Keltische Mythen en Legenden

Chapter 13

Chapter 133,531 wordsPublic domain

Korten tijd daarna komt hij, zooals reeds vroeger vermeld is, [127] bij koning Eochy, op den heuvel van Tara. Hij vertelt den koning, dat hij gekomen is om met hem een partij schaak te spelen, en haalt een schaakbord van zilver voor den dag, met stukken van goud, bezet met juweelen. Het was een noodzakelijk iets voor koning en edelen in Ierland, om een bekwaam schaakspeler te zijn, en Eochy begint met den grootsten ijver te spelen. Midir laat hem spel na spel winnen, en als betaling voor zijn verlies volvoert hij door tooverkracht verschillende opdrachten van Eochy, zooals het verbeteren van landerijen, het vellen van bosschen en het aanleggen van straatwegen door moerassen--hier hebben wij een bewijs, hoe het volk van Dana in de volksmeening als godheden werden beschouwd, die in verband stonden met landbouw en vruchtbaarheid. Na ten slotte de hebzucht van Eochy te hebben opgewekt, en dezen te hebben doen gelooven, dat hij de beste der beide spelers was, stelt hij hem voor, een laatste spel te spelen, terwijl de prijs door den overwinnaar zou worden vastgesteld nadat het spel geëindigd was. Nu wordt Eochy verslagen.

"Gij kunt nu uw prijs bepalen", zeide Eochy.

"Als ik het gewild had, zou ik reeds lang den prijs gewonnen hebben".

"Wat wilt gij van mij?", vroeg Eochy.

"Dat ik Etain in mijn armen mag houden en een kus van haar mag krijgen", zeide Midir.

De koning zweeg een oogenblik, en zeide daarna: "Gij kunt heden over een maand hier komen, en u zal toegestaan worden, wat gij verlangt".

Midir en Etain.

Eochy was op kwaad bedacht, en toen de vastgestelde dag was aangebroken, liet hij het paleis van Tara omringen door een grooten troep gewapende mannen, om Midir buiten te sluiten. Dit was echter vergeefsch; terwijl de koning aan den feestmaaltijd zat, en Etain den wijn rondschonk, stond Midir, schitterender dan ooit te voren, plotseling in hun midden. Terwijl hij zijn speren in de linkerhand hield, sloeg hij de rechterhand om Etain, en het paar steeg licht in de lucht en verdween door een dakraam van het paleis. Woedend en ontsteld renden de koning en zijn krijgslieden buiten de deur, maar het eenige wat zij konden zien, waren twee witte zwanen, die in kringen boven het paleis vlogen en die daarna in een lange, regelmatige vlucht naar den tooverberg, Slievenamon, vlogen. En zoo keerde koningin Etain naar haar verwanten terug.

Oorlog met het tooverland.

Maar Eochy wilde niet in zijn nederlaag berusten, en daarop volgt wat naar onze meening, sedert de eerste verdrijving van het volk van Dana, de oudste oorlog met het tooverland is, waarvan wordt melding gemaakt. Nadat hij te vergeefs Ierland doorzocht had, om zijn vrouw te vinden, ontbood hij den Druïde Dalan, om hem te helpen. Dalan trachtte een jaar lang, op alle mogelijke wijzen, die hij in zijn macht had, te ontdekken, waar zij was. Ten slotte paste hij een toovermiddel toe, dat bijzondere kracht moest hebben--"hij maakte drie tooverroeden van taxishout, en op de roeden schreef hij een ogham; en door de sleutels der wijsheid, die hij bezat, en door de ogham, werd hem geopenbaard, dat Etain in den tooverheuvel van Bri-Leith was, en dat Midir haar daarheen had gebracht".

Daarop verzamelde Eochy zijn troepen om den tooverheuvel, waar het paleis van Midir gelegen was, te bestormen en te verwoesten. Het verhaal loopt, dat hij negen jaar lang den éénen heuvel na den anderen afgroef, terwijl Midir en de zijnen de verwoesting even snel herstelden als zij was aangericht. Ten slotte verzon Midir, in zijn laatste vesting teruggedreven, een krijgslist--hij bood aan, Etain af te staan, en zond haar met vijftig dienstmaagden naar den koning, maar maakte, dat zij allen zóózeer op elkander geleken, dat Eochy de ware Etain er niet uit kon ontdekken. Doch, zoo luidt het verhaal, zij zelf gaf hem een teeken, waaraan hij haar kon herkennen. De inhoud van het verhaal, waarbij Etain de sterveling boven den God verkiest, herinnert aan de schoone Hindoe-legende van Damayanti en Nala. Eochy kreeg zijn koningin terug, die met hem samenleefde tot aan zijn dood, die tien jaar later plaats greep, en deze schonk hem één dochter, die naar haar, Etain werd genoemd.

De vertelling van Conary Mor.

Van die laatste Etain stamde de groote koning Conary Mor af, die in de Iersche legenden schittert als het hoogste type van koninklijke glans, macht en weldadigheid, en wiens overweldiging en dood door het volk van Dana werden beraamd als wraakneming voor de verwoesting hunner heilige verblijfplaatsen door Eochy. De vertelling, waarin de dood van Conary wordt verhaald, is één der oudste en in opzet meest barbaarsche van alle Iersche legenden, maar het heeft een schoonheid en verbeeldingskracht, die door geen andere legende kan worden geëvenaard. Het verhaal van Etain en Midir kan worden beschouwd als een inleiding, (door de Ieren _priomscel_ genoemd), voor dit groote verhaal, welke inleiding den meer verwijderden oorsprong der verhaalde gebeurtenissen doet zien. De afstamming van Conary Mor zal den lezer in staat stellen, den samenhang der gebeurtenissen beter te begrijpen.

Eochy = Etain | Cormac, koning van Ulster = Etain Oig (Etain de jongere) | Eterskil, koning van Erin = Messbuachalla (de pleegdochter van den | koeherder) | Conary Mor.

De wet van de Geis.

Het verhaal van Conary brengt ons voor het eerst in aanraking met de wet of de instelling van de _geis_, die van nu af aan een zeer belangrijke rol speelt in de Iersche legenden, waar het schenden of het inachtnemen van een _geis_ dikwijls een keerpunt is in een tragisch verhaal. Wij moeten dus een oogenblik hierbij stilstaan en trachten den lezer nauwkeurig te verklaren, wat die eigenaardige instelling was.

In het "Iersche Woordenboek" van Dineen wordt als beteekenis van het woord _geis_ [128] gegeven een verplichting, een tooverbezwering, een verbod, een taboo, een magisch bevel, waarvan de schending tot ramp en dood leidde. In het woordenboek vindt men die beteekenissen onder het woord _geas_ opgegeven. Ieder Iersch opperhoofd of man van gezag had enkele _geise_, die hem eigen waren en die hij niet mocht overtreden. Die _geise_ hadden dikwijls betrekking op een verzameling van voorschriften voor ridderlijk gedrag--zoo staat Dermot van de liefdeplek, als Grania zich op hem beroept om haar van Finn weg te voeren, onder _geise_, om een vrouw geen bescherming te weigeren. Zij kunnen ook uitsluitend op bijgeloof of een hersenschim--zoo is het één der _geise_ van Conary, dat het hem niet vrij staat drie roode ruiters op een weg te volgen, of om vogels te dooden (de reden hiervan is, dat, zooals wij zullen zien, zijn totem een vogel was). Voor den kampioen uit Ulster, Fergus mac Roy, is het een _geis_, dat hij geen uitnoodiging tot een feest mag afslaan; daarop grondt zich de Tragedie van de Zonen van Usnach. Het is volstrekt niet duidelijk, wie die _geise_ oplegde, of hoe iemand ontdekte, wat zijn persoonlijke _geise_, waren--dit was zonder twijfel een zaak, die de Druïden moesten weten. Maar zij werden als heilige verplichtingen beschouwd, en het verbreken dier _geise_ deed de ergste ongelukken vreezen. Oorspronkelijk werden zij zeker beschouwd als een middel, om de goede verhouding tot de andere wereld in acht te nemen--de Tooverwereld--en waren zij verwant met het welbekende gebruik der Polynesiërs ten opzichte van de "tabu." Wij zullen echter de Iersche uitdrukking behouden, daar alleen deze op de Iersche gebruiken past.

De pleegdochter van den Koeherder.

Wij zullen thans tot ons onderwerp terugkeeren en de lotgevallen van Conary, den achterkleinzoon van Etain volgen. Haar dochter, Etain Oig, huwde, zooals wij uit de genealogische tabel gezien hebben, met Cormac, den koning van Ulster. Zij baarde haar echtgenoot geen andere kinderen dan één meisje. Verbitterd door haar onvruchtbaarheid en door het feit, dat hem geen erfgenaam werd geboren, verstootte de koning Etain, en beval hij, dat haar dochter zou worden weggenomen en in een kuil zou worden geworpen. "Daarop brengen zijn twee slaven haar naar een kuil, en toen zij haar daarin legden, lachte zij hen vriendelijk toe" [129]. Daarna kunnen zij haar niet aan den dood prijs geven, maar brengen haar naar een koeherder van Eterskel, den koning van Tara, door wien zij wordt verpleegd en onderwezen "totdat zij een uitnemende borduurster was geworden, en er was in geheel Ierland geen koningsdochter, liever dan zij." Vandaar dat zij den naam droeg van Messbuachalla, ("Messboo'hala"), wat beteekent "de pleegdochter van den koeherder."

Uit vrees, dat men haar zal ontdekken, houden de koeherders het meisje in een huis van vlechtwerk, waarin slechts één opening in het dak is. Maar één van de onderdanen van Eterskel klimt uit nieuwsgierigheid op het dak, kijkt naar binnen en ziet daar het schoonste meisje uit Ierland. Hij bericht dit den koning, die beveelt, dat een opening in den muur moet worden gemaakt, en het meisje moet worden weggehaald, daar de koning kinderloos was, en hen door zijn Druïden was voorspeld, dat een vrouw van een onbekend ras hem een zoon zou schenken. Daarop zeide de koning: "Dit is de vrouw, die mij voorspeld is."

Afstamming en geboorte van Conary.

Voordat zij echter bevrijd was, wordt zij bezocht door een bewoner van het Land der Jeugd. Een groote vogel komt daar het dakvenster binnen. Op den vloer der hut vallen zijn vogelveeren af en doet hij zich kennen als een prachtigen jongeling. Evenals Danaë, evenals Leda, evenals Ethlinn, de dochter van Balor, schenkt zij den god haar liefde. Voordat zij scheiden, vertelt hij haar, dat zij naar den koning zal worden gebracht, maar dat zij haar minnaar uit het Land van Dana een zoon zal schenken, die Conary zal heeten, en wien het verboden zal zijn op de vogels jacht te maken.

Zoo werd Conary geboren, die opgroeide tot een verstandigen en edele jongeling, en opgevoed werd ten huize van een aanzienlijk man, Desa, wiens drie achterkleinzoons te gelijk met hem van kindsbeen af werden groot gebracht. Zij heetten Ferlee, Fergar en Ferrogan; en Conary, hield, zooals verhaald wordt, veel van hen, en leerde hun zijn wijsheid.

Conary de Opperkoning.

Toen stierf koning Eterskel en moest een opvolger aangesteld worden. In Ierland had de oudste zoon geen recht op den troon of op het hoofdschap, maar de bekwaamste en de beste der familie werd door de clan op eigenaardige wijze gekozen. In deze geschiedenis hebben wij een merkwaardig verhaal, hoe die verkiezing door waarzeggerij plaats vindt. Een "stierenfeest" werd gevierd--dat wil zeggen, een stier werd geslacht, en de waarzegger moest "zich zat eten en drinken"; daarna ging hij naar bed, waar een betoovering over hem werd gezongen, die hem dwong de waarheid te zeggen. Wien hij in zijn droom zag, zou koning worden. Zoo dronk te Aegira, in Achaea, zooals Whitley Stokes opmerkt, de Aardpriesteres het versche bloed van een stier voordat zij in het hol afdaalde om te profeteeren. De droomer riep in zijn slaap, dat hij iemand naakt naar Tara zag gaan met een steen in zijn slinger.

Het stierenfeest werd te Tara gevierd, maar Conary speelde in dien tijd met zijn pleegbroeders op de Vlakten van Liffey. Zij gingen uit elkander, terwijl Conary naar Dublin ging, waar hij een zwerm groote vogels vóór zich zag, schitterend van kleur en schoonheid. Hij joeg ze in zijn wagen achterna, maar de vogels gingen steeds een speerworp voor hem uit, daalden neder en vlogen verder, zoodat hij ze, voordat zij de zeekust bereikten, niet kon inhalen. Daarna steeg hij uit zijn wagen en nam zijn slinger om ze te treffen, doch plotseling veranderden zij in gewapende mannen, en gingen met speren en zwaarden op hem af. Doch één van hen beschermde hem, en zeide: "Ik ben Nemglan, de koning der vogels van uw vader; en u is verboden naar de vogels te werpen, want er is geen enkele onder, die u niet verwant is." "Tot heden," zeide Conary, "wist ik daar niets van."

"Ga vannacht naar Tara," zeide Nemglan; het stierenfeest wordt daar gevierd, en daardoor zult gij koning worden. Een spiernaakt man, die tegen het einde van den nacht langs één der wegen naar Tara zal gaan, die een steen en een slinger heeft,--die zal koning worden.

Daarom trok Conary zijn kleeren uit, en ging des nachts naakt naar Tara, waar alle wegen bewaakt werden door hoofden, die koninklijke kleeren bij zich hadden, om hem te kleeden, die in overeenstemming met de voorspelling zou komen. Zoodra Conary hen bereikte, kleedden zij hem en brachten hem naar binnen, waarna hij tot koning van Erin wordt uitgeroepen.

De geise van Conary.

Hier volgt een lange lijst van zijn _geise_, welke hem zoo luidt het verhaal, door Nemglan zijn gegeven. "De regeering der vogels zal edel zijn," zoo sprak hij, "en dit zullen uw _geise_ zijn:

Gij zult niet rechtsom Tara omloopen, noch linksom Bregia, [130]

Gij zult op de booze dieren van Cerna niet jagen,

Gij zult om de negen nachten niet verder gaan dan Tara.

Gij zult niet slapen in een huis, waar na zonsondergang nog vuur brandt, of waarin van buiten licht gezien wordt.

Geen drie Rooden zullen vóór u gaan naar het huis van den Roode.

In uw rijk zal geen rooverij geschieden.

Na zonsondergang zal geen vrouw alleen of man alleen het huis binnenkomen, waarin gij vertoeft,

Gij zult niet tusschen beiden komen in een twist tusschen twee van uw dienaren.

Daarna aanvaardde Conary de regeering, die zich kenmerkte door de schoone jaargetijden en de rijke oogsten, die altijd in den geest der Ieren samenvielen met de regeering van een goeden koning. Vreemde schepen kwamen in de havens, Iederen herfst was er overvloed van eikels tot voeding der varkens; de rivieren wemelden van visch. "Tijdens zijn regeering doodde niemand een ander in Erin en voor iedereen in Erin scheen de stem van zijn makker even liefelijk als de snaren van luiten. Van het midden van de lente tot het midden van den herfst bewoog geen windje den staart van een koe.

Begin der wraak.

Doch er kwam stoornis uit een andere bron. Conary had alle plundering en roof onderdrukt, en zijn drie pleegbroeders, die geboren roovers waren, namen hem dat kwalijk. Vol trots en eigenzinnigheid zetten zij hun slechte gewoonten voort, en werden ten slotte gevangen genomen, terwijl hun handen rood van bloed waren. Conary wilde hen niet ter dood veroordeelen, zooals het volk hem verzocht, maar spaarde hen ter wille van hun pleegbroederschap. Zij werden echter uit Erin verbannen, en hun werd gezegd, dat, als zij dan toch wilden rooven, zij het dan maar over zee moesten doen. Op zee ontmoetten zij een ander verbannen hoofd, Ingcel den Eenoogige, den zoon van den koning van Brittannië, en terwijl zij zich met dezen vereenigden, vielen zij de vesting aan, waarin de vader, de moeder en de broeders van Ingcel toen juist als gasten aanwezig waren, en allen werden in één nacht gedood. Toen was het de beurt van Ingcel om hun hulp in te roepen, ten einde het land van Erin te plunderen, en na een troep van andere vogelvrij verklaarden bijeengebracht te hebben, waartoe de zeven Manes, de zonen van Ailell en Maev van Connacht behoorden, behalve Ferlee, Fergar en Ferrogan, deden zij een inval in Ierland, waarbij zij aan land stegen aan de kust van Dublin, bij Howth.

Intusschen was Conary door de listen van het Volk van Dana verlokt, om één voor één al zijn _geise_ te breken. Hij legt een twist bij tusschen twee van zijn ondergeschikten in Munster, en toen zij terugreisden naar Tara, zien zij, dat het land rondom verlicht is door de flikkering van vuur en in wolken van rook gehuld. Zooals zij meenden, plunderde een troep uit het noorden het land, en om daaraan te ontkomen, moet de troep van Conary rechts om Tara en links om de vlakte van Bregia heen draaien. Maar de rook en de vlammen waren een zinsbedrog, door het Toovervolk veroorzaakt, dat nu de strikken steviger om den veroordeelden koning heenhaalt. Op zijn tocht voorbij Bregia maakt hij jacht op de "booze dieren van Cerna"--wie zij ook waren--"maar hij merkte het niet, voordat de jacht geëindigd was."

De pleisterplaats van Da Derga en de Drie Rooden.

Conary moest nu een rustplaats voor den nacht vinden, en hij herinnert zich, dat hij niet ver af is van de pleisterplaats van den Heer van Leinster, Da Derga, naar wien dit bardengedicht genoemd is. [131] Conary was edelmoedig jegens hem geweest toen Da Derga op bezoek gekomen was te Tara, en hij besloot daarom zijn gastvrijheid voor dien nacht in te roepen. Da Derga woonde in een groot paleis met zeven deuren, bij het tegenwoordige Dublin, waarschijnlijk te Donnybrook aan den straatweg naar het Zuiden. Toen de stoet daarheen reisde, had er een onheilspellende gebeurtenis plaats--Conary zag vóór zich op den weg drie ruiters geheel in het rood gekleed, die op roode paarden reden. Hij herinnert zich zijn _geis_ ten opzichte van de "drie Rooden", en zendt een bode naar voren, om hen te verzoeken dat zij achter zullen blijven. Maar hoewel de bode zijn paard opzweept, kan hij de drie Roode Ruiters niet dichter naderen dan tot op een speerworp. Hij roept hen toe om te keeren en achter den koning aan te rijden, maar één van hen, vraagt hem ironisch terwijl hij omkijkt, "uit te zien naar belangrijk nieuws uit een pleisterplaats." Herhaaldelijk wordt de bode naar hen toegezonden met beloften van een ruime belooning, als zij in plaats van Conary voor te gaan, achter hem willen rijden. Eindelijk zingt één van hen een mystiek, een vreeseliik lied. "Zie mijn zoon, belangrijk is het nieuws. Vermoeid zijn de paarden die wij berijden--de paarden van de tooverheuvelen. Hoewel wij leven, zijn wij dood. Groot zijn de ketenen: verwoesting van het leven; verzadiging van raven; voeding van kraaien; wedijver in het dooden; het wetten van het zwaard; schilden met gebroken knoppen na zonsondergang. Zie, mijn zoon!" Daarop rijden zij voort, en na van hun roode paarden te zijn afgestegen, maken zij die vast aan het portaal van de pleisterplaats van Da Derga, en gaan binnen zitten. "Ter verklaring voegen wij hieraan toe, dat "Derga" "rood" beteekent. Zoo was dus Conary door drie roode ruiters voorgegaan naar Het Huis van de Roode. En vol voorgevoelen zegt hij: "Al mijn _geise_ hebben mij van nacht gegrepen."

Verzameling der gasten.

Van nu af aan neemt het verhaal van Conary Mor het karakter aan van bovennatuurlijke ontzaglijkheid en geheimzinnigheid, waarbij als het ware de verbeelding van den bard toeneemt naarmate de crisis nadert. De nacht is gevallen en de rooverbende van Ingcel is gekampeerd op de oevers der Baai van Dublin. Zij hooren het geraas van den koninklijken stoet, en een bode met een bijzonder goed gezicht wordt uitgezonden, om te onderzoeken wat dat beteekent. Hij brengt tot antwoord de mededeeling, dat een schitterende en talrijke menigte Conary naar de pleisterplaats heeft gevolgd. Men hoort een eigenaardig krakend geluid. Ingcel vraagt Ferrogan wat dit kan zijn--het blijkt veroorzaakt te zijn door een reuzenkrijgsman mac Cecht, die met een vuursteen op staal slaat, om voor het feest van den koning vuur te maken. "God geve, dat Conary daar van nacht niet is", roepen de zonen van Desa; "Wee hem, als hij in de macht van zijn vijanden is gevallen." Maar Ingcel herinnert hen aan hun overeenkomst--hij had hen zijn eigen vader en broeders ter plundering overgegeven; zij kunnen dus niet weigeren, hem te helpen bij den aanval, dien hij tegen Conary in de woning van Da Derga beraamt. Een flikkering van het vuur, door Mac Cecht ontstoken wordt nu door den troep roovers gezien, terwijl het schijnt tusschen de wielen der wagens, die geplaatst zijn langs de open deuren der woning. Weer was één der _geise_ van Conary gebroken.

Ingcel en zijn bende richten nu een grooten steenhoop op, waarbij ieder één steen aandraagt, opdat er een herinnering aan het gevecht overblijve, en tevens een middel om te weten, hoeveel van hen sneuvelen, daar ieder overlevende zijn eigen steen weer weghaalt.

De Morrigan.

Het tooneel verplaatst zich nu naar de pleisterplaats van Da Derga, waar de vrienden van den koning gekomen zijn en zich voor den nacht gereed maken. Een eenzame vrouw komt aan de deur en verzoekt te worden toegelaten. "Ieder van haar scheenen waren zoo lang als een weversboom, en zij waren zoo donker als de rug van een vliegend hert. Zij droeg een grijsachtigen wollen mantel. Het haar reikte haar tot de knieën. Haar mond was verdraaid naar één kant van haar hoofd." Zij was de Morrigan, bij het Volk van Dana de godin van Dood en Vernietiging. Zij leunde tegen den deurpost van het huis en zag boosaardig op den koning en zijn gezellen neer. Conary zeide, "vrouw, als gij een tooverheks zijt, wat ziet gij dan voor ons?" "Ik zie voor u" antwoordde zij, "dat noch vel, noch vleesch van u zal ontkomen uit de plaats, waarin gij gekomen zijt, behalve wat vogels in hun klauwen zullen wegdragen." Zij vraagt toegelaten te worden. Conary zegt, dat zijn _geis_ hem verbiedt, een eenzamen man of een eenzame vrouw na zonsondergang binnen te laten. "Indien de koning inderdaad geen plaats heeft in zijn huis, om een eenzame vrouw een maaltijd of een te bed te geven, zal zij dit wel zonder hem krijgen van iemand, die edelmoediger is." "Laat haar dan maar binnen komen," zegt Conary, hoewel het een _geis_ van mij is.

Conary en zijn gevolg.