Chapter 14
Nu volgt een langen en schitterende beschrijving, hoe Ingcel den stand van zaken in de woning gaat bespieden. Terwijl hij door de wielen der wagens kijkt, let hij op alles wat hij ziet en geeft aan de zonen van Desa een beschrijving van het uiterlijk en de uitrusting van iederen vorst en iederen aanzienlijke in het gevolg van Conary, terwijl Ferrogan en zijn broeder dan vertellen wie het is, en hoe hij in het aanstaande gevecht verderf zal aanbrengen. Daar is Cormac, de zoon van Comor, de koning van Ulster, de schoone en goede; daar zijn drie ontzaglijke, zwarte en in het zwart gekleede krijgslieden der Picten; daar is de rentmeester van Conary, met overeind staand haar, die iederen twist beslecht--men kan een speld hooren vallen als hij zijn stem verheft om te spreken, en de dienststaf, dien hij draagt, heeft de groote van een molenwiek; daar is de krijgsman mac Cecht, die op zijn rug ligt met opgetrokken knieën--deze gelijken op twee kale heuvels, zijn oogen zijn als meren, zijn neus een bergtop, zijn zwaard schittert als een rivier in de zon. Daar zijn ook de drie zonen van Conary, goudgelokt, met zijden kleeren, door het geheele dienstpersoneel bemind, met "manieren als volwassen meisjes, met harten als broeders, met den moed van beren". Als Ferrogan over hen hoort spreken, weent hij en kan hij niet verder gaan voordat verscheidene nachtelijke uren voorbij zijn. Drie gijzelaars der Fomoriërs met een afschuwelijk uiterlijk zijn daar ook; en Conall van de Overwinningen met zijn bloedrood schild; en Duftach van Ulster met zijn tooverspeer, die zoodra er een strijd aanstaande is, in een brouwsel van slaapverwekkende kruiden moet gehouden worden, daar zij anders aan haar greep gaat vlammen en wegvliegt, overal moord verspreidend; en drie reuzen van het Eiland Man met paardenmanen, die tot aan hun hielen reiken. Er wordt nog een vreemde en bovenaardsche eigenaardigheid aan toegevoegd door de beschrijving van drie naakte en bloedende gedaanten, die aan touwen van de zoldering afhangen--het zijn de dochters van de Bav, een andere naam voor de Morrigan, of godin van den oorlog, "drie, die ijzingwekkende voorgevoelens opwekken," zegt het verhaal raadselachtig, "het zijn de drie, die op ieder oogenblik gedood worden." Wij moeten ze waarschijnlijk beschouwen als onlichamelijke wezens, die oorlog en dood voorspellen en alleen voor Ingcel zichtbaar zijn. De voorzaal met haar verschillende kamers is vol krijgslieden, schenkers, spelende muzikanten en goochelaars, die wonderbaarlijke kunsten verrichten, terwijl Da Derga met zijn dienaren spijze en drank uitdeelen. Conary zelf wordt als een jong man beschreven; "hij heeft de vurigheid en de geestdrift van een koning en het beleid van een wijze; de mantel, dien ik om hem heen zag is zoo effen als de nevel van een dag in Mei--in iedere tint liefelijker dan deze." Zijn zwaard met gouden gevest ligt naast hem--te armslengte is het uit de scheede vrijgekomen en schittert als een lichtstraal. Hij is de zachtzinnigste en vriendelijkste en meest volmaakte koning, die ooit ter wereld is gekomen, zelfs Conary, de zoon van Eterskil .... groot is de teederheid van den slaperigen, eenvoudigen man, totdat hij een daad van dapperheid heeft te verrichten. Maar als zijn woede en zijn moed zijn opgewekt, als de kampioenen van Erin en Alba bij hem in huis zijn, zal de verwoesting niet plaats hebben zoolang hij binnen is--het ten onderbrengen van die regeering zou droevig zijn."
Kampioenen in het huis.
Daarop trokken Ingcel en de zonen van Desa op ten aanval en omsingelden de pleisterplaats.
"Een oogenblik stilte!" zegt Conary, "wat is dit?"
"Kampioenen in het huis", zegt Conall van de Overwinningen.
"Er zijn voor hen krijgslieden hier," antwoordt Conary.
"Zij zullen van nacht noodig zijn," hervat Conall.
Eén der zonen van Desa stormt het eerst het huis binnen. Zijn hoofd wordt afgeslagen en weer naar buiten geworpen. Daarop begint de groote strijd. Het huis wordt in brand gestoken, maar het vuur wordt gebluscht met wijn en alle mogelijke vloeistoffen, die binnen zijn. Conary en zijn volk springen te voorschijn--honderden worden verslagen en de roovers worden voorloopig op de vlucht gejaagd. Evenwel Conary, die wonderen van dapperheid bij den strijd heeft verricht, versmacht van dorst en kan niets meer uitrichten, voordat hij water heeft gedronken. Maar de roovers hebben op raad van hun toovernaars de rivier de Dodder, die door het terrein van het huis stroomde, afgeleid, en alle vloeistoffen in het huis waren verbruikt voor het blusschen van den brand.
De dood van Conary.
De koning, die van dorst versmacht, vraagt mac Cecht hem water te verschaffen, en mac Cecht wendt zich tot Conall met de vraag, of hij voor den koning water wil halen of wil achterblijven om hem te beschermen, terwijl mac Cecht water haalt. "Laat de verdediging van den koning aan ons over," zegt Conall, "en ga gij het water halen, want het is u verzocht." Nu holt mac Cecht met den gouden beker van Conary weg, zich een weg banend door de omsingelende troepen, en gaat naar water zoeken. Daarop komen Conall en Cormac van Ulster en de andere kampioenen op hun beurt naar voren en dooden een groot aantal vijanden, sommigen keeren gewond en vermoeid terug naar den kleinen troep in huis, terwijl anderen zich door den kring van vijanden heenslaan. Conall, Sencha en Duflach houden tot het laatst toe bij Conary stand; maar het duurt lang eer mac Cecht terugkeert, Conary komt van dorst om en daarop slaan de drie helden er zich door heen en ontsnappen, gewond, gebroken en verminkt."
Intusschen was mac Cecht over Ierland voortgehold, terwijl hij als een razende naar water zocht. Maar het Toovervolk, waarmede hier blijkbaar de elementaire machten bedoeld worden, die de natuurkrachten beheerschen, hebben alle bronnen tegen hem verzegeld. Tevergeefs gaat hij naar de Bron van Kesaiz in Wicklow; hij gaat naar de groote rivieren, Shannon en Slayney, Bann en Borrow--alle verbergen zich als hij nadert, ook de meren laten hem in den steek; eindelijk vindt hij een meer, Loch Gara in Roscommon, dat verzuimde zich in tijds te verbergen, en daar vult hij zijn beker. Des morgens keerde hij terug met het kostbare en met moeite veroverde vocht, maar vond, dat alle verdedigers gesneuveld of gevlucht waren, terwijl twee der roovers juist bezig waren het hoofd van Conary af te slaan. Mac Cecht sloeg er één het hoofd af, en wierp een ontzaglijken steenen pilaar den tweeden achterna, die juist met het hoofd van Conary ontsnapte. De roover viel op de plaats dood, en mac Cecht nam het hoofd van zijn meester op, en goot het water in zijn mond. Daarop sprak het hoofd, en prees en bedankte hem voor zijn daad.
De wond van mac Cecht.
Een vrouw kwam naderbij en zag mac Cecht uitgeput en gewond op het slagveld liggen.
"Kom hier, vrouw," zeide mac Cecht.
"Ik durf niet naderbij te komen," zeide de vrouw, "uit afgrijzen en vrees voor u."
Maar hij overreedt haar te komen, en zegt: "Ik weet niet, of het een vlieg of een mug of een mier is, die in mijn wond steekt."
De vrouw keek er naar en zag dat een harige wolf met de twee schouders in de wond begraven was. Zij pakte het dier bij den staart en trok het uit de wond, maar het dier trok van hem zooveel af, "als zijn kaken konden bevatten."
"Ja," zeide de vrouw, "dit is een mier van het Oude Land."
En mac Cecht nam het bij den strot en sloeg het voor op het hoofd, zoodat het dood viel.
"Leeft uw Heer nog?"
Het verhaal eindigt in een werkelijk heldhaftigen toon. Conall van de Overwinningen had, zooals wij gezien hebben, zich na den dood van den koning door de vijanden heengeslagen en was naar Teltin getrokken, waar hij zijn vader Amorgin in den tuin vóór zijn deur vond. De arm van Conall, die het schild droeg was door driemaal vijftig speren gewond, en hij bereikte nu Teltin met een half schild, en zijn zwaard en de overblijfselen van zijn twee speren.
"Vlug zijn de wolven, die u hebben achterna gezeten, mijn zoon," zoo sprak zijn vader.
"Het is een heftige strijd met krijgslieden, waarin wij gewond zijn, o oude held," antwoordde Conall.
"Is uw heer nog in leven?" vroeg Amorgin.
"Hij leeft _niet meer_," zegt Conall.
"Ik zweer bij God, wat de groote stammen van Ulster zweren; hij die levend den strijd verlaat, na zijn heer bij zijn vijanden in den dood te hebben achtergelaten, is een lafaard."
"Mijn wonden zijn niet wit, oude held," zegt Conall. Hij liet hem zijn arm zien, waaraan hij zijn speer had gedragen, en waarop driemaal vijftig speerwonden waren. De arm, waarmede hij zijn zwaard hanteerde, en die niet door zijn schild beschermd was, verminkt en verbrijzeld en gewond en doorboord, zoodat hij alleen nog maar door enkele pezen aan het lichaam vastzat.
"Die arm heeft van nacht gevochten, mijn zoon," zegt nu Amorgin.
"Dat is waar, oude held," zegt Conall van de Overwinningen. "Velen zijn het, die door dien arm van nacht tegenover de pleisterplaats in den dood zijn gevoerd."
Zoo eindigt de vertelling van Etain en van den overval van het Tooverland, en van de wraak der toovermannen op den achterkleinzoon van Eochy den Opperkoning.
HOOFDSTUK V. VERHALEN VAN DEN CYCLUS VAN ULSTER.
De vloek van Macha.
Het middelpunt der belangstelling in Iersche legenden verplaatst zich nu van Tara naar Ulster, en een groot aantal verhalen van heldendaden concentreeren zich om Conor mac Nessa, den Koning van Ulster, om Cuchulain, [132], zijn grooten vazal, en de Orde der Ridders van den Rooden Tak, die haar zetel had in Emain Macha. Wij hebben reeds vroeger de legende verteld omtrent de stichting van Emain Macha [133]. Maar Macha, die niet meer een gewone vrouw was, maar een boven natuurlijk wezen, komt weer naar voren in verband met de geschiedenis van Ulster in een zeer merkwaardig verhaal, dat naar men zich voorstelde een verklaring gaf van de vreemde zwakheid of hulpeloosheid, die somtijds op critieke oogenblikken geacht werd over de krijgslieden der provincie te komen.
De legende verhaalt, dat een vermogende landbouwer uit Ulster, Crundchu, de zoon van Agnoman, die op een eenzame plaats tusschen de heuvels woonde, op zekeren dag in zijn tuin een jonge vrouw vond van buitengewone schoonheid en schitterend gekleed, die hij nooit te voren had gezien. Zooals het verhaal luidt was Crundchu een weduwnaar, wiens vrouw gestorven was na hem vier zonen te hebben geschonken. De vreemde vrouw ging zonder een woord te spreken de huiselijke bezigheden verrichten, maakte den maaltijd gereed, melkte de koe en nam al de plichten eener huisvrouw op zich. Des nachts legde zij zich naast Crunchu neder, en leefde later met hem als zijn vrouw, en zij hadden elkander innig lief. Haar naam was Macha. Op zekeren dag maakte Crundchu zich gereed om naar een groote jaarmarkt of bijeenkomst der mannen van Ulster te gaan, waar zou worden feestgevierd, paardenwedrennen en tournooien zouden worden gehouden, en muziek gemaakt, in één woord, waar men op elke mogelijke wijze zich zou kunnen vermaken. Macha verzocht haar echtgenoot, thuis te blijven. Hij bleef echter bij zijn plan. "Beloof mij dan ten minste", zeide zij, "dat gij in de vergadering niet over mij spreekt, want ik mag slechts zoolang bij u blijven, als over mij niet wordt gesproken".
De opmerking is gemaakt, dat wij hier in de post-classieke Europeesche litteratuur voor het eerst het motief zien optreden van de tooverbruid, die alleen zóólang bij haar sterfelijken minnaar mag vertoeven als bepaalde voorwaarden worden in acht genomen, zooals deze, dat hij haar niet mag bespieden of mishandelen, of naar haar herkomst mag vragen. Crundchu beloofde aan dat verzoek te zullen gehoorzamen en ging naar het feest. Hier behaalden de twee paarden van den Koning den éénen prijs na den anderen in de wedrennen, en het volk riep: "Er is in Ierland geen vlugger span paarden, dan dat van den Koning".
"Ik heb thuis een vrouw", zeide Crundchu, in een oogenblik van onnadenkendheid, "die harder kan loopen dan deze paarden".
"Grijpt dien man", zeide de koning woedend, "en houdt hem gevangen, totdat zijn vrouw hier gebracht is, om den wedstrijd te houden".
Daarop gingen boden naar Macha, en zij werd naar de bijeenkomst gebracht; maar zij was zwanger. De koning beval haar zich voor den wedstrijd gereed te maken. Zij beriep zich op haar toestand. "Ik ben op het punt een kind ter wereld te brengen", zeide zij. "Hakt dan haar man in stukken", zeide de koning tot zijn lijfwacht. Macha wendde zich tot de omstanders. "Helpt mij", riep zij, "want een moeder heeft u allen gedragen! Geeft mij slechts een korten tijd uitstel, totdat ik het kind heb ter wereld gebracht". Maar de koning en de geheele menigte wilden in hun woeste begeerte naar uitspanning van geen uitstel weten. "Brengt dan de paarden voor", zeide Macha, "en omdat gij geen medelijden hebt, zal er een erger schande over u vallen". Toen hield zij een wedren met de paarden, en overtrof ze in snelheid, maar nauw had zij den eindpaal bereikt, of zij gaf een luiden gil, werd door weeën overvallen, en bracht een tweeling ter wereld. Toen zij echter dien gil gaf, werden alle toeschouwers door dezelfde smarten overvallen als zij, en hadden zij niet meer kracht dan een vrouw in barensnood. En Macha voorspelde: "Van dit uur af zal de schaamte, die gij over mij hebt gebracht, iederen man van Ulster overvallen. In de uren van uw grootsten nood zult gij zwak en hulpeloos zijn als een vrouw in barensnood, en dit zal vijf dagen en vier nachten duren--tot in het negende geslacht zal dien vloek op u rusten." En zoo geschiedde het; en dit is de reden van de groote zwakheid der mannen van Ulster, die de krijgslieden der provincie placht te overvallen.
Conor mac Nessa.
De voornaamste gelegenheid, waarbij die zwakheid zich openbaarde, was toen Maev, de koningin van Connacht, den beroemden strooptocht deed om het vee van Quelgny te rooven. (_Tain Bo Cuailgné_), die het onderwerp is van de machtigste vertelling in de Iersche litteratuur. Wij moeten nu de inleidende geschiedenis verhalen, die leidt tot dit episch verhaal, en de voornaamste karakters onder de oogen onzer lezers brengen.
Fachtna de Reus, koning van Ulster, had tot vrouw Nessa, de dochter van Echid met den Gelen Hiel, en zij schonk hem een zoon, Conor genaamd. Maar toen Fachtna stierf, volgde Fergus, de zoon van Roy, zijn halfbroeder, hem op, daar Conor toen nog zeer jong was. Fergus nu beminde Nessa, en zou met haar gehuwd zijn, maar zij stelde voorwaarden. "Laat mijn zoon Conor één jaar regeeren," zoo sprak zij, "zoodat zijn nakomelingen van een koning afstammen, dan zal ik mijn toestemming geven." Fergus stemde er in toe, en de jeugdige Conor besteeg den troon. Maar zijn bestuur was zoo verstandig en voorspoedig, en zijn beslissingen waren zóó uitstekend, dat, zooals Nessa had voorzien, het volk op het einde van het jaar wilde, dat hij koning bleef; en Fergus, die meer hield van feestvieren en van jagen dan van de beslommeringen van het koningschap, was met die regeling tevreden, en bleef een tijdlang aan het hof van Conor, wel groot, geëerd en gelukkig, maar niet langer koning.
De roode tak.
In dien tijd viel de grootste glorie van den "Roode Tak" in Ulster; zij stamden af van Ross den Roode, den koning van Ulster, en hadden nog bloedverwanten in de zijlijn en bondgenooten, die ten slotte een soort van krijgszuchtige Orde vormden. De meeste Helden van den Rooden Tak komen voor in de legendencyclus van Ulster, zoodat het zijn nut heeft, hier hun namen en bloedverwantschap op te geven, voordat wij hun daden gaan bespreken. Wij vestigen er de aandacht op, dat zij gedeeltelijk bovennatuurlijke voorouders hebben. Ross de Roode toch was gehuwd met een vrouw uit het Volk van Dana, en wel met Maga, de dochter van Angus Og. [134] Maar tevens had hij als tweede vrouw een maagd, Roy genaamd. Zijn afstammelingen zijn:
Maga = Ross de Roode = Roy | | Fachtna de Reus = Nessa Fergus mac Roy | Conor mac Nessa.
Maar Maga was tevens gehuwd met den Druïde Cathbad, uit welk huwelijk drie dochters geboren waren, wier afstammelingen een belangrijke rol speelden in den legendencyclus van Ulster.
Cathbad = Maga | +------------------------------------------+ | | | Dectera [135] = Lugh Elva = Usna Finchoom = Amorgin | | | | +-------+------+ | | | | | | Cuchulain Naisi Ainlé Ardan Conall van de Overwinningen
De geboorte van Cuchulain.
Het was tijdens de regeering van Conor mac Nessa dat de machtigste held van het Keltische ras, Cuchulain, geboren werd, en dit geschiedde aldus. Op zekeren dag verdween het meisje Dectera, de dochter van Cathbad met vijftig jonge meisjes, haar gezellinnen aan het hof van Conor, en drie jaar lang hielp geen zoeken om haar verblijfplaats te ontdekken of iets omtrent haar lot gewaar te worden. Eindelijk daalde op zekeren zomerschen dag een zwerm vogels neer op de akkers bij Emain Macha en begon den oogst en de vruchten te vernielen. De koning, met Fergus en anderen van zijn edelen, trok tegen hen uit met slingers, maar de vogels vlogen slechts een eind ver weg, en lokten hun vervolgers telkens mede, totdat deze bij den Tooverberg van Angus aan de Boyne gekomen waren. De nacht daalde neer, en de koning zond een troep met Fergus weg om de één of andere woning te zoeken, waar zij zich te slapen konden leggen. Er werd een hut gevonden, waar zij zich heen begaven om te rusten, maar één van hen, die er verder op uittrok, bereikte een deftige woning aan de rivier, en toen hij daar binnentrad, kwam hem een jonge man met een schittend uiterlijk te gemoet. Bij den vreemdeling was een bekoorlijke vrouw, zijn echtgenoote, en vijftig meisjes, die den krijgsman uit Ulster met vreugde begroetten. En hij herkende in deze vrouwen Dectera en haar gezellinnen, die zij drie jaar gemist hadden, en in den schitterenden jongeling Lugh met den Langen Arm, den zoon van Ethtinn. Hij ging met zijn bericht terug naar den koning, die onmiddellijk Dectera naar zich terug ontbood. Maar zij verzocht een tijd uitstel, onder voorwendsel, dat zij ziek was en zoo ging de nacht voorbij; maar des morgens werd in de hut onder de krijgslieden van Ulster een pasgeboren mannelijk kind gevonden. Het was de gift van Dectera aan Ulster, en met dat doel had zij hen naar het tooverpaleis aan de Boyne gelokt. Het kind werd door de krijgslieden mede naar huis genomen en toevertrouwd aan Finchoom, de zuster van Dectera, die toen haar eigen kind voedde, en de jongen werd Setanta genoemd. Het gedeelte van Ulster, dat zich uitstrekt van Dundalk naar het zuiden tot Usna in Meath, welk gedeelte de Vlakte van Murthemney genoemd wordt, werd als erfdeel aangewezen, en later was zijn vesting en zijn woonplaats in Dundalk gelegen.
Men verhaalt, dat de Druïde Morann omtrent het jonge kind het volgende voorspelde: "Zijn lof zal in den mond van alle mannen zijn; wagenmenners en krijgslieden, koningen en wijzen zullen zijn daden verhalen; hij zal de liefde van velen winnen. Dit kind zal al het ons aangedane onrecht wreken; hij zal strijden aan uw waterstroomen, hij zal al uw twisten beslechten."
De hond van Cullan.
Toen hij oud genoeg was, ging de jonge Setanta naar het hof van Conor om opgevoed en onderwezen te worden met de andere zonen van vorsten en hoofden. Nu geschiedde de gebeurtenis, waaraan hij den naam van Cuchulain ontleende, waarbij hij later bekend zou worden.
Op zekeren namiddag gingen koning Conor en zijn edelen naar een feest, waarop zij genoodigd waren in de dun van een rijken smid in Quelgny, Cullan genaamd, waar zij ook voornemens waren den nacht door te brengen. Setanta zou hen vergezellen, maar toen de stoet op weg ging, was hij met zijn makkers midden in een balspel bezig, en daarom verzocht hij den koning zonder hem weg te gaan, zeggende, dat hij, als het spel was afgeloopen, wel zou volgen. Het koninklijk gezelschap kwam tegen het aanbreken van den avond op de plaats van bestemming. Cullan ontving hen gastvrij, en in de groote zaal deden zij zich te goed aan vleesch en wijn, terwijl de huisheer de poorten van zijn vesting grendelde en buiten een ontzaglijken en woesten hond losliet, die iederen nacht de eenzame woning bewaakte, en onder wiens bescherming Cullan in het minst niet behoefde te vreezen, zelfs voor den aanval van een leger.
Maar zij hadden niet gedacht aan Setanta! In het midden der vroolijkheid en der muziek van het feest werd een vreeselijk geluid gehoord, dat iedereen in een oogenblik deed opvliegen. Het was het vreeselijk geblaf van de hond van Cullan, die oogenblikkelijk aansloeg, toen hij een vreemdeling zag naderen. Spoedig veranderde het geluid in het gehuil van een woesten strijd, maar als allen naar de poorten stormden, zagen zij in den schijn der lantaarns een jongen man staan, terwijl de hond dood aan zijn voeten lag. Toen deze namelijk op hem was aangevlogen, had hij hem bij den strot gegrepen en tegen den deurpost te pletter geslagen. De krijgslieden droegen den jongen met vreugde en bewondering naar binnen, maar spoedig eindigde de triomf, want daar stond hun gastheer, zwijgend en droevig over het lijk van zijn trouwen vriend, die voor de veiligheid van zijn huis gestorven was en het nooit meer zou bewaken.
"Geef mij," zoo sprak toen de jonge Setanta, "een jong van dien hond, o Cullan, en ik zal hem zoo dresseeren, dat hij voor u alles zal zijn, wat de doode hond was. En geef mij tot dien tijd een schild en een speer, en ik zal zelf uw huis bewaken; geen hond heeft het ooit beter bewaakt dan ik doen zal."
En het geheele gezelschap juichte om de edelmoedige gelofte, en oogenblikkelijk noemden zij den jongeling ter herinnering aan zijn eersten heldendaad Cuchulain [136], den Hond van Cullan, en bij dien naam was hij tot aan zijn dood bekend.
Cuchulain neemt de wapenen ter hand.
Toen hij ouder was, en de tijd naderde, waarop hij de wapenen van den mannelijken leeftijd mocht aannemen, gebeurde het op zekeren dag, dat hij dicht langs de plaats ging, waar Cathbad de Druïde enkelen van zijn leerlingen onderwees in de kunst der waarzeggerij en voorspelling. Een van hen vroeg Cathbad, voor welke soort van onderneming die dag wel geschikt zou zijn; en Cathbad antwoordde, na een voorspelling te hebben bestudeerd: "De jongeling, die van daag de wapenen ter hand zou nemen, zou van alle mannen in Erin het beroemdst worden om zijn groote heldendaden, maar zijn leven zal vergankelijk en kort zijn." Cuchulain ging door, alsof hij het niet had verstaan, en kwam vóór den koning. "Wat wilt gij?" vroeg Conor. "Ik wil de wapenen van den mannelijken leeftijd ter hand nemen," zeide Cuchulain. "Het zij zoo," zeide de koning, en hij gaf den jongeling twee groote speren. Maar Cuchulain schudde ze in zijn hand, en de staven splinterden en braken. En zoo deed hij met een aantal andere speren; en de wagens, waarin zij hem plaatsten om daarmede te rijden, brak hij in stukken door met zijn voeten te stampen, totdat ten slotte de krijgswagen van den koning zelf en diens twee speren en zwaard aan den knaap werden gebracht, maar deze kon hij niet breken, al spande hij zich nog zoo in; daarom kreeg hij die uitrusting in eigendom.
Hoe hij dong naar de hand van Emer.
De jeugdige Cuchulain was nu een zoo schoone en edele jongeling geworden, dat iedere maagd of vrouw op wie hij de oogen sloeg onder zijn betoovering kwam, en de mannen van Ulster hem smeekten zich een vrouw te kiezen. Maar geen van de meisjes bekoorde hem totdat hij eindelijk de aanvallige maagd Emer zag, de dochter van Forgall, de heer van Lusca, en hij besloot haar hand te vragen. Daarom beval hij zijn wagen in te spannen en hij vertrok met Laeg, zijn vriend en wagenmenner naar Dun Forgall [137].