Part 6
Kirsanoff stond uitstekend aangeschreven in het regiment; zijn minderen verfoeiden hem niet, zijn meerderen achtten hem, hoewel de algemeene opinie hem slechts een middelmatig verstand toeschreef. Hij kende zijn dienst in den grond, was nauwgezet en ijverig, had altijd geld, hield er een eigen rijtuig en een kok op na, en wist zich een heel natuurlijke, trotsche houding te geven.
--Waar hadt gij het over, Nikolaï Fedorovitsch? vroeg hij bij het binnentreden aan Bolchoff.
--Wel, over de aangenaamheden van het dienen in den Kaukasus.
Op dit oogenblik merkte Kirsanoff mij, den eenvoudigen jonker, op. Om mij al zijn gewicht doen te voelen, vroeg hij, alsof hij het antwoord van Bolchoff niet gehoord had, en met de oogen op de trom gericht:
--Wel, zijt gij vermoeid, Nikolaï Fedorovitsch?
--Neen, maar wij waren... wilde Bolchoff vervolgen.
Maar de waardigheid van bataljons-kommandant eischte ongetwijfeld een nieuwe interruptie en een nieuwe vraag:
--Is dat vandaag geen mooi treffen geweest?
De bataillons-adjudant was een jonge vaandrig, een pas bevorderd jonker, een zachte, beschroomde jongen, met een verlegen, sympathiek en goedig gezicht. Ik had hem reeds meer bij Bolchoff gezien; de jonge man kwam dikwijls bij hem: hij placht te groeten, in een hoek te gaan zitten, uren lang niets te zeggen en sigaretten te rooken, dan stond hij op, boog weer en ging heen.
Hij was het type van een arm Russisch edelman; hij had de militaire loopbaan gekozen als de eenige, die in overeenstemming was met hetgeen hij geleerd had, en hooger dan alles in de wereld stelde hij zijn officiersrang. Dit type blijft goedig en sympathiek ondanks de belachelijke, onvermijdelijke tabakszak, kamerjapon, gitaar knevelschuier, zonder welke we het ons niet kunnen voorstellen.
In het regiment beweerde men, dat de adjudant er zich op beroemde, tegenover zijn oppasser altijd »streng, maar rechtvaardig" te zijn.
--Ik straf niet dikwijls, maar wee! als men er mij toe noodzaakt.--En eens, toen zijn oppasser dronken was, zijn meester bestal en zelfs durfde beleedigen, zou hij zelf den schuldige naar de hoofdwacht gebracht, en bevolen hebben alles voor de strafoefening gereed te maken, maar op het gezicht der toebereidselen was hij van streek geraakt, zoo zelfs dat hij slechts kon uitbrengen:--Welnu, gij ziet het... ik zou je toch kunnen... En hij was zoo verlegen geworden, dat hij maar stilletjes naar huis gesneld was.--Sinds dien tijd durfde hij zijn oppasser Tchernoff niet meer in de oogen zien. Zijn kameraden plaagden hem daar onophoudelijk mede, en meer dan eens hoorde ik den braven jongen protesteeren, en met een kleur tot achter de ooren verzekeren dat er niets van waar was.
Het derde personage, kapitein Trossenko, was een oude Kaukasiër in de volle beteekenis van het woord, dat wil zeggen, een man, voor wien zijne kompagnie zijne familie is geworden, de vesting, waar de staf resideert, zijn vaderstad, en de zangers van het regiment de eenige vreugde zijns levens; een man, voor wien alles wat geen Kaukasus was, geen aandacht, ja zelfs het bestaan niet waard was terwijl alles wat de Kaukasus was, in twee deelen was verdeeld; het onze, en het _hunne_.
Het eerste deel beminde, het tweede deel haatte hij met al de kracht zijner ziel. Hij was een man van kalme en beproefde dapperheid en, wat de hoofdzaak was: hij toonde een zeldzame goedheid in zijn omgang met zijn kameraden en zijn ondergeschikten, en een wanhopige openhartigheid die, tegenover den adjudant en bonjourols, die hij om een of andere reden niet lijden mocht, bijna onbeschoftheid werd.
Toen hij de hut binnenkwam, stiet hij bijna met zijn hoofd door het dak; daarop bukte hij zich plotseling en ging op den grond zitten.
--Nu? zeide hij.
Maar toen hij plotseling een onbekend gezicht bemerkte, hield hij op en vestigde zijn wazige oogen op mij.
--Waar hadt gij het toch over? vroeg de majoor en haalde zijn horloge uit om te zien hoe laat het was, ofschoon hij, naar mijn vaste overtuiging, geen enkele reden had dat te weten.
--Ja, hij vroeg mij, waarom ik hier bleef dienen.
--Wel dat is duidelijk; Nikolaï Fedorovitsch wil zich in den Kaukasus onderscheiden en dan naar huis terugkeeren.
--Welnu! Abram Iljitsch, en gij dan, waarom blijft gij in den Kaukasus?
--Ik? In de eerste plaats, weet gij, antwoordde de majoor, omdat wij allen moeten dienen zooals onze plicht ons voorschrijft.--Wat? voegde hij erbij, hoewel niemand iets gezegd had. Gisteren heb ik een brief uit Rusland gekregen, Nikolaï Fedorovitsch, vervolgde hij, blijkbaar een andere wending aan het gesprek willende geven. Men schrijft mij... O! 't zijn wonderlijke vragen, die ze mij doen!
--En welke vragen dan? vroeg Bolchoff.
Hij begon te lachen.
--Inderdaad, rare vragen... Zij vragen mij of er jaloezie kan bestaan zonder liefde... Wel? en beurtelings zag hij ons vragend aan.
--Hé? zeide Bolchoff glimlachend.
--Ja, weet gij, het is in Rusland zoo kwaad niet, vervolgde hij, alsof er een heel logisch verband bestond tusschen zijne zinnen. Toen ik in Tamboff was, in 1852, werd ik overal ontvangen of ik adjudant van den keizer was. Geloof me, op het bal van den goeverneur, toen ik mijn entrée maakte, weet gij... werd ik uitstekend ontvangen. De vrouw van den goeverneur moet gij weten, onderhield zich met mij en vroeg mij over den Kaukasus, en allerlei meer... wat ik al niet weten moest... Zij bekeken mijn gouden sabel, alsof het een rariteit was; zij vroegen mij, waarvoor ik die sabel had gekregen, en waarvoor St. Anna, en waarvoor Wladimir; en ik ging maar vertellen... Wat? Ziet gij, daarvoor is de Kaukasus goed, Nikolaï Fedorovitsch, vervolgde hij, zonder een antwoord af te wachten.--Wij Kaukasiërs, wij zijn zeer gezien; een jonge man, weet gij, die stafofficier is en St. Anna en Wladimir heeft, die is wat in Rusland... Wat?
--En, gij zult er zeker wel wat bij gephantaseerd hebben, denk ik, Abram Iljitch? zeide Bolchoff.
--Hi! hi! antwoordde de majoor, met zijn dommen lach.--Dat moet men wel, weet gij. Ja... en dan heb ik uitstekend gegeten en gedronken, in die twee maanden.
--Is het nogal goed in Rusland? vroeg Trossenko; hij sprak van Rusland of het China of Japan was.
--Dat zou ik meenen. En wat een champagne wij gedronken hebben, in die twee maanden, 't is verschrikkelijk!
--Wat ge zegt. Gij hebt ongetwijfeld limonade gedronken, zeide Trossenko. Als ik er bij geweest was, dan zou men eens gezien hebben, hoe een Kaukasiër drinkt. Ik zou onze reputatie opgehouden hebben. Ik zou eens hebben laten zien, hoe men moet drinken, he! Bolchoff? voegde hij er bij.
--Maar gij, oompje, gij zijt nu al meer dan tien jaar in den Kaukasus, zeide Bolchoff.--Herinnert gij u nog wat Ermoloff zeide? Abram Iljitch is hier echter nog maar zes jaar....
--Wat, tien? Bijna zestien!.... riep Trossenko uit. Zeg eens, Bolchoff laat ons wat te drinken brengen. Wat is het vochtig! Brr!.... Hé? voegde hij er glimlachend bij, moeten wij niet wat drinken, majoor?
Maar de majoor toonde zich reeds de eerste maal, dat de oude kapitein hem aansprak, geërgerd. Hij werd nu zichtbaar boos en verschanste zich in zijne waardigheid. Hij begon te neuriën en keek opnieuw op zijn horloge.
--Welnu! ik ga wel nooit meer daarginds heen, vervolgde Trossenko, zonder acht te slaan op het stuursche uiterlijk van den majoor.--Ik ben zelfs verleerd op zijn Russisch te loopen en Russisch te spreken. Wat is dat voor een vreemde snoeshaan? zullen de lui zeggen. Neen, Azië, niet Nikolaï Fedorovitsch? En bovendien, wat zou ik in Rusland doen? Het is mij onverschillig, eenmaal wordt men toch doodgeschoten. Dan zullen ze vragen:--Waar is Trossenko? Gesneuveld. Wat zult gij dan met de 8ste kompagnie doen, wel? voegde hij er bij en wendde zich opnieuw tot den majoor.
--Laat den dienstdoenden officier van het bataljon komen, schreeuwde Kirsanoff, zonder den kapitein te antwoorden, hoewel hij, daar ben ik zeker van, geen enkele order te geven had.
--En gij, jonge man, ik hoop dat gij tevreden zijt met uwe dubbele soldij, zeide de majoor, na een oogenblik van stilte, tot den bataillonsadjudant.
--Ja zeker, zeer tevreden.
--Ik vind onze soldij zeer mooi, Nikolaï Fedorovitsch, vervolgde Kirsanoff. Een jong officier kan er zeer gemakkelijk van rondkomen, en zich zelfs nog extratjes veroorloven.
--Dat is te zeggen, Abram Iljitsch, zeide de adjudant schroomvallig. 't Is waar dat wij nu dubbel traktement hebben, maar wij moeten toch ook een paard houden.
--Wat zegt gij daar, jongmensch? Ik ben ook vaandrig geweest, en ik weet wat het is. Geloof mij, met een beetje overleg kan men best rondkomen. Daar: reken maar eens na, voegde hij erbij en boog den pink van zijn linkerhand.
--Wij maken onze soldij te voren op, dat is de heele rekening, zeide Trossenko, terwijl hij een glaasje vodka ledigde.
--Nu, wat wilt gij daarmee zeggen?
Op dit oogenblik verscheen er in de opening der hut een wit hoofd met een platten neus en een schrille stem zeide met een Duitsch accent:
--Zijt gij hier, Abram Iljitsch? De officier van dienst zoekt u.
--Kom binnen, Krafft, zeide Bolchoff.
Een lange gestalte, gekleed in de uniform van den generalen staf, dook de hut binnen en begon ons allen hartelijk de hand te drukken.
--Zoo! waarde kapitein, gij ook hier? zeide hij tot Trossenko.
Ondanks het twijfelachtige licht, sloop de nieuw aangekomene tot bij den kapitein, en, tot diens groote verwondering en ergernis, kuste hij hem de lippen.
--'t Is een Duitscher, die goede kameraadschap wil sluiten, dacht ik.
XII.
Mijn onderstelling werd spoedig bevestigd. Kapitein Krafft vroeg wat vodka, die hij met den volksnaam _horilka_ noemde, liet een krachtig hm! hooren, wierp zich achterover en dronk het glas uit.
--Welnu, heeren! Wat hebben we vandaag door de vlakten van de Tschetschnia rondgedwaald, zoo begon hij.
Maar toen hij den dienstdoenden officier bemerkte, zweeg hij dadelijk en liet den majoor tijd om zijne bevelen te geven.
--Welnu! hebt gij de voorposten geïnspekteerd?
--Jawel, majoor.
--Zijn de sluippatrouilles uitgezonden?
--Jawel, majoor.
--Beveel dan aan den kompagnies-kommandanten, dat zij hunne waakzaamheid verdubbelen.
--Jawel, majoor.
De majoor kneep zijn oogen dicht en verzonk in diep nadenken.
--Zeg ook dat de manschappen hun kacha kunnen klaarmaken.
--Zij zijn er mede bezig.
--'t Is wel; u kunt gaan.
--Dus, wij waren bezig uit te rekenen, hoeveel een officier noodig heeft, vervolgde de majoor met een welwillenden glimlach aan ons adres. Laten wij eens zien. Gij hebt een jas en een broek noodig, nietwaar? Ja, stellen wij daarvoor vijftig roebels alle twee jaar, bij gevolg vijf en twintig roebels per jaar voor kleeding. Dan uw eten, dagelijks twee _abas_[21], niet waar?
[21] Perzische munt, ongeveer f 0.40.
--Ja, dat is zelfs veel.
--Nu, laten wij nu maar eens rekenen twee abas. Dan, een paard met het zadel, dertig roebels per jaar onderhoud. Dat is alles. Wij hebben dus in 't geheel vijf en twintig, en nog honderd twintig, en nog dertig, dat maakt honderd vijf en zeventig roebels. Er blijft dus voor luxedingen, voor suiker, thee en tabak, ongeveer twintig roebels over. Dat komt uit, nietwaar Nikolaï Fedorovitsch?
--Neen, met uw verlof, Abram Iljitch, zeide de adjudant schroomvallig. Er blijft niets over voor thee en suiker. Gij rekent dat een uniform twee jaar duurt, terwijl men hier, in oorlogstijd, nooit broeken genoeg heeft. En de laarzen? Ik verslijt een paar in de maand. En het linnen, hemden, servetten, handdoeken en onderbroeken, die moet men toch ook koopen. Als men het goed uitrekent, blijft er niets over, op mijn woord van eer, Abram Iljitch.
--Ja, voetlappen dragen is een goed ding, zeide
Krafft na een minutenlange stilte, op een toon van volle overtuiging. 't Is eenvoudig, weet gij, 't is Russisch.
--Ik moet u doen opmerken, zeide Trossenko, dat hoe men de rekening ook maakt, er uit zou volgen dat wij ons gebit wel in de kast kunnen leggen. Maar in werkelijkheid leven we er toch goed van; wij rooken tabak en drinken thee en vodka. Als gij even lang gediend hebt als ik, vervolgde hij, zich tot den vaandrig wendende, zult gij er ook goed van weten te leven. Gij weet, heeren, hoe hij met zijn oppasser omspringt.
En schaterende van lachen vertelde Trossenko de geschiedenis van den vaandrig en zijn oppasser, ofschoon wij het verhaal meer dan duizendmaal gehoord hadden.
--Wat zit gij daar toch als een roos te kijken, broertje? ging hij voort tot den vaandrig, die een kleur kreeg en zat te zweeten en te glimlachen om er medelijden mee te krijgen....
--'t Is niet erg, broertje, ik ben ook als gij geweest, en zie nu eens wat een kerel ik geworden ben. Laat er eens wat van die snaken uit Rusland komen--wij hebben er zoo gezien--zij krijgen krampen en rheumatiek; en ik, ik heb me hier ingeleefd;--ik heb hier mijn huisje, mijn bed en de rest. Begrijpt gij?
Daarbij dronk hij nog een glas vodka.
--He? zeide hij, terwijl hij Krafft strak in de oogen keek.
--Dat is mijn man, dat is nog eens een ware, oude Kaukasiër. Geef me uw hand!
En zich tusschen ons door dringende, ging hij naar Trossenko toe, greep zijne hand en schudde die heel hartelijk.
--Ja, wij kunnen zeggen, dat wij hier al heel wat hebben meegemaakt, zeide hij. In 1845.... gij waart er zonder twijfel ook bij, niet waar, kapitein? Herinnert gij u dien nacht van den 12den op den 13den, toen wij tot aan de knieën in de modder stonden? en den volgenden morgen hebben wij de redoute aangevallen. Ik was toen bij den opperbevelhebber, wij hebben toen, in een enkelen dag, vijftien schansen genomen, herinnert gij u, kapitein?
Trossenko knikte met het hoofd ten teeken van toestemming, en, de onderlip vooruitstekend, sloot hij de oogen.
--Welnu, ziet gij... ging Krafft zeer opgewonden voort, met linksche gesticulaties, terwijl hij zich tot den majoor wendde....
Maar de majoor, die dit verhaal ongetwijfeld reeds meer dan eens had gehoord, zag opeens zijn buurman met zoo'n matte, onverschillige uitdrukking aan, dat Krafft zich van hem afwendde, en, na ons beurtelings aangekeken te hebben, zich tot Bolchoff en mij richtte. Wat Trossenko betreft, Krafft richtte geen enkelen keer gedurende zijn verhaal den blik op hem.
--Welnu, ziet gij, toen wij des morgens uittrokken, zeide de opperbevelhebber tot mij: Krafft, neem die verschansingen. Gij weet allen, hoe het in den dienst gaat, men heeft geen aanmerkingen te maken. Ik sloeg aan en zeide:--Tot uw orders, Excellentie! En daar ging het vooruit! Toen wij bij de eerste verschansing kwamen, keerde ik mij om en riep hun toe:--Weest niet bang, kinderen! Ziet goed uit je oogen! Wie achterblijft, dien sabel ik eigenhandig neer! Met een Russisch soldaat, weet gij, moet men eenvoudig te werk gaan. Daar valt eensklaps een granaat.... Ik kijk om: een, twee, drie soldaten. Sch!... Toen kwamen de kogels.. Sch!.. Sch!... Sch!... Ik roep:--Voorwaarts, kinderen, volgt mij! Maar toen wij nader kwamen en ik goed toekeek, zag ik daar... och.... gij weet wel... hoe heet dat ook?
En de verteller maakte wanhopige gebaren om het woord te vinden.
--Een gracht! zei Bolchoff.
--Neen... Och, hoe heet ook... Goede God!... Maar hoe heet dat dan?... Een gracht! zeide hij levendig... Dus... het geweer omlaag... Hoera! Tara-ta-ta-ta-ta!... Van vijanden geen spoor. Ziet gij... alles was verrast. Enfin... mooi!... Wij gaan verder... Een tweede schans. Daar was het een ander geval. Het bloed kookte ons al zoo'n beetje, weet gij... Wij komen nader, wij kijken toe, ik zie een tweede verschansing; onmogelijk verder te komen. Daar.... Maar hoe heet dat toch? Och! Gij weet wel...
--Nog een gracht, zeide ik op mijne beurt.
--Wel neen, antwoordde hij knorrig. Geen gracht! Maar... Kom, hoe heet dat dan toch?
Hij maakte met de hand een verlegen gebaar.
--Och! mijn Hemel! Hoe heet dat ook weer?
Hij had er zichtbaar het land over, zoo zelfs dat men hem onwillekeurig te hulp trachtte te komen.
--Eene rivier, misschien, zeide Bolchoff.
--Neen, eenvoudig een gracht. Maar... wij storten er ons in, en toen, wilt gij wel gelooven... een vuur, een helsch vuur.....
Op dit oogenblik riep iemand mij buiten. Het was Maximoff. En daar ik, na de verhalen vol afwisseling der twee eerste redoutes, er nog dertien te slikken had, was ik blijde, van deze gelegenheid gebruik te kunnen maken om weer naar mijn sectie terug te gaan. Trossenko ging met mij naar buiten.
--Het zijn allemaal leugens! zeide hij op eenigen afstand van de hut.--Hij is er zelfs niet bij geweest, toen de schansen bestormd werden.
En hij begon zoo hartelijk te lachen, dat ik zijn voorbeeld volgde.
XIII.
Het was reeds stikdonker, en alleen de wachtvuren wierpen een mat schijnsel op het kamp, toen ik, nadat mijn dienst afgeloopen was, bij mijn manschappen terugkwam. Een groote boomstam gloeide onder de asch. Er omheen zaten drie man, Antonoff, die op den ketel lette, waarin de _riabko_[22] kookte, verder Shdanoff, die peinzend met een stokje in de asch zat te roeren, en eindelijk Tschikine, met zijn kort pijpje, dat nooit aan wilde.
[22] Soldatenkost: geweekte beschuit in reuzel gekookt.
De anderen sliepen reeds, sommigen onder de kruitwagens, anderen op bossen hooi of langs het vuur. Bij het zwakke schijnsel der gloeiende kolen onderscheidde ik ruggen, beenen en hoofden, die ik herkende. Onder den hoop was ook de jonge recruut, die bij het vuur lag en reeds scheen te slapen.
Antonoff maakte plaats voor mij. Ik ging bij hem zitten en stak een sigaret aan. De reuk van den nevel en van den walmenden rook, die van het vochtige hout opsteeg, verspreidde zich in de lucht en deed pijn aan de oogen; uit den diepzwarten hemel viel nog altijd een motregen.
Rondom ons hoorden wij het regelmatig gesnurk, het geknetter van takken in het vuur, het gemompel van stemmen en soms het gekletter van de geweren der infanterie. De wachtvuren vlamden in de rondte en verlichtte op een kleinen afstand in het rond de zwarte gestalten der soldaten. Niet ver van mij bemerkte ik, in een van die verlichte ruimten, silhouetten van naakte soldaten, die hun hemden boven het vuur uitschudden.
Velen sliepen nog niet. Zij liepen te praten, op die ruimte van dertig meter in het vierkant. Maar de donkere, sombere nacht gaf iets geheimzinnigs aan alles wat daar bewoog, alsof ieder onzer die droefgeestige stilte op zich voelde drukken en bevreesd was die rustige harmonie storen.
Als ik begon te spreken, gevoelde ik dat mijne stem haar gewonen klank niet had. Op de gezichten van al de soldaten las ik dezelfde stemming. Ik dacht eerst, dat zij tot aan mijne komst over hunne gewonde kameraden gesproken hadden.
Volstrekt niet. Tschikine vertelde, dat er militaire bagage te Tiflis was gekomen, en verder den een of anderen streek van scholieren uit die stad.
Overal en altijd, maar vooral in den Kaukasus, heb ik opgemerkt dat onze soldaten veel takt hebben om gedurende het gevaar, gesprekken te vermijden, die den moed aan het wankelen zouden brengen. Bij de Russen is de moed geheel iets anders dan bij de volken van het Zuiden, wier geestdrift even snel uitbarst en weer uitdooft; de Russische moed is even moeilijk op te wekken als uit te dooven. Hij heeft geen effectmiddel noodig, geen redevoeringen, oorlogskreten, liederen of trommelslag; integendeel, hij behoeft kalmte, orde en ongedwongenheid. Een echt Russisch soldaat zal nooit pochen en snoeven; hij voelt nooit behoefte zich op te winden en te verhitten gedurende het gevaar. Integendeel: omzichtigheid, eenvoud en gave om in het gevaar iets anders te zien dan het gevaar, dat zijn de hoofdkenmerken van zijn karakter.
Ik heb een soldaat aan het been zien getroffen worden, en hij maakte het eerst een beweging van spijt, dat er een gat was in zijn nieuwe pels. Een cavalerist, wiens paard onder hem was doodgeschoten, maakte zijn voeten los uit de stijgbeugels, maar nam ook het zadel mee, om dat niet verloren te laten gaan. Overbekend is een voorval uit het beleg van Gergebel: in de werkplaats raakte de lont van een reeds gevulde bom aan het branden, en de vuurwerker beval aan twee helpers, de bom op te nemen en in de gracht te gooien; bij de gracht stond de tent van den kolonel, en de soldaten, vreezende de officieren, die in de tent sliepen, wakker te maken, wilden de bom een eind verder dragen; zij werden beiden in stukken geslagen.
Ik herinner mij nog uit de expeditie van 1852 hoe een der jonge soldaten onder het gevecht tot de anderen zei: dat ze wel allen op de plaats zouden blijven, waarop al zijn kameraden hem met verwijten overstelpten over zijn dom geklets, dat zij zelfs niet wilden herhalen. En nu, op dit oogenblik, nu ieder slechts aan Welentschuk had moeten denken, terwijl de Tartaren ons ieder oogenblik onverhoeds op het lijf konden vallen, luisterden allen naar de vroolijke verhalen van Tschikine, en niemand sprak een woord over het gevecht van dien dag, noch over het dreigend gevaar, noch over den gewonde, alsof dat alles reeds God weet hoe lang was geleden of in het geheel niet was gebeurd. Het scheen mij echter toe, dat hun gezichten droefgeestiger stonden dan gewoonlijk. Zij wijdden niet veel aandacht aan den verteller, die zelf wel bemerkte dat men niet naar hem luisterde, maar toch rustig door sprak.
Maximoff naderde het vuur en ging naast mij zitten, Tschikine was opgestaan om voor hem plaats te maken, hield met praten op en begon weer snelle halen aan zijn pijpje te doen.
--De infanteristen hebben vodka laten halen in het kamp, zeide Maximoff na eene lange stilte. De uitgezonden manschappen zijn juist terug.
Hij spuwde in het vuur. Den onderofficier heeft gezegd, dat hij onzen gewonde gezien heeft.
--Leeft hij nog? vroeg Antonoff, terwijl hij den ketel omroerde.
--Neen, hij is dood.
De jonge recruut hief eensklaps zijn hoofd, met het roode mutsje, op, keek Maximoff strak aan, daarna mij, ging toen weer liggen en wikkelde zich in zijn mantel.
--Ziet gij wel? Hij heeft niet ongestraft den dood naast zich gezien, toen ik hem wakker maakte in het park, zeide Antonoff.
--Onzin, zeide Shdanoff en keerde den glimmenden boomstam om.
Allen zwegen.
Te midden der algemeene stilte hoorde men achter ons, in de richting van het kamp, een schot. Onze tamboers meldden zich en sloegen een roffel. Toen het laatste geroffel was weggestorven, stond Shdanoff het eerst op en nam zijne muts af. Wij volgden allen zijn voorbeeld.
In de onpeilbare duisternis van den nacht steeg een harmonieus koor van mannenstemmen op: »Onze Vader, die in de hemelen zijt, Uw naam worde geheiligd, Uw koninkrijk kome, Uw wil geschiede gelijk in den hemel als ook op de aarde; geef ons heden ons dagelijksch brood, en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren, en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze. Amen!"
* * * * *
--Op dezelfde manier werd bij ons, in 1845, een der onzen verminkt, zeide Antonoff, toen wij, na onze mutsen weer opgezet te hebben, opnieuw om het vuur gingen liggen. Wij namen hem toen mee op een van onze stukken. Herinnert gij u, 't was Schefftschenko, Shdanoff? Wij lieten hem eindelijk onder een boom liggen.
Op dit oogenblik kwam een infanterist, met groote bakkebaarden en een langen knevel, het geweer op schouder en den ransel op den rug, naar ons vuur toestappen.
--Met uw verlof, landsman. Een beetje vuur om mijn pijp aan te steken, zeide hij.
--Ga uw gang; aan vuur mankeert het hier niet, merkte Tschikine op.
--Gij spraakt zeker van Dargi? vroeg de soldaat aan Antonoff.
--Van den veldtocht van 1845, bij Dargi, antwoordde Antonoff.
De soldaat schudde het hoofd, kneep zijn oogen dicht en hurkte naast ons neer.
--Ja, ja, daar is toen heel wat gebeurd, zeide hij.
--En waarom liet gij hem liggen? vroeg ik aan Antonoff.