Keltische Mythen en Legenden

Chapter 16

Chapter 163,849 wordsPublic domain

Op zekeren dag, toen de tijd voor het huwelijk van Deirdre en Conor naderde, keken Deirdre en Levarcam over de wallen van hun dun. Het was winter, een heftige sneeuwstorm had 's nachts gewoed, en in de stille, vriezende lucht stonden de boomen in zilver gehuld, en de grasvlakte vóór de dun was een kleed van onafgebroken wit, behalve dat op één plek een der bedienden een kalf had geslacht waarvan het bloed op de sneeuw lag. Toen nu Deirdre naar buiten keek, daalde een raaf af van een nabijstaande boom en begon het bloed op te likken. "Ach voedster," riep Deirdre plotseling uit, "ik zou eer dan den koning een man kunnen liefhebben, met haar zoo zwart als de vleugels van de raaf, en met kaken, rood gekleurd als bloed, en met een huid zoo wit als sneeuw." "Gij hebt iemand uit de omgeving van Conor geschilderd," zeide de voedster. "Wie is het?" vroeg Deirdre. "Het is Naisi, de zoon van Usna, [139] één der Kampioenen van den Rooden Tak," zeide de voedster. Daarop smeekte Deirdre Levarcam, haar in de gelegenheid te stellen, met Naisi te spreken; en daar de oude vrouw Deirdre liefhad en niet wenschte, dat zij met een ouden koning zoude huwen, stemde zij er eindelijk in toe. Deirdre smeekte Naisi haar voor Conor te redden, maar hij wilde niet, totdat hij ten slotte gewonnen werd door haar smeekingen en haar schoonheid, en hij beloofde dat zij de zijne zou zijn. Daarop kwam hij op zekeren nacht heimelijk met zijn twee broeders, Ardan en Ainlé, en voerde hij Deirdre met Levarcam weg, zij ontkwamen aan de vervolging des konings en gingen scheep naar Schotland, waar Naisi dienst nam onder den koning der Picten. Doch hier konden zij niet blijven, immers de koning kreeg Deirdre te zien, en zou haar van Naisi hebben weggenomen, maar Naisi en zijn broeders ontsnapten en vestigden zich in de eenzaamheid van den Bergpas Etive aan het meer, en woonden daar in het woeste bosch van de jacht en de visscherij, zonder met iemand in aanraking te komen dan met elkander en hun bedienden.

En de jaren gingen voorbij en Conor liet niets van zich hooren, maar toch vergat hij niet, en zijn spionnen hielden hem van alles op de hoogte wat Naisi en Deirdre overkwam. Eindelijk, van oordeel zijnde, dat Naisi en zijn broeders de eenzaamheid moede zouden zijn, zond hij den boezemvriend van Naisi, Fergus, den zoon van Roy naar hem toe, met het verzoek, of zij wilden terugkeeren, met de belofte er bij, dat alles zou vergeven zijn. Fergus ging blijde op weg, en met vreugde hoorden Naisi en zijn broeders de boodschap, maar Deirdre voorzag, dat er ongelukken uit zouden voortvloeien, en had Fergus het liefst alleen naar huis gezonden. Maar Naisi berispte haar om haar twijfelingen en booze vermoedens, en deed haar opmerken, dat zij onder de bescherming van Fergus waren, wiens bescherming geen koning in Ierland zoude durven schenden; en ten slotte maakten zij zich op om te gaan.

Toen zij in Ierland landden ontmoetten zij daar Baruch, één der helden van den Rooden Tak, wiens dun in de onmiddellijke nabijheid was gelegen, en deze noodigde Fergus uit op een feest dat hij dien avond voor hem had bereid. "Ik kan niet blijven", zeide Fergus, "want ik moet Deirdre en de zonen van Usna veilig naar Emain Macha geleiden". "Toch", zeide Baruch, "moet gij van avond bij mij blijven, want het is voor u een _geis_, een feest te weigeren". Deirdre smeekte hem, hem niet te verlaten, maar Fergus werd door het feest aangelokt, en durfde de _geis_ niet te verbreken, en hij beval zijn zoons Illan den Blonde en Buino den Roode, in zijn plaats de zorg voor het gezelschap op zich te nemen, en hij zelf ging mede met Baruch.

Zoo kwam het gezelschap te Emain Macha, en werd ondergebracht in het Huis van den Rooden Tak, maar Conor ontving hen niet. Na het avondmaal, toen hij stevig en stil zat te drinken, zond hij een bode om Levarcam voor zich te voeren. "Hoe gaat het met de zonen van Usna?" vroeg hij haar. "Dat gaat goed", zeide zij. Gij hebt de drie dapperste kampioenen van Ulster aan uw hof. De koning, die die drie heeft, behoeft geen vijand te vreezen." "Hoe gaat het met Deirdre?", vroeg hij. "Zij is gezond", zeide de voedster, "maar zij heeft vele jaren in de woestenij geleefd, en zware arbeid en zorg hebben haar zeer veranderd--er is slechts weinig van haar oude schoonheid overgebleven, O koning". Maar na korten tijd ontbood hij één van zijn dienaren, Trendorn genaamd en beval hem te gaan naar het Huis van den Rooden Tak en na te gaan, wie er was en wat zij deden. Maar toen Trendorn daar aankwam was de plaats gegrendeld en afgesloten tegen den nacht, zoodat hij niet kon worden toegelaten; eindelijk klom hij op een ladder en keek door een hoog venster naar binnen. En daar zag hij de broeders van Naisi en de zoons van Fergus, die aan het praten waren en hun wapenen poetsten, of zich voor den slaap gereed maakten, en daar zat Naisi met een schaakbord voor zich, terwijl hij schaakspeelde met de schoonste vrouw, die hij ooit had gezien. Maar terwijl hij in bewondering het edele paar gadesloeg, werd hij plotseling ontdekt door één van hen, die een kreet slaakte, terwijl hij naar het venster wees. En Naisi keek op en zag het, en een schaakstuk van het bord nemende, slingerde hij het naar het gelaat van den spion, waardoor bij dezen een oog werd uitgestooten. Daarna klom Trendorn haastig de ladder af, en ging met zijn bloedig gelaat naar den koning. "Ik heb ze gezien," riep hij, "ik heb de schoonste vrouw der wereld gezien, en als Naisi mijn oog niet had uitgeworpen, zou ik nu nog naar haar kijken."

Daarop stond Conor op en riep zijn lijfwacht en beval hen de zonen van Usna vóór hem te brengen, omdat zij zijn bode hadden verminkt. En de lijfwacht ging; maar eerst ging Buino, de zoon van Fergus, met zijn gevolg hen tegemoet, en dreef hen met de punt van het zwaard terug; Naisi en Deirdre bleven rustig doorgaan met schaakspelen. "Immers," zeide Naisi, "het is niet gepast, dat wij zouden trachten ons te verdedigen, terwijl wij onder de bescherming staan van de zonen van Fergus." Maar Conor ging naar Buino, en kocht hem door een rijke schenking aan land om, de hem gegeven opdracht in den steek te laten. Daarop nam Illan de verdediging op zich van het Huis van den Rooden Tak, maar de twee zoons van Conor doodden hem. Doch toen namen ten slotte Naisi en zijn broeders hun wapenen op en stortten zich te midden der vijanden, waarbij het aantal van hen, die sneuvelden aanzienlijk was. Toen smeekte Conor den Druïde Cathbad, een tooverbezwering over hen uit te spreken, tenzij zij zouden wegtrekken en niet de vijanden der provincie zouden worden, en hij beloofde hun geen kwaad te zullen doen als zij levend gevangen genomen zouden worden. Daarop riep Cathbad een meer van slijk op, dat zich bij de voeten der zoons van Usna bevond, en zij konden hun voeten daar niet van wegtrekken en Naisi greep Deirdre en plaatste haar op zijn schouder, want het scheen alsof zij in het slijk zonken. Daarop grepen hen de lijfwacht en de dienaren van Conor en bonden hen, waarna zij voor den koning werden geleid. En de koning liet man voor man voorkomen om de zoons van Usna te dooden doch niemand wilde gehoorzamen, totdat ten slotte Owen, de zoon van Duracht en vorst van Ferney kwam, het zwaard van Naisi greep, en met één zwaai de hoofden van alle drie af sloeg; zoo stierven zij.

Nu maakte Conor zich met geweld van Deirdre meester, en een jaar lang leefde zij met hem in het paleis te Emain Macha, maar gedurende al dien tijd lachte zij geen enkele maal. Ten slotte zeide Conor: "Wat haat gij, Deirdre, het meest op aarde?" En zij antwoordde: "U zelf en Owen den zoon van Duracht," en Owen stond er bij. "Dan zult gij eenjaar lang naar Owen gaan," zeide Conor. Maar toen Deirdre den wagen achter Owen besteeg, hield zij haar oogen op den grond gericht, daar zij hen, die haar zoo kwelden, niet wilde zien; en Conor zeide, om haar te tergen: "Deirdre, uw blik tusschen mij en Owen is die van een ooi tusschen twee rammen." Daarop sprong Deirdre op, en na hals over kop uit den wagen gesprongen te zijn, stootte zij haar hoofd tegen een steen en viel dood. En men verhaalt, dat er, toen zij haar begroeven, uit haar graf en uit dat van Naisi twee taxisboomen groeiden, waarvan de toppen, toen zij tot vollen wasdom waren gekomen, tot elkander naderden over het dak der groote kerk van Armagh, en samengroeiden, zoodat niemand ze kon scheiden.

De Opstand van Fergus.

Toen Fergus mac Roy in Emain Macha terugkeerde na het feest, waartoe Baruch hem had uitgenoodigd, en tot de ontdekking kwam, dat de zoons van Usna gedood waren, en één van zijn eigen zoons dood was, terwijl de andere een verrader was geworden, barste hij tegen Conor los in een storm van woede en in vloeken, en zwoer dat hij zich te vuur en te zwaard op hem zou wreken. En hij ging regelrecht naar Connacht toe, om dienst te nemen bij Ailell en Maev, die koning en koningin van dat land waren.

Koningin Maev.

Maar hoewel Ailell koning was, was Maev inderdaad de heerscheres, en beval alles zooals zij wilde, en nam elken echtgenoot, dien zij wilde, en zond die naar eigen wil terug; want zij was zoo onstuimig en krachtig als een godin van den oorlog, en kende geen andere wet dan haar eigen wil. Zij was, naar verhaald wordt, lang van gestalte, had een lang, bleek gelaat en een rijkdom van haar, zoo geel als rijp koren. Toen Fergus bij haar kwam in haar paleis te Rathcroghan, in Roscommon, schonk zij hem haar liefde, zooals zij die aan velen vóór hem had geschonken, en samen overlegden zij, hoe zij de provincie Ulster konden aanvallen en verwoesten.

De Bruine Stier van Quelgny.

Het geschiedde nu, dat Maev een vermaarden rooden stier bezat met een wit voorhoofd en witte horens, Finnbenach genaamd, en op zekeren dag, toen zij en Ailell hun wederzijdsche bezittingen optelden en tegen elkaar opwogen, hoonde hij haar, omdat de Finnbenach niet wilde blijven in de handen van een vrouw, maar zich had gehecht aan de kudde van Ailell. Daarom ging Maev geërgerd naar haar rentmeester, mac Roth, en vroeg hem, of er ergens in Erin een stier was, zoo prachtig als de Finnbenach. "Ja zeker," zeide de rentmeester, "er is er een--want de Bruine Stier van Quelgny, die aan Dara, den zoon van Fachtna behoort, is het prachtigste dier in Ierland." En daarna was het voor Maev alsof zij geen kudden groot- of kleinvee had, die iets waard waren, zoolang zij niet den Bruinen Stier van Quelgny in haar bezit had. Maar deze was in Ulster en de bewoners van Ulster wisten, welk een schat zij bezaten, en Maev wist, dat zij den stier niet zouden afstaan zonder er om te vechten. Daarom besloten zij en Fergus en Ailell een strooptocht tegen Ulster te ondernemen om het bezit van den Bruinen Stier en zoo met de provincie in oorlog te komen, immers Fergus verlangde zich te wreken en Maev verlangde te strijden, roem te behalen en den stier te verkrijgen, terwijl Ailell Maev genoegen wilde doen.

Laat ons hier de opmerking maken, dat die strijd om den stier, die het schijnbare onderwerp van het belangrijkste der Keltische legenden is, de "Tain Bo Cuailgné", een diepere beteekenis heeft dan oppervlakkig lijkt. Hierin is een oud stuk Arische mythologie vastgelegd. De Bruine Stier is het Keltische tegenstuk van de Hindoe lucht-godheid, Indra, die in de Hindoemythen wordt voorgesteld als een machtige stier, wiens loeien is als de Donder, en die de regenvlagen loslaat "als koeien, die naar de weiden stroomen." Het optrekken der vijanden uit het Westen (Connacht), om den stier te grijpen is een zinnebeeld van het invallen van den Nacht. De stier wordt verdedigd door den zonnegod Cuchulain, die echter ten slotte overwonnen wordt, waarna de stier voor één jaargetijde wordt gevangen. De beide dieren in de Keltische legende vertegenwoordigen de lucht in verschillende gedaanten. Zij werden met een pracht en een omhaal van woorden beschreven, die bewijzen, dat het geen gewone dieren zijn. Eertijds waren zij, zoo luidt het verhaal, zwijnenhoeders van het Volk van Dana. Zij waren eerst veranderd in twee raven, dan in twee zeemonsters, twee krijgslieden, twee booze geesten, twee wormen, en ten slotte in twee koeien [140]. Van den Bruinen Stier wordt verteld, dat hij een rug had, breed genoeg voor vijftig kinderen, om er op te spelen; als hij boos is op zijn bewaarder, stampt hij den man dertig voet in den grond; hij wordt vergeleken met een zeegolf, een beer, een draak, een leeuw, terwijl de schrijver voorstellingen van zijn kracht en woestheid ophoopt. Wij hebben dus niet te doen met een gewonen strooptocht om vee, maar met een mythe, waarvan de trekken te herkennen zijn onder de voorstelling daaraan gegeven door de gloeiende verbeeldingskracht van den onbekenden Keltischen held, die de "Tain" vervaardigde, hoewel de nauwkeurige beteekenis van iedere bijzonderheid moeilijk te ontdekken is.

De eerste poging van Maev, om in het bezit te komen van den stier, bestond hierin dat zij een gezantschap naar Dara zond, om hem een jaar ter leen te vragen, waarbij zij als belooning vijftig vaarzen aanbood en zich verbond den stier terug te geven, en als Dara zich in Connacht wilde vestigen, kon hij daar evenveel land krijgen, als hij nu in Ulster bezat, en een wagen die driemaal zeven _Cumals_ [141] waard was, en bovendien de bescherming en de vriendschap van Maev.

Eerst was Dara zeer verheugd met dat vooruitzicht, maar hem werden verhalen overgebracht, wat de boden van Maev hadden gezegd, en hoe zij verklaard hadden, dat als de stier niet vrijwillig gegeven werd, hij met geweld zou genomen worden; daarom zond hij een weigerend en uittartend antwoord. "Het was bekend", zeide Maev, "dat de stier niet op eerlijke wijze zou worden afgestaan; daarom zal ik er mij op oneerlijke wijze van meester maken". En daarom zond zij boden in iedere richting, om haar troepen voor den rooftocht te ontbieden.

De Troepen van Koningin Maev.

En daar kwamen alle machtige mannen uit Connacht--eerst de zeven Mainés, de zoons van Ailell en Maev, ieder met zijn gevolg, en Ket en Anluan, de zonen van Maga, met drie duizend gewapende mannen, en de geelharige Ferdia, met zijn troep Firbolgs, ontstuimige reuzen, die zich verheugden in den oorlog en in krachtige ale. En daar kwamen ook de bondgenooten van Maev, een troep mannen uit Leinster, die zóózeer de overige overtroffen in vaardigheid in den strijd, dat zij onder de troepen van Connacht werden verdeeld, opdat zij geen gevaar voor den troep zouden opleveren; eindelijk Cormac, de zoon van Conor, met Fergus mac Roy en andere ballingen uit Ulster, die tegen Conor in opstand waren gekomen om zijn verraad jegens de zonen van Usna.

Ulster onder den Vloek.

Maar voordat de troep zich op weg begaf naar Ulster, zond Maev haar spionnen in het land, om haar mede te deelen, welke voorbereidselen daar werden gemaakt. En de spionnen brachten een wonderlijk verhaal terug, dat het hart van Maev verheugde, immers zij vertelden, dat de Zwakte der bewoners van Ulster [142] over de provincie was verspreid. Koning Conor lag in angst te Emain Macha, en zijn zoon Cuscrid in zijn eilandvesting, terwijl Owen, de Vorst van Ferney, zoo hulpeloos was als een kind; Celtchar, de ontzaglijke grijze krijgsman, de zoon van Uthecar Hornskin, en zelfs Conall van de Overwinningen lagen steunende en zich krommende in hun bed, en in geheel Ulster was er geen hand, die een speer kon opheffen.

Profetische Stemmen.

Toch ging Maev naar den oppersten van haar Druïden, en vroeg hem wat haar eigen lot in den oorlog zou zijn. En de Druïde zeide alleen: "Wie ook veilig terugkomt, of niet terugkeert, gij zelf zult komen." Maar op haar reis terug zag zij plotseling vóór den disselboom van haar wagen een jong meisje staan, met vlechten van geel haar, die tot onder haar knieën afhingen, en die gekleed was in een groenen mantel; en met een gouden weversspoel weefde zij een werk op een weversstoel. "Wie zijt gij, meisje?" vroeg Maev, "en wat doet gij?" "Ik ben de profetes, Fedelma, van de Tooverhoogte van Croghan," zeide het meisje, "en ik weef de vier provincies van Ierland te zamen voor den strooptocht in Ulster." "Hoe ziet gij onzen troep?" vroeg Maev. "Ik zie ze allen roodgekleurd," antwoordde de profetes. "En toch zijn al de helden van Ulster in doodsangst--er is geen enkele die een speer tegen ons kan opheffen," zeide Maev. "Ik zie den troep geheel roodgekleurd," zeide Fedelma. "Ik zie een man van kleine gestalte, maar het licht van den held schijnt op zijn voorhoofd, het is een aankomende man, jong en bescheiden, maar een draak in den strijd, hij gelijkt op Cuchulain van Murthemney; hij doet met zijn wapenen schitterende krijgsdaden; door hem zullen slachtoffers in hoopen neerstorten. [143] Daarop verdween het schijngezicht van het wevende meisje, en Maev vertrok naar huis naar Rathecrogan, verbaasd over wat zij had gezien en gehoord.

Cuchulain brengt den Troep onder Geise.

Den volgenden morgen ging de troep op weg onder aanvoering van Fergus mac Roy, en toen zij de grenzen van Ulster naderden, beval hij hen scherp toe te zien, dat niet Cuchulain van Murthemney, die de passen van Ulster in het zuiden bewaakte, hen onverwachts zou overvallen. Cuchulain en zijn vader Sualtam [144] waren aan de grenzen der provincie, en Cuchulain vermoedde, door een waarschuwing, die Fergus hem had gezonden, dat een groot leger naderde en verzocht Sualtam noordelijk naar Emania te trekken en de mannen van Ulster te waarschuwen. Maar Cuchulain zelf wilde daar niet blijven, want hij zeide, dat hij een afspraak had met de kamenier van de vrouw van Laery den _bodach_ (pachter), daarom ging hij het bosch in, en daar ging hij op één been staan en gebruikte slechts één hand en één oog, en sneed een eikenplantje af en draaide het in een cirkelvormig teentje van wilgenhout. Daarop sneed hij in Ogham letters, hoe het teentje gemaakt was, en hij plaatste het leger van Maev onder _geise_, dat zij die plaats niet mochten voorbijgaan, voordat één van hen onder dezelfde voorwaarden een dergelijk teentje had gemaakt; "en ik zonder mijn vriend Fergus mac Roy" uit, voegde hij er aan toe, en schreef zijn naam aan het uiteinde. Daarna plaatste hij het teentje rondom den steenen pilaar van Ardcullin, en ging op weg om aan zijn afspraak met de kamenier te voldoen. [145]

Toen het leger van Maev te Ardcullin kwam, werd het teentje om de pilaar gevonden en naar Fergus gezonden om het te ontcijferen. Niemand van de troep kon Cuchulain zijn handeling nadoen, daarom gingen zij in het bosch en kampeerden gedurende den nacht. Er had een hevige sneeuwval plaats, en allen waren in groote moeilijkheden, maar den volgenden dag verrees de zon schitterend, en over de witte vlakte trokken zij naar Ulster, in de meening, dat het verbod slechts voor één nacht gold.

De Wadde van den Vertakten Paal.

Cuchulain volgde nu onmiddellijk hun spoor, en daarbij schatte hij, naar de sporen, die zij hadden achtergelaten, het aantal der troepen op achttien _triucha cét_ (54000 man). Na om den troep heen getrokken te zijn, ontmoette hij hen nu van voren, en zag hij spoedig twee wagens, die spionnen bevatten, welke door Maev vooruitgezonden waren. Deze versloeg hij, iederen man met zijn wagenmenner, en na met één slag van zijn zwaard een vertakten paal met vier vorken uit het bosch te hebben gehakt, dreef hij den paal diep in een wadde der rivier, en plaatste op iedere vork een bloedig hoofd. De plaats waar dit geschiedde, heette van toen af aan Athgowla [146]. Toen het leger kwam, waren zij verbaasd en verschrikt over het gezicht, en Fergus verklaarde, dat zij onder _geise_ stonden, de wadde niet te mogen overtrekken, voordat één van hen den paal op dezelfde wijze had uitgetrokken als hij er in was geslagen, met de vingertoppen van één hand. Daarom reed Fergus het water in, om dien kunstgreep te beproeven, en zeventien wagens braken onder hem, terwijl hij aan den paal trok, doch ten slotte trok hij hem uit; en daar het reeds laat was geworden, kampeerde het leger op die plek. Deze listen van Cuchulain hadden ten doel, de indringelingen tegen te houden, totdat de mannen van Ulster zich van hun zwakheid hadden hersteld.

In het epos, zooals het gegeven wordt in het Boek van Leinster, en de andere oude bronnen, heeft er nu een groot tusschenbedrijf plaats, waarin Fergus aan Maev uitlegt, wie het is--en wel "mijn kleine leerling Setanta"--die het leger zoo hindert, en waarin zijn daden als jongeling, waarvan in dit verhaal reeds sommige zijn verteld, worden medegedeeld.

De Wagenmenner van Orlam.

Het leger ging den dag daarop verder, en de volgende ontmoeting toont ons onzen held in een vriendelijker gemoedsstemming. Hij hoort het geluid van het vellen van hout, en toen hij in het woud gaat, vindt hij daar een wagenmenner, die behoort tot één der zonen van Ailell en Maev, die disselboomen van hulst hakken. "Immers," zegt hij, "wij hebben onze wagens vreeselijk beschadigd bij het jagen op dat bekende wild, Cuchulain." Cuchulain, die, zooals men zich zal herinneren, in gewone tijden een nietige en weinig indrukwekkende gestalte had, hoewel hij in den slag in gestalte uitzette en vreeselijk verwrongen werd, een symbool van Berserker woede--helpt den wagenmenner bij zijn werk. "Zal ik," zoo vraagt hij, "de palen hakken of ze voor u glad maken?" "Maak gij ze glad," zeide de wagenmenner. Cuchulain neemt de palen bij de punten, en trekt ze tegen de rijen takken tusschen zijn toonen door en laat ze dan op dezelfde wijze tusschen zijn vingers heen gaan, en geeft ze hem even glad en gepolijst terug, alsof zij door een timmerman waren gladgeschaafd. De wagenmenner staart hem verbaasd aan. "Ik vermoed, dat het werk, dat ik u liet maken, niet uw gewoon werk is," zegt hij. "Wie zijt gij dan toch?" "Ik ben de Cuchulain, over wien gij zoo even hebt gesproken." "Dan ben ik zeker een kind des doods," zeide de wagenmenner. "Neen," antwoordt Cuchulain, "ik dood geen wagenmenners of boden of ongewapende mannen. Maar loop snel weg en deel uw meester Orlam mede, dat Cuchulain op het punt is hem te bezoeken." De wagenmenner holt weg, maar Cuchulain haalt hem in, ontmoet Orlam het eerst, en slaat hem het hoofd af. Een oogenblik slechts ziet het leger van Maev hem, terwijl hij die bloedige tropee vóór hen heen en weer slingert; daarna verdwijnt hij uit het gezicht--het is de eerste glimp, die zij van hun vervolger te zien krijgen.

De Strijdwoede van Cuchulain.