Keltische Mythen en Legenden

Chapter 11

Chapter 113,830 wordsPublic domain

Daarop volgt een groote veldslag tegen het Volk van Dana te Teltown. [109] De drie koningen en de drie koninginnen worden met een aantal van het volk verslagen en de kinderen van Miled,--de laatste van de mythische overweldigers van Ierland--krijgen de oppermacht in Ierland. Maar het Volk van Dana wijkt niet terug. Door hun tooverkunst werpen zij een sluier van onzichtbaarheid over zich heen, die zij naar verkiezing aan- of afleggen. Er zijn van nu af aan twee landen Ierland, het onstoffelijke en het aardsche. Het Volk van Dana vertoeft in het onstoffelijke Ierland, dat door hun grooten opperheer, den Dagda, onder hen verdeeld is. Daar waar het menschelijke oog niets ziet dan groene heuvels en wallen, de overblijfselen van vernielde vestingen of graven, daar verrijzen de tooverpaleizen der verslagen godheden: daar vieren zij hun feesten in eeuwigen zonneschijn, gevoed door het toovervleesch en het tooverbier, dat hun onsterfelijke jeugd en schoonheid schenkt, en van daar komen zij te voorschijn, om zich met de stervelingen te vermengen in liefde en in strijd. De oude mythische letterkunde stelt hen voor als helden, schitterend in kracht en in schoonheid. In latere tijden, naarmate de Christelijke invloed krachtiger wordt, dalen zij af tot toovenaars en feeën, het volk der Sidhe [110]; maar zij zijn nooit geheel ten gronde gegaan; tot op onzen tijd leeft het Land der Jeugd met zijn bewoners voort in de verbeelding der Iersche boeren.

De beteekenis der Dana-mythe.

Alle mythen, ontstaan bij een primitief volk, zijn symbolen en indien wij kunnen ontdekken, wat zij symbolisch voorstellen, hebben wij een kostbaren sleutel tot het geestelijk karakter, en somtijds zelfs tot de geschiedenis van het volk, waaraan zij hun ontstaan te danken hebben. Nu is de beteekenis dezer mythe, zooals die in de barden-litteratuur voor den dag komt, volkomen duidelijk, hoewel zij, voordat zij ons heeft bereikt, zeer is verwrongen. Het Volk van Dana vertegenwoordigt den eerbied der Kelten voor wetenschap, poëzie en kunstvaardigheid, natuurlijk vermengd met de andere opvatting der goddelijkheid van de machten van het Licht. In hun strijd tegen de Firbolgs is duidelijk de overwinning van het verstand over domheid en onwetendheid geteekend--de vergelijking van het zware, stompe wapen der Firbolgs met de lichte en doordringende speren van het Volk van Dana is een aanwijzing, die onmogelijk kan worden misverstaan. En in hun strijd met een veel machtiger en gevaarlijker vijand, de Fomoriërs, moeten wij blijkbaar den strijd zien tusschen de machten van het Licht met het kwaad, zooals dit in een minder positieven vorm is voorgesteld door de Firbolgs. De Fomoriërs drukken niet uitsluitend stompheid en domheid uit, maar de krachten van tyrannie, wreedheid en hebzucht--eer moreele dan verstandelijke duisternis.

De beteekenis der mythe van de zonen van Miled.

Maar de mythe van den strijd tusschen het Volk van Dana en de zonen van Miled is moeilijker te begrijpen. Hoe komt het, dat de vorsten van licht en schoonheid, die heerschen over alle machten der gedachte (magische kunsten en tooverij) bezweken voor een menschenras en door hen beroofd werden van hun zoo moeilijk gewonnen erfdeel? Wat is de beteekenis van dat inkrimpen van hun macht, wat plotseling plaats greep, zoodra de zonen van Miled ten tooneele verschenen? De zonen van Miled stonden niet aan de zijde van de machten der duisternis. Zij stonden onder de leiding van Amergin, die blijkbaar een belichaming was van de voorstelling van poëzie en gedachte. Zij werden met het grootste ontzag en den grootsten eerbied beschouwd, en de heerschende families van Ierland beweerden van hen af te stammen. Was dan het Rijk des Lichts tegen zich zelf verdeeld? Of, zoo niet, tot welke opvatting in den Ierschen geest moeten wij de mythen van den inval en de overwinning der zonen van Miled terugvoeren?

Het eenige antwoord, dat wij kunnen geven op die vraag, die ons zoo zeer in verlegenheid brengt, is dat wij moeten aannemen, dat die mythe haar oorsprong ontleende aan een veel lateren tijd dan de overige mythen, en dat zij in hoofdtrekken het product was van Christelijke invloeden. Het Volk van Dana was in het bezit van het land, maar het waren heidensche godheden--en deze konden niet de plaats bekleeden van de voorzaten van een Christelijk Ierland. Men moest ze op de één of andere wijze kwijt raken, en men moest een ras van minder kinderlijke voorouders voor hen in de plaats stellen. Daarom werden de zonen van Miled uit "Spanje" gehaald, en begiftigd met de voornaamste karaktertrekken, maar iets meer menschelijk voorgesteld, van het Volk van Dana. Maar de laatsten worden, in afwijking van de gewone houding van het oude Christendom, in het verhaal hunner omverwerping met groote teederheid behandeld. Zoo heeft ééne van deze de eer, dat zij haar naam mag schenken aan het eiland; de onbeschaamdheid van één der veroveraars jegens hen wordt met den dood gestraft, en zelfs als zij het oppergezag over den grond verloren hebben, genieten zij nog van het leven in de tooverwereld, die zij door hun tooverkunsten voor stervelingen onzichtbaar hebben gemaakt. Zij zijn niet langer goden, maar toch zijn zij meer dan gewoon menschelijk, en er komen een aantal voorbeelden voor, waarin zij ons worden voorgesteld als te voorschijn te komen uit hun tooverwereld, te worden omvat in de plooien der Christelijke wereld, en de hemelschen gelukzaligheid deelachtig te worden. Wij zullen met twee gevallen van die verlossing van het Volk van Dana dit hoofdstuk over de Mythen naar aanleiding van den inval in Ierland besluiten.

Het eerste is het vreemde en schoone verhaal van de gedaanteverwisseling der kinderen van Lir.

De kinderen van Lir.

Lir was een godheid van het Volk van Dana, de vader van den zeegod Mananan, die voortdurend voorkomt in tooververtellingen uit den cyclus van de kinderen van Miled. Hij was na elkander met twee zusters gehuwd, van wie de tweede Aoife [111] heette. Zij was kinderloos, maar de vorige vrouw van Lir had hem vier kinderen nagelaten, een meisje, Fionuala [112] genaamd, en drie jongens. De innige liefde van Lir voor die kinderen wekte de jaloezie der stiefmoeder op, en ten slotte besloot zij hen uit den weg te ruimen. Wij maken hier de opmerking, dat het Volk van Dana, hoewel zij worden voorgesteld als niet onder den invloed van den tijd te staan, en van nature onsterfelijk te zijn, toch aan een gewelddadigen dood onderhevig zijn, hetzij door elkanders toedoen, hetzij zelfs door stervelingen.

Met het doel haar misdadig plan te volbrengen, gaat Aoife op reis naar een naburigen koning uit het Volk van Dana, Bov den Roode, op welke reis zij de vier kinderen medeneemt. Toen zij op een eenzame plaats bij het meer Derryvaragh in Westmeath gekomen was, beveelt zij haar volgelingen, de kinderen te dooden. Deze weigeren dit en berispen haar. Daarop besluit zij het zelf te doen, maar, zooals de legende zegt, "haar vrouwelijke natuur krijgt de overhand", en in plaats van de kinderen te dooden, verandert zij ze door tooverkunsten in vier witte zwanen, en legt hun het volgende noodlot op: zij moeten driehonderd jaar doorbrengen op de wateren van het meer Derryvaragh, driehonderd jaar op de landengte van Moyle (tusschen Ierland en Schotland) en driehonderd jaar op den Atlantischen Oceaan bij Erris en Inishglory. Daarna, "zoodra de vrouw uit het Zuiden verbonden is met den man uit het Noorden", zal de betoovering geëindigd zijn.

Zoodra de kinderen niet met Aoife medekomen in het paleis van Bov, wordt haar misdrijf ontdekt, en Bov verandert haar in een "demon der lucht". Schreeuwend vliegt zij voort en in de vertelling wordt van haar niet meer gesproken. Maar Lir en Bov vinden de zwanenkinderen en ontdekken, dat zij niet alleen de menschelijke spraak bezitten, maar dat zij ook de gave behouden hebben, om prettige muziek te doen hooren, wat een karakteristieke gave is van het Volk van Dana. Uit alle deelen van het eiland trekken gezelschappen uit het Volk van Dana naar het meer Derryvaragh, om die prettige muziek te hooren, en zich met de zwanen te onderhouden en gedurende dien tijd scheen een groote rust en welwillendheid over het land verspreid te zijn.

Maar eindelijk brak voor hen den dag aan, dat zij hun stamgenooten moesten verlaten en verder moesten gaan leven bij de woeste klippen en de voortdurende booze zee der noordelijke kust. Hier leerden zij eenzaamheid, storm en koude in al hare verschrikkingen kennen. Daar het hun verboden was te landen, vroren hun vederen in de winternachten vast aan de rotsen, en dikwijls werden zij door stormen gestooten en van elkander afgedreven. Zooals Fionuala zingt:

"Wreed was voor ons Aoife, Die ons betooverde, En ons dreef in het water-- Vier schoone zwanen, wit als sneeuw.

"Ons bad is 't schuimend water, In baaien aan de roode rotsen; Terwijl wij thuis de meede dronken, Lescht thans den dorst het zoute water.

"Drie zonen en één enkle dochter, Bewonen wij der rotsen spleten, De harde rotsen, wreed voor menschen-- Wij zijn in dezen nacht scherpzichtig".

Fionuala, de oudste der vier, neemt bij al wat zij doen de leiding, en koestert de jongere kinderen zoo teeder als een moeder, terwijl ze hen met haar veeren omgeeft in de koude winternachten. Eindelijk breekt de tijd aan, dat zij de derde en laatste periode van het hun door hun stiefmoeder opgelegde lijden intreden, en zij vluchten naar de westelijke kusten van Mayo. Ook daar ondervinden zij veel tegenspoed en ellende; maar de zonen van Miled zijn nu in het land gekomen, en een jonge landbouwer, Evric genaamd, die aan de oevers van Baai Erris woont, ontdekt wie en wat de zwanen zijn, en treedt als hun beschermer op. Zij vertellen hem hun geschiedenis, en door hem zou dan die geschiedenis bewaard gebleven en overgeleverd zijn. Toen het einde van hun lijden nabij was, besloten zij naar het paleis van hun vader Lir te vliegen, die naar ons wordt verhaald, in Armagh woont op den Heuvel van het Witte Veld, ten einde te zien, hoe het hem gegaan is. Dat doen zij; maar daar zij niet weten, wat bij de komst der Milesiërs is geschied, zijn zij ontroerd en in verwarring gebracht, als zij niets dan groene hoogten en hulststruiken en brandnetels vinden op de plaats waar eens het paleis van hun vader stond--en nog staat, hoewel zij het niet kunnen zien. Hun oogen zijn, zooals ons wordt te begrijpen gegeven, niet in staat het te zien, omdat een hoogere bestemming voor hun was weggelegd dan om terug te keeren naar het Land der Jeugd.

Aan baai Erris hooren zij voor het eerst het geluid van een Christelijke klok. Dat geluid is afkomstig van de bidkapel van een kluizenaar, die zich daar heeft gevestigd. Het eerste oogenblik zijn de zwanen ontsteld en beangst door het "dunne, vreeselijke geluid", maar daarna komen zij naderbij en maken zij zich aan den kluizenaar bekend, die hen in het geloof onderricht, en zij zingen met hem de kerkelijke oefeningen mede.

Het geval wilde nu, dat een prinses uit Munster, Deoca, ("de vrouw uit het Zuiden") zich verloofde met een opperhoofd uit Connacht, Lairgnen genaamd, en hem als huwelijksgift verzocht, haar de vier zwanen te bezorgen, die zoo prachtig zongen en waarvan de faam tot haar was doorgedrongen. Hij vraagt er den kluizenaar om, die echter weigert ze af te staan, waarop de "man uit het Noorden" hen met geweld aangrijpt bij de zilveren ketenen, waarmede de kluizenaar ze aan elkander had gekluisterd en ze naar Deoca voortsleept. Dit is hun laatste beproeving. Zoodra zij in haar tegenwoordigheid zijn gekomen, overvalt hun een ontzettende gedaanteverwisseling. Het zwanendons valt af, en nu vertoonen zich niet de schitterende vormen der godheden van het Volk van Dana, maar vier afgeleefde menschelijke wezens, met sneeuwwitte haren, ineen geschrompeld door het verval van hun hoogen ouderdom. Lairgnen vlucht in ontzetting van de plaats weg, maar de kluizenaar maakt dadelijk voorbereidselen om den doop toe te dienen, daar de dood voor hen nabij is. "Leg ons in één graf", zegt Fionuala, "leg Conn aan mijn rechterhand, Fiachra aan mijn linkerhand en Hugh vóór mijn gelaat, want dat was hun gewone plaats als ik hen gedurende zoovele winternachten op de zeeën van Moyle beschutte." En zoo geschiedde het, en zij gingen naar den hemel; zoo luidt het verhaal, de kluizenaar treurde om hen, tot aan het einde van zijn aardsch bestaan. [113]

In de geheele Keltische legendenliteratuur is er geen teederder en schooner vertelling dan die van de kinderen van Lir.

De vertelling over Ethné.

De verbeelding van den Keltischen bard hield zich altijd met genot bezig met dergelijke verhalen omtrent overgangen naar het Christendom, waarvan verzoening van de heidensche wereld met de Christelijke het onderwerp was. Diezelfde opvatting wordt belichaamd in het verhaal, dat wij nu over Ethné zullen weergeven.

Zooals gezegd werd, had Mananan mac Lir een dochter, die ter opvoeding was toevertrouwd aan vorst Angus van het Volk van Dana, wiens tooverpaleis te Brugh na Boyna was gelegen. Dit is de groote grafheuvel aan de Boyne, die thans New Grange heet. Ter zelfder tijd werd den opzichter van Angus een dochter geboren, Ethné genaamd, die aan de jonge prinses als kamenier werd toegewezen.

Ethné groeide op tot een lief en aanvallig meisje, maar op zekeren dag werd ontdekt, dat zij volstrekt geen voedsel gebruikte, hoewel de overige leden van het gezin zich als gewoonlijk voedden met de toovervarkens van Mananan, die den éénen dag konden worden gegeten en voor het maal van den volgenden dag weer levend waren. Men riep Mananan naar binnen, om het geheim te doorgronden, en de volgende merkwaardige geschiedenis kwam aan het licht. Een der hoofden onder het Volk van Dana, die bij Angus op bezoek was geweest en die door de schoonheid van het meisje betooverd was, had met geweld getracht haar te bezitten. Dit had in den reinen geest van Ethné den zedelijken aard ontwikkeld, die den mensch eigen is en bij de goden onder het Volk van Dana onbekend is. Zooals het verhaal luidt "haar beschermende demon" verliet haar, en een engel van den waren God nam zijn plaats in. Daarna onthield zij zich geheel van het toovervoedsel en werd zij op wonderlijke wijze door den wil van God gevoed. Na zekeren tijd brachten echter Mananan en Angus, die een reis naar het Oosten hadden ondernomen, twee koeien daar vandaan mede, waarvan de melk nooit opdroogde, en daar men mocht aannemen, dat zij van een heilig land afkomstig waren, leefde Ethné van toen af van de melk dier koeien.

Dat alles heet gebeurd te zijn tijdens de regeering van Eremon, den eersten Milesischen koning van geheel Ierland, en die een tijdgenoot was van koning David. Tijdens de komst van St. Patrick moest dus Ethné ongeveer vijftienhonderd jaar oud geweest zijn. Het Volk van Dana groeit van den kinderleeftijd op tot den volwassen leeftijd, maar dan blijven zij leven, zonder onder den invloed te staan van het verloopen van den tijd.

Het gebeurde nu op zekeren zomerdag, dat de prinses, wier kamenier Ethné was, met haar geheele dienstpersoneel afdaalde om in de Boyne te baden. Toen zij zich daarna weer aankleedden, ontdekte Ethné tot haar spijt--en dit feit was natuurlijk een voorbeeld van de goddelijke belangstelling in haar lot--dat zij den Sluier der Onzichtbaarheid had verloren, die hier wordt opgevat als een toovermiddel, dat zij op het lichaam draagt, die haar den toegang verschafte tot het tooverland van Dana en haar voor de oogen der stervelingen verborg. Zij kon den weg naar het paleis van Angus niet terugvinden, en wandelde heen en weer langs de oevers der rivier, terwijl zij tevergeefs naar haar gezellinnen en haar woning zocht. Eindelijk kwam zij bij een tuin, die door een muur omgeven was, en toen zij door de poort heen zag, ontdekte zij aan den binnenkant een steenen huis van vreemden vorm, en een man in een lang bruin kleed gehuld. De man was een Christenmonnik, en het huis was een kleine kerk of bidkapel. Hij wenkte haar binnen te komen, en toen zij hem haar geschiedenis had verteld, bracht hij haar naar St. Patrick, die haar opneming onder de sterfelijke menschen voltooide, door haar de ceremonie van den doop te doen ondergaan.

Nu volgt een eigenaardig pathetische episode, die ons een blik doet slaan in de teederheid, men zou des noods kunnen zeggen het hartzeer, waarmede de oude Iersche Christenheid terug zag op de verloren wereld van het heidendom. Terwijl Ethné op zekeren dag in de kleine kerk aan de Boyne bad, hoorde zij plotseling een suizend geluid in de lucht, en ontelbare stemmen, naar het scheen op grooten afstand, die weeklaagden en haar naam riepen. Het waren haar verwanten uit het Volk van Dana, die nog altijd te vergeefs naar haar zochten. Zij sprong op om te antwoorden, maar werd zóó zeer door aandoening overmeesterd, dat zij flauw viel op den grond. Na korten tijd kwam ze weer bij, maar van dien dag af was zij door een doodelijke ziekte overvallen, en korten tijd daarna stierf zij, met het hoofd op de borst van St. Patrick, die haar het laatste oliesel toediende, en beschikte, dat de kerk naar haar Kill Ethné moest worden genoemd--een naam, die zonder twijfel in de dagen, dat dit verhaal werd vervaardigd, door een werkelijke kerk aan de oevers van de Boyne gedragen werd. [114]

Christendom en Heidendom in Ierland.

Deze verhalen, in verband met tallooze andere legenden, die zouden kunnen worden aangehaald, stellen de houding der oude Keltische Christenen, tenminste in Ierland, tegenover de godheden van het vroegere geloof, duidelijk in het licht. Zij schijnen het denkbeeld buiten te sluiten, dat ten tijde van de bekeering van Ierland tot het Christendom, de heidensche godsdienst verbonden was met wreede en barbaarsche gebruiken, waarop de nationale herinnering met afschuw en ontzetting zou terug zien.

HOOFDSTUK IV. DE OUDE MILESISCHE KONINGEN.

Het Volk van Dana na de Milesische Verovering.

De Koningen en helden van het ras der Zonen van Miled vullen nu den voorgrond van het tooneel in de legendarische geschiedenis van Ierland. Maar, zooals wij hebben aangetoond, de godheden uit het Volk van Dana zijn nog volstrekt niet vergeten. Het tooverland, waarin zij vertoeven is gewoonlijk voor stervelingen niet toegankelijk, maar toch is het altijd dicht bij de hand; de onzichtbare slagboomen kunnen door sterfelijke menschen overschreden worden, en dit geschiedt dan ook dikwijls, terwijl ook het Volk van Dana zelf dikwijls daaruit te voorschijn treden; stervelingen kunnen zich bruiden uit het Tooverland winnen, die hen na een tijd geheimzinnig weer verlaten, en vrouwen brengen roemrijke kinderen ter wereld, verwekt door bovennatuurlijke vaders. En toch, wat ook het Volk van Dana moge geweest zijn in de oorspronkelijke vóór-Christelijke opvattingen der Iersche Kelten, het zou onjuist zijn te meenen, dat zij in de legenden, zooals deze thans tot ons gekomen zijn, te voorschijn treden in het licht van goden, zooals wij dien naam opvatten. Voor het meerendeel zijn zij schitterend schoon, zij zijn (met enkele beperkingen) onsterfelijk, en zij oefenen geheimzinnige machten van tooverij en bezweringen uit. Maar geen enkele wijze van zedelijk bestuur der wereld wordt hun zelfs een enkel oogenblik toegeschreven, en evenmin wordt hun (in de litteratuur der barden) op eenigerlei wijze godsdienstige vereering gebracht. Zij sterven nooit een natuurlijken dood, maar zij kunnen door elkander en ook door stervelingen gedood worden, en over het geheel genomen is het ras der stervelingen het sterkste. Hun kracht ligt, als zij (wat dikwijls gebeurt) met menschen in strijd geraken in krijgslisten en misleiding; als de strijd eerlijk kan worden uitgevochten tusschen de beide vijandige machten, is het de mensch die overwint. De oude koningen en helden uit het ras van Miled worden dan ook dikwijls voorgesteld als zóó zeer begiftigd met bovennatuurlijke macht, dat het onmogelijk is in dit opzicht een duidelijke scheidingslijn te trekken tusschen hen en het Volk van Dana. De laatsten, zooals zij in de bardenlitteratuur naar voren treden, zijn veel edeler en meer verheven wezens, dan de toovergestalten, waarin zij ten slotte in de volksverbeelding ontaardden; men kan zeggen, dat zij een plaats innamen, gelegen tusschen deze en de Grieksche godheden, zooals die in Homerus geteekend zijn. Maar zoowel in Ierland als daarbuiten schijnen de Kelten niet die poëtische personificaties hunner idealen van macht en schoonheid te hebben vereerd, maar veeleer de elementaire krachten, voorgesteld door werkelijke natuurverschijnselen--rotsen, rivieren, de zon, den wind, de zee. De krachtigste eed was die, waarbij men zwoer bij den Wind en de Zon, of een andere natuurkracht inriep; geen naam eener Dana-godheid komt voor in een Iersche eedsformule. Toen echter in de latere perioden der bardenlitteratuur, en nog meer in de populaire voorstellingen, de Dana-godheden waren begonnen af te dalen tot een soort van tooverwezens vinden wij dat een karaktertrek naar voren kwam, die waarschijnlijk ouder was dan die, welke hun in de letterkunde wordt toegekend, en die in zeker opzicht verhevener is. In de letterkunde waren zij blijkbaar oorspronkelijk vertegenwoordigers van wetenschap en poëzie--de verstandelijke vermogens van den mensch. Maar in den geest van het volk vertegenwoordigden zij, waarschijnlijk ten allen tijde en zeker in latere Christelijke tijden, niet verstandelijke vermogens, maar die, welke in verband stonden met de vruchtbaarheid der aarde. Zij waren, zooals een plaats in het Boek van Armagh hen noemt, _dei terreni_, aardgoden, en werden, en worden nog door de landbouwende bevolking aangeroepen om vermeerderde opbrengst en vruchtbaarheid te schenken. De litterarische opvatting omtrent hen is blijkbaar in oorsprong Druïdisch, terwijl de andere de populaire is; en de populaire en ongetwijfeld oudere opvatting is de meest duurzame gebleken.

Maar die karaktertrekken der Iersche mythologie zullen beter naar voren komen in de vertellingen zelf dan in haar critische behandeling; wij zullen dan ook tot de vertellingen terugkeeren.

De vestiging der Milesiërs in Ierland.

De Milesiërs hadden drie aanvoerders, toen zij optrokken om Ierland te veroveren--Eber Donn (Bruine Eber), Eber Finn (Blonde Eber), en Eremon. Den eerstgenoemden van dezen, werd, zooals wij gezien hebben, niet toegestaan, het land binnen te treden--hij kwam om als straf voor zijn onbeschaamdheid. Zoodra de overwinning over het Volk van Dana vaststond, riepen de beide overgebleven broeders de beslissing in van den Druïde Amergin, in verband met hun wederzijdsche aanspraken op de oppermacht. Eremon was de oudste van beiden, maar Eber weigerde zich aan hem te onderwerpen. Zoo begint de Iersche geschiedenis met tweedracht en afgunst. Amergin besliste, dat het land aan Eremon zou toebehooren tijdens diens leven, maar na zijn dood op Eber zou overgaan. Eber weigerde echter zich aan deze beslissing te onderwerpen, en eischte een onmiddellijke verdeeling van het onlangs gewonnen gebied. Hierin werd toegestemd, en Eber nam de zuidelijke helft van Ierland, "van de Boyne tot aan de Golf van Cleena", [115] terwijl Eremon de noordelijke helft in het bezit kreeg. Maar zelfs toen konden de broeders niet in vrede leven, en na korten tijd brak de oorlog tusschen hen uit. Eber sneuvelde, en Eremon werd alleen koning van Ierland, dat hij bestuurde van Tara uit, den traditioneelen zetel van dat centrale gezag, dat altijd een droom was van den Ierschen geest, maar dat nooit in de Iersche geschiedenis werd verwezenlijkt.

Tiernmas en Crom Cruach.