Part 8
Ik herinnerde mij nog levendig hoe ik hem voor het eerst ontmoet had. In het jaar 48 bezocht ik, gedurende mijn verblijf te Moskou, vaak Iwaschin, met wien ik samen opgegroeid en door banden van oude vriendschap verbonden was. Zijn vrouw was een aangename gastvrouw, een beminnelijke vrouw, zooals men pleegt te zeggen, maar die mij nooit aangestaan had.... In den winter, dat ik bij hen verkeerde, sprak zij vaak met kwalijk verborgen trots van hare broeder, die kort geleden zijn studie beëindigd had en die, volgens haar, een der meest beschaafde en in de deftige Petersburgsche kringen meest geziene jonge mannen was. Daar ik Guskoff's vader, die zeer rijk was en een aanzienlijke positie bekleedde, kende van hooren zeggen, en daar ik de levensbeschouwing van zijn zuster kende, kwam ik den jongen Guskoff met een zeker vooroordeel te gemoet. Op een avond, toen ik bij Iwaschin op bezoek was, ontmoette ik bij hem een jongmensch van middelbare grootte, die naar het uiterlijk een zeer aangenamen indruk maakte, in zwarten rok, wit vest en lichte das, en dien de gastheer verzuimde aan mij voor te stellen. De jonge man, die blijkbaar gereed stond om naar een bal te gaan, stond met zijn hoed in de hand voor Iwaschin en redetwistte opgewonden, maar toch hoffelijk met hem over een onzer gemeenschappelijke kennissen, die zich toentertijd onderscheiden had in den Hongaarschen veldtocht. Hij was van oordeel dat deze kennis volstrekt geen held was en niet voor oorlog geschapen, zooals men van hem beweerde, doch eenvoudig een verstandig en beschaafd man. Ik herinner me dat ik in deze diskussie partij vatte tegen Guskoff, en ik liet me meesleepen hem zelfs te bewijzen dat verstand en beschaving steeds omgekeerd evenredig waren aan dapperheid en ik herinner me hoe Guskoff mij op beminnelijke en verstandige manier uiteenzette, dat dapperheid een noodwendig uitvloeisel van verstand en van een zekeren graad van geestelijke ontwikkeling was, en dat ik hem dit, wijl ik mij zelf voor een verstandig en beschaafd mensch hield, niet anders dan toegeven kon! Ik herinner me dat mevrouw Iwaschin mij aan 't einde van ons gesprek aan haar broeder voorstelde en hij mij met een neerbuigend glimlachje de hand reikte, waarvan hij den gelen handschoen eerst half af getrokken had en dat hij mij even zwak en aarzelend de hand drukte als nu. Hoewel ik tegen hem ingenomen was, moest ik toenmaals Guskoff recht laten wedervaren en zijn zuster toegeven, dat hij werkelijk een verstandig en beminnelijk jongmensch was, dat in de voorname wereld wel succes moest hebben.
Hij was buitengewoon net en sierlijk gekleed, jong, had kalme, bescheiden manieren en een buitengewoon jeugdig, haast kinderlijk voorkomen, om der wille waarvan men onwillekeurig de uitdrukking van zelfingenomenheid en den wensch, anderen zijn meerderheid te doen gevoelen, welke op zijn slim gelaat en vooral in den stereotiepen glimlach duidelijk merkbaar was, gaarne over 't hoofd zag. Men wist elkaar te vertellen, dat hij dezen winter veel succes gehad had bij de Moskousche dames. Daar ik hem niet anders ontmoette dan bij zijn zuster, kon ik alleen uit de uitdrukking van geluk en tevredenheid, die voortdurend sprak uit zijn jeugdig voorkomen en uit zijn soms wel wat onbescheiden verhalen opmaken in hoeverre dit beweren gerechtvaardigd was. We ontmoetten elkaar wel zes maal en spraken tamelijk veel met elkaar, of beter gezegd, hij sprak meestal Fransch op voortreffelijke wijze, in goed gekozen, bloemrijken bewoordingen en had er slag van anderen op aangename, beleefde manier in de rede te vallen. Hij onderhield zich vrijwel met iedereen, ook met mij, tamelijk uit de hoogte; en, gelijk steeds in den omgang met menschen, wier optreden wijst dat het voor hen vaststaat dat ze met mij uit de hoogte verkeeren kunnen, en die ik niet van meer nabij ken, voelde ik ook nu, dat hij in dit opzicht volkomen in zijn recht was.
Nu, nu hij naast mij kwam zitten en mij de hand gaf, herkende ik heel duidelijk in hem diezelfde hoogmoedige uitdrukking van vroeger en het scheen mij toe alsof hij niet op heel eerlijke manier profiteerde van zijn positie als ondergeschikte tegenover den officier, toen hij mij zoo losweg vroeg, wat ik al dien tijd uitgevoerd had en hoe ik hierheen gekomen was. Hoewel ik op iedere vraag in het Russisch antwoordde, begon hij altijd weer in 't Fransch; maar men kon merken dat hij het niet meer zoo vlot sprak als vroeger. Van zichzelf vertelde hij zoo terloops, dat hij na die ongelukkige, domme geschiedenis (wat dat voor een geschiedenis was, weet ik niet en heeft hij mij ook nooit verteld) drie maanden in arrest gezeten had, toen was hij naar het N-regiment in den Kaukasus gezonden en hij diende nu reeds drie jaar als gemeen soldaat in dit regiment.
--Ge kunt niet gelooven, zei hij in 't Fransch tot me, wat ik in dit regiment al niet heb moeten verduren van de officieren! Het is een geluk voor me, dat ik den adjudant, over wien we daareven spraken, nog van vroeger kende; hij is een goed mensch, werkelijk, zei hij op zijn hoffelijksten toon--ik woon bij hem in en voor mij is dat ten minste een kleine verlichting. _Oui, mon cher, les jours se suivent, mais ne se ressemblent pas_,[25] voegde hij er aan toe, maar stokte, kreeg een kleur en stond op, want hij bemerkte, dat de adjudant, over wien we spraken, op ons toekwam.
[25] Ja, m'n waarde, de dagen volgen elkaar op, maar gelijken niet op elkaar.
--Wat een vreugde, een mensch te ontmoeten als gij! zei Guskoff nog fluisterend tot mij en ging heen, ik heb nog veel, heel veel met u te bepraten.
Ik zeide, dat het me zeer verheugde, maar ik moet erkennen dat Guskoff me in werkelijkheid een zeer onsympathiek, drukkend medelijden inboezemde. Ik had een gevoel dat ik me, met hem onder vier oogen, zeer onbehagelijk zou gevoelen, doch ik wilde gaarne velerlei van hem vernemen, vooral hoe het kwam dat hij, in weerwil van den rijkdom van zijn vader, in armoedige omstandigheden leefde, gelijk op te maken was uit zijn kleeding en zijn optreden. De adjudant begroette ons allen, alleen Guskoff niet en ging naast mij zitten op de plaats, waar even te voren de gedegradeerde zat. Hoewel nog steeds een bedaarde, langzame en gelijkmoedige speler en een vermogend man, was Pavel Dmitrijewitsch toch een heel ander mensch geworden, dan zooals ik hem gekend had in de beste dagen van zijn spel; hij scheen aldoor haast te hebben en liet zijn blikken onrustig rondzweven en er verliepen geen vijf minuten of hij, die anders altijd weigerde te spelen, sloeg luitenant O. een partijtje bank voor. Luitenant O. weigerde onder voorwendsel dat de dienst hem geheel in beslag nam, in werkelijkheid echter omdat hij wist hoe weinig geld en goud Pavel Dmitrijewitsch nog maar had en hij het niet verstandig achtte, zijn driehonderd roebel op 't spel te zetten tegen de honderd of misschien nog minder, die hij kon winnen.
--Zeg eens, Pavel Dmitrijewitsch, begon de luitenant, die blijkbaar een herhaling van het verzoek wilde voorkomen, is het waar wat er gezegd wordt, dat we morgen uit zullen rukken?
--Ik weet het niet, antwoordde Pavel Dmitrijewitsch, er is slechts een order gekomen, dat we ons gereed zouden houden. Maar werkelijk, het was beter als wij een partijtje speelden, ik verpand u mijn Kabardiner.
--Neen, het is nu al...
--Den grauwen dan, als het niet anders kan, of, als het u liever is, om geld. Nu?...
--Nu ja... Ik zou wel willen. U moet niet gelooven... begon de luitenant, aldus zijn eigen twijfel beantwoordende.--Maar morgen hebben we misschien een overrompeling of een marsch en daarom is het beter nu uit te slapen.
De adjudant stond op en liep met de handen in den zak op het ontruimde plekje heen en weer. Zijn gezicht nam weer de gewone koele, min of meer trotsche uitdrukking aan, die ik zoo gaarne in hem zag.
--Wilt u niet een glaasje warmen wijn? vroeg ik hem.
--Gaarne! En hij kwam naar mij toe, doch Guskoff nam mij snel het glas uit de hand en bracht het den adjudant; daarbij deed hij zijn best hem niet aan te zien. Hij zag dus de lijn, die de tent samenhield niet, struikelde daarover, liet het glas vallen en viel voorover.
--Wat een hansworst! zei de adjudant, die reeds zijn hand naar het glas uitgestrekt had.
Allen schoten in een luiden lach, Guskoff niet uitgezonderd, die onderwijl zijn magere knie, welke hij bij het vallen onmogelijk bezeerd kon hebben, met de eene hand wreef.
--Zooals de beer den kluizenaar bediend heeft,[26] ging de adjudant voort, zoo bedient hij mij iederen dag! Alle piketpaaltjes van de tent heeft hij al uitgerukt, hij struikelt altoos.
[26] Zinspeling op een bekende fabel van Lafontaine.
Guskoff verontschuldigde zich bij ons, zonder naar hem te luisteren en keek mij met een bijna onmerkbaar, treurig glimlachje aan, waarmee hij te kennen scheen te geven dat ik de eenige was, die in staat was hem te begrijpen. Hij was beklagenswaardig en de adjudant, scheen om een of andere reden vertoornd tegen zijn tentgenoot en wilde hem bepaald niet met rust laten.
--Nu, handig jongmensch, waar valt ge eigenlijk niet?
--Wie zou ook niet struikelen over al die paaltjes, Pavel Dmitrijewitsch, zei Guskoff, u is eergisteren zelf gestruikeld.
--Ja, vadertje, ik ben geen ondergeschikte, van mij wordt geen handigheid gevergd.
--Hij mag loome voeten hebben, viel de stafkapitein bij, maar een ondergeschikte moet kunnen springen...
--Eigenaardige scherts!... zei Guskoff bijna fluisterend en sloeg de oogen neer. De adjudant was blijkbaar niet goed geluimd tegen zijn tentgenoot. Hij luisterde gretig naar ieder zijner woorden.
--Men zal hem weer in hinderlaag moeten zenden, zei hij zacht tot Sch. wendende en met een knipoogje op den ondergeschikte wijzend.
--Daar zullen er weer tranen gestort worden, zei Sch. glimlachend. Guskoffs oogen waren niet meer op mij gericht, hij deed alsof hij tabak nam uit het zakje, waarin al lang niets meer was.
--Houd u gereed een hinderlaag te betrekken, zei Sch. lachend. De boodschappers hebben heden bericht, dat er een aanval op het kamp gedaan zal worden en nu is het zaak vertrouwde luidjes uit te zenden.
Guskoff glimlachte besluiteloos, als maakte hij zich gereed iets te zeggen en sloeg meermalen smeekende blikken op Sch.
--Nu ja, ik ben al meermalen gegaan en ik zal weer gaan, als ik gezonden word, bracht hij stamelend uit.
--Ge zult gezonden worden.
--Dan zal ik gaan. Wat moet ik doen?
--Wel, juist zooals in Argim waar ge van uw post weg geloopen zijt en uw geweer weggeworpen hebt... zei de adjudant, wendde zich toen van hem af en begon ons de orders voor den volgenden dag uiteen te zetten.
Inderdaad verwachtte men in den nacht een beschieting van het kamp door den vijand en voor den volgenden dag een of andere beweging. De adjudant praatte nog over allerlei algemeene dingen en sloeg toen, alsof hem dat bij toeval juist te binnen schoot, luitenant O. voor een spelletje te kaarten. Tegen verwachting was luitenant O. het daar volkomen mee eens en ze gingen met Sch. en den vaandrig in de tent van den adjudant, die een groene speeltafel en kaarten had. De kapitein, de kommandant van onze afdeeling, ging in zijn tent slapen, ook de andere heeren gingen uit elkaar en ik bleef met Guskoff alleen. Ik had me niet vergist--inderdaad was het mij onbehagelijk te moede met hem onder vier oogen te zijn. Onwillekeurig stond ik op en begon langs de batterij op en neer te loopen. Guskoff liep zwijgend naast me en maakte haastige en onrustige bewegingen om niet bij mij achter te blijven en me niet vooruit te loopen.
--Ik stoor u toch niet? zeide hij met zachte, klagende stem.
Voor zoover ik in de duisternis zijn gezicht kon zien, scheen het mij toe nadenkend en treurig te zijn.
--Niet in 't minst, antwoordde ik, daar hij echter het gesprek niet begon en ik niet wist, wat ik hem zou zeggen, bleven we een geruimen tijd zwijgend op en neer loopen.
De schemering had reeds plaats gemaakt voor de volslagen duisternis van den nacht; boven de zwarte omtrekken der bergen vlamde de lucht soms helder op, boven onze hoofden fonkelden aan den blauwen winterhemel kleine sterren, van alle zijden laaiden in rooden gloed de vlammen der rookende wachtvuren op, dicht voor ons schemerden de grauwe tinten en de sombere, zwarte aarden wal onzer batterij door den nevel. Bij het dichtstbijzijnde wachtvuur, waarom heen onze oppassers zich lagen te warmen en zacht praatten, glansde van tijd tot tijd het brons onzer zware kanonnen op de batterij en werd de gedaante van den schildwacht met zijn los omgeworpen mantel zichtbaar, die met afgemeten passen aan den voet van den aardwal op en neer wandelde.
--Ge kunt u niet voorstellen, welk een genot het voor mij is, te spreken met een mensch als gij! zei Guskoff tot me, ofschoon hij nog geen woord tot mij gezegd had.--Dat kan alleen hij begrijpen, die zich eenmaal in mijn positie bevonden heeft.
Ik wist niet wat hem te antwoorden en dus zwegen we weer beiden, hoewel hij blijkbaar lust had zijn gemoed uit te storten en ik om hem aan te hooren.
--Waarom zijt ge... Waarom hebt ge moeten lijden? vroeg ik hem ten slotte, daar mij niets beters inviel om het gesprek te beginnen.
--Hebt ge niets gehoord van die ongelukkige historie met Metenine?
--Ja, het was een duel, geloof ik; ik heb er terloops over hooren spreken, antwoordde ik, ik ben al een heele poos in den Kaukasus.
--Neen, geen duel; het is een domme, vreeselijke geschiedenis! Ik wil u alles vertellen, als ge het niet weet. Het was in hetzelfde jaar, dat ik u bij mijn zuster ontmoette, ik woonde toen te Petersburg. Ge moet weten, ik had toen wat men noemt _une position dans le monde_[27] en een heel goede, om niet te zeggen een schitterende. _Mon père me donnait 10000 par an._[28] In het jaar 1849 werd me het uitzicht geopend op een betrekking bij het gezantschap te Turijn: mijn oom van moederszijde kon zeer veel voor mij doen en was daar steeds zeer gaarne toe bereid. Het is al lang geleden, _j'étais reçu dans la meilleure société de Pétersbourg, je pouvais prétendre_[29] op een prachtige partij. Ik had geleerd, wat wij allemaal leeren op school, een bijzondere ontwikkeling bezat ik dus niet, ik heb weliswaar later veel gelezen, _mais j'avais surtout ce jargon du monde_,[30] ge weet wel; en hoe ik ook verder mocht zijn, ik gold, God weet waarom, voor een der voornaamste jongelui van Petersburg. Wat mij een bijzondere positie gaf in de openbare meening, _c'est cette liaison avec Mme D._,[31] over wie in Petersburg veel gesproken werd; doch ik was nog heel jong en achtte toen niet veel op al die voordeelen. Ik was eenvoudig jong en dom. Wat was meer noodig? Toentertijd had in Petersburg deze Metenine een reputatie... en Guskoff ging door me de heele geschiedenis van zijn ongeluk te verhalen, die ik hier echter wil overslaan, omdat ze heel niet interessant is.--Twee maanden zat ik in de gevangenis, ging hij voort, moederziel alleen en wat heb ik in dien tijd al niet overdacht! Maar weet ge, toen alles voorbij was, toen om zoo te zeggen ieder verband met het verleden voorgoed verbroken was, toen was het mij minder zwaar te moede. _Mon père, vouz en avez entendu parler_[32], is voorzeker een man met een ijzeren karakter en met vaste overtuigingen, _il m'a déshérité_[33] en heeft alle relaties met mij afgebroken. Zijn overtuiging gebood hem zoo te handelen en ik maak er hem volstrekt geen verwijt van; _il a été conséquent_.[34] Daarom heb ik ook geen enkele poging gedaan om hem aan zijn besluit ontrouw te doen worden. Mijn zuster was in het buitenland. Mevr. D. was de eenige, die mij schreef, toen men haar dit toestond en mij haar hulp aanbood; maar ge zult begrijpen, dat ik dit weigerde en dat ik gebrek had aan al de kleinigheden, die in zulke omstandigheden een weinig verlichting geven: ik had noch boeken, noch linnengoed, noch eten--niets! Ik heb toen veel, zeer veel nagedacht. Ik begon alles met heel andere oogen te beschouwen; over het gerucht bijv. en het geklets van de menschen in Petersburg, bekommerde ik mij niet in 't minst--het vleide me ook niet in 't minst--dat alles leek me eenvoudig belachelijk. Ik voelde dat het mijn eigen schuld was, dat ik onvoorzichtig, jeugdig dwaas gehandeld had, dat ik mijn carrière gebroken had en dacht aan niets anders, dan hoe ik dit weer goed zou kunnen maken. Ik voelde de kracht en de energie daarvoor in mijn binnenste. Uit de gevangenis werd ik, zooals ik u zeide naar den Kaukasus gestuurd, naar het N. regiment. Ik had gemeend--ging hij voort, steeds levendiger sprekend--dat het hier in den Kaukasus _la vie de camp_[35] was, dat hier eenvoudige, brave menschen waren, met wie ik zou kunnen verkeeren, dat er hier krijgsgevaar te trotseeren was--dat alles zou juist passen bij mijn gemoedsstemming en ik zou een nieuw leven beginnen. _On me verra au feu_[36], men zal van me gaan houden, me leeren waardeeren, niet alleen om mijn naam--men zal mij een orde schenken, me tot onderofficier bevorderen, de straf opheffen en ik zal weer naar mijn geboortegrond terugkeeren _et vous savez avec ce prestige du malheur_.[37] Maar, _quel désenchantement!_[38] Ge kunt u niet voorstellen, hoezeer ik me vergist heb!... Ge kent immers het korps officieren van ons regiment?--Hij zweeg vrij lang en scheen te verwachten, dat ik hem zou zeggen, dat ik wist, hoe slecht de officieren hier waren. Maar ik antwoordde hem niet. Het stuitte mij, dat hij, waarschijnlijk omdat ik Fransch verstond, verwachtte dat ik tegen het korps officieren ingenomen zou zijn, terwijl ik integendeel door mijn langer verblijf in den Kaukasus zoover gekomen was, het op zijn juiste waarde te schatten en het duizendmaal hooger te schatten dan den kring, waaruit de heer Guskoff afkomstig was. Ik wilde hem dit zeggen, doch zijn positie weerhield mij daarvan.
[27] Een positie in de wereld.
[28] Mijn vader gaf mij 10000 roebel per jaar.
[29] Ik werd ontvangen in de beste gezelschappen van St. Petersburg, ik kon aanspraak maken.
[30] Maar vooral was ik goed thuis in dien eigenaardigen spreektrant der voorname wereld.
[31] Dat is die verhouding met Mevr. D.
[32] Mijn vader, over wien ge wel hebt hooren spreken.
[33] Hij heeft mij onterfd.
[34] Hij is konsekwent geweest.
[35] Het kampleven.
[36] Men zal me in het vuur zien.
[37] En ge weet, met dat prestige, dat het ongeluk iemand geeft.
[38] Welk een ontgoocheling!
--In het N. regiment is het korps officieren duizendmaal slechter dan in dit, ging hij voort. _J'espère que c'est beaucoup dire_[39], ge kunt U niet voorstellen, hoe ze zijn! Van de jonkers en de gewone soldaten wil ik hier niet spreken. Dat is een verschrikkelijke troep! In den beginne ontvingen ze me goed, dat is zoo, maar later, toen zij zagen, dat ze me behoorden te verachten, (dat zagen ze aan onmerkbare, kleine dingen, ge begrijpt wel, waaruit ze opmaakten dat ik een heel ander mensch moest zijn dan zij, een, die ver in stand boven hen stond), toen werden ze nijdig op me en begonnen me allerlei kleine vernederingen aan te doen. _Ce que j'ai eu à souffrir, vous ne vous faites pas une idée._[40]
Dan de onwillekeurige omgang met de jonkers, en dan: _avec les petits moyens, que j'avais, je manquais de tout_[41], ik had niets, dan wat mijn zuster mij zond. Een bewijs hoeveel ik te lijden had, is, dat ik, met mijn karakter, _avec ma fierté, j'ai écrit à mon père_,[42] ik smeekte hem, mij toch maar iets te zenden. Ik begrijp heel goed, dat men, als men vijf jaar zulk een leven geleid heeft, worden kan zooals onze gedegradeerde Dromoff, die met gemeene soldaten drinkt en aan alle officieren brieven schrijft, waarin hij om drie roebel »te leen" vraagt en die hij onderteekent: _tout à vous_[43] Dromoff. Men moet een karakter hebben als het mijne om in deze vreeselijke positie niet geheel en al onder te gaan. Hij liep een poos lang zwijgend naast mij. _Avez-vous un papiros?_[44] vroeg hij.--Ja, waar was ik ook weer gebleven? Juist. Ik kon dat leven niet uithouden, lichamelijk niet; want hoe vreeselijk het ook was, hoezeer ik ook leed door honger en kou, al leidde ik ook het leven van een gemeen soldaat, toch hadden de officieren nog eenige achting voor me--had ik in hun oog nog een zeker prestige. Ze zonden me niet op wacht, lieten me niet exerceeren. Dat zou ik niet verdragen hebben. Maar mijn moreel lijden was ontzettend. En wat het allerergste was, ik zag geen uitweg uit dezen toestand. Ik schreef aan mijn oom, smeekte hem, mij tenminste naar dit regiment te laten overplaatsen, dat tenminste de veldtocht meemaakt, en ik dacht: hier dient Pavel Dmitrijewitsch, _qui est le fils de l'intendant de mon père_,[45] die zal mij tenminste van dienst kunnen zijn. Mijn oom voldeed aan mijn verzoek,--ik werd overgeplaatst. Na dat andere regiment, kwam dit mij voor als een verzameling van kamerheeren. Ook was Pavel Dmitrijewitsch daar; hij wist wie ik was, en ik werd voortreffelijk ontvangen. Op verzoek van mijn oom, Guskoff, _vous savez?_[46]... Maar ik maakte de opmerking, dat deze menschen zonder opvoeding of verstand een man niet kunnen achten, noch hem hun achting betoonen, wanneer hij niet den stralenkrans van rijkdom en aanzien heeft. Ik merkte op hoe langzamerhand, toen zij bespeurd hadden dat ik arm was, hun omgang met mij àl onverschilliger en eindelijk bijna minachtend werd. Het is vreeselijk, maar het is de volle waarheid.
[39] Mij dunkt, dat dit heel wat gezegd is.
[40] Wat ik te lijden gehad heb, daar kunt ge u geen voorstelling van maken.
[41] Bij de geringe middelen, waarover ik beschikte, had ik aan alles gebrek.
[42] Met mijn trots, heb ik aan mijn vader geschreven.
[43] Geheel de uwe.
[44] Hebt ge een sigaret voor me?
[45] Die de zoon is van den rentmeester mijns vaders.
[46] Weet gij?
Ik heb hier deelgenomen aan verschillende veldtochten, ik heb gestreden, _on m'a vu au feu_[47], ging hij voort--maar wanneer zal er aan dat alles een einde komen? Ik geloof wel nooit; en mijn krachten en mijn energie beginnen uitgeput te raken. Toenmaals had ik mij een beeld gevormd van _la guerre, la vie de camp_,[48] maar ik zie dat het alles heel anders is: in een pelsjas, ongewasschen, met soldatenlaarzen aan, gaat men op hinderlaag en ligt men den geheelen nacht door in een hollen weg, met den eerste den beste, die voor dronkenschap bij de soldaten ingedeeld is en ieder oogenblik kan men van uit de boschjes doodgeschoten worden--ik of die andere, dat is precies hetzelfde... Daar helpt geen dapperheid tegen, dat is afschuwelijk, _c'est affreux, ça tue_.[49]
[47] Men heeft mij in het vuur gezien.
[48] De oorlog, het kampleven.
[49] Dat is vreeselijk, dat maakt iemand dood.
--Nu ja, maar ge zult nu toch voor den veldtocht onderofficier, en in het volgende jaar vaandrig worden, zei ik.
--Ja, dat kan ik, dat heeft men mij beloofd, maar dat duurt nog twee jaar, en misschien nog langer, en wat dat zeggen wil, twee zulke jaren, als iemand dàt eens weten kon! Stel u het leven met dien Pavel Dmitrijewitsch voor: kaartspel, grove grappen, drinkgelagen... Ge wilt zeggen wat u het hart beklemt, en niemand begrijpt u of ge wordt zelfs nog uitgelachen. Men spreekt niet tot u om u tot deelgenoot van een gedachte te maken, doch alleen om u, zoo mogelijk, tot een zotskap te vernederen. En dat alles is zoo gemeen, zoo grof, zoo hatelijk en ge gevoelt aldoor dat ge tot het lagere personeel behoort--men laat u dat altoos voelen. Daarom kunt ge ook niet begrijpen, welk een genot het is _à coeur ouvert_[50] te spreken, met een man zooals gij.
[50] Openhartig, zonder terughouding.
Ik begreep in 't geheel niet, wat voor een mensch ik dan wel was, en daarom wist ik ook niet, wat ik hem zou antwoorden.
--Wilt u wat eten? vroeg Nikita mij juist op dit oogenblik; hij was ongemerkt in de duisternis naar mij toegeslopen en naar ik merkte, was hij niet in zijn humeur over de aanwezigheid van een gast.--Er zijn alleen nog maar piroggen en wat gehakt.
--Heeft de kapitein al gegeten?
--Ze slapen al lang, antwoordde Nikita norsch.