Chapter 10
"Op zekeren helderen dag in den zomertijd stond Eochaid Airemm, de koning van Tara op, en beklom hij de hoogte van Tara [96], om de vlakte van Bleg te overzien; de kleur dier vlakte was wonderschoon, en daarop stonden de prachtigste boomen met bloesems, die glinsterden in alle bekende kleuren. En toen de bovengenoemde Eochy om zich heen en in de verte zag, ontdekte hij een jongen vreemden krijgsman naast zich op de hoogte. Het kleed, dat de krijgsman droeg, had een purperkleur, zijn haar was goudgeel, en zoo lang dat het reikte tot boven aan zijn schouders. De oogen van den jeugdigen krijgsman waren glinsterend en grijs; in de ééne hand hield hij een fijne, gepunte speer, in de andere hand een schild met een witten knop in het midden, en gouden edelgesteenten daar bovenop. En Eochaid hield zich stil, want hij wist, dat een dergelijk iemand den avond te voren niet in Tara was geweest, en evenzeer wist hij, dat de poort, die naar zijn gebied leidde, in dien tusschentijd niet geopend was [97].
Lir en Mananan.
Lir treedt, zooals O'Grady opmerkt, in twee verschillende vormen op. In den eersten is hij een groot, onpersoonlijk iets, dat geëvenredigd is aan de zee; in werkelijkheid de Grieksche Oceanus. In den tweeden vorm is hij een afzonderlijke persoonlijkheid, die onzichtbaar woont op "Slieve Fuad" in het graafschap Armagh. In de Iersche legenden hooren wij weinig van hem, daar de attributen van den zeegod meestal worden toegekend aan zijn zoon, Matanan.
Die laatste godheid is één der populaire goden in de Iersche mythologie. Hij was heer over de zee, voorbij of onder welke het Land der Jeugd of de Eilanden der Dooden moeten gelegen hebben; hij was daarom de geleider der menschen naar dat land. Hij was doorkneed in allerlei listen en misleidingen, en bezat alle soorten van toovermiddelen--de boot, de Oceaanveger genaamd, die gehoorzaamde aan de gedachten van hen, die daarin voeren, en die zonder roeiriemen of zeilen voortging, het paard Aonbarr, dat zoowel over zee als over land kon reizen, en het zwaard, de Antwoorder, waaraan geen wapenrusting kon weerstand bieden. Golven met witte koppen heetten de Paarden van Mananan, en het was den Zonnegod Cuchulain verboden (_tabu_), die te zien--dit wees op den dagelijkschen dood der zon, als zij in de westelijke golven onderduikt. Mananan droeg een grooten mantel, die iedere kleur kon aannemen, zooals het wijdverspreide veld der zee, als het van een hoogte wordt aanschouwd; en men zegt, dat als een vijandelijke macht in het land viel, zij zijn donderende voetstappen en het wapperen van zijn grooten mantel hoorden, wanneer hij als de beschermer van het eiland Erin toornig des nachts hun kamp omliep. Men stelde zich voor, dat het eiland Mann, dat flauw van de Iersche kust werd gezien, de troon van Mananan was, en zijn naam aan dien godheid heeft ontleend.
De Godin Dana.
De grootste der godinnen uit het Volk van Dana, was Dana "de moeder der Iersche goden", zooals zij in een oud handschrift wordt genoemd. Zij was een dochter van den Dagda, en stond evenals hij in verband met denkbeelden van vruchtbaarheid en zegen. Volgens d'Arbois de Jubainville was zij identiek met de godin Brigitta, die in het Keltische gebied zoo algemeen vereerd werd. Men zegt, dat Brian, Iuchar en Iucharba hun zonen waren--deze stellen in werkelijkheid slechts één persoon voor, op de gewone Iersche wijze, waarbij de goddelijke macht in een drieëenheid wordt voorgesteld. De naam van Brian, die in al de heldendaden der broeders de leiding neemt [98], is afgeleid van een ouderen vorm Brenos, en onder dien vorm was de god, aan wien de Kelten hun overwinningen aan de Allia en te Delphi toeschreven door de Romeinsche en Grieksche kronykschrijvers ten onrechte aangezien voor een aardschen aanvoerder.
De Morrigan.
Er was ook een zeer merkwaardige en bijzondere godin, Morrigan [99] genaamd, die alles in zich schijnt te belichamen, wat er maar verdorvens en afschuwelijks is onder de bovennatuurlijke machten. Zij had er genoegen in, den oorlog onder de menschen te doen ontbranden, en streed zelf onder hen mede, waarbij zij zich in een aantal vreeselijke gedaanten veranderde en dikwijls in de gestalte van een kraai boven vechtende legers zweefde. Eens ontmoette zij Cuchulain en bood hem haar liefde aan in den vorm van een menschelijke maagd. Hij wees die af, en van dat oogenblik vervolgde zij hem gedurende het grootste gedeelte van haar leven. Terwijl zij eens met hem streed te midden van den stroom, veranderde zij zich in een waterslang, en vervolgens in een bos waterkruiden, waarin zij hem trachtte te verwarren en zoo te verdrinken. Maar hij overmeesterde en wondde haar en daarna werd zij zijn vriendin. Vóór zijn laatste gevecht trok zij des nachts door Emain Macha heen en brak zij, om hem te waarschuwen, den disselboom van zijn wagen.
De golf van Cleena.
Eén der meest bekende grenspalen van Ierland was de _Tonn Cliodhna_, of "Golf van Cleena" aan het zeestrand bij Glandore Bay in het graafschap Cork. Het verhaal over Cleena komt in verschillende lezingen voor, die niet met elkander overeenkomen behalve in zóóver, dat zij een maagd uit het volk van Dana is geweest, die eens gewoond heeft in het land van Mananan, het Land der Jeugd over de Zee. Na van daar met een sterfelijken minnaar, zooals één der lezingen luidt, gevlucht te zijn landde zij op de zuidkust van Ierland, en haar minnaar, Keevan met Krullende Lokken, ging heen om in de bosschen te jagen. Cleena, die aan het strand achterbleef, werd in slaap gewiegd door betooverende muziek, die gespeeld werd door een minnezanger van Mananan, toen een groote golf der zee oprees en haar naar het Tooverland terugbracht, terwijl zij haar minnaar troosteloos achterliet. Vandaar werd de plaats het Strand der Golf van Cleena genoemd.
De godin Ainé.
Een andere plaatselijke godin was Ainé, de schutsgodin van Munster, die nog altijd door de bevolking van het graafschap vereerd wordt. Zij was de dochter van Owel, een pleegzoon van Mananan en een Druïde, en uit het volk van Dana afkomstig. Zij is in zekeren zin een godin der liefde, die voortdurend stervelingen met hartstocht bezielt. Zij was ontvoerd, zoo werd verhaald, door Ailill Olum, den koning van Munster, die daarom door haar magische kunsten gedood werd, en dat verhaal heeft zich in veel later tijd herhaald ten opzichte van een anderen sterfelijken minnaar, die echter niet gedood werd, en wel een Fitzgerald, wien zij den bekenden graaf baarde, die om zijn tooverkunsten beroemd was [100]. Een aantal aristocratische families van Munster maakten er aanspraak op, dat zij uit die verbintenis waren afgestamd.
Haar naam is nog steeds verbonden aan den "Heuvel van Ainé" (Knockainey), bij Loch Gur in Munster. Al de godheden van Dana waren in de volksverbeelding aardgoden, _dei terreni_, die in verband stonden met vruchtbaarheid en vermenigvuldiging. In de letterkunde der barden hoort men niet veel van Ainé, maar in de volksoverlevering in die streken speelt zij een belangrijke rol. Op verzoek van haar zoon, graaf Gerald beplantte zij in één nacht geheel Knockainey met erwten. Zij werd vroeger--en misschien is dit nog het geval--den avond vóór Sint Jan door de landbouwers vereerd, die toortsen van hooi en stroo droegen, die op stokken gebonden waren en na aangestoken te zijn, daarmede in den avond om haar heuvel liepen. Daarna verspreidden zij zich over hun bebouwde velden en weiden, en zwaaiden de toortsen over de aren en het vee om geluk en een rijken oogst voor het volgende jaar te verkrijgen. Op zekeren avond, zoo verhaalt D. Fitzgerald, [101] die de plaatselijke overleveringen omtrent die godin heeft verzameld, werd de plechtigheid verzuimd ten gevolge van den dood van één der buren. Toch zagen de boeren des avonds de toortsen in grooter getale dan ooit te voren zich rondom den heuvel bewegen, met Ainé zelf voorop, die de processie aanvoerde en regelde.
"Een anderen avond vóór Sint Jan waren een aantal meisjes laat op den heuvel blijven staan, terwijl zij de _cliars_ (toortsen) beschouwden en aan de spelen deelnamen. Plotseling verscheen Ainé in haar midden, en dankte haar voor de eer, die zij haar hadden bewezen, maar zeide, dat zij wenschte, dat zij nu naar huis gingen, _daar men den heuvel voor zich zelf noodig had_. Zij maakte haar duidelijk, wie zij met _men_ bedoelde, want na sommige meisjes naar zich toe geroepen te hebben, liet zij haar door een ring zien, waarop zij zagen, dat de heuvel bezaaid was met menschen, die vroeger onzichtbaar waren geweest."
"Hier", zoo merkt Alfred Nutt op, "hebben wij de oude plechtigheden, die uitgevoerd worden op een plek, gewijd aan één der oude machten, onder bescherming van die machten en waaraan zij zelf deelnemen. Nergens behalve bij de Galiërs zouden wij zulk een sprekend voorbeeld kunnen vinden, hoe de feeënwereld identiek is met de eerbiedwaardige machten, ten einde hun welgezindheid te verkrijgen, ter eere van wie sedert ontelbare jaren, plechtigheden en offers zijn gebracht, die eertijds wreed en bloedig waren, doch nu slechts een flauwe weerschijn zijn van hun oorspronkelijken vorm. [102]
Sinend en de put der kennis.
Er is een merkwaardige mythe, die, terwijl zij bestemd is, een verklaring te geven van den naam van de rivier de Shannon, een bewijs is van de vereering der Kelten voor poëzie en wetenschap, verbonden met de waarschuwing, dat die twee niet zonder gevaar kunnen worden genaderd. Het verhaal luidt "dat de godin Sinend, de dochter van Lodan, den zoon van Lir, naar een zekeren put, de put van Connla genoemd, ging, die onder de zee is, dat wil zeggen: in het Land der Jeugd, in het Tooverland. Het verhaal zegt, "dat dit een put is, waar de hazelaars van wijsheid en ingevingen gelegen zijn, dat zijn de hazelaars van wetenschap en poëzie, en op hetzelfde uur komen hun vruchten en bloesems en bladeren te voorschijn en vallen dan boven in den put in dezelfde bui, die op het water een koninklijke golf van purper doet ontstaan." Toen Sinend bij den put kwam, had zij enkele voorgeschreven plechtigheden of voorbereidingen verzuimd,--welke dit waren is ons niet bekend--, en daarom braken de vertoornde wateren los en overweldigden haar, en dreven haar naar den oever van den Shannon, waar zij stierf; daaraan ontleende de Shannon zijn naam. [103] Die mythe van de hazelaars der ingevingen en der kennis, en het verband van deze met stijgend water loopt door vele Iersche legenden en is prachtig weergegeven door den Ierschen dichter G. W. Russell in de volgende versregels:
"Een hut verborgen tusschen grassen, die op de helling welig groeien, Met deur en venster wijd geopend, waardoor de sterren heimlijk gluren, Vrij kan 't konijn die schuur betreden, waarbinnen luid de winden loeien, Die buiten op de hooge bergen, langs kam en toppen heftig schuren.
"En daalt de zon in 't westen neder, kleurt 't avondrood de lucht, Dan werpt de hazelaar ter neder zijn rijk gekleurde, rijpe vrucht, En sterrevormig is de bes, zooals die valt in Connla's put, Want eeuwig levend water stroomt, waar winden suizen om de hut.
"Ik denk bij 't vallen van den nacht, die kille dauw doet beven, Hoe door mijn geest dan ongestoord en rein gedachten zweven; Die als de bessen zijn, die vrij in 't luchtruim zich verbreiden, Terwijl de vruchten van den wonderboom zich overal verspreiden."
De komst van de zonen van Miled.
Na den tweeden slag bij Moytura regeerde het Volk van Dana in Ierland tot aan de komst van de zonen van Miled. Deze worden in de Iersche legenden als een volkomen menschelijk ras beschouwd, doch in hun oorsprong gaan zij, evenals de overige overweldigers van Ierland, terug tot een goddelijk en mythisch voorgeslacht. Miled, wiens naam als godheid voorkomt in een Keltische inscriptie uit Hongarije, wordt voorgesteld als een zoon van Bilé. Bilé is evenals Balor één der namen van den god des Doods, d.i. van de Onderwereld. Zij komen uit "Spanje"--de gewone naam gebruikt door de latere nationalistische geschiedschrijvers voor het Land der Dooden.
Zij zijn op de volgende wijze in Ierland gekomen: Ith, de grootvader van Miled, hield verblijf in een grooten toren, dien zijn vader, Bregon in "Spanje" had gebouwd. Op zekeren helderen winterdag, toen hij in zijn hoogen toren in westelijke richting keek, zag hij in de verte de kust van Ierland, en besloot hij naar het onbekende land te zeilen. Hij scheepte zich in met negentig krijgslieden en landde te Corcadyna, in het zuid-westen. In verband met deze gebeurtenis willen wij een bijzonder schoon gedeelte aanhalen uit de "Iersche Mythologische Cyclus", die bovendien de belangstelling waard is. [104]
"Volgens een onbekenden schrijver, door Plutarchus aangehaald, die omstreeks het jaar 120 n.C. stierf, en ook door Procopius, die in de zesde eeuw n.C. schreef, is "het Land der Dooden" het westelijke uiteinde van Groot-Brittannië, dat door een ontoegankelijken muur van het oosten is gescheiden. Op de noordkust van Gallië, zoo zegt de legende, vindt men een bevolking van zeelieden, wier taak het is de dooden van het vasteland over te brengen naar hun laatste woonplaats op het eiland Brittannië. De zeelieden, die 's nachts gewekt worden door het fluisteren van een geheimzinnige stem, staan op en begeven zich naar het strand waar zij schepen vinden, die op hen wachten en hun niet toebehooren [105], en daarin onzichtbare wezens, onder wier gewicht de schepen bijna tot aan de dolboorden zinken. Zij gaan aan boord en komen, zooals één lezing luidt, na één slag met de roeiroemen, volgens een andere lezing binnen het uur, op de plaats hunner bestemming, hoewel de reis met hun eigen schepen, zelfs met behulp van zeilen, minstens een dag en een nacht zou geduurd hebben, voordat zij de kust van Spanje hadden bereikt. Zoodra zij aan den anderen oever komen, landen de onzichtbare passagiers, en op datzelfde oogenblik ziet men, hoe de van hun last bevrijde schepen boven de golven verrijzen, terwijl een stem gehoord wordt, welke de namen der nieuw aangekomenen aankondigt, die zooeven gevoegd zijn bij de bewoners van het Land der Dooden.
"Een slag met de roeiriemen, hoogstens één uur reizen, is voldoende voor den middernachtelijken tocht, die de Dooden van het Gallische vasteland naar hun laatste woonplaats overbrengt. De ééne of andere geheimzinnige wet brengt immers in den nacht de groote tusschenruimten bijeen, die het rijk der levenden over dag van dat der dooden scheidt. Het was dezelfde wet, die Ith op een schoonen winteravond in staat stelde om van den toren van Bregon, in het land der Dooden, de kusten van Ierland, of het land der Levenden te zien. Het verschijnsel had in den winter plaats; immers de winter is een soort van nacht; de winter haalt, evenals de nacht, de slagboomen weg tusschen het gebied van den Dood en dat van het Leven; evenals de nacht, zoo geeft de winter het leven de gedaante van den dood, en neemt als het ware den somberen afgrond weg, die tusschen beide gelegen is."
In dien tijd, zoo luidt de legende, werd Ierland geregeerd door drie koningen uit het Volk van Dana, kleinzonen van den Dagda. Het waren MacCuill, MacCecht en MacGrené, hun vrouwen heetten Banba, Fohla en Eriu. Men ziet hier weer een voorbeeld, hoe bij de Kelten het gebruik, om zich goddelijke personen in drietallen voor te stellen inheemsch was. De drietallen vertegenwoordigen ieder één persoon, en het mythische karakter van dien persoon blijkt uit den naam van één van hen, MacGrené, zoon der Zon. De namen der drie godinnen zijn ieder op verschillende tijdstippen op Ierland toegepast, maar die van de derde, Eriu, is de eenige, die heeft stand gehouden, en is in den derden naamval, Erinn, tot op den huidigen dag, een poëtische naam voor het land. Zooals de Jubainville opmerkt, beteekent het feit, dat Eriu de vrouw van MacGrené is, dat de Zonnegod, de god van den Dag, van Leven en Wetenschap met het land is gehuwd en daarover regeert.
Ith vindt bij zijn landing, dat de koning uit het volk van Dana, Neit, juist gesneuveld is in een gevecht met de Fomoriërs, en de drie zonen, MacCuill en de overigen zijn in de vesting Aileach, in het graafschap Donegal, om een regeling te maken omtrent de verdeeling van het land onder hun drieën. In het begin verwelkomen zij Ith, en vragen zij hem, de erfenis te regelen. Ith geeft zijn oordeel, maar ten slotte komt zijn bewondering voor het juist ontdekte land naar voren en zegt hij: "Handel naar de wetten der rechtvaardigheid, immers het land, waarin gij woont is een goed land, het is rijk aan vruchten en honig, aan graan en visch; en bij hitte en bij koude is het klimaat gematigd". Uit die lofrede trekken de drie broeders de gevolgtrekking, dat Ith booze plannen op hun land heeft, en daarom nemen zij hem gevangen en brengen hem ter dood. Doch zijn makkers maken zich meester van zijn lijk en dragen het met zich in hun schepen naar "Spanje", waarna de kinderen van Miled besluiten wraak te nemen voor de beleediging en zich gereed maken een inval in Ierland te doen.
Zij werden aangevoerd door zes-en-dertig bevelhebbers, ieder met zijn eigen schip, waarop zijn familie en onderhoorigen waren ingescheept. Men zegt, dat twee van het gezelschap onderweg zijn omgekomen. Eén van de zonen van Miled, die boven in de mast was geklommen om naar de kust van Ierland uit te kijken, viel in zee en verdronk. De andere was Skena, de vrouw van den dichter Amergin, de zoon van Miled, die onder weg stierf. De Milesiërs begroeven haar toen zij landden, en noemden de plaats naar haar "Inverskena?"; dit was de oude naam der rivier Kenmare in het graafschap Kerry.
"Het was op een Donderdag, den eersten Mei, en de zeventienden dag na nieuwe maan, dat de zonen van Miled in Ierland aankwamen. Ook Partholan was den eersten Mei in Ierland geland, maar het was op een anderen dag der week en der maan; het was ook op den eersten Mei dat de pest uitbrak, die in één week tijds zijn geheele ras totaal uitroeide. De eerste Mei was gewijd aan Beltené, één der namen van den God des Doods, den god, die den mensch het leven schenkt en het hun weer ontneemt. Het was dus op den feestdag van dien god, dat de zonen van Miled hun verovering van Ierland begonnen." [106]
De dichter Amergin.
Toen de dichter Amergin den voet zette op den bodem van Ierland, zong hij, naar verhaald wordt, een vreemd en mystisch lied:
"Ik ben de wind, die waait over zee, Ik ben de golf van den oceaan; Ik ben het gemurmel der golven; Ik ben de os der zeven gevechten; Ik ben de gier op de rots; Ik ben een straal van de zon; Ik ben de schoonste der planten; Ik ben in dapperheid een wild zwijn; Ik ben een zalm in het water; Ik ben een meer in de vlakte; Ik ben de bedrevenheid van den kunstenaar; Ik ben een woord van wetenschap; Ik ben de speerpunt, die aan den strijdt deelneemt; Ik ben de god, die in het hoofd van den mensch het vuur der gedachten schept. Wie is het, die de menigte op den berg licht geeft, zoo niet ik? Wie telt den ouderdom der maan, zoo niet ik? Wie wijst de plaats aan, waar de zon ter ruste gaat, zoo niet ik?"
De Jubainville, wiens vertaling hier in hoofdzaak is gevolgd, merkt naar aanleiding van die vreemde uiting op:
"Er is een gemis aan orde in dit gedicht; de denkbeelden, hoofdzaken en ondergeschikte gedachten, zijn zonder methode door elkander geschud; maar er is geen twijfel aan de beteekenis; de _filé_ (dichter) is het woord der wetenschap, hij is de god, die den mensch het vuur der gedachte geeft; en daar de wetenschap niet gescheiden is van zijn doel, daar God en Natuur slechts één zijn, is het wezen van den _filé_, vermengd met de winden en de golven, met de wilde dieren en de wapenen van den krijgsman" [107].
Er werden nog twee andere gedichten aan Amergin toegeschreven, waarin hij het land en de natuurkundige eigenschappen van Ierland aanroept, om hem te helpen:
"Ik roep het land van Ierland aan, Schitterende, schitterende zee; Vruchtbare, vruchtbare berg; Open, open bosch! Overvloeiende rivier, overvloeiend in water! Meer rijk aan visch!" [108]
Het oordeel van Amergin.
Het leger der zonen van Miled trekt na landing op Tara aan, waar zij de drie koningen uit het Volk van Dana aantreffen, die hen afwachten, en stellen hun den eisch, het eiland aan hen af te staan. De drie koningen vragen een uitstel van drie dagen, om te overwegen, of zij Ierland zullen verlaten, zich zullen onderwerpen of slag zullen leveren; en zij stellen daarna voor, de beslissing over te laten aan Amergin. Amergin doet uitspraak "het eerste vonnis dat in Ierland was uitgesproken". Hij geeft toe, dat de Milesiërs hun vijanden niet bij verrassing moeten overrompelen--zij moeten zich negen golven afstand van de kust verwijderen en dan terugkeeren; indien zij dan het Volk van Dana overwinnen, is het land eerlijk het hunne door het recht van verovering.
De zonen van Miled onderwerpen zich aan die beslissing en bestijgen hun schepen. Maar nauwelijks zijn zij dien mystieken afstand van negen golven weggevaren, toen een mist en een storm werden opgewekt door de tooverijen van het Volk van Dana--de kust van Ierland is voor hun gezicht verborgen, en zij zwerven verstrooid over den Oceaan. Om zich er van te vergewissen, of het een natuurlijke storm is, die hen teistert, dan wel een, die door de Druïden is opgewekt, wordt een zekere Tranan boven op den mast gezonden, om te zien, of daar de wind waait. Hij wordt van den zwaaienden mast afgeslingerd, maar onder het vallen, waarbij hij den dood vindt, roept hij zijn scheepsmakkers nog toe: "Er is boven geen storm". Amergin, die als dichter,--dat wil zeggen als Druïde--in alle critieke omstandigheden de leiding heeft, zingt dan zijn tooverformulieren aan Erin. Daarop gaat de wind liggen, zij wenden vroolijk de stevens naar het strand. Maar één der hoofden der Milesiërs, Eber Donn jubelt in onmenschelijke opgewondenheid bij het vooruitzicht, allen, die in Ierland wonen met het zwaard te dooden; daarop steekt de storm opnieuw op, waarbij een aantal der schepen van de Milesiërs schipbreuk lijden, waaronder ook dat van Eber Donn. Tenslotte bereikt een klein deel der Milesiërs het strand, en landen in de monding van de Boyne.
De nederlaag van het volk van Dana.