Keltische Mythen en Legenden

Chapter 1

Chapter 13,394 wordsPublic domain

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

Keltische Mythen en Legenden

Door

T. W. Rolleston

Bewerkt door

Dr. B. C. Goudsmit

Zutphen--W. J. Thieme & Cie

De Nederlandsche bewerking van deze Keltische Mythen was reeds voor een belangrijk deel gevorderd, toen de door ons zoo hoog gewaardeerde Dr _B. C. Goudsmit_ door den dood werd weggenomen. Wij slaagden er in een bevoegden vertaler te vinden (hij wenscht ongenoemd te blijven) voor het voltooien van zijn arbeid.

De uitgevers.

INLEIDING.

Het verleden kan worden vergeten, het sterft nimmer. De elementen, die in de vroegste tijden bij de vorming van een natie in het spel kwamen, blijven bestaan en dragen er toe bij haar geschiedenis te maken en den stempel te drukken op het karakter en den geest van het volk.

Daarom moet het nasporen van die elementen en het bepalen, voor zoover mogelijk, van het deel dat zij hebben gehad aan schering en inslag van het leven van een volk, van niet gering belang zijn voor hen die inzien, dat uit het verleden het heden en uit het heden de toekomst wordt geboren; die zich zelf, hun magen en hun medeburgers niet willen beschouwen alleen als voorbijgaande schimmen, zich van de eene duisternis in de andere spoedend, maar die weten dat door hen een breede historische stroom gaat, van een verwijderden en geheimzinnigen oorsprong naar een toekomst, die in hooge mate wordt bepaald door al de vroegere omzwervingen van dien menschen-stroom, maar ook, in niet geringen graad door hetgeen zij, dank zij hun moed, hun vaderlandsliefde, hun kennis en hun verstand, er van verkozen te maken.

De rol door het Keltisch ras gespeeld als vormende kracht in de geschiedenis, de literatuur en de kunst van het volk dat de Britsche Eilanden bewoont--een volk dat van dat middelpunt uit zijn heerschappij heeft uitgebreid over zulk een uitgestrekt gebied van de oppervlakte der aarde--is in de volksgedachte onbehoorlijk verkleind geworden. Voor een groot deel heeft hieraan schuld de algemeen gangbare benaming "Angel-Saksisch" voor het Britsche volk, als ras-aanwijzing. Uit een historisch oogpunt is die benaming ten eenenmale verkeerd. Niets wettigt deze onderscheiding van twee Neder-Duitsche stammen, wanneer wij het ras-karakter van het Britsche volk willen aangeven. Het gebruik dier benaming leidt tot ongerijmdheden als die welke de schrijver niet lang geleden opmerkte, toen de voorgenomen verheffing van een Ierschen bisschop tot kardinaal, door den Paus, in een Engelsch blad werd voorgesteld als te zijn ingegeven door den wensch van het hoofd der Katholieke kerk om een vriendelijkheid te bewijzen aan "het Angel-Saksisch ras."

De juiste benaming voor de bevolking dezer eilanden en voor het typische en overheerschende deel van de bevolking van Noord-Amerika, is niet Angel-Saksisch maar Angel-Keltisch. Het is juist door deze vermenging van Germaansche en Keltische elementen dat het Britsche volk eenig is--het is juist die vermenging die aan dat volk het vuur, den _élan_, en in literatuur en kunst het gevoel voor stijl, kleur en handeling geeft--niet in het algemeen producten van den Germaanschen bodem--en te gelijkertijd de vastberadenheid en diepte, den eerbied voor oude wetten en gebruiken en de passie voor persoonlijke vrijheid, die min of meer vreemd zijn aan de romantische volken van Zuid-Europa. Mogen zij aan de Britsche Eilanden nimmer vreemd worden! Ook moet het Keltisch element in die eilanden niet worden geacht als geheel of zelfs zeer overwegend te zijn geleverd door de bevolkingen van den zoogenaamden "Keltischen Rand." Het is thans aan de ethnologen wel bekend dat de Saksers volstrekt niet de Keltische of met Kelten vermengde bevolkingen uitroeiden die zij in het bezit vonden van Groot-Brittannië. De heer E. W. B. Nicholson, bibliothecaris van de Bodley-bibliotheek [1] schrijft in zijn belangrijk werk "Keltische Nasporingen" (1904):

"Namen niet opzettelijk bedacht om rassen aan te duiden moeten nooit worden beschouwd als bewijzen voor ras, maar alleen als bewijzen voor het gemeenschappelijke van taal, of staatkundige organisatie. Wij noemen een man die Engelsch spreekt, in Engeland woont en een klaarblijkelijk Engelschen naam draagt (bijv. Freeman of Newton) een Engelschman. Toch geven statistieken van 'betrekkelijke nigrescentie' [2] goede gronden om aan te nemen dat Lancashire, West-Yorkshire, Staffordshire, Worcestershire, Warwickshire, Leicestershire, Rutland, Cambridgeshire, Wiltshire, Somerset en een deel van Sussex even Keltisch zijn als Perthshire en Noord-Munster; dat Cheshire, Shropshire, Herefordshire, Monmouthshire, Gloucestershire, Devon, Dorset, Northamptonshire, Huntingdonshire en Bedfordshire meer Keltisch zijn--en even Keltisch als Noord-Wales en Leinster; terwijl Buckinghamshire en Hertfordshire zelfs nog meer Keltisch zijn en gelijk staan met Zuid-Wales en Ulster." [3]

Het is dus voor een Angel-Keltisch, niet een Angel-Saksisch volk dat dit overzicht van de oude geschiedenis, den godsdienst en de mythische en romantische literatuur van het Keltisch ras is geschreven. Het is te hopen dat dat volk daarin dingen zal vinden, waardig in herinnering te blijven als bijdragen tot den algemeenen schat der Europeesche cultuur, maar vooral waardig in de herinnering te blijven van hen, die meer dan eenig ander levend volk hebben geërfd van het bloed, de neigingen en den aanleg der Kelten.

INHOUD.

Inleiding IX I. De Kelten in de Oude Geschiedenis 1 II. De Godsdienst der Kelten 35 III. De Mythen omtrent de invallen in Ierland 79 IV. De Oude Milesische Koningen 130 V. Verhalen van den Cyclus van Ulster 161 VI. Verhalen van den Cyclus van Ossian 231 VII. De Reis van Maeldun 285 VIII. Mythen en verhalen van de Kimbren 305 Goden van het huis van Don 322 Goden van het huis van Llyr 323 Arthur en zijn Magen 324 Register 387

LIJST VAN ILLUSTRATIES.

Koningin Maev (Titelplaat). "Wij vreezen niemand" 6 "Wij zijn op weg naar Rome" 8 "Onmiddellijk stapte een ander over hem heen toen hij daar nederlag" 22 Vercingetorix rijdt langs het Romeinsche Kamp 24 "Moge Tara voor eeuwig verlaten zijn" 32 Praehistorische Tumulus te New Grange 38 Rijen Steenen, te Kermaris, Carnac 42 Moderne Steenaanbidding te Locronan, Bretagne 50 Ingang van den Tumulus te New Grange 56 Menschenoffers in Gallië 68 "Zij vroegen melk en koren in ruil voor hun Kinderen" 70 St. Finnen en de Heidensche Aanvoerder 82 Tuan bespiedt Nemed 84 De Twee Afgezanten 90 Corpre en Koning Bres 92 "Sawan gaf den halster der koe aan den Knaap" 94 "De Druïde dreef het naar het huis van zijn vader, Kian" 96 De Boot van Mananan 98 "Bij de feesten van het Toovervolk" 102 "Hier bij het meer werkte hij" 108 Sinend en de Put van Connla 112 De komst van de Zonen van Miled 114 Het volk van Dana luistert naar de Muziek der Zwanen 124 Ethné hoort stemmen 128 Macha meet den omtrek der Stad uit 136 "De eerste boom was een wilg" 138 Midir en Etain 146 "Op den vloer van de hut vallen zijn vogelveeren af" 150 Conary in de Netten van het Toovervolk 154 De Vloek van Macha 162 De Knaap Setanta Volgt Koning Conor 164 De Hond van Cullan 166 Cuchulain vraagt den Koning om wapenen 168 "Cathbad keek naar de sterren en hij werd zeer verontrust" 180 Koningin Maev en de Druïde 188 Cuchulain in den Strijd 190 "Slaap nu, Cuchulain, bij het graf in Lerga" 196 "Cuchulain greep Ferdia toen hij viel" 202 "Het Hoofd ging nog altijd door met roepen en vermanen" 204 Cuchulain en de Toovermaagden 206 Emer hoort van de afspraak 208 De Dood van Cuchulain 214 Forbay en Koningin Maev 224 Koning Fergus en de Dwerg 226 Finn vindt de Oude Mannen in het Bosch 236 "Finn hoorde de tonen der Tooverharp" 238 "Ik ben Saba, O Finn" 244 Oisin en Niam 248 "Het witte paard was uit hun oogen verdwenen als een krans van nevel" 252 "Zij vonden zich plotseling verward in draden garen" 254 "Patrick verzoekt zijn schrijvers alles nauwkeurig op te schrijven" 256 "Zij joegen hem naar het strand" 262 "De Fianna richtten een steenen pilaar op, met haar naam in Ogham letters" 264 Dermot nam den Horen en vulde dien 270 Dermot en Grania 274 "De troep der Fianna verdween, en liet haar over aan haar smart" 278 "Het ware beter voor u den man te wreken, die hier verbrand is" 286 "De helft van het koren van uw land wordt hier gemalen" 292 "Den vierden dag kwam zij naar hen toe buiten de vesting" 294 Het offer van Diuran den Rijmer 304 De Boetedoening van Rhiannon 332 "Evnissyen legde zijn hand op den zak" 340 "Ik zal haar niet loslaten" 346 "Het jammeren en weeklagen werd nog luider dan te voren gehoord" 372

HOOFDSTUK I: DE KELTEN IN DE OUDE GESCHIEDENIS.

Oudste mededeelingen.

In de kronieken van de classieke volken van omstreeks vijfhonderd jaar vóór de Christelijke jaartelling vindt men herhaaldelijk gewag gemaakt van een volk, dat met die naties in betrekking stond, somtijds in vrede, somtijds in den oorlog, en dat blijkbaar een krachtige en invloedrijke plaats innam in het onbekende gebied van Midden-Europa. Dit volk wordt door de Grieken de Hyperboreërs of Kelten genoemd; de laatste uitdrukking wordt het eerst gevonden bij den aardrijkskundige Hecataeus, ongeveer 500 v.C. [4]

Herodotus spreekt omstreeks een halve eeuw later van de Kelten, als van een volksstam die "aan gene zijde van de Zuilen van Hercules woont"--d.i. in Spanje, en verhaalt eveneens, dat de Donau in hun land ontspringt.

Aristoteles wist, dat zij "voorbij Spanje" woonden, dat zij Rome hadden ingenomen, en dat zij uitmuntten in krijgshaftige eigenschappen. Van tijd tot tijd vinden wij ook andere dan aardrijkskundige mededeelingen zelfs bij oude schrijvers. Hellanicus van Lesbos, een geschiedschrijver uit de vijfde eeuw v.C., beschrijft de Kelten als handhavers van rechtvaardigheid en als mannen, die de deugd liefhadden. Ephorus (omstreeks 350 v.C.) geeft drie dichtregels over de Kelten, waarin hij zegt, dat zij "dezelfde gewoonten hadden als de Grieken" (het is niet duidelijk, wat hij daarmee bedoelt), en dat zij op vriendschappelijken voet met dezen verkeerden, die dan ook gastvriendschap met hen sloten. Plato echter rangschikt in de "Wetten" de Kelten onder de volken, die zich aan dronkenschap overgeven en strijdlustig zijn, en men schrijft hun groote barbaarschheid toe bij gelegenheid van hun inval in Griekenland en de plundering van Delphi van het jaar 273 v.C. Hun aanval op Rome en de plundering dier stad omstreeks een eeuw vroeger is één der mijlpalen in de oude geschiedenis.

De geschiedenis van dat volk gedurende den tijd, toen het de overheerschende macht in Midden-Europa voerde, moet men gissen of weder opbouwen uit verspreide aanwijzingen en mededeelingen van op zich zelf staande gebeurtenissen in hun optreden tegenover Griekenland en Rome, zooals de dierkundige dikwijls een voorwereldlijk dier weder opbouwt uit enkele fossiele beenderen. Geen kronieken zijn van hen tot op onzen tijd overgeleverd, geen bouwkundige overblijfselen zijn tot op onze dagen in wezen gebleven; slechts enkele munten en enkele versierselen en bronzen wapenen, met email opgelegd of waarop fijne en schoone patronen zijn gegraveerd of gedreven--alleen deze en de namen, die dikwijls in wonderlijk gewijzigde vormen verbonden zijn gebleven aan de plaatsen, waar zij woonden, van de Zwarte Zee tot aan de Britsche Eilanden, zijn zoowat al de zichtbare sporen, die ons door dien eertijds zoo machtigen volksstam van zijn beschaving en heerschappij zijn nagelaten. Toch kan daaruit en uit die verhalen van classieke schrijvers veel met zekerheid worden afgeleid, en nog meer kan met tamelijk veel waarschijnlijkheid worden gegist. De groote kenner der Keltische geschiedenis en oudheden, die voor enkele jaren is overleden, d'Arbois de Jubainville, heeft uit de beschikbare feiten een overtuigende schets gegeven der Keltische geschiedenis gedurende den tijd, die voorafgegaan is aan dien, waarop zij in het volle geschiedkundige licht zijn gekomen tijdens de veroveringen van Caesar [5], en van die schets geven wij hier de voornaamste trekken weer.

Het echte Keltische ras.

Om te beginnen, moeten wij het denkbeeld op zijde zetten, dat het Keltenland ooit door één enkel zuiver en homogeen ras is bewoond geweest. De echte Kelten waren, als wij op dit punt de met zorg bestudeerde en goed gedocumenteerde gevolgtrekkingen mogen aannemen van Dr. T. Rice Holmes [6] welk betoog wordt bevestigd door de eensluidende mededeelingen der oudheid, een rijzig, lichtharig ras, oorlogslievend en heerschzuchtig [7], dat oorspronkelijk (zoover wij het nog kunnen nagaan) hun woonplaats gehad heeft ergens bij de bronnen van den Donau, en die, zoowel door verovering als door op vredelievende wijze door te dringen, hun heerschappij uitstrekten over Midden-Europa, Gallië, Spanje en de Britsche Eilanden. Zij roeiden de oorspronkelijke praehistorische bewoners van die streken--palaeolithische en neolithische rassen, dolmen-bouwers en bewerkers van brons--niet uit, maar zij legden hun wel hun taal, hun industrie en hun overleveringen op, waartegenover zij ongetwijfeld van hun kant veel van hen overnamen, vooral, zooals wij zullen zien, op het gebied van den godsdienst. Onder de rassen vormden de echte Kelten een aristocratische en overheerschende kaste. In die hoedanigheid stonden zij, zoowel in Gallië en in Spanje als in Brittannië en in Ierland, aan de spits van het gewapend verzet tegen vreemde invallen. Zij vingen den krachtigsten stoot op van oorlogen, verbeurdverklaringen en verbanning. Het ontbrak hun nooit aan moed, maar zij waren niet krachtig of niet eensgezind genoeg om de overhand te krijgen, en zij kwamen in veel grootere verhouding om dan de andere bewoners, die zij zelf hadden ten onder gebracht. Maar ook verdwenen zij, door hun bloed met dat van die andere bewoners te vermengen, waardoor zij den stempel van een aantal van hun eigen edele en mannelijke eigenschappen op hen drukten. Dit is de reden, dat de karakteristieke eigenschappen van die volken, die in onzen tijd Kelten genoemd werden en die de Keltische overleveringen en de Keltische taal voortplantten, in enkele opzichten zoozeer verschillen van die der Kelten uit de classieke geschiedenis en die der Kelten, die de litteratuur en de kunst van het oude Griekenland hebben voortgebracht, terwijl zij in andere opzichten daarmede zoo treffend overeenkomen. Om slechts één lichamelijk kenmerk te kiezen, de bewoners der meer Keltische districten van de Britsche eilanden kenmerken zich tegenwoordig door hun donkere gelaatskleur, hun haren enz. Zij zijn niet bijzonder donker, maar toch donkerder dan het overige gedeelte der bewoners van het koninkrijk. [8] Maar de echte Kelten der twaalfde eeuw zijn door Giraldus Cambrensis als een licht gekleurd ras beschreven.

De gouden eeuw der Kelten.

Maar wij loopen op ons onderwerp vooruit en moeten terugkeeren tot het tijdperk van den oorsprong der Keltische geschiedenis. Evenals de sterrenkundigen het bestaan eener onbekende planeet hebben ontdekt door de storingen, door deze op de reeds waargenomen planeten uitgeoefend, zoo kunnen wij in de vijfde en vierde eeuw vóór Christus de aanwezigheid van een groote macht en van krachtige bewegingen onderscheiden, die geschiedden achter een sluier, die nooit meer zal worden opgelicht. Dit was de Gouden Eeuw der Kelten op het vasteland van Europa. Gedurende dat tijdperk voerden de Kelten drie groote en voorspoedige oorlogen, die geen geringen invloed hadden op den loop der geschiedenis van Zuid-Europa. Omstreeks 500 v.C. veroverden zij Spanje op de Carthagers. Een eeuw later zien wij hen bezig met de verovering van Noord-Italië op de Etruskers. Zij vestigden zich in grooten getale op het gebied, dat later bekend werd als Gallia Cisalpina, waar een aantal namen, zooals _Mediolanum_ (Milaan), _Addua_ (Adda), _Virodunum_ (Verduno), en misschien _Cremona_ (_creamh_, knoflook) [9], er getuigenis van afleggen, dat zij dit gebied hebben bezet. Zij hebben nog een grooter herinnering achtergelaten in den voornaamsten der Latijnsche dichters, wiens naam, Vergilius, schijnt te wijzen op zijn Keltische afstamming [10]. Tegen het einde der vierde eeuw overstroomden zij Pannonia, toen zij de Illyriërs ten onder brachten.

Bondgenootschappen met de Grieken.

Al die oorlogen werden ondernomen in bondgenootschap met de Grieken, met wie de Kelten in die periode op den meest vriendschappelijken voet verkeerden. Door den oorlog met de Carthagers werd het monopolie, dat deze bezaten op het gebied van den handel in tin met Brittannië en in zilver met de Spaansche mijnwerkers, vernietigd, en de weg over land door Frankrijk heen naar Brittannië, ten behoeve waarvoor de Phoceërs in het jaar 600 v.C. de haven van Marseille hadden gesticht, werd voor goed aan den Griekschen handel verzekerd. Grieken en Kelten waren in dat tijdperk verbonden tegen Phoeniciërs en Perzen. De nederlaag, Hamilcar te Himera, in Sicilië, door Gelon toegebracht, viel in hetzelfde jaar als die van Xerxes te Salamis. Het Carthaagsche leger in dien veldtocht bestond uit huurlingen van een half dozijn volken, maar in de rangen der Carthagers werd geen enkele Kelt gevonden, en de vijandschap der Kelten was een voorname oorzaak, dat de Carthagers de Perzen geen hulp boden ter vernietiging van hun gemeenschappelijken vijand. Deze feiten bewijzen, dat de Kelten een belangrijke rol speelden, om te beletten, dat het Grieksche type van beschaving werd overweldigd door de dwingelandij van Oostersche volken, en dat het in Europa het onschatbare zaad van vrijheid en menschelijke cultuur in het leven hield.

Alexander de Groote.

Wij zien de Kelten weer naar voren treden als een hoogst belangrijken factor, toen Hellas van haar kant onder Alexander den Groote haar tegenaanval tegen het Oosten begon.

In de vierde eeuw v.C. werd Macedonië door Thracische en Illyrische benden aangevallen en bijna vernietigd. Koning Amyntas II werd verslagen en in ballingschap gedreven. Zijn zoon Perdiccas II werd in den slag gedood. Toen Philippus, een jongere broeder van Perdiccas, den onbeteekenenden en waggelenden troon besteeg, dien hij en zijn opvolgers tot den zetel van een machtig rijk zouden maken, werd hij krachtig gesteund in zijn pogingen de Illyriërs het hoofd te bieden door de veroveringen der Kelten in de valleien van den Donau en de Po. In de dagen van Alexander werd het bondgenootschap voortgezet en misschien meer op wettelijken grondslag gevestigd. Toen Alexander op het punt stond, Azië te veroveren (334 v.C.) sloot hij eerst een verdrag met de Kelten "die aan de Jonische Golf woonden", ten einde zijn Grieksch grondgebied tijdens zijn afwezigheid tegen een aanval te beveiligen. Die gebeurtenis is door Ptolemaeus Soter beschreven in zijn geschiedenis van de oorlogen van Alexander [11]. Het verhaal is zóó levendig, dat het den stempel draagt van een authentieke geschiedenis, en een andere merkwaardige getuigenis van de waarheid van het verhaal is door de Jubainville aan het licht gebracht. Toen de Keltische afgevaardigden, die beschreven worden als mannen, hooghartig in hun optreden en van grooten lichaamsbouw, na hun zending te hebben volbracht, met den koning dronken, vroeg hij hun, naar het verhaal zegt, wat wel datgene was, waarvoor zij het meest bevreesd waren. De afgevaardigden antwoordden: "Wij vreezen niemand: er is slechts één ding, waarvoor wij bang zijn, en wel, dat de hemel op ons zou kunnen neervallen; maar wij stellen niets zoo zeer op prijs als de vriendschap van iemand zooals gij." Alexander nam afscheid van hen, en fluisterde, na zich tot zijn edelen te hebben gewend, "Wat zijn die Kelten toch vreeselijke pochers." Toch was het antwoord, met al zijn Keltische bravour en pralerij, niet zonder waardigheid en hoffelijkheid. De uitdrukking omtrent het neervallen van den hemel schijnt een blik te schenken op het eene of andere primitieve geloof of de eene of andere mythe, waarvan de beteekenis niet meer te doorgronden is. [12] De nationale eed, waarmede de Kelten zich verbonden, aan hun verdrag met Alexander trouw te blijven, is zeer merkwaardig. "Als wij dit verdrag niet gestand doen," zoo zeiden zij, "moge dan de hemel op ons neervallen en ons verbrijzelen, moge de aarde zich openen en ons verzwelgen, moge de zee openbarsten en ons overweldigen." De Jubainville vestigt met nadruk de aandacht op een plaats uit de "Táin Bo Cuailgne," in het Boek van Leinster, [13] waar de helden uit Ulster hun koning, die hen in den strijd wenschte te verlaten, ten einde een aanval af te weren op een ander gedeelte van het slagveld, mededeelen: De hemel is boven ons, en de aarde onder ons, en de zee is om ons heen gelegen. Tenzij de hemel met zijn menigte sterren neervalt op den grond, waarop wij gekampeerd zijn, of tenzij de aarde door een aardbeving wordt van een gereten, of tenzij de golven der blauwe zee over de bosschen der levende wereld komen, zullen wij niet wijken. [14] Het overleven van dit eigenaardige eedsformulier gedurende meer dan duizend jaar, en het weder te voorschijn komen in een mythisch Iersch verdichtsel, nadat er het eerst van gehoord is onder de Kelten van Midden-Europa, is ongetwijfeld zeer merkwaardig, en is met andere feiten, die wij later zullen vermelden, een krachtig bewijs voor de eenheid en de onverwoestbaarheid der Keltische beschaving. [15]

De plundering van Rome.