersens verbrijzelen of de mannen verminken. Eindelijk kwam men door bemiddeling van Fergus tot een overeenkomst. Cuchulain verbond zich de troepen niet te hinderen, als zij slechts één kampioen tegelijk zonden, met wien Cuchulain slag zou leveren bij de wadde der Dee, welke wadde thans die van Ferdia heet. [148] Zoolang het gevecht duurde, mocht het leger verder trekken, maar als het geëindigd was, moesten zij tot den volgenden morgen kampeeren. "Het is beter, dagelijks één man te verliezen dan honderd," zeide Maev, en de overeenkomst werd gesloten.

Fergus en Cuchulain.

Er worden dan verschillende tweegevechten vermeld, waarin Cuchulain steeds de overwinnaar is. Maev overreedt Fergus zelfs tegen hem in het strijdperk te treden, maar Fergus en Cuchulain willen onder geen voorwaarde tegen elkander vechten, en Cuchulain doet het voorkomen alsof hij voor hem vlucht onder belofte van Fergus, dat hij, als het noodig is, hetzelfde voor Cuchulain zal doen. Hoe die belofte gehouden werd zullen wij later zien.

Het rooven van den bruinen stier.

Gedurende één van de tweegevechten van Cuchulain met een beroemden kampioen, Natchrantal, doet Maev met een derde deel van haar leger plotseling een strooptocht in Ulster en dringt zelfs tot Dunseverick, op de noordkust, door, op hun tocht plunderend en verwoestend. De bruine stier, die oorspronkelijk te Quelgny (Graafschap Down) was, was reeds vroeger door de Morrigan [149] gewaarschuwd, zich terug te trekken, en hij had daarom met zijn kudde koeien een toevlucht gezocht in een bergpas van Slievegallion, in de Graafschap Armagh. Daar wordt hij gevonden door de plunderaars van Maev en met de kudde in triomf weggevoerd, waarbij zij op den terugtocht Cuchulain tegenkomen. Cuchulain doodt den aanvoerder van het geleide--Buic, den zoon van Banblai--maar hij kan den stier niet bevrijden, en "dit was," zoo wordt verhaald, "de grootste beleediging, die Cuchulain kon worden aangedaan gedurende den geheelen strooptocht."

De Morrigan.

De strooptocht had nu moeten ophouden, want het doel daarvan was bereikt, maar in dien tijd waren de troepen der vier zuidelijke provincies [150] bijeengebracht onder Maev teneinde Ulster te plunderen, en Cuchulain bleef nog steeds de eenzame bewaker der moerassen. Ook hield Maev zich niet aan de afspraak, immers troepen van twintig krijgslieden tegelijk werden op hem losgelaten, en het kostte hem groote moeite zich te verdedigen. Nu geschiedt de merkwaardige episode van zijn strijd tegen de Morrigan. Een jonge vrouw, in een veelkleurigen mantel gekleed, verschijnt voor Cuchulain, en zegt hem, dat zij de dochter van een koning is, en dat zij aangetrokken is door de verhalen van zijn groote krijgsdaden en gekomen om hem haar liefde aan te bieden. Cuchulain vertelt haar op ruwe toon, dat hij vermoeid en uitgeput is door den oorlog en er geen lust in heeft zich met vrouwen af te geven. "Het zal u slecht gaan," zeide daarop de maagd, "als gij met mannen zult te doen hebben, en ik zal mij als een aal aan uw voeten vasthechten, op den bodem der wadde." Daarna verdween zij met haar wagen uit het gezicht en hij zag niets dan een kraai op den tak van een boom zitten, en wist, dat hij met de Morrigan had gesproken.

Het gevecht met Loch.

De volgende kampioen, die door Maev tegen hem werd uitgezonden, was Loch, de zoon van Mofebis. Om met dien held te kunnen strijden moest Cuchulain volgens het verhaal zijn kin met braambessensap insmeren, ten einde het te doen voorkomen, alsof hij een baard had, daar anders Loch zich niet zou verwaardigen met een knaap te strijden. Zoo streden zij dan in de wadde, en Morrigan kwam tegen hem in strijd in de gedaante van een witte vaars met roode ooren, maar Cuchulain verbrijzelde haar oog met een worp van zijn speer. Daarna kwam zij de rivier op zwemmen als een zwarte aal, en hechtte zich vast aan zijn beenen, en voordat hij zich van haar kon losmaken, werd hij door Loch gewond. Daarna viel zij hem aan als een grijze wolf, en weer werd hij, voordat hij haar kon ten onder brengen, door Loch gewond. Daarop maakte zijn strijdwoede zich van hem meester en stootte hij de Gae Bolg tegen Loch, waarbij hij zijn hart in tweeën spleet. "Laat mij opstaan," zeide Loch, "opdat ik op mijn gelaat moge vallen aan uw zijde van de wadde, en niet op den rug naar de mannen van Erin gekeerd." "Het is het geschenk van den krijgsman, dat gij vraagt," zeide Cuchulain, "en het is toegestaan." Zoo stierf Loch; en, zoo verhaalt men, een groote moedeloosheid overviel Cuchulain, want hij was uitgeput door voortdurenden strijd en zwaar gewond. Hij had sedert het begin van den strooptocht nooit anders geslapen dan op zijn speer geleund; en hij zond zijn wagenmenner Laeg, om te zien of hij de mannen van Ulster niet eindelijk kon opwekken om hem te hulp te komen.

Lugh de beschermer.

Maar toen hij treurig en terneergeslagen des avonds bij den grafheuvel van Lerga ter neder lag, het oog gericht op de kampvuren van het groote leger, dat over hem gekampeerd was en op de flikkering van hun ontelbare speren, zag hij een grooten en bevalligen krijgsman uit de menigte komen, die onstuimig naar voren trad, en geen der troepenafdeelingen, langs welke hij heenging draaide het hoofd om, om naar hem te zien, of scheen hem zelfs op te merken. Hij droeg een zilveren opperkleed met goud geborduurd, en een groenen mantel, vastgemaakt met een zilveren gesp; in één hand hield hij een zwart schild met een zilveren rand en in de andere twee speren. De vreemdeling kwam naar Cuchulain toe en sprak vriendelijk en zachtaardig met hem over zijn langen strijd en zijn voortdurend waken en zijn pijnlijke wonden, en zeide ten slotte: "Slaap nu, Cuchulain, bij het graf van Lerga; slaap drie dagen vast door, en gedurende dien tijd zal ik uw plaats innemen en de wadde verdedigen tegen het leger van Maev." Daarop zonk Cuchulain in een diepen slaap en in bewusteloosheid, terwijl de vreemdeling genezende balsems van magische kracht op zijn wonden legde, zoodat hij hersteld en verfrischt weer ontwaakte, en gedurende den tijd, dat Cuchulain sliep, verdedigde de vreemdeling de wadde tegen de vijanden. En Cuchulain wist, dat het zijn vader Lugh was, die van het volk van Dana was gekomen, om zijn zoon te helpen in zijn uur van somberheid en wanhoop.

De opoffering van het knapenkorps.

Maar nog steeds lagen de mannen van Ulster hulpeloos ter neer. Nu was er in Emain Macha een troep van driemaal vijftig knapen, de zonen van alle opperhoofden der provincies, die daar werden opgevoed in de wapenen en alle edele kunsten, en dezen stonden niet onder den vloek van Macha, daar die alleen gold voor de volwassenen. Maar toen zij hoorden van de vreeselijke moeilijkheden, waarin Cuchulain, hun speelmakker van niet lang geleden, verkeerde, trokken zij hun lichte wapenrusting aan, en namen hun wapenen ter hand en trokken ten strijde voor de eer van Ulster en ter hulp van Cuchulain, onder den jongen zoon van Conor, Follaman. En Follaman legde de belofte af, dat hij niet naar Emain zou terug keeren zonder den diadeem van Ailell als trofee. Driemaal reden zij op het leger van Maev in, en versloegen driemaal hun eigen aantal, maar tenslotte werden zij overweldigd en gedood, en niet één ontsnapte levend.

Het bloedbad van Murthemney.

Dit geschiedde terwijl Cuchulain in diepen slaap lag, en toen hij verfrischt en genezen wakker werd, en hoorde wat geschied was, kwam zijn woede weer over hem en hij sprong in zijn strijdwagen en reed woedend om het leger van Maev heen. En de wagen ploegde de aarde totdat de wagensporen geleken op de wallen van een vesting, en de zeisen op de wielen grepen en verminkten de lichamen der verzamelde vijanden, totdat zij als een muur rondom het kamp waren opgehoopt, en toen Cuchulain in zijn woede schreeuwde, gilden de booze geesten en spoken in Erin tot antwoord, zoodat de troepen door den schrik en de verwarring hijgden en heen en weer ijlden en velen door elkanders wapenen omkwamen, en anderen van schrik en vrees. En dit was het groote bloedbad van Murthemney, door Cuchulain aangericht om het knapenkorps van Emania te wreken; honderddertig vorsten uit het leger van Maev werden toen verslagen, behalve paarden en vrouwen en wolfshonden en tallooze gewone krijgslieden. Volgens de verhalen streed daar Lugh mac Ethlinn aan de zijde van zijn zoon.

De Clan Calatin.

Daarna besloten de mannen van Erin, den Clan Calatin [151] één voor één in een tweegevecht tegen Cuchulain te zenden. Nu was Calatin een toovenaar, en hij en zijn zeven en twintig zonen vormden als het ware slechts één wezen, daar de zonen organen van hun vader waren, en wat één van hen deed, deden allen eveneens. Zij waren allen vergiftig, zoodat ieder wapen, dat één van hen gebruikte, binnen negen dagen doodde, die daarmede even was aangeraakt. Toen dit veelvoudige wezen tegenover Cuchulain stond, wierp iedere hand tegelijkertijd een speer op hem af, maar Cuchulain ving de acht en twintig speren op zijn schild, en geen enkele daarvan deed een droppel bloed vloeien. Daarop trok hij zijn zwaard, om de speren weg te strijken, die steil uit zijn schild uitstaken, maar terwijl hij dit deed, stortte de Clan Calatin op hem af en sloeg hem ter neder, waarbij zijn gelaat op de steenen sloeg. Daarop gaf Cuchulain een luiden schreeuw van nood over den ongelijken strijd, en één van de ballingen van Ulster, Fiacha, de zoon van Firaba, die bij het leger van Maev was, en het gevecht gadesloeg, kon den ellendigen toestand van den kampioen niet langer aanzien, zoodat hij zijn zwaard trok en met één slag de acht en twintig handen afsloeg, die het gelaat van Cuchulain op de keisteenen der wadde duwden. Daarop stond Cuchulain op en hakte den Clan Calatin in stukken, zoodat geen enkele in leven bleef, om te verhalen wat Fiacha gedaan had; anders zoude hij met zijn drieduizend volgelingen uit den Clan Rury door Maev ter dood gebracht zijn.

Ferdia neemt deel aan den strijd.

Cuchulain had nu al de machtigsten der mannen van Maev overwonnen, behalve hem, die na Fergus het machtigst was, en wel Ferdia, den zoon van Daman. En daar Ferdia de oude vriend en medeleerling van Cuchulain was, was hij nooit tegen hem opgetrokken; doch nu verzocht Maev hem te gaan, maar hij wilde niet. Daarop bood zij hem haar dochter, Findabair, met de Schoone Wenkbrauwen, tot vrouw aan, als hij Cuchulain aan de wadde wilde aanvallen, maar ook toen wilde hij niet. Ten slotte beval zij hem te gaan, daar anders de dichters en spotschrijvers gedichten op hem zouden maken en hem openlijk tot schande zouden maken, waarna hij woedend en verdrietig zijn toestemming gaf en zijn wagenmenner beval zich voor den strijd tegen den volgenden dag gereed te maken. Toen was er droefheid onder zijn geheele volk, omdat zij wisten, dat als Cuchulain en hun meester een tweegevecht aangingen, één van hen niet levend zou terugkeeren.

Zeer vroeg in den morgen reed Ferdia naar de wadde, en legde zich daar neder op de kussens en huiden van den wagen en sliep totdat Cuchulain zou komen. Eerst toen het helder dag was, hoorde de wagenmenner van Ferdia het donderen van den naderenden strijdwagen van Cuchulain, en wekte hij zijn meester; de beide vrienden zagen elkander weder aan weerszijden van de wadde. En toen zij elkander hadden begroet, zeide Cuchulain: "Ferdia, gij hadt niet tegen mij ten strijde moeten komen. Waren wij niet, toen wij bij Skatha waren, zijde aan zijde in iederen slag, en in ieder bosch en in iedere wildernis? Waren wij niet boezemvrienden, trouwe makkers bij feesten en in de vergadering? Deelden wij niet hetzelfde bed en denzelfden diepen slaap?" Maar Ferdia antwoordde: "O Cuchulain, gij man der bewonderenswaardige daden, hoewel wij samen poëzie en wetenschap hebben bestudeerd, en hoewel ik u onze vriendschapsdaden heb hooren vermelden, toch zal mijn hand u verwonden. Herinner u onze vriendschap niet, gij Hond van Ulster, zij zal u niet helpen, zij zal u niet helpen."

Daarna bespraken zij, met welke wapenen zij zouden beginnen te vechten, en Ferdia herinnerde Cuchulain aan de kunsten van het werpen met werpspiesen, zooals zij die van Skatha hadden geleerd, en zij kwamen overeen, daarmede te beginnen. Vooruit en achteruit gonsden de lichte werpspiesen over de wadde als bijen op een zomerdag, maar toen de middag was aangebroken, had geen enkel wapen de wapenrusting van den tegenstander doorboord. Daarop namen zij de zware werpspiesen ter hand, en nu begon tenslotte bloed te vloeien, immers de ééne kampioen wondde telkens den anderen. Eindelijk brak het einde van den dag aan. "Laat ons nu ophouden," zeide Ferdia, en Cuchulain stemde daarin toe. Daarop wierp ieder van hen zijn wapenen naar zijn wagenmenner, en de vrienden omhelsden en kusten elkander driemaal, en gingen ter ruste. Hun paarden werden in dezelfde omheinde plaats geborgen, de paardenmenners warmden zich aan hetzelfde vuur, en de helden zonden elkander spijzen en drank en geneeskrachtige kruiden voor hun wonden.

Den volgenden dag begaven zij zich weer naar de wadde, en omdat Ferdia den vorigen dag de keuze der wapenen gehad had, verzocht hij Cuchulain nu te kiezen. [152] Cuchulain koos nu de zware speren met breed lemmer, om van dichtbij te vechten, en daarmede streden zij van hun wagens af totdat de zon onderging, en menners en paarden afgemat waren en het lichaam van ieder der helden met wonden was bedekt. Toen eerst eindigden zij den strijd en wierpen hun wapenen neer. En zij kusten elkander als te voren, en zooals te voren, deelden zij samen spijs en drank en sliepen vreedzaam tot aan den morgen.

Toen de derde dag van den strijd aanbrak, vertoonde Ferdia een boos en grimmig gelaat, en Cuchulain verweet hem, dat hij tegen zijn makker ten strijde trok ter wille van een meisje, al was zij ook zoo schoon als Findabair, die door Maev aan iederen kampioen was aangeboden, en ook aan Cuchulain zelf, als de wadde daarmee kon worden gewonnen; maar Ferdia zeide: "Edele Hond, als ik u, na daartoe opgeroepen te zijn, niet het hoofd had geboden, zou ik mijn woord hebben gebroken, en zou ik in Rathcroghan geschandvlekt zijn." Het is nu de beurt van Ferdia, de wapenen te kiezen, en zij maken gebruik van hun "zware, hard treffende zwaarden," en hoewel zij van elkanders dijen en schouders groote stukken vleesch hakken, kan geen van beiden zijn tegenstander overwinnen, en eindelijk maakte de avond een einde aan den slag. Dien avond gaan zij somber en gedrukt van elkander en er was geen wisseling van vriendelijke daden, hun wagenmenners en paarden sliepen afzonderlijk. De hartstocht der strijders was tot grimmigen ernst gestegen.

De dood van Ferdia.

Op den vierden dag wist Ferdia, dat de strijd zou worden beslist, en hij wapende zich met bijzondere zorg. Hij droeg over zijn huid een kleed van gestreepte zijde, omzoomd met gouden loovertjes, en daarover heen hing een voorschoot van bruin leder. Op zijn buik legde hij een vlakke steen, zoo groot als een molensteen, en daarover een stevig, dik ijzeren voorschoot, immers hij vreesde, dat Cuchulain dien dag de Gae Bolg zou gebruiken. En op zijn hoofd plaatste hij zijn gepluimden helm, met karbonkels bezet en met email ingelegd, en hij omgorde zich met zijn zwaard met gouden gevest, en hing aan zijn arm zijn breed schild met vijftig bronzen knoppen. Zoo stond hij aan de wadde, en terwijl hij wachtte, wierp hij zijn wapenen in de hoogte en ving ze weder op en deed een aantal bewonderenswaardige daden, terwijl hij met zijn machtige wapens speelde zooals een goochelaar met appels speelt, en Cuchulain zeide, terwijl hij hem gadesloeg tot Laeg, zijn wagenmenner: "Als ik van daag achteruit deins, verwijt mij dan en bespot mij en spoor mij tot dapperheid aan, en prijs en bemoedig mij, als ik mijn plicht doe, want ik zal al mijn moed noodig hebben."

"O Ferdia," zeide Cuchulain, toen zij den strijd zouden beginnen, "wat zullen heden onze wapens zijn?" Gij moogt van daag kiezen," antwoordde Ferdia. "Laten het dan alle zijn," zeide Cuchulain, en Ferdia werd vreeselijk terneergeslagen, toen hij dit hoorde, maar hij zeide: "Zoo zij het," en daarop begon het gevecht. Tot aan den middag streden zij met speren en niemand kon op den ander een voordeel behalen. Daarop trok Cuchulain zijn zwaard en trachtte Ferdia over den rand van zijn schild heen te treffen; maar de reus Firbolg verhinderde dit listig. Driemaal sprong Cuchulain hoog in de lucht en trachtte Ferdia over zijn schild heen te treffen, maar iederen keer als hij neerkwam ving Ferdia hem op zijn schild op en wierp hem als een klein kind in de wadde, en Laeg lachte hem uit, en riep: Hij werpt u van zich af, zooals een rivier haar schuim weg werpt; hij vermaalt u, zooals een molensteen een graankorrel fijnmaalt; gij, kaboutermannetje, noem u nooit meer een krijgsman."

Toen kwam ten slotte bij Cuchulain de woede over hem, en hij zette zich tot een reus, totdat hij boven Ferdia uitstak, en het licht van een held schitterde rondom zijn hoofd. De twee waren nauw ineengestrengeld, terwijl zij ronddraaiden en trappelden en terwijl de booze geesten en kabouters en de geesten der bergpassen van het lemmer van hun zwaarden schreeuwden en de wateren der wadde in schrik voor hen weken, zoodat zij een tijdlang op de droogte streden te midden van de bedding der rivier. Nu was Cuchulain een oogenblik minder op zijn hoede, en sloeg Ferdia hem met het scherpe van zijn zwaard, dat diep in zijn vleesch drong, zoodat de rivier roodgekleurd was van zijn bloed. En daarna drukte hij Cuchulain hevig, op hem hakkend en hem stootend, zoodat deze het niet langer kon uithouden en Laeg toeschreeuwde, hem de Gae Bolg toe te werpen. Toen Ferdia dit hoorde hield hij zijn schild naar beneden om zich van onderen te dekken, en Cuchulain joeg zijn speer over den rand van zijn schild en door zijn borstharnas in zijn borst. En Ferdia hief zijn schild weer op, maar op dat oogenblik pakte Cuchulain de Gae Bolg met zijn teenen en wierp het naar boven tegen Ferdia, zoodat het door het ijzeren voorschoot heendrong, den molensteen, die hem beschermde, in drieën spleet, en diep drong in zijn lichaam, zoodat iedere scheur en barst in zijn lichaam met haar weerhaken was gevuld. "Het is genoeg," riep Ferdia, "dit is mijn dood. Het is erg, Cuchulain, dat ik door uw hand val." Cuchulain greep hem, terwijl hij viel, en droeg hem in noordelijke richting door de wadde, opdat hij aan de andere zijde zou sterven, en niet aan die van de mannen van Erin. Daarna legde hij hem neder, en een flauwte overviel Cuchulain, en hij viel, toen Laeg uitriep: "Sta op, Cuchulain, immers het leger van Erin zal ons overvallen. Nu Ferdia is gesneuveld, zullen zij geen tweegevecht meer toestaan." Maar Cuchulain zeide, "waarom zou ik weer opstaan, mijn dienaar, nu hij, die daar ter neder ligt, door mijn hand is gevallen?" en hij viel bewusteloos als dood ter neder. En het leger van Maev trok de grenzen over naar Ulster met geschreeuw en met vreugdekreten, onder het werpen van speren en het zingen van krijgsliederen.

Maar voordat zij de Wadde verlieten, namen zij het lijk van Ferdia op en legden het in een graf, en bouwden een grafheuvel daarover, en richtten een steenen pilaar op met zijn naam en afkomst in Oghamschrift. En sommigen van de vrienden van Cuchulain kwamen uit Ulster, en droegen dezen naar Murthemney, waar zij hem reinigden en zijn wonden in de stroomen afwaschten, en zijn bloedverwanten onder het Volk van Dana wierpen tooverkruiden ter genezing in de rivieren. Maar hij lag daar, bij voortduring zwak en bedwelmd gedurende verschillende dagen.

Ulster verheft zich eindelijk.

Sualtam nu, de vader van Cuchulain, had het paard van zijn zoon genomen, den Schimmel van Maehn, en was weer weggereden om te zien, of hij op de ééne of andere wijze de mannen van Ulster kon opwekken om de provincie te verdedigen. En hij ging op weg, voortdurend uitroepend: "De mannen van Ulster worden verslagen, de vrouwen gevangen weggevoerd, de koeien medegenomen!" Doch zij staarden hem wezenloos aan, alsof zij niet wisten, waarvan hij sprak. Eindelijk kwam hij in Emania, en daar waren Cathbad de Druïde en koning Conor, met al hun aanzienlijken en edelen, en Sualtam riep hun luidde toe: "De mannen van Ulster worden verslagen, de vrouwen gevangen weggevoerd, de koeien medegenomen; en Cuchulain moet alleen de bres van Ulster bezetten tegen de vier provincies van Erin. Staat op en verdedigt u!" Maar Cathbad zeide niets anders dan: "Hij is des doods schuldig, die den koning zoo lastig valt;" en Conor zeide: "Toch is het waar, wat de man zegt"; en de edelen van Ulster schudden het hoofd en mompelden: "Het is inderdaad waar."