Kaukasische vertellingen Eene overvalling; Een houtkapping in het bosch; Een ontmoeting te velde met een moskousch kameraad

Part 7

Chapter 73,788 wordsPublic domain

--Het deed hem te zeer in zijn buik. Zoolang wij stilhielden, ging het nog, maar wij waren nauwelijks op weg, of hij begon te schreeuwen. Hij smeekte ons, hem in Godsnaam daar te laten, maar wij hadden toch medelijden met hem. En dan, _hij_ zat ons te nauw op de hielen; alleen van ons stuk schoot _hij_ drie man en een officier dood; we konden onze batterij niet dan met de grootste moeite redden. Alles kwam ook op eens. Wij waren bang, dat wij het stuk zouden verliezen. En een modder!

--De ergste plaats, merkte de soldaat op, was aan den voet van den Indischen Berg.

--Welnu, juist daar werd hij hoe langer hoe erger. Toen overlegden wij met Anoschenka--een ouden brigadier--dat hij toch niet in het leven zou blijven, en hijzelf smeekte ons opnieuw dat wij hem in Godsnaam achter zouden laten. Laten wij hem hier dan maar neerleggen! Dat deden wij. Er stond op die plaats een groote boom. Wij namen eenige geweekte beschuiten, die Shdanoff bij zich had, en legden die naast den gewonde. Wij zetten hem met den rug tegen den boom, deden hem een schoon hemd aan, namen afscheid van hem en lieten hem aan zijn lot over.

--Was het een goed soldaat?

--Een tamelijk goed soldaat, zeide Shdanoff.

--Wat er met hem gebeurd is, God weet het! vervolgde Antonoff. Er zijn daar veel van de onzen gebleven.

--Bij Dargi? vroeg de infanterist, terwijl hij opstond en zijne pijp uitklopte.

Hij deed opnieuw zijn oogen dicht en zeide hoofdschuddend:

--Ja, ja, daar is toen heel wat gebeurd!

Met die woorden ging hij heen.

--Zijn er nog veel over, bij onze batterij, die den slag bij Dargi hebben meegemaakt? vroeg ik.

--Veel? Shdanoff, ik, Patsan, die nu met verlof is, en vijf of zes anderen, meer niet.

--Zeg eens, onze Patsan houdt het uit, zeide Tschikine, terwijl hij zijn beenen uitstak en met zijn hoofd tegen een boomstronk leunde. Me dunkt dat hij nu bijna een jaar weg is.

--En gij, hebt gij wel eens een jaar verlof gehad? vroeg ik aan Shdanoff.

--Neen nooit, antwoordde hij met tegenzin.

--'t Is wel prettig naar zijn land terug te keeren als men wat heeft, of als men kan werken, zeide Antonoff, dan is iedereen thuis tevreden over je.--Maar aan den anderen kant, waarvoor zou men terugkeeren, als men slechts twee broeders heeft? ze hebben zelf moeite om rond te komen, laat staan dan een soldaat den kost te geven. Men kan niet veel meer uitvoeren, als men vijf en twintig jaar gediend heeft. En bovendien, ik weet niet eens, of zij nog wel in leven zijn.

--Hebt gij hun dan nooit geschreven?

--Welzeker! Ik heb hun twee brieven gestuurd, maar nooit antwoord gekregen. Of zij zijn dood, of zij hebben het zoo arm, dat zij geen tijd hebben aan schrijven te denken. Waar moet ik dan heen?

--Is dat lang geleden dat gij hun geschreven hebt?

--Toen wij van Dargi terugkwamen, heb ik den laatsten brief geschreven. Zing eens het lied van den kleinen berk, zeide Shdanoff tot Antonoff, die met de ellebogen op de knieën zat te neuriën.

Antonoff zong »De kleine Berk."

--'t Is het lievelingslied van Shdanoff, zeide Tschikine, terwijl hij mij aan de mouw trok.--Telkens als Antonoff het zingt, gaat de oude er van schreien.

Shdanoff zat eerst volslagen onbeweeglijk, de oogen op het vuur gevestigd; zijn gezicht, verlicht door het rosse schijnsel, zag er buitengewoon droefgeestig uit, toen begon het op zij van zijn oogen tot aan zijn ooren te trillen; eindelijk stond hij op, spreidde zijn mantel op den grond uit en ging van het vuur af, in de schaduw liggen. Kwam het omdat hij lag te woelen in afwachting van den slaap, was het de invloed van het treurige weer en de gedachte aan den dood van Welentschuk?... zooveel is zeker, dat het mij voorkwam dat hij weende.

Het onderste deel van den boomstam, die verkoold was, flikkerde van tijd tot tijd op en verlichtte de gestalte van Antonoff, met zijn grijzen knevel, zijn rood gezicht en de ridderorden op zijn mantel, de laarzen van een ander, een paar hoofden en een rug. Nog steeds druppelde de trieste nevel neer, dezelfde muffe lucht van rook en vochtigheid drong mij nog in den neus. Hier en daar glinsterden nog steeds de lichte stippen van vuren, die langzaam uitgingen. En te midden van die algemeene stilte klonk het droefgeestige liedje van Antonoff weg. Toen het ophield, scheen het beantwoord te worden door het geluid van de zwakke nachtelijke beweging in het kamp, het gesnork, het gekletter van de geweren der schildwachten, en zwak gefluister.

--Twee mannen voor de wacht, Makatjuk en Shdanoff! riep Maximoff.

Antonoff zweeg. Shdanoff stond op, zuchtte diep, stapte over den boomstam en richtte zich naar de kanonnen.

15 Juni 1855

EENE ONTMOETING TE VELDE MET EEN MOSKOUSCHEN BEKENDE.

(_Uit de Kaukasische aanteekeningen van vorst Nechljudoff._)

Wij stonden te velde. De strijd liep ten eind, we hadden de kapping in 't bosch bewerkstelligd en verwachtten elken dag van den staf het bevel tot terugkeer naar de vesting. Onze divisie batterijstukken stond aan de helling van een steilen bergrug, begrensd door de lieflijke bergbeek Metschik, en had in opdracht de voor ons uitgestrekte vlakte te beschieten. Op deze schilderachtige vlakte vertoonden zich, buiten bereik van ons schot, hier en daar, vooral 's avonds, groepen bereden bergbewoners, niet met vijandige bedoelingen, maar louter uit nieuwsgierigheid naderbij stroomend, om 't Russische leger te bekijken. 't Was een heldere, stille, frissche avond, zooals gewoonlijk de Decemberavonden zijn in den Kaukasus; de zon was links achter de steile uitloopers van het gebergte weggezonken, en wierp haar rozige stralen op de tenthutten, die over den berg verstrooid lagen, op de heen en weer loopende troepjes soldaten, en op onze beide kanonnen, die, plomp, als met uitgerekte halzen, onbeweeglijk, twee schreden voor ons op een aarden batterij stonden. In de heldere avondlucht was het infanterie-piket, dat op den heuvel links van ons verstrooid lag met zijn aan rotten staande geweren, de gedaante van den schildwacht, een groep soldaten in den rook van het hoog opgestapelde wachtvuur duidelijk te zien. Rechts en links schemerden ter halver hoogte op den berg op de zwarten, platgetreden grond de witte tenten en achter de tenten, de donkere, ontbladerde stammen van het plataanbosch, waarin onophoudelijk bijlslagen klonken, wachtvuren knetterden en de gevelde stammen krakend neerstorten. Een blauwachtige damp steeg van alle zijden in kolommen omhoog naar den diepblauwen winterhemel. Bij de tenten en omlaag bij den oever van de beek trokken onder paardengetrappel en gehinnik de Kozakkendragonders en artilleristen voorbij, die hun paarden waren wezen drenken. Het begon te vriezen; ieder geluid was zeer duidelijk waarneembaar en het oog zag in de zuivere, heldere lucht heel ver weg in de vlakte. De vijandelijke troepjes, die nu niet meer de nieuwsgierigheid der soldaten opwekten, reden rustig over de helgele stoppels der maïsvelden; hier en daar schemerden achter de boomen de hooge zuilen der kerkhoven en de rookkolommen uit de aoels. Onze hut stond op een hoog en droog plekje dicht bij de kanonnen en het uitzicht was er bijzonder ver. Naast de tent, vlak bij de batterij, hadden we op een schoon plekje een houtblokkenspel ingericht. Gedienstige soldaten hadden hier gevlochten banken en een tafeltje gemaakt. Om al deze gemakken kwamen onze kameraden van de artillerie en eenige heeren van de infanterie 's avonds gaarne naar onze batterij en ze noemde dit plekje de »club."

Het was een prachtige avond. De beste spelers waren bijeen en we wierpen met de houtblokjes. Ik, vaandrig D. en luitenant O. hadden twee partijen achtereen verspeeld en tot algemeene pret en gelach van de toekijkende officieren en van de soldaten en oppassers, die vanuit hun tenten toekeken, hadden we de winners tweemaal op onzen rug van het eene einde naar het andere gedragen. Bijzonder grappig was het, hoe de kolossale, dikke stafkapitein Sch. kuchend en opgeruimd glimlachend, met zijn beenen over den grond sleepend, op den kleinen, teeren luitenant O. reed. Het was echter al laat geworden. De oppassers brachten voor ons zessen drie glazen thee zonder voet. Wij braken het spel op en gingen naar de gevlochten banken. Daar stond een ons onbekende man van middelbare grootte met kromme beenen; hij droeg een pels zonder jas er over en een muts van schapenvacht met lang afhangend, wit haar. Toen wij dichtbij gekomen waren, nam hij een paar maal aarzelend zijn muts af en zette ze weer op, onderwijl maakte hij telkens aanstalten om op ons toe te komen en bleef toch telkens weer staan. Daar de onbekende echter wel zag, dat hij niet meer onopgemerkt kon blijven, nam hij zijn muts af, liep in een boog om ons heen en trad op den stafkapitein Sch. toe.

--Wel, Guscantini! Hoe maak je het, ouwe jongen? zei Sch. opgeruimd tot hem, nog lachend om zijn rit.

Guscantini, zooals hij hem genoemd had, zette dadelijk zijn muts op en maakte een beweging alsof hij de handen in de zakken van zijn pels wilde steken; maar aan de naar mij toegekeerde zijde zat er geen zak en zijn kleine roode hand bleef links hangen. Ik had wel eens willen weten, wat dit wel voor een mensch was (een jonker of een gedegradeerd officier) en zonder te bemerken dat mijn blik (de blik van een hem onbekend officier) hem verlegen maakte, nam ik zijn kleeding en zijn uiterlijk nauwkeurig op. Hij kon zoowat dertig jaar zijn. Zijn grauwe, ronde oogjes keken ietwat slaperig, maar tegelijk toch ook onrustig onder de vuile, witte schapenvacht van zijn muts uit, die over zijn voorhoofd hing. De dikke, onregelmatige neus tusschen de ingevallen wangen verried een ziekelijke, onnatuurlijke magerheid; de lippen, zeer spaarzaam bedekt door een dunnen, slappen, leelijken knevel, bewogen onophoudelijk onrustig, als wilden zij nu eens deze, dan weer een andere uitdrukking aannemen. Maar er was iets onvoltooids in iedere uitdrukking--overheerschend bleef in zijn trekken een uitdrukking van angst en gejaagdheid. Zijn magere, geaderde hals was met een groenzijden doek omwonden, die onder zijn pels verborgen was. De pels zelf was versleten en hem te kort, aan den kraag en op de plaats, waar de zakken moesten zijn, afgezet met hondenvel; zijn pantalon was geruit en aschgrauw, zijn laarzen hadden korte, niet zwartgemaakte soldatenschachten.

--Dek u, als 't u belieft, zeide ik tot hem, toen hij weer, met een schuwen blik naar mij, de muts afnam.

Hij boog met een uitdrukking van dankbaarheid, zette zijn muts op, haalde een vuilen katoenen tabakszak voor den dag en begon een sigaret te draaien.

Ik was zelf nog kort geleden jonker geweest, een oude jonker, die niet meer deugde om jongere kameraden opgewekt kleine diensten te bewijzen, en een jonker zonder vermogen. Ik wist dus zeer goed hoe groot de moreele druk is, waarin men leeft in zulk een positie, vooral als men niet jong meer is en door eigenliefde beheerscht wordt; ik had medelijden met ieder, die zich in een dergelijke positie bevond, en gaf me moeite zijn karakter, de mate en de richting van zijne geestelijke vermogens te bepalen om daarnaar de mate van zijn moreel lijden te beoordeelen. Deze jonker of gedegradeerde officier leek me, afgaande op zijn onrustigen blik en de opzettelijke, onophoudelijke wisseling van zijn gelaatsuitdrukking, die ik bij hem opgemerkt had, een zeer verstandig, uiterst zelfbewust en daarom ook uiterst beklagenswaardig mensch.

De stafkapitein Sch. stelde ons voor nog een partijtje te spelen; de verliezende partij zou, behalve den verplichten rit, eenige flesschen rooden wijn en rum, wat suiker, kaneel en kruidnagels geven om een bowl te maken, wat in dezen winter door de groote koude op onze expeditie zeer in de mode was. Guscantini, gelijk Sch. hem weer noemde, werd uitgenoodigd van de partij te zijn; vòòr echter het spel begon, voerde hij blijkbaar een inwendigen strijd tusschen de vreugde, die hem deze uitnoodiging deed en een zekeren angst; hij nam stafkapitein Sch. ter zijde en fluisterde hem iets in 't oor. De goedmoedige stafkapitein klopte hem met zijn vleezige, groote hand op den schouder en antwoordde luid:--Dat doet er niets toe, vadertje, ik vertrouw je.

Toen het spel ten einde was, en de partij, waartoe de onbekende subalterne behoorde, gewonnen had en hij nu op een van onze officieren, den vaandrig D. moest rijden, kreeg deze een kleur, ging naar het bankje en bood den subaltern een sigaret als losgeld. Terwijl de warme wijn klaargemaakt werd en in de tent van den oppasser de drukke bezigheid van Nikita vernomen werd, die iemand om kaneel en kruidnagels uitgestuurd had en wiens rug het vuile tentdek nu eens her- dan weer derwaarts schoof, namen wij met ons zevenen plaats op het bankje, dronken om beurten thee uit de drie glazen, keken naar de vlakte vòòr ons, die zich juist in schemering ging hullen en keuvelden en schertsten over de wisselvalligheden van het spel. De onbekende in zijn pels nam geen deel aan het gesprek, weigerde hardnekkig de thee, die ik hem meermalen aanbood, draaide, terwijl hij op Tartaarsche wijze op den grond zat, van fijn gesponnen tabak de eene sigaret na de andere, en rookte ze op, niet zoozeer omdat hem dat genot gaf, als wel, zooals gemakkelijk aan hem te zien was, om zich het air te geven van iemand, die ergens mee bezig is. Toen er sprake van was, dat wellicht den volgenden dag de terugtocht zonder gevecht zou plaats hebben, richtte hij zich op zijn knie op en zeide, zich alleen tot stafkapitein Sch. wendende, dat hij bij den adjudant in huis was en dat hij zelf het bevel voor den terugtocht voor den volgenden dag geschreven had. Wij zwegen allen terwijl hij sprak en ofschoon hij duidelijk zijn schuchterheid verried, noopten wij hem, deze, ons vreemdklinkende, mededeeling nog eens te herhalen. Hij herhaalde wat hij gezegd had, doch voegde erbij, dat hij bij den adjudant _geweest was_, met wien hij _samengewoond had_ en dat hij daar _gezeten_ had, toen men juist het bevel bracht.

--Ziet ge, als ge niet liegt, vadertje, dan moet ik naar mijn kompagnie gaan en bevelen geven voor morgen, zeide kapitein Sch.

--Neen... Waarom ook... Hoe kan men... Ik heb zeker... begon de subalterne, maar hij zweeg weldra, scheen van plan den beleedigde te spelen, trok onnatuurlijke rimpels in zijn voorhoofd, bromde iets in zijn baard en begon weer een sigaret te maken. Maar er was niet genoeg fijne tabak meer in zijn katoenen zakje en daarom vroeg hij Sch. om hem een _sigaret te leenen_. We zetten het eentonige gesprek over den oorlog, dat ieder kent, die wel eens aan een veldtocht deelgenomen heeft, tamelijk lang voort, beklaagden ons allen in dezelfde termen over de verveling en den langen duur van den tocht, oordeelden allen op dezelfden wijze over de chefs, prezen voor de zooveelste maal dezen, betreurden genen kameraad, gaven onze verwondering te kennen, dat deze zooveel gewonnen, gene zooveel verloren had, enz. enz.

--Zie je, vadertje, onze adjudant, die heeft pech gehad, duchtig pech gehad! zei stafkapitein Sch.--Bij den staf won hij altijd. Met wien hij ook speelde, altijd won hij en nu verliest hij al twee maanden aan èèn stuk. Deze veldtocht heeft hem weinig geluk aangebracht. Ik geloof dat hij al 2000 roebel verloren heeft, en voor 500 roebel waarde aan voorwerpen, het tapijt, dat hij Muschine afgewonnen had, de pistolen van Nikita, het gouden horloge van Ssada, dat Morinzeff hem gegeven had--alles is hij kwijt.

--Eerlijk verdiend! zeide luitenant O., hij heeft al de anderen ongenadig geplukt. Het was geen spelen met hem.

--Eerst heeft hij ze allen geplukt, en nu is hij in de lucht gevlogen--zei kapitein Sch. met zijn prettigen lach. Guskoff woont bij hem in, en dien had hij ook bijna verspeeld, waarachtig! Is het niet waar, vadertje? zei hij zich tot Guskoff wendende.

Guskoff lachte. Zijn lach was treurig en smartelijk en gaf zijn gelaat een heel andere uitdrukking. Bij het zien daarvan was het mij, alsof ik dezen man vroeger reeds gekend en ontmoet had, en ook kwam zijn eigenlijke naam, Guskoff, me bekend voor. Maar hoe en waar ik hem gekend had, en waar ik hem aangetroffen kon hebben, dat kon ik me absoluut niet te binnen brengen.

--Ja, zei Guskoff en hief daarbij telkens den vinger naar zijn knevel, liet haar echter weer zinken, zonder hem aan te raken;--Pavel Dmitrijewitsch heeft in dezen veldtocht geen geluk gehad, zulk een _veine de malheur_,[23] voegde hij er met ietwat moeielijke, maar zuiver Fransche uitspraak bij, en daarbij kreeg ik weer dat gevoel, hem vroeger reeds ergens gezien te hebben.--Ik ken Pavel Dmitrijewitsch heel goed, hij vertrouwt mij alles toe, ging hij voort. Wij zijn oude kennissen, d. w. z., hij houdt van me, voegde hij er bij, blijkbaar verschrokken over zijn al te stoute bewering, dat hij een oude kennis van den adjudant was. Pavel Dmitrijewitsch speelt voortreffelijk en--'t is wel merkwaardig wat hem nu overkomt--nu is hij heelemaal buiten zichzelf, _la chance a tourné_,[24] voegde hij er, voornamelijk tot mij sprekende, aan toe.

[23] hardnekkig ongeluk.

[24] de kans is gekeerd.

We hadden Guskoff in het begin met hoffelijke opmerkzaamheid aangehoord, maar toen hij ook nog dit Fransche zinnetje gezegd had, keerden wij ons onwillekeurig van hem af.

--Ik heb duizendmaal met hem gespeeld en u zult me toch moeten toegeven dat het vreemd is, zei de luitenant met een bijzonderen nadruk op dat woordje _vreemd_, dat ik niet èènmaal van hem gewonnen heb, geen cent. Waarom win ik wel van anderen?

--Pavel Dmitrijewitsch speelt voortreffelijk, ik ken hem al lang, zeide ik. Ik kende den adjudant inderdaad reeds sedert jaren en had hem vaak gadegeslagen bij zijn spel, dat voor de middelen van een officier bepaald hoog genoemd kon worden, en was altijd verrukt geweest over zijn mooi, een weinig somber en steeds onbewogen gelaat, zijn gerekte, klein-Russische uitspraak, zijn mooie uitrusting en paarden, zijn afgemeten, zuid-Russische ridderlijkheid en vooral over zijn kunst om mooi, helder, begrijpelijk en opgewekt te spelen. Menigmaal--ik erken het berouwvol--werd ik, wanneer ik naar zijn volle, witte handen met den brillantenring aan den wijsvinger keek, die mij slag na slag afwonnen, woedend op dien ring, op die witte handen en op de heele persoonlijkheid van den adjudant en dan kwamen booze vermoedens tegen hem in mij op; maar wanneer ik daar dan in koele bloede over nadacht, kwam ik toch tot de overtuiging dat hij eenvoudig een beter speler was dan al de anderen, waarmee hij speelde. Als men zijn algemeene beschouwingen over het spel hoorde, dat men bijv. nooit een paroli moest weigeren, hoe men van een kleinen inzet moest overgaan tot een grooteren, in welke gevallen men moest passen, dat een eerste spelregel was alleen met baar geld te spelen, enz. enz. dan wordt het een mensch steeds duidelijker, dat hij alleen daarom steeds aan de winnende hand was, omdat hij behendiger en koelbloediger was, dan wij allen. En nu bleek dat deze terughoudende speler, die zoo zeker van zichzelf was, gedurende den veldtocht alles verloren had tot op den laatsten stuiver, en niet alleen geld, maar ook stukken van zijn uitrusting, wat voor een officier wel een uiterste is.

--Ik heb altijd verduiveld veel pech als ik met hem speel, ging luitenant O. voort, en ik heb me zelven al beloofd, niet meer met hem te spelen.

--Wat zijt gij toch een rare drommel, vadertje, zeide Sch. en knipoogde naar mij, terwijl hij mij toeknikte en zich tot O. richtte. Ge hebt 300 roebel verloren, niet waar, zooveel was het immers?

--Meer, zei de luitenant vol ergernis.

--En nu is u een licht opgegaan, maar te laat, vadertje! Iedereen weet immers al lang dat hij de valsche speler van ons regiment is, zei Sch.; hij kon zich haast niet houden van het lachen en was uiterst tevreden over zijn inval.--Daar staat Guskoff voor je, die prepareert de kaarten voor hem. Daarom zijn ze zulke dikke vrienden, vadertje. En stafkapitein Sch. lachte zoo hartelijk, dat zijn heele lichaam schudde en hij van zijn glas warmen wijn morste, dat hij juist in de hand hield. Er kwam een kleur op Guskoff's geel, vermagerd gelaat, hij beproefde meermalen den mond open te doen, hief zijn vinger op naar zijn knevel en liet hem weer zakken naar de plaats, waar andere menschen hun zakken hebben, stond op en ging weer zitten en zei eindelijk met een vreemde stem tot Sch.:--Dat gaat te ver voor een grap, Nikolai Iwanitsch. U zegt hier zulke dingen, waar menschen bij zijn, die mij niet kennen, en die me in een tot op den draad versleten pelsjas zien, omdat... zijn stem stokte en weer gingen zijn kleine, roode handen met de vuile nagels van de pels naar zijn gezicht en streken over zijn knevel, zijn haren en zijn neus, of wreven zijn oogen of krabden zonder eenige noodzakelijkheid aan zijn kin.

--Daar valt toch verder niet over te praten, we weten het immers allemaal, vadertje! ging Sch. voort, inwendig uiterst tevreden met zijn scherts en zonder in 't minste erg te hebben op Guskoff's opwinding. Guskoff zei fluisterend nog een paar woorden, ging met den rechterelleboog op de linkerknie zitten, keek in deze onnatuurlijke houding Sch. aan en trok een gezicht alsof hij verachtelijk glimlachte.

--Neen, zei ik innerlijk overtuigd--toen ik dit lachen zag--ik heb hem niet alleen ergens gezien, maar ook met hem gesproken.

--We hebben elkander al eens vroeger ontmoet, zeide ik tot hem, toen Sch.'s gelach begon te verstommen onder den indruk van het algemeene stilzwijgen. Guskoff's veranderlijk gelaat helderde plotseling op en zijn oogen vestigden zich voor het eerst met een zielsgelukkige uitdrukking op me.

--Zeker, ik heb u aanstonds herkend, begon hij in 't Fransch. In het jaar 48 had ik vrij dikwijls het genoegen u in Moskou te ontmoeten bij mijn zuster Iwaschina.

Ik verontschuldigde mij dat ik hem in deze dracht en in deze nieuwe kleeding niet dadelijk herkend had. Hij stond op, trad op mij toe, drukte met zijn klamme hand aarzelend en zwakjes de mijne en ging naast mij zitten. In plaats van mij aan te zien, hij was immers zoo blij mij weer te zien, zag hij met een onbehagelijk blufferige uitdrukking den kring der officieren rond. Was het omdat ik in hem den man herkend had, dien ik eenige jaren geleden in zwarten rok in een salon ontmoet had? was het omdat hij zich door deze herkenning opeens in zijn eigen achting voelde stijgen?--zooveel is zeker, dat, naar het mij toescheen, eensklaps zijn gelaat, zijn bewegingen zelfs veranderd waren: zij toonden nu een opgewekten geest, kinderlijke ingenomenheid met zichzelf en een zekere minachtende nonchalance, zoodat mijn oude kennis--ik moet het eerlijk bekennen--in weerwil zijner jammerlijke positie mij nu geen medelijden meer inboezemde, maar veeleer een zeker vijandig gevoel.