Chapter 15
Toen hij naderbij kwam, was het meisje in gezelschap van haar gezellinnen, de dochters van de vazallen van Forgall, die zij onderricht gaf in het borduren, want in die kunst overtrof zij alle vrouwen. Zij had "de zes gaven der vrouw--de gave der schoonheid, de gave der stem, de gave van vriendelijk spreken, de gave van het naaldwerk, de gave der wijsheid en de gave der kuischheid."
Toen zij de paardehoeven hoorde weerklinken en het geratel van den wagen in de verte, verzocht zij één der meisjes naar de wallen van de Dun te gaan en haar te vertellen wat zij zag. "Er komt een wagen aan," zeide het meisje "getrokken door twee paarden met schuddende koppen, woest en krachtig; het ééne is grijs, het andere zwart. Uit hun bekken blazen zij vuur, en de aardkluiten, die zij achter zich opwerpen als zij voorthollen gelijken op een zwerm vogels, die hun sporen volgen. In den wagen is een donkere, sombere man, de schoonste van alle mannen uit Erin. Hij is gekleed in een karmozijnrooden mantel met een gouden gesp, en op zijn rug is een karmozijnrood schild met een zilveren rand, waarop figuren van dieren zijn gewerkt. Bij hem zit als wagenmenner een lange, slanke, sproetige man met krullend rood haar, dat samen gehouden wordt door een haarband van brons, met gouden platen aan weerszijden van het gelaat. Hij drijft de paarden aan met een prikkel van rood goud."
Terwijl de wagen kwam aanrijden, ging Emer Cuchulain te gemoet en groette zij hem. Maar toen hij met zijn liefde bij haar aandrong, vertelde zij van de macht en de sluwheid van haar vader Forgall, en van de kracht der kampioenen, die haar bewaakten, opdat zij niet tegen zijn wil zou huwen. En toen hij nog langer aandrong, zeide zij: "Ik wil niet huwen vóór mijn zuster Fial die ouder is dan ik. Zij is hier bij mij--zij munt bijzonder uit in naaldwerk." "Het is niet Fial, die ik lief heb," zeide Cuchulain. Toen zag hij, terwijl zij met elkander spraken, de borst van het meisje boven den rand van haar hemd, en zeide hij: "Schoon is die vlakte, die vlakte van het schitterende paar." "Niemand komt bij die vlakte," zoo sprak zij, "die zijn honderden niet heeft verslagen, en gij moet nog beginnen met uw daden."
Daarop verliet Cuchulain haar, en reed hij terug naar Emain Macha.
Cuchulain in het land van Skatha.
Den volgenden dag overlegde Cuchulain, hoe hij zich voor den oorlog zou gereed maken en voor de heldendaden, die Emer van hem had geëischt. Nu had hij gehoord van een geweldige vrouwelijke krijger, Skatha genaamd, die in het Land der Schaduwen [138] woonde, en die jonge helden, die bij haar kwamen, schitterende wapenfeiten kon leeren. Daarom trok Cuchulain verschillende zeeën over om haar te vinden, en hij had velerlei gevaren te trotseeren, zwarte bosschen en verlaten vlakten door te trekken, voordat hij berichten kon krijgen van Skatha en haar Land. Ten slotte kwam hij in de Vlakte van den Tegenspoed, die hij niet kon oversteken zonder vast te raken in haar bodemlooze moerassen of kleverige klei, en toen hij bij zich zelf overlegde, wat hij zou doen, zag hij een jong man op hem afkomen met een gelaat, dat schitterde als de zon, en wiens blik reeds voldoende was vreugde en hoop in zijn hart op te wekken. De jonge man gaf hem een wiel en beval hem dit voor zich uit te rollen over de vlakte, en het overal te volgen, waar het heenging. Cuchulain bracht dus het wiel aan het rollen, en terwijl het rolde, schitterde het van het licht, dat als stralen uitstraalde uit zijn rand, en de hitte daarvan veroorzaakte, dat er een harde weg door het moeras ontstond, waarover Cuchulain veilig volgde. Toen hij de Vlakte van den Tegenspoed was doorgetrokken en aan de wilde dieren van den gevaarlijken Bergpas was ontsnapt, kwam hij aan de Brug der Sprongen, aan de overzijde waarvan het land van Skatha gelegen was. Aan deze zijde van de brug vond hij hier een aantal zonen van de vorsten van Ierland, die daar gekomen waren om wapenfeiten van Skatha te leeren; zij speelden met ballen op de grasvlakte. En onder dezen was zijn vriend Ferdia, de zoon van den Firbolg Daman; deze allen vroegen hem nieuws uit Ierland. Toen hij hun alles had verteld, vroeg hij Ferdia, hoe hij zou kunnen oversteken naar de dun van Skatha. De Brug der Sprongen was echter zeer smal en zeer hoog, en overbrugde een bergkloof, waar diep beneden de golven eener kokende zee schuimden, waarin men vraatzuchtige monsters kon zien zwemmen.
"Niemand onzer is ooit die brug overgetrokken", zeide Ferdia, "immers er zijn twee kunstgrepen, die Skatha ons eerst het allerlaatst leert; één daarvan is de sprong over de brug, de andere is het werpen van de Gae Bolg. Immers als iemand op het ééne uiteinde van de brug stapt, gaat het middengedeelte onmiddellijk omhoog en werpt hem terug, en als hij er op springt, heeft hij kans mis te springen en in het water te vallen, waar de zeemonsters op hem wachten.
Maar Cuchulain wachtte tot den avond, toen hij van zijn vermoeienis na de lange reis was bekomen, en trachtte toen de brug over te trekken. Driemaal rende hij met een aanloop heen, terwijl hij al zijn krachtten in het werk stelde, en trachtte op het midden te springen, maar driemaal ging het midden omhoog en wierp hem terug, terwijl zijn makkers hem bespotten, omdat hij niet wilde wachten op de hulp van Skatha. Maar bij den vierden sprong, kwam hij juist neer op het midden van de brug, en met een tweeden sprong was hij er over heen, en stond hij voor de sterke vesting van Skatha; deze nu verbaasde zich over zijn moed en zijn kracht en nam hem onder haar leerlingen op.
Een jaar en een dag bleef Cuchulain bij Skatha en alle kunstgrepen, die zij kon onderwijzen, leerde hij gemakkelijk, en het allerlaatste leerde zij hem het gebruik van de Gae Bolg, en gaf zij hem dat vreeselijke wapen, dat zij geen kampioen vóór hem wilde schenken, daar zij meende, dat niemand het waard was. De wijze nu waarop de Gae Bolg gebruikt werd, was deze, dat zij met den voet werd geworpen, en als zij in het lichaam van een vijand drong, vulde zij ieder van zijn ledematen en openingen met haar weerhaken. Terwijl hij bij Skatha verblijf hield was onder al zijn vrienden zijn grootste vriend en zijn mededinger in behendigheid en dapperheid, Ferdia, en voordat zij scheidden, deden zij de gelofte, dat zij elkander zouden helpen zoolang zij leefden.
Cuchulain en Aifa.
Terwijl nu Cuchulain in het Land der Schaduwen was, voerde Skatha juist oorlog met het volk van Vorstin Aifa, die de meest geweldige en sterkste was van de vrouwelijke krijgslieden der geheele wereld, zoodat zelfs Skatha vreesde met haar te strijden. Daarom mengde Skatha in den drank van Cuchulain, toen zij ten oorlog trok, slaapwekkende kruiden, opdat hij niet binnen vier en twintig uren zou ontwaken, zoodat in dien tusschentijd het leger reeds ver op weg zou zijn, daar zij vreesde, dat hem ongelukken zouden treffen, voordat hij zijn volle kracht had gekregen. Maar de drank, die bij een ander man voor een dag en een nacht voldoende zou geweest zijn, hield Cuchulain slechts één uur in slaap; en toen hij ontwaakte greep hij zijn wapenen en volgde hij den troep langs de wagensporen, totdat hij hen had ingehaald. Daarop slaakte Skatha een zucht, omdat zij wist, dat hij zich niet zou laten weerhouden te strijden.
Toen de legers handgemeen werden, verrichtten Cuchulain en de beide zonen van Skatha groote wapenfeiten tegen den vijand, en doodden zij zes der machtigste krijgslieden van Aifa. Daarop zond Aifa een bode naar Skatha en daagde zij haar uit tot een tweegevecht. Maar Cuchulain zeide, dat hij tegen de schoone Furie zou strijden in de plaats van Skatha, en vroeg het allereerst, wat de dingen waren, die zij het meest op prijs stelde. "Waar Aifa het meest aan gehecht is," zeide Skatha, "dat zijn haar twee paarden, haar wagen en haar wagenmenner." Daarop begon het tweegevecht, maar iedere kunst, die zij kenden, beproefden zij te vergeefs tegen elkander, totdat eindelijk een slag van Aifa het zwaard van Cuchulain tot aan het gevest verbrijzelde. Daarop riep Cuchulain: "Zie eens, de wagen en de paarden van Aifa zijn in den bergpas gevallen." Aifa keek toen om, waarop Cuchulain op haar losstormde, haar om het middel pakte, over zijn schouder wierp en naar het kamp van Skatha droeg. Daar wierp hij haar op den grond en hield zijn mes tegen haar hals. Zij smeekte om haar leven, en Cuchulain stond dat toe, onder voorwaarde dat zij een blijvende vrede met Skatha zou sluiten en gijzelaars zou geven voor de vervulling harer gelofte. Daarin stemde zij toe, en Cuchulain en zij werden niet alleen vrienden, maar ook geliefden.
De tragedie van Cuchulain en Connla.
Voordat Cuchulain het Land der Schaduwen verliet, gaf hij Aifa een gouden ring, waarbij hij haar opdroeg, dat als zij hem een zoon zou schenken, deze zijn vader in Erin moest zoeken, zoodra hij zóó groot was geworden, dat de ring aan zijn vinger zou passen. En Cuchulain zeide: "Beveel hem onder _geise_, dat hij zich niet mag bekend maken, dat hij voor niemand uit den weg mag gaan en nooit een gevecht mag weigeren. En hij moet den naam Connla dragen."
In later jaren werd verhaald, dat op zekeren dag, toen koning Conor van Ulster en de edelen van Ulster op een feestelijke bijeenkomst waren op het Strand der Voetstappen, zij een kleine bronzen boot van over de zee naar zich toe zagen komen, waarin een jonge knaap zat met vergulde riemen in de handen. In de boot was een groote hoop steenen, en telkens deed de knaap één dier steenen in een slinger en wierp dien naar een vliegende zeevogel met zóó groote handigheid, dat de vogel levend aan zijn voeten neerviel. En hij gaf nog een aantal andere wonderlijke voorbeelden van behendigheid. Daarop zeide Conor, toen de boot dichterbij kwam: "Als de volwassen mannen uit het land van dezen knaap hier kwamen, zouden zij ons zeker tot poeder vergruizen. Wee het land, waarin die jongen zal komen."
Toen de knaap aan land kwam, werd een bode, Condery naar hem gezonden met het bevel te verdwijnen. "Ik zal voor u niet teruggaan" zeide de knaap, en Condery herhaalde den koning, wat hij gezegd had. Daarop werd Conall van de Overwinningen tegen hem gezonden, maar de knaap slingerde een grooten steen naar hem toe, en het gegons en de wind, daardoor veroorzaakt, sloeg hem ter neder, waarop de knaap op hem sprong en zijn armen vastbond met de strop van zijn schild. En zoo geschiedde met verschillende anderen, sommigen werden gebonden, anderen gedood, maar de knaap tartte de geheele legermacht van Ulster, hem terug te jagen, en ook wilde hij noch zijn naam noch zijn afkomst mededeelen.
"Ontbied Cuchulain", zeide daarop koning Conor. Er werd nu een bode naar Dundalk gezonden, waar Cuchulain was met zijn vrouw Emer, en hem werd bevolen te vechten tegen een vreemden knaap, die Conall van de Overwinningen niet had kunnen overwinnen. Emer sloeg haar arm om den hals van Cuchulain. "Ga toch niet", smeekte zij. "Dit moet de zoon van Aifa zijn. Dood uw eenigen zoon niet". Maar Cuchulain zeide: "Houd op vrouw! Al was het Connla zelf, toch zou ik hem dooden voor de eer van Ulster", waarop hij beval zijn wagen in te spannen en naar het strand ging. Daar vond hij den knaap bezig met het heen en weer slingeren van zijn wapens, terwijl hij daarmede wonderlijke dingen deed. "Uw spel is alleraardigst, mijn jongen", sprak Cuchulain: "wie zijt gij en waar komt gij vandaan?" "Dat mag ik niet bekend maken", zeide de knaap. "Dan moet gij sterven" antwoordde Cuchulain. "Het zij zoo," zeide de knaap, en daarop vochten zij een tijdlang met zwaarden, totdat de knaap sierlijk een lok van het haar van Cuchulain afsneed. "Ik heb genoeg van dat kinderspel," zeide Cuchulain, en zij worstelden met elkander, maar de knaap ging op een rotsblok staan en stond zoo stevig dat Cuchulain hem niet kon verwrikken, en in die hardnekkige worsteling, drongen de twee voeten van den knaap diep in den steen en veroorzaakten de afdrukken, waaraan de naam van Strand der Voetstappen is ontleend. Eindelijk vielen beiden in zee, en Cuchulain was op het punt te verdrinken, toen hij zich in eens de Gae Bolg herinnerde, en dat wapen tegen den knaap slingerde, zoodat zijn buik openscheurde. "Dit heeft Skatha mij nooit geleerd," riep de knaap. "Wee mij, ik ben gewond". Cuchulain keek naar hem en zag den ring aan zijn vinger. "Het is waar," zeide hij, en hij nam den knaap op en droeg hem naar het strand en legde hem neer voor Conor en de edelen van Ulster. "Hier is mijn zoon voor u, mannen van Ulster", zeide hij. En de knaap zeide: "Dat is waar, en als ik vijf jaar onder u had mogen opgroeien, zoudt gij de wereld aan iederen kant om u heen veroveren, en zelfs zoover als Rome regeeren. Maar nu dit niet het geval is, wijs mij de beroemde krijgslieden aan, die hier zijn, opdat ik hen leere kennen en vóór mijn dood afscheid van hen moge nemen." Daarop werden zij één voor één naar hem toegebracht, en hij kuste hen, nam afscheid van zijn vader en stierf; en de mannen van Ulster dolven zijn graf en richtten onder groot rouwbeklag zijn grafzuil op. Dit was de eenige zoon, die Cuchulain ooit had, en dien zoon doodde hij zelf.
Dit verhaal, zooals wij het hier hebben gegeven, dagteekent van de negende eeuw, en wordt gevonden in het "Gele Boek van Lecan". Er zijn verschillende Galische lezingen daarvan in poëzie en proza. Het is één van de oudste in de litteratuur voorkomende behandelingen van het sinds dien zoo goed bekende onderwerp van den dood van een heldhaftigen zoon door zijn vader. De Perzische lezing van het verhaal van Sohrab en Rustum is in de Engelsche litteratuur bekend geworden door het schoone gedicht van Matthew Arnold.
Bij de Iersche lezing zal de lezer hebben opgemerkt, dat de vader eenig vermoeden heeft van de identiteit van zijn tegenstander, maar hij vecht met hem onder den prikkel van dat hartstochtelijke gevoel van trouw en verknochtheid aan zijn vorst en zijn land, wat de meest op den voorgrond tredende karaktertrek is van Cuchulain.
Wij hebben om de geschiedenis van Aifa en haar zoon te voltooien, op de gebeurtenissen vooruitgeloopen, en keeren weer tot ons onderwerp terug en hervatten den draad van ons verhaal.
De eerste strooptocht van Cuchulain.
Na een jaar en een dag in de oorlogskunst geoefend te zijn onder Skatha, keerde Cuchulain naar Erin terug, vol verlangen zijn kloekheid op de proef te doen stellen en Emer als vrouw te winnen. Daarom beval hij zijn wagen te doen aanspannen, en reed weg, om een strooptocht te maken naar de stroomen en de moerassen van Connacht, immers tusschen Connacht en Ulster was voortdurend strijd langs de grenzen.
En eerst reed hij naar den Witten Steenhoop, die op den hoogsten der Bergen van Mourne zijn, en overzag hij het land van Ulster, dat zich lachend in de zonneschijn ver onder hem uitstrekte, en beval hij zijn wagenmenner, hem den naam te noemen van iederen heuvel, iedere vlakte en iedere dun, die hij zag. Daarna in zuidelijke richting ziende keek hij over de vlakten van Bregia, en de wagenmenner wees hem Tara en Teltin aan en Brugh na Bogna en de groote dun van de zonen van Nechtan. "Zijn dat," zoo vroeg Cuchulain, "die zoons van Nechtan, van wie verhaald wordt, dat door hun hand meer van de mannen van Ulster gevallen zijn dan nog thans op aarde leven?" "Het zijn dezelfde," zeide de wagenmenner. "Laat ons dan daarheen rijden," zeide Cuchulain. Zoo reed de wagenmenner zeer tegen zijn zin naar de vesting van de zonen van Nechtan, en daar zagen zij op de grasvlakte ervoor een steenen pilaar, en daaromheen een bronzen band waarop teekens in Oghamschrift waren aangebracht. Cuchulain las deze en het hield in, dat iedereen, die op den leeftijd was om wapenen te dragen, en naar die vlakte zou komen, het tot _geis_ zou beschouwen, om weg te gaan zonder één der bewoners van de dun tot een tweegevecht te hebben uitgedaagd. Daarop sloeg Cuchulain zijn armen om den steen heen, en na dien heen en weer te hebben geslingerd, lichte hij hem ten laatste uit den grond en wierp hem met den bronzen band er bij, in de rivier, die dichtbij stroomde. "Ongetwijfeld," sprak de wagenmenner, "zoekt gij een gewelddadigen dood, en nu zult gij dien zonder verwijl vinden."
Daarop kwam Foill, de zoon van Nechtan uit de dun, en hij was ontstemd, toen hij Cuchulain bemerkte, dien hij slechts voor een knaap aanzag. Maar Cuchulain vroeg hem, zijn wapenen te halen, "want ik dood geen wagenmenners, of boden of ongewapende mannen," en Foill ging de dun binnen. "Gij kunt hem niet dooden," zeide daarop de wagenmenner, "want door tooverkrachten is hij onkwetsbaar voor de punt of den scherpen kant van eenig zwaard." Maar Cuchulain deed in zijn slinger een bal van gehard ijzer, en toen Foill verscheen, wierp hij dien tegen hem aan, zoodat hij zijn voorhoofd raakte en recht door zijn hersens en zijn schedel heenging; en Cuchulain nam zijn hoofd en bond dit aan den rand van zijn wagen. En andere zoons van Nechtan, die naar buiten traden, bevocht hij en doodde hen door zwaard en speer; daarna stak hij de dun in brand, verliet die toen zij in lichte laaie vlam stond en reed opgetogen weg. Op weg zag hij een troep wilde zwanen, en zestien van deze bracht hij levend naar beneden met zijn slinger, en bond ze aan den wagen, en toen hij een kudde wilde herten zag, die zijn paarden niet konden inhalen, steeg hij af en joeg ze te voet na, totdat hij twee groote herten ving, die hij met riemen en touwen bevestigde aan den wagen.
Maar te Emain Macha kwam een verspieder van koning Conor naar binnen loopen om hem nieuws te brengen. "Let op, één enkele wagen nadert snel over de vlakte; wilde witte vogels fladderen er om heen en wilde herten zijn er aan vastgebonden; hij is overal bedekt met de bloedige hoofden van vijanden." En Conor keek uit, om te zien, wie naderde, en hij zag dat Cuchulain woedend van strijdlust was en ieder dien hij ontmoette zou willen dooden; daarom beval hij, dat een troep vrouwen uit Emain Macha naar buiten zoude gaan om hem te gemoet te treden, en na haar kleeren te hebben uitgetrokken, naakt op zijn weg zouden gaan staan. Dit deden zij, en toen de knaap hen zag, boog hij uit schaamte zijn hoofd op den rand van den wagen. Daarop grepen de mannen van Conor hem oogenblikkelijk vast en dompelden hem in een kuip koud water, die gereed was gezet, maar het water begon over hem te koken en de duigen en de hoepels van den kuip barstten uit elkander. Dit herhaalden zij voortdurend, totdat zijn woede hem ten slotte verliet, en hij zijn vroegere gedaante weder hernam. Daarna kleedden zij hem in nieuwe kleeren en noodigden hem uit tot het feest in de feestzaal des konings.
Cuchulain wint de hand van Emer.
Den volgenden dag ging hij naar de dun van Forgall den Sluwe, den vader van Emer en hij deed "den Zalmsprong van den held", dien hij van Skatha had geleerd, over de wallen van de dun. Daarna vielen de machtige mannen van Forgall op hem aan, en hij bracht slechts drie slagen toe, en iedere slag doodde acht man, en Forgall zelf viel dood neer, toen hij van den wal der dun afviel, om aan Cuchulain te ontkomen. Daarop voerde hij Emer mede en haar pleegzuster en twee ladingen goud en zilver. Maar buiten de dun zette de zuster van Forgall een troep tegen hem aan, en zijn strijdwoede overviel hem weer, en vreeselijk waren de slagen, die hij toebracht, zoodat de Glondath stroomde van het bloed en het gras van Crofot tot een bloederige modder vertrapt werd. Bij iedere stroom van Olbiny tot de Boyne versloeg hij honderd man; en zoo won hij de hand van Emer gelijk zij dit verlangd had, en bracht hij haar naar Emain Macha en maakte haar tot zijn vrouw, en zij scheidden niet meer vóór zijn dood.
Cuchulain Kampioen van Erin.
Een opperhoofd van Ulster, Bricciu van de Vergiftigde Tong genaamd, gaf eens een feest, waartoe hij koning Conor en alle helden van den Rooden Tak uitnoodigde, en daar hij er altijd behagen in schepte, om strijd te verwekken onder de mannen en vrouwen, liet hij de helden onderling twisten over de vraag, wie de Kampioen van het land van Erin was. Ten slotte werd vastgesteld, dat het kampioenschap moest worden toegekend aan één van de drie: Cuchulain, Conall van de Overwinningen en Laery de Overwinnaar. Om tusschen die drie te beslissen werd een booze geest, De Verschrikkelijke, uit een meer opgeroepen, in welks diepte hij huisde. Hij stelde de helden de volgende proef van hun moed voor. Ieder van hen mocht van daag zijn hoofd afhakken, onder voorwaarde, dat hij, die aanspraak maakte op het kampioenschap, morgen zijn eigen hoofd op het blok zou leggen. Conall en Laery wilden de proef niet aanvaarden, maar Cuchulain nam die aan, en na een tooverformulier over zijn zwaard te hebben uitgesproken, snijdt hij het hoofd van den boozen geest af, die onmiddellijk opstond en in het meer sprong na het bloedende hoofd in één hand en zijn bijl in de andere te hebben genomen.
Den volgenden dag kwam hij weer terug, gezond en wel, om de vervulling van de afspraak te eischen. Cuchulain legde bedrukt doch onverschrokken zijn hoofd op het blok. "Strek uw nek uit, boosaard," riep de booze geest; "hij is voor mij te kort, om hem te treffen." Cuchulain doet, zooals hem bevolen wordt. De booze geest zwaait zijn bijl driemaal over zijn slachtoffer, slaat met een plof de bijl op het blok en beveelt daarop Cuchulain, die ongedeerd is, op te staan, als Kampioen van Ierland en zijn dapperste man.
Deirdre en de Zonen van Usna.
Wij moeten thans terugkomen op een verhaal, waarin Cuchulain een rol speelt. Het is het voornaamste der inleidende verhalen van den Veeroof van Quelgny.
Zooals verhaald wordt, was er onder de hoofden van Ulster een zekere Felim, zoon van Dall, die op zekeren dag een groot festijn voor den koning aanrichtte. En de koning kwam met zijn Druïde Cathbad en met Fergus mac Roy en een aantal helden van den Rooden Tak, en terwijl zij feestvierden onder het gebruik van gebraden vleesch en tarwekoeken en Griekschen wijn, kwam een bode uit de vrouwenvertrekken Felim mededeelen, dat zijn vrouw hem juist een dochter had geschonken. Daarom dronken de hoofden en krijgslieden de gezondheid van het jonge kind, en de koning verzocht Cathbad, te waarzeggen op de wijze der Druïden en te voorspellen, wat de toekomst voor het kind in den schoot had. Cathbad keek naar de sterren en trok den horoskoop van het kind, en was zeer ontroerd; ten slotte zeide hij: "Het kind zal de schoonste zijn onder de vrouwen van Erin, en zal met een koning huwen, maar om haar zullen dood en verderf over de Provincie Ulster komen." Daarop wilden de krijgslieden haar onmiddellijk doen ter dood brengen, maar Conor verbood dit. "Ik zal den vloek afwenden," zoo sprak hij, "want zij zal geen vreemden koning huwen, maar als zij volwassen is, zal ik haar tot vrouw nemen:" Daarom liet hij het kind wegnemen, en vertrouwde hij het toe als zijn voedster Levarcam, en zij noemde het kind Deirdre. Conor beval Levarcam, dat het kind in een sterke dun in de eenzaamheid van een groot bosch zou worden opgevoed, en dat geen jongman haar zou zien of zij een jongeling zou aanschouwen, voordat zij op den leeftijd gekomen was, dat de koning haar kon huwen. En daar verbleef zij, zonder iemand anders te zien dan de voedster en Cathbad, en somtijds den koning, die nu oud begon te worden, en somtijds de dun bezocht, om te zien, dat alles daar in orde was, en dat zijn bevelen werden opgevolgd.