Kaukasische vertellingen Eene overvalling; Een houtkapping in het bosch; Een ontmoeting te velde met een moskousch kameraad

Part 9

Chapter 93,615 wordsPublic domain

Toen ik hem beval wat eten en wat drank hierheen te brengen, bromde hij in zijn baard en ging met sleepende treden naar de hut. Daar bleef hij aan 't brommen, maar bracht ons toch een koffer; op dien koffer zette hij een licht, dat hij te voren met papier tegen den wind beschut had, een kleine pan, mosterd, een kelk, een blikken beker met een handvat en een flesch vermouth. Nadat Nikita dat alles klaargezet had, bleef hij nog een poos bij ons staan en zag hoe Guskoff en ik den drank aanspraken, wat hem blijkbaar zeer onaangenaam stemde. Bij den matten schijn, dien de kaars door het papier wierp, en de duisternis, die ons omgaf, zag men slechts het zeehondenleer, waarmee de koffer overtrokken was, het avondeten, dat daarop stond, Guskoffs gezicht, zijn pelsjas en zijn kleine, roode handen, die de piroggen uit de pan namen. Rondom ons was alles zwarte nacht en alleen als men scherp tuurde, kon men de zwarte batterij onderscheiden, de zwarte gedaante van den schildwacht op de borstwering, ter zijde de brandende wachtvuren en boven ons de roodschemerende sterren. Guskoff glimlachte nauw merkbaar, droefgeestig en beschaamd, als stemde het hem onbehagelijk mij na zijn bekentenis in de oogen te zien, hij dronk nog een glaasje en at gretig, schrapte zelfs de pan uit.

--Ja, voor u is het toch altijd nog een verlichting, zeide ik, (om toch iets te zeggen) dat ge den adjudant kent; ik heb gehoord, dat hij een goed mensch is.

--Ja, antwoordde de gedegradeerde, hij is een aardig mensch, maar meer kan hij niet zijn, hij kan geen mènsch zijn--en van iemand van zijn opvoeding kan men dat ook niet verlangen. Hij scheen plotseling te blozen.

--Hebt gij zijn grove scherts over die hinderlaag gehoord? en, hoewel ik verscheidene malen beproefde dat gesprek af te breken, begon Guskoff zich voor mij te rechtvaardigen, en mij uiteen te zetten, dat hij niet van zijn post weggeloopen was en dat hij geen lafaard was, zooals de adjudant en Sch. hadden laten doorschemeren.

--Zooals ik u gezegd heb, vervolgde hij, zijn handen aan zijn pelsjas afvegend, zulke lieden verstaan de kunst niet, zacht met iemand om te gaan, met een gewoon soldaat, die geen geld heeft; dat gaat boven hun krachten. En in den laatsten tijd, nu ik sinds vijf maanden, waarom weet ik niet, niets van mijn zuster gekregen heb, heb ik gemerkt, hoezeer hun houding tegenover mij veranderd is. Deze pelsjas, die ik van een gewoon soldaat gekocht heb, en die niet verwarmt, omdat hij geheel afgesleten is (hierbij liet hij mij den kalen schoot ervan zien) boezemt hun geen medelijden of achting in, maar verachting, en zij zijn niet in staat dat te verbergen. Mijn nood moge al nòg zoo groot zijn, zooals nu, nu ik niets te eten heb dan soldatenkost en niets om aan te trekken, vervolgde hij met neergeslagen oogen en goot nog een glaasje vermouth naar binnen, het komt niet in hem op, mij geld aan te bieden en hij weet toch dat ik het hem teruggeef. Hij wacht totdat ik, in mijn ellendigen toestand, het hem vragen moet. En ge kunt begrijpen, hoe zwaar mij dat valt, vooral aan hem. U bijv. durf ik dat heel goed openhartig zeggen: _vous êtes au-dessus de cela, mon cher, je n'ai pas le sou_.[51]

[51] Gij zijt daarboven verheven, mijn waarde, ik heb geen cent meer.

--En weet ge, zei hij en zag mij plotseling met een blik vol vertwijfeling in de oogen--ik zeg het u openhartig: ik ben nu in een verschrikkelijke positie: _pouvez-vous me prêter 10 roubles argent?_[52] Mijn zuster moet me met de eerstvolgende post wel wat zenden, _et mon père_.[53]....

[52] Kunt ge mij 10 zilveren roebels leenen?

[53] En mijn vader...

--Wel zeker, met veel genoegen! zeide ik, hoewel het mij integendeel uiterst onaangenaam en krenkend was, vooral omdat ik daags te voren bij het kaarten verloren had en zelf niet meer dan vijf roebel en eenige kopeken bij Nikita had staan.--Dadelijk, zei ik, en stond op, ik ga even naar mijn tent om ze te halen.

--Neen, later, _ne vous dérangez pas_.[54]

[54] Derangeer u niet.

Ik luisterde echter niet naar hem en kroop in de toegebonden tent, waar mijn bed stond en de kapitein sliep.

--Alexeï Iwanitsch, wees zoo goed en geef me tien roebel tot den dag van het traktement, zei ik en schudde hem wakker.

--Wel, komt ge weer te kort? En gisteren hebt ge nog verklaard niet meer te zullen spelen? zei de kapitein, nog half slapend.

--Neen, ik heb niet gespeeld, ik heb het voor wat anders noodig, toe, geef ze me.

--Makatjuk! riep de kapitein zijn oppasser toe, krijg het geldkistje en breng het hier.

--Zachter, zachter! zei ik. Ik hoorde dicht bij de tent den gelijkmatigen pas van Guskoff.

--Wat?... waarom zachter?

--De gedegradeerde heeft ze me te leen gevraagd en die loopt daar buiten.

--Als ik dat geweten had, had ik ze niet gegeven, merkte de kapitein op. Ik heb van hem gehoord, die knaap is een der grootste losbollen!--Maar de kapitein gaf me het geld toch, beval het geldkistje weg te zetten, de tent goed te sluiten, herhaalde nogmaals:--Als ik het geweten had, zou ik ze niet gegeven hebben, en trok de deken over het hoofd.--Nu zijt ge me 32 roebel schuldig, vergeet dat niet! riep hij me na. Toen ik uit de tent kwam, liep Guskoff bij het bankje op en neer, en zijn kleine gestalte met de kromme beenen en de afschuwelijke muts met de lange, witte haren kwam telkens uit de duisternis te voorschijn, wanneer hij voorbij de kaars kwam. Hij deed of hij mij niet zag. Ik gaf hem het geld. Hij zei _merci_, frommelde het biljet in elkaar en stak het in zijn broekzak.

--Nu zal het spel bij Pavel Dmitrijewitsch, dunkt me, wel in vollen gang! begon hij onmiddellijk daarop.

--Ja dat denk ik ook.

--Hij speelt merkwaardig, altijd _à rebours_[55] en nooit weigert hij een verdubbeling van den inzet; lukt het, dan is dat goed en wel, maar lukt het niet, dan kan men er vreeselijk veel geld mee verspelen. Dat heeft hij trouwens ondervonden. In dezen veldtocht heeft hij, als men goed narekent, meer dan vijftien honderd roebels verloren. En hoe gematigd heeft hij vroeger gespeeld, zoo zelfs dat die officier daareven aan zijn eerlijkheid scheen te twijfelen.

[55] Tegen den gewonen regel in.

--Ja, hij kan zoo.... Nikita, hebben we geen wijn meer? zei ik en voelde mij zeer verlicht door Guskoffs woordenstroom. Nikita bromde nog altoos, maar bracht ons toch den wijn en zag woedend toe dat Guskoff zijn glas ledigde. In Guskoffs houding was zijn vroegere onbevangenheid weer te merken. Ik had gewenscht, dat hij zoo snel mogelijk heengegaan zou zijn en had het gevoel, alsof hij dat juist niet deed, omdat hij zich schaamde weg te gaan, dadelijk nadat hij het geld gekregen had. Ik zei geen woord.

--Hoe is het mogelijk dat gij, een vermogend mensch, zoo zonder eenige noodzaak, _de gaieté de coeur_,[56] het besluit genomen hebt, in den Kaukasus dienst te nemen? Ziet ge, dat begrijp ik niet, zeide hij.

[56] Volkomen willekeurig.

Ik deed me best dien stap te rechtvaardigen, dien hij zoo opvallend vond.

--Ik kan me denken, hoe zwaar ook u den omgang met deze officieren moet vallen, met deze menschen, die zelfs geen idee van beschaving hebben. Het is niet mogelijk, dat ze voor iemand als u iets voelen. Al bleeft ge tien jaar lang hier, ge zoudt toch niets anders zien en hooren dan kaarten, wijn en gesprekken over onderscheidingen en veldtochten.

Het deed me onaangenaam aan, dat hij verlangde dat ik het met zijn beweren eens zou zijn en ik betuigde hem, volkomen oprecht, dat ik zeer veel hield van kaarten, wijn en gesprekken over veldtochten. Maar hij wilde me niet gelooven.

--Och, dat zegt ge zoo maar, ging hij voort. En het gemis van vrouwen, d.w. ik bedoel _femmes comme il faut_,[57] is dat niet een verschrikkelijke ontbering? Ik weet niet wat ik er niet voor zou geven, als ik me een oogenblik in een salon kon verplaatsen en, al was het ook maar door een kiertje van een deur, een bekoorlijke vrouw kon zien.

[57] Beschaafde dames.

Hij zweeg een oogenblik en dronk nog een glas wijn.

--Ach God! ach God! Misschien hebben we nog eenmaal het geluk, elkaar in Petersburg bij menschen te ontmoeten, bij menschen, met vrouwen om te gaan en te leven. Hij dronk het laatste restje wijn uit de flesch en zei toen:--O, pardon, misschien hadt gij nog willen drinken, ik ben vreeselijk verstrooid. Ik geloof, dat ik te veel gedronken heb, _et je n'ai pas la tête forte_.[58]

[58] En ik kan er niet heel goed tegen.

Er was een tijd dat ik op de Marskaja (te Petersburg) woonde _au rez-de-chaussee_,[59] ik had daar een wondermooie, kleine woning, mijn eigen meubels, moet ge weten, ik verstond de kunst me behoorlijk in te richten, zonder dat het mij buitensporig veel geld kostte. Trouwens, mijn vader gaf mij porcelein, bloemen en wondermooi zilvergoed. _Le matin je sortais_[60], bezoeken afleggen; _à 5 heures regulièrement_[61] reed 's middags naar haar toe, vaak was ze alleen. _Il faut avouer que c'était une femme ravissante._[62] Hebt ge haar niet gekend, in 't geheel niet?

[59] In een benedenhuis.

[60] 's Morgens ging ik uit.

[61] Geregeld om vijf uur.

[62] Men moet erkennen dat het een verrukkelijke vrouw was.

--Neen.

--Weet ge, ze was vrouwelijk in de hoogste mate, teeder, en haar liefde!.... Och, lieve hemel! Ik heb toen dat geluk niet op de rechte waarde geschat. Na afloop van de schouwburgvoorstelling keerden wij vaak samen naar huis terug en soupeerden dan. Nooit heb ik mij bij haar verveeld, _toujours gaie, toujours aimante_.[63] Ja, ik had er geen flauw vermoeden van, wat een zeldzaam geluk dat was. _Et j'ai beaucoup à me reprocher envers elle. Je l'ai fait souffrir et souvent_,[64] ik was wreed. Ach, wat was dat een heerlijke tijd. Verveel ik u?

[63] Altoos opgeruimd, altoos minnares.

[64] Ik heb me ten haren opzichte veel te verwijten, ik heb haar vaak verdriet gedaan.

--Neen, in geenen deele.

--Dan wil ik u wat vertellen van onze avonden. Ik kom binnen, ik ken die trap, ik ken iedere bloempot, de deurknop--alles is zoo lief, zoo bekend, dan de voorkamer, haar kamer... Neen, dat komt nooit, nooit weer terug! Ze schrijft nu ook nog, ik wil u gaarne haar brieven laten zien. Maar ik ben nu niet meer dezelfde--ik ben een verlorene, ik ben harer niet meer waardig... Ik ben voor eeuwig verloren! _Je suis cassé._[65] Ik heb geen energie, geen trots, niets meer. Ook mijn adel is weg.. ja, ik ben een verlorene! En geen mensch zal begrijpen wat ik lijd--niemand betoont mij medegevoel. Ik ben een verloren mensch! Nooit kan ik me weer opheffen, want ik ben moreel gezonken--in 't slijk gezonken.

[65] Ik ben gebroken.

.. In dit oogenblik klonk oprechte, diepe wanhoop uit zijn woorden; hij zag me niet aan en zat daar onbewegelijk.

--Waarom zoo te wanhopen? vroeg ik.

--Omdat ik een afschuwelijk mensch ben; dit leven heeft me ten gronde gericht, alles wat in me was, is dood.... Ik lijd niet meer met fierheid, maar als een onwaardige--de _dignité dans le malheur_[66] heb ik niet meer. Ieder oogenblik duld ik vernederingen. Dit slijk _a déteint sur moi_,[67] ik ben zelf ruw geworden; wat ik geweten heb, ben ik vergeten, ik kan geen Fransch meer spreken, ik voel dat ik laag en gemeen ben. Aan gevechten kan ik in deze omgeving niet deelnemen, voor niets ter wereld; misschien zou ik een held zijn: geef me een regiment, gouden epauletten en trompetters; maar in hetzelfde gelid met den eersten den besten Antonoff Bondarenko en dergelijke lui te strijden en dan te moeten bedenken, dat tusschen hen en mij niet het geringste onderscheid is, dat het precies hetzelfde is of hij doodgeschoten wordt of ik--die gedachte doodt mij. Begrijpt ge, hoe vreeselijk het is, te moeten bedenken, dat de eerste de beste gemeene kerel mij dooden kan, mij, een mensch, die denkt en gevoelt, en dat het precies hetzelfde is of hij mij doodt, dan wel dien Antonoff naast mij, een schepsel, dat zich door niets van een dier onderscheidt en dat het best gebeuren kan dat men juist mij doodt en niet Antonoff, zooals dat altijd gebeurt, _une fatalité_[68] voor al wat goed en hoog is. Ik weet, dat ze me een lafaard noemen; goed, laat ik een lafaard zijn--ik ben nu eenmaal een lafaard en kan niet anders zijn.

[66] waardigheid in het ongeluk.

[67] heeft me bespat.

[68] een noodlot.

Maar als ware 't niet genoeg, dat ik een lafaard ben, ik ben in uw oog ook--een bedelaar en een verachtelijk mensch. Ziet ge, ik heb u daareven om geld gevraagd--u hebt een recht mij te verachten. Neen, neem liever uw geld terug--en hij reikte mij het verfrommelde biljet toe. Ik wil, dat ge mij zult achten. Hij bedekte zijn gezicht met zijn handen en brak in tranen uit; ik wist niet wat ik tot hem zeggen zou of doen.

--Wees bedaard, zei ik tot hem, ge zijt te fijngevoelig, ge moet u niet alles zoo aantrekken, denk niet zooveel, neem de dingen eenvoudiger op. Ge zegt zelf, dat ge karakter hebt. Draag dus uw ongeluk, ge zult niet lang meer behoeven te lijden. Dit alles zei ik tot hem, maar in zeer onduidelijke bewoordingen, want ik werd bewogen door een gevoel van berouw, dat ik het gewaagd had in gedachte een waarachtig en diep ongelukkig mensch te veroordeelen.

--Ja, begon hij, als ik sinds het uur, dat ik in deze hel ben, ook maar een enkel woord van deelneming, van goeden raad of van vriendschap gehoord had,--een woord van menschelijkheid, gelijk ik van u hoor--misschien kon ik dan rustig alles verdragen, misschien kon ik het dan dragen en zelfs gemeen soldaat zijn--maar nu is het vreeselijk..... Wanneer ik mijn gezond verstand gebruik, wensch ik den dood; waarom zou ik dit smadelijke leven en mijzelf liefhebben, nu ik toch voor al het goede in de wereld verloren ben? en bij het geringste gevaar onwillekeurig weer begin dit gemeene leven te vergoden en te sparen als iets kostbaars? En ik kan mijzelf niet overwinnen, _je ne puis pas_[69] d.w.z. ik kan het wel--ging hij na een minutenlang zwijgen voort--maar het kost me te veel moeite, enorme moeite, als ik alleen ben. Met anderen samen, wanneer ik in gewone omstandigheden in het vuur ga, ben ik dapper, _j'ai fait mes preuves_,[70] want ik ben vol eigenliefde en trots: dat is mijn gebrek, en in tegenwoordigheid van anderen... Weet ge, laat mij vannacht in uw tent overnachten, bij mij zal wel den geheelen nacht gespeeld worden. Onverschillig waar, op den grond.

[69] ik kan niet.

[70] dat heb ik bewezen.

Terwijl Nikita het bed klaarmaakte, stonden we op en liepen weer in het duister bij de batterij op en neer. Guskoff moest wel werkelijk slecht tegen drank kunnen, want van twee glaasjes vermouth en twee glazen wijn waggelde hij. Toen we opstonden en uit het licht der kaars gingen, merkte ik op, dat hij het tienroebelbiljet, 't welk hij gedurende het geheele voorafgaande gesprek in de hand gehouden had, weer in den zak schoof, maar zòò dat ik het niet zien zou. Hij sprak nog steeds door; hij voelde dat hij zich nog zou kunnen oprichten, als hij een mensch had, zooals ik, die medelijden met hem had.

Wij wilden reeds in de tent gaan om ons te slapen te leggen, toen plotseling een kogel over ons heen floot en niet ver van ons in den grond sloeg. Dat was zoo vreemd: dit stille, slapende kampement, ons gesprek en... op eens die vijandige kogel, die, God weet waar vandaan, over onze tent kwam vliegen--zoo vreemd, dat ik een poos lang mij geen rekenschap kon geven van wat eigenlijk geschiedde. Een van onze soldaten, Andrejeff, die bij de batterij op wacht stond, kwam naar mij toe.

--Ei, ze zijn nabij geslopen! Men kon van hier het vuur zien, zeide hij.

--We moeten den kapitein wekken, zei ik en keek naar Guskoff.

Hij stond daar, diep naar den grond gebogen en stamelde: Dat... dat... vijand.. gek! Verder zei hij niets en ik zag niet, waarheen hij zoo opeens verdween.

In de hut van den kapitein werd een licht ontstoken, men hoorde zijn gewoon kuchje bij het ontwaken, en spoedig kwam hij zelf naar buiten en vroeg om een lont om zijn pijpje aan te steken.

--Wat is er nu weer, vadertje? vroeg hij glimlachend, men wil me vannacht maar niet laten slapen, eerst gij met uw gedegradeerde en nu Schamyl! Wat zullen wij doen, antwoorden of niet? Is er iets bevolen?

--Neen, niets. Daar, alweer! zei ik, en nu twee tegelijk. Inderdaad lichtten in de duisternis, recht voor ons, twee vlammen op, gelijk twee oogen en spoedig daarna vloog een kogel over onze hoofden en, met luid, doordringend gefluit eene leege granaat; wellicht een van ons. Uit de tenten in de buurt kwamen de soldaten kruipen, men hoorde ze hoesten, zich uitrekken en praten.

--Kijk, hij fluit voor je oogen als een nachtegaal, merkte een artillerist op.

--Roep Nikita! zei de kapitein, met zijn gewonen goedigen glimlach.--Nikita! kruip niet weg, hoor eens hoe de nachtegalen uit de bergen fluiten.

--Ach, Uw Hoogwelgeboren, zei Nikita, die naast den kapitein stond, ik heb ze al gezien, die nachtegalen. Ik ben niet bang voor ze, maar de gast, die daareven hier was en uw wijn gedronken heeft, toen die ze gehoord heeft, heeft hij zich gauw uit de voeten gemaakt, hij is als een kogel voorbij gerold, in elkaar gedoken als een dier.

--Maar het zal toch noodig zijn, naar beneden, naar den kommandant der artillerie te rijden, zei de kapitein op ernstigen, bevelenden toon tot mij, om hem te vragen of we het vuur moeten beantwoorden of niet; er kan wel nauwelijks sprake van zijn, maar we kunnen toch beneden gaan hooren. Wees gij zoo goed er snel heen te rijden en vraag het hem. Laat U een paard zadelen, en als het niet anders gaat, neem dan mijn Polkan, om gauwer weg te komen.

Vijf minuten daarna bracht men mij het paard en reed ik weg naar den kommandant der artillerie.

--Denk er om, het wachtwoord is »Deichsel", fluisterde de kapitein me uit voorzorg in, anders komt ge niet door de voorpostenlinie.

Naar den kommandant der artillerie was een halve werst rijden; de heele weg voerde langs de tenten heen. Zoodra ik bij ons wachtvuur vandaan was, werd het zoo donker, dat ik niet eens de ooren van mijn paard kon zien; alleen het flikkeren der wachtvuren, dat mij nu eens heel dicht bij, dan weer heel veraf leek, schemerde mij in de oogen. Een klein eindje reed ik zooals mijn paard wilde, met slappe teugels. Ik kon nu de witte, vierhoekige tenten onderscheiden, later ook de zwarte sporen van den weg, in een half uur was ik bij den kommandant. Drie maal had ik naar den weg moeten vragen, viermaal was ik over de piketpaaltjes der tenten gestruikeld, waarbij ik telkens vloeken van binnen uit naar mijn hoofd kreeg, en twee maal werd ik door een post aangehouden. Gedurende den rit had ik nog twee schoten gehoord, maar zij droegen niet tot aan de plek, waar de staf lag. De kommandant van de artillerie gaf geen bevel om terug te schieten, te meer niet, omdat de vijand zijn vuur staakte, en ik aanvaardde den terugweg, het paard aan den teugel houdend en mij te voet tusschen de tenten der infanterie doorwerkend. Vaak vertraagde ik mijn schreden, als ik voorbij een soldatentent kwam, waarin nog licht schemerde, of luisterde naar het verhaal van een of anderen spotvogel, of naar het voorlezen uit een boek, door een of anderen geleerde, naar wien de heele afdeeling, den voorlezer van tijd tot tijd met allerlei aanmerkingen in de rede vallend, in een dichten hoop in en om de tent opeengedrongen luisterde, of ook wel naar de gesprekken over den veldtocht, over de geboorte-plaats, over de superieuren.

Toen ik voorbij een der tenten van het bataillon kwam, hoorde ik de luide stem van Guskoff, die zeer vroolijk en levendig sprak; jonge eveneens lustige stemmen, van voorname heeren, niet van gemeene soldaten antwoordden hem. Het was blijkbaar de tent van de jonkers of de onderofficieren. Ik bleef staan.

--Ik ken hem al lang, zei Guskoff. Ik ben nog familie van hem, en wat het voornaamste is, we zijn oude vrienden. Het is goed, mijne heeren, zulk een kennis te hebben, moet ge weten. Hij is schatrijk. Honderd roebels zijn niets voor hem. Ik heb mij ook een kleinigheid van hem laten geven, tot mijn zuster mij wat zendt.

--Nu, laat dan maar wat halen!

--Dadelijk. Saffjilitsch, duifje! klonk Guskoffs stem steeds dichter bij den ingang van de tent. Hier hebt ge tien roebel, ga naar de marketentster en breng twee flesschen... en wat nog meer, heeren? Nu, zeg op!

En Guskoff trad zwaaiend, met wanordelijk haar en zonder muts, uit de tent. Hij sloeg de slippen van zijn pelsjas op zij, stak de handen in de zakken van zijn grijze broek en bleef aan den ingang staan. Hoewel hij in het licht stond en ik in het donker, trilde ik toch van angst, dat hij mij zien kon, deed mijn best geen gedruisch te maken en ging verder.

--Werda? riep Guskoff me met een volslagen dronkemansstem toe. De koude had hem blijkbaar heelemaal buiten westen gemaakt.--Wat voor een duivel sluipt hier met zijn paard om?

Ik antwoordde niet en zocht zwijgend mijn weg.

EINDE.