Kaukasische vertellingen Eene overvalling; Een houtkapping in het bosch; Een ontmoeting te velde met een moskousch kameraad

Part 5

Chapter 53,987 wordsPublic domain

Ik verliet de soldaten, terwijl ze er over praatten hoe de Tartaren gevlucht waren op het zien van de granaat, waarom ze hier rondreden, of er veel in het bosch zouden zijn, en verwijderde mij eenige schreden met den kommandant der jagers; wij gingen onder een boom zitten, in afwachting dat het gehakt, hetwelk hij liet opwarmen, gereed zou zijn.

De commandant Bolchoff was een van die officieren, die men in het regiment _bonjourols_[17] noemde. Hij bezat vermogen, had bij de garde gediend en sprak Fransch; toch mochten zijn kameraden hem gaarne lijden. Hij bezat den takt om een Peterburgsche jas te dragen, goed te dineeren en Fransch te spreken, zonder zijn kameraden al te zeer te kwetsen.

[17] Benaming voor salonofficier, afgeleid van het Fransche »bonjour".

Na gepraat te hebben over het weer, over den dienst, over gemeenschappelijke kennissen, kwamen we uit onze vragen en antwoorden en uit onze manier om de dingen op te nemen tot de overtuiging dat onze beschouwingen tamelijk wel overeen stemden en werden zoo onwillekeurig intiemer met elkaar. Als in den Kaukasus twee officieren van denzelfden stand elkaar ontmoeten, is de eerste vraag die bij hen opkomt, deze: »Waarom zijt gij hier?" Op deze onuitgesproken vraag scheen hij te willen antwoorden.

--Wanneer zal er toch een einde komen aan dien veldtocht? zeide hij traag. Ik verveel mij.

--Neen, ik niet, antwoordde ik. In het garnizoen verveelt men zich nog meer.

--O ja! in het garnizoen, tienduizend maal meer, hernam hij op gemelijken toon. Maar wanneer zal er aan dat alles een einde komen?

--Waaraan wilt gij dan dat een einde komt? vroeg ik.

--Aan alles, absoluut aan alles!.... He, Nikolaïeff is het gehakt klaar? voegde hij er bij.

--Waarom zijt gij dan in den Kaukasus komen dienen, als de Kaukasus u zoo vreeselijk tegenstaat?

--Weet gij waarom? antwoordde hij beslist en openhartig.--Uit traditie! Gij weet wel dat er in Rusland een vreemde traditie bestaat omtrent den Kaukasus, dat het een soort van beloofde land is voor ieder, die ongelukken heeft gehad.

--Ja, daar is veel van aan; de meesten onder ons....

--Maar wat het mooiste is, viel hij mij in de rede; wij allen, door deze traditie naar den Kaukasus gedreven, vergissen ons geweldig en ik kan heel niet inzien, waarom wij na een hopelooze liefde of na een geldverlies liever naar den Kaukasus moeten gaan dienen dan naar Kazan of Kaluga. Men verbeeldt zich in Rusland dat de Kaukasus iets grootsch is, met zijn eeuwig maagdelijke ijs en sneeuw, zijn woeste bergstroomen, zijn dolken, zijn pelsmantels, zijn mooie Tcherkessische vrouwen. Dat is alles indrukwekkend, maar, op de keper beschouwd, is er niets moois aan. Als men slechts wist dat wij nooit op de besneeuwde bergtoppen komen, waar het bovendien volstrekt niet amusant is, en dat de Kaukasus eenvoudig een in provinciën verdeeld land is: Staffropol, Tiflis, enz.

--Ja, antwoordde ik lachend, in Rusland bezien wij den Kaukasus met een geheel ander oog dan hier. Hebt gij nooit opgemerkt, dat, als wij verzen lezen in een taal die wij niet heel goed kennen, zij ons veel mooier voorkomen dan zij werkelijk zijn?

--Ik weet het waarachtig niet, hernam hij, maar die Kaukasus verveelt mij in de hoogste mate.

--Neen, dat vind ik niet! Voor mij heeft de Kaukasus veel schoons, maar in anderen zin...

--'t Is mogelijk dat hij veel schoons heeft, hernam hij eenigszins kregel. Wat ik wel weet, is dat ik mij hier in den Kaukasus niet goed gevoel.

--En waarom dat? vroeg ik, om iets te zeggen.

--In de eerste plaats, omdat hij mij bedrogen heeft. Alles wat ik naar den Kaukasus heb meegebracht om ervan te genezen, heb ik behouden, met dit onderscheid, dat vroeger dit alles op het groote bordes was, terwijl het tegenwoordig op een kleine, vuile achtertrap is, op welker treden ik overal millioenen kleine misères, misselijkheden en laagheden ontmoet.... In de tweede plaats, omdat ik voel hoe ik iederen dag al lager en lager zink, in moreelen zin; bovenal gevoel ik mij ongeschikt voor den dienst hier: ik kan het gevaar niet trotseeren.... in èèn woord ik ben niet dapper.

Hij hield op en zag mij zeer ernstig aan.

Hoewel ik zonderling verrast was door deze geheel vrijwillige bekentenis, antwoordde ik niets, zooals mijn makker scheen te hopen, maar ik wachtte tot hij op zijne woorden zou terugkomen, zooals het bij dergelijke gelegenheden altijd gaat.

--Gij moet weten, dat ik bij deze expeditie voor het eerst in het vuur ben, vervolgde hij. En gij kunt u niet voorstellen, in welk een toestand ik mij gisteren bevond. Toen de sergeant-majoor mij kwam berichten, dat mijne compagnie deel zou uitmaken van de kolonne, werd ik zoo wit als een doek en van opwinding kon ik geen woord zeggen. Gij moest eens weten, wat een nacht ik heb gehad! Als het waar was, dat menschen van angst grijs worden, moest ik vandaag geheel grijs zijn, want ik geloof zeker, dat geen enkele ter dood veroordeelde in één nacht zooveel geleden heeft als ik. En nu nog, hoewel ik mij iets beter gevoel dan van nacht, werkt er hierbinnen iets, voegde hij er bij en drukte op zijne borst. En het belachelijke is, dat men bij het vreeselijke drama, hetwelk hier afgespeeld wordt, gehakt met uien eet, en dat men beweert zich goed te amuseeren.... Is er wijn, Nikolaïeff? vroeg hij geeuwend.

--Daar is _hij_, broeders! hoorde men op dit oogenblik een soldaat opgewonden roepen. Aller blikken wendden zich naar den zoom van het verre bosch.

In de verte verhief zich een blauwachtige rookwolk, die door den wind opgejaagd en steeds grooter werd. Toen ik begreep dat het een kanonschot was, door den vijand op ons gelost, nam plotseling alles wat mij in het oog viel een nieuw en verheven karakter aan: de geweren, die aan rotten stonden, de rook der wachtvuren, het blauw des hemels, de groene affuiten, het gebruinde, baardige gelaat van Nikolaïeff, alles scheen mij te zeggen, dat de kogel, die op dit oogenblik door de lucht vloog, misschien mijne borst zou treffen.

--Waar hebt gij dien wijn vandaan? vroeg ik met gemaakte onverschilligheid aan Bolchoff, terwijl in mijn binnenste twee stemmen even duidelijk spraken: de eene: Heer, neem mijne ziel in genade aan! de andere: Ik hoop dat ik zal glimlachen en mij niet zal bukken, als de kogel over mij heen gaat. En op hetzelfde oogenblik floot er, boven mijn hoofd, iets verschrikkelijk onaangenaams, en op twee passen van ons af sloeg de kogel neer.

--Ziedaar, als ik nu Napoleon of Frederik de Groote was, zeide Bolchoff op dit oogenblik, terwijl hij zich volmaakt koelbloedig tot mij wendde, zou ik zeker een mooie phrase gezegd hebben.

--Maar gij zegt er een, antwoordde ik, terwijl ik moeite deed om niet te toonen, hoe ongerust ik was geweest.

--Nu ja, gezegd heb ik iets, maar niemand zal het opschrijven.

--Welnu, ik zal het opschrijven.

--En als gij het al opschrijft, dan zal het nog zijn om te kritiseeren, zooals Mitschenkoff zegt, voegde hij er met een glimlach bij.

--Hei, die verdoemeling! hoorden wij op dit oogenblik Antonoff zeggen, en hij spuwde met verontwaardiging op zij. Het scheelde een haar of mijn beenen waren naar de weerga.

Al mijn pogingen om koelbloedig te schijnen en al onze gelegenheidsphrasen kwamen mij onuitstaanbaar voor, na dezen oprechten uitroep.

VII.

De vijand had inderdaad zijn kanonnen opgesteld op het terrein, dat te voren door de Tartaarsche ruiters was verkend, en iedere twintig of dertig minuten zond hij onzen pioniers een kogel toe. Mijn batterij kreeg order, zich op te stellen op de open plek in het bosch, om het vuur te beantwoorden. Daar ginds, aan den zoom van het bosch, zag men telkens een rookwolkje, men hoorde eene losbarsting, een gefluit, en de kogel sloeg voor of achter ons neer. De schoten van den vijand waren gelukkig slecht gericht en wij hadden geen verliezen te betreuren.

De artilleristen hielden zich, als altijd, kranig. Zij laadden vlug, richtten zorgvuldig en waren intusschen rustig aan het gekheid maken. De infanterie, die ons moest dekken, lag werkeloos en zwijgend op den grond uitgestrekt, hare beurt af te wachten. De pioniers gingen voort met hun werk: de bijlslagen klonken steeds sterker en sneller in het bosch. Alleen, als er een kogel door de lucht vloog, zweeg plotseling alles; te midden der stilte hoorde men ietwat ongeruste kreten.

--Bukken, kinderen! en aller oogen richtten zich op den kogel, die in de vuren en de afgehakte takken terechtkwam.

De mist was geheel opgetrokken, nam steeds meer den vorm van wolken aan en verdween nu langzamerhand in het diepe blauw des hemels. De zon, door geen wolken meer bedekt, schitterde en wierp haar vroolijken glans op het staal der bajonetten, het koper der stukken, den ontdooienden grond en de rijpkristalletjes. Men voelde in de lucht de ijskoude frischheid van den morgenstond en tegelijk de zachte warmte der voorjaarzon; duizende verschillende kleuren en schaduwen liepen ineen tusschen de dorre bladeren van het bosch. Op den glinsterenden weg zag men duidelijk de sporen van de wielen en van de hoeven der paarden.

De troepen begonnen zich hoe langer hoe meer te weren. Aan alle kanten verhieven zich de blauwachtige rookwolkjes der losbarstingen en werden voortdurend talrijker.

De dragonders met de wapperende vaantjes aan de lansen snelden vooruit. In de gelederen der infanterie klonk gezang en de obose,[18] beladen met hout, werd in de achterhoede geformeerd. De generaal naderde onze batterij en gaf bevel zich gereed te maken voor den aftocht.

[18] Konvooi van wagens.

De vijand had zich achter het struikgewas verborgen tegenover onzen linkervleugel en begon ons sterk met geweervuur te bestoken. Van de linkerzijde van het bosch hoorde men een kogel aansuisen en tegen een affuit slaan, vervolgens nog een, en weer een. De infanteristen, die naast ons lagen uitgestrekt, sprongen luidruchtig overend, grepen hunne geweren en namen deel aan het gevecht. Het geweervuur werd sterker en van alle kanten vlogen de kogels. De terugtocht begon, en daarmee het eigenlijke gevecht, zooals het altijd in den Kaukasus gaat.

Men zag duidelijk dat de artilleristen zich even onprettig gevoelden bij de kogels als de infanteristen bij de bommen. Antonoff keek verdrietig, Tschikine bootste al gekscherend het gefluit der kogels na, maar het was duidelijk, dat hij ze eigenlijk niet mocht. Van den een zeide hij: »Dat is er een die haast heeft!" een anderen kogel noemde hij eene »bij," een derde die langzaam over ons heen streek, met een gefluit als een klagend gekerm, noemde hij een »weeskind", hetgeen een algemeene hilariteit veroorzaakte.

De jonge rekruut die nog nooit in het vuur geweest was, boog bij iederen kogel zijn hoofd op zij en rekte zijn hals uit, ook daarom lachten de soldaten. »Ken je hem, vroegen zij, dat je hem zoo groet?"

Zelfs Welentschuk, die gewoonlijk zoo onverschillig in het gevaar was, scheen niet op zijn gemak te zijn, hij toonde duidelijk hoe verontwaardigd hij was, dat wij geen kartetsen schoten naar den kant vanwaar de geweerkogels kwamen.

--Wel ja! waarom mag hij ons ongestraft beschieten? Als men hem den mond van een houwitser toedraaide en hem goed wat schroot te slikken gaf, zou hij wel zwijgen, herhaalde hij voortdurend op knorrigen toon.

Inderdaad, het was tijd te gaan antwoorden. Ik beval voor het laatst nog een granaat te schieten, en dan met schroot te laden.

--Schroot! commandeerde Antonoff en trad in den rook opgewekt met den wisscher naar het stuk, zoodra de granaat was afgeschoten.

Op dit oogenblik hoorde ik, dat vlak achter mij het snelle gonzen van een kogel afgebroken werd door een korten slag. Mijn hart kromp ineen van schrik.--Ik vrees dat een der onzen getroffen is, dacht ik. Maar toch durfde ik mij niet omkeeren.

En inderdaad, dadelijk na den korten slag hoorde ik den zwaren val van een lichaam, en het gekerm van een gewonde. »Ik ben getroffen, broeders," zeide een pijnlijke stem, die ik herkende. Het was Welentschuk. Hij lag plat op zijn rug, tusschen het voorstel en het kanon. Zijn ranzel was op zij geslingerd. Zijn voorhoofd was vol bloed, en langs zijn rechteroog en zijn neus liep een dikke, roode stroom. Hij was in den buik getroffen, maar daar zag men weinig bloed; bij zijn val had hij zijn voorhoofd gekwetst aan een boomstomp.

Dat alles merkte ik eerst veel later op; in het eerste oogenblik zag ik niets dan een verwarde massa en, naar het mij toescheen, vreeselijk veel bloed.

Geen van de kanonniers, die het stuk bedienden sprak een woord. Alleen de jonge rekruut mompelde iets van: »Kijk eens, wat een bloed!" terwijl Antonoff een toornig »hm!" liet hooren. Maar alles bewees, dat ieders ziel vervuld was met de gedachte aan den dood. Men werkte met verdubbelden ijver; het kanon was in een oogenblik geladen, en de man, die het schroot bracht, liep twee, drie passen om de plek heen, waar de gewonde lag te kermen.

VIII.

Wie ooit heeft deelgenomen aan een gevecht, heeft ongetwijfeld zelf dat vreemde gevoel van afkeer--onlogisch, maar zeer sterk--ondervonden tegen de plaats, waar iemand gedood of gewond is. Ook mijn soldaten gaven toe aan dit gevoel, toen Welentschuk opgenomen en op den wagen gelegd moest worden, die gehaald was om hem te transporteeren.

Shdanoff naderde den gewonde knorrig en nam hem bij zijn schouders, zonder op zijn steeds sterker geschreeuw te letten.

--Wat staat gij allen daar te kijken? Helpt een handje, riep hij. En dadelijk werd de gewonde omringd door een tiental mannen, helpers, die haast niet noodig waren. Maar men had hem nauwelijks opgetild, of Welentschuk begon verschrikkelijke kreten te slaken en om zich heen slaan.

--Wat hebt gij toch te schreeuwen als een haas? zeide Antonoff, terwijl hij hem stevig het been vasthield. Als gij niet ophoudt, laten wij u hier liggen.

De gewonde hield zich werkelijk stil; alleen herhaalde hij van tijd tot tijd:

--O! dat is mijn dood! O! mijn broeders!

En toen hij op de kar was gelegd, hield hij zelfs op met kermen en ik hoorde hem op zwakken toon, maar zeer duidelijk, met zijn kameraden praten. Hij scheen hen vaarwel te zeggen.

In het vuur van den strijd ziet niemand gaarne een gewonde en als bij instinkt spoedde ik mij weg van dit tooneel; ik gaf bevel hem naar de ambulance te transporteeren en posteerde mij weer bij de stukken, maar eenige oogenblikken later kwam men mij zeggen, dat Welentschuk naar mij vroeg en ik begaf mij dadelijk naar hem toe.

De gewonde lag achter in de kar en klemde zich met de handen krampachtig aan de beide kanten vast. Zijn gezicht, anders zoo breed en blozend van gezondheid, was in weinige sekonden totaal veranderd. Hij scheen magerder en verscheidene jaren ouder geworden te zijn. Zijn lippen waren dun, bleek, met blijkbare inspanning op elkaar geperst, de vage, stompzinnige uitdrukking in zijn oogen had nu plaats gemaakt voor een heldere en rustige; zijn voorhoofd en neus waren bebloed en de dood had er reeds zijn stempel op gedrukt.

Hoewel iedere beweging hem een onduldbare pijn veroorzaakte, vroeg hij of men zijn _tcheres_[19] met het geld van zijn linkerbeen wilde nemen.

[19] Beurs in den vorm van een smallen gordel die de soldaten om hun knie winden.

Ik werd pijnlijk aangedaan door het zien van het naakte en blanke vleesch van zijn gezond been, toen men hem zijne laars uittrok en daarna zijn tcheres losmaakte.

--Er is drie en een halve roebel in, zeide hij, terwijl ik zijn tcheres in mijne handen nam. Wees zoo goed ze te bewaren.

Daar de kar zich in beweging zette, liet hij weer stilhouden.

--Ik ben aan een mantel begonnen voor luitenant Sulimoffsky en u heeft mij twee roebels gegeven; ik heb voor anderhalven roebel knoopen gekocht en den halven roebel heb ik in mijn beurs met de knoopen. Geef ze hem terug.

--Goed, goed, antwoordde ik. Beterschap, broeder!

Hij antwoordde mij niet; de kar zette zich in beweging. Hij begon weer te kermen en te klagen op een toon, die u door de ziel sneed. Nu hij zich had losgemaakt van de zorgen dezer wereld, scheen hij het niet meer noodig te achten zich in te houden, en hield hij aldus deze verlichting van pijn voor geoorloofd.

IX.

--Waar gaat gij heen? Kom terug! riep ik den rekruut toe, die met zijn reserve lontstok onder den arm en een stokje in de hand, met de grootste koelbloedigheid de kar met den gewonde volgde.

Doch hij draaide lui zijn hoofd naar mij om, mompelde iets en vervolgde zijn weg; ik moest een soldaat op hem afsturen om hem te halen.

Hij nam zijn rood mutsje af en keek mij met een onnoozelen glimlach aan.

--Waar wilde je heen? vroeg ik hem.

--Naar het kamp.

--En waarom?

--Waarom? Wel, omdat Welentschuk gewond is, zeide hij met hetzelfde domme lachje.

--En wat gaat dat jou aan? Je moet hier blijven!

Hij zag mij verwonderd aan. Vervolgens keerde hij zich rustig om, zette zijne muts weer op en ging naar zijn post terug.

* * * * *

Het gevecht was over 't algemeen gelukkig geweest. De Kozakken hadden, naar 't heette, eene mooie charge gemaakt en drie Tartaren krijgsgevangen gemaakt. De infanterie had voldoende hout en had in 't geheel slechts zes gewonden. Bij de artillerie waren alleen Welentschuk en twee paarden buiten gevecht gesteld. Daarentegen was het bosch gekapt over eene uitgestrektheid van drie wersten en de plek was zòò zeer veranderd, dat men haar niet herkende: waar men vroeger slechts de dichte woudzoom zag, was nu een groote open ruimte, bedekt met rookende wachtvuren en met cavalerie en linietroepen, die naar het kamp toe gingen. Hoewel de vijand ons onophoudelijk met zijn kanonskogels en zijn musketvuur vervolgde tot het riviertje en het kerkhof, die wij des morgens gepasseerd waren, had de terugtocht zonder ongelukken plaats. Ik begon reeds te denken aan de koolsoep en de schapenrib met _kacha_,[20] die mij in het kwartier wachtten, toen er bevel kwam dat de generaal bevolen had bij het beekje eene schans te bouwen, waar het 3de bataillon van het regiment K** en een peloton van de 4de batterij tot den volgenden morgen zouden blijven.

[20] Gekookte roggegrutten.

De houtwagens en de karren met de gewonden, de Kozakken, de artillerie, de linietroepen, met het geweer op den schouder en takkenbossen op den rug, defileerden met veel gedruisch en al zingende voor ons heen. Op aller gelaat lag blijde vreugde--het bewustzijn dat het gevaar achter den rug was, en de tijd van rust weldra zou aanbreken. Alleen wij en het 3de bataljon moesten deze aangename gevoelens tot den volgenden dag uitstellen.

X.

Terwijl wij artilleristen bezig waren met onze stukken en de voorwagens en de caissons rangschikten, zette de infanterie de geweren aan rotten, stak de wachtvuren aan, bouwde hutten van takken en maïsstroo, en kookte de kacha.

Het begon te schemeren. Blauwwitte wolken dreven langs den hemel; de duisternis had zich veranderd in een vochtigen nevel, die den grond en de mantels der soldaten bevochtigde, en de heele omgeving in donkere schaduwen hulde. De vochtigheid, die ik in mijn laarzen en in mijn hals voelde doordringen, de voortdurende beweging, het onophoudelijk gepraat, waaraan ik niet meedeed, de kleverige modder, waarop ik uitgleed en mijn leege maag, dat alles deed mij pijnlijk aan en stemde mij alleronaangenaamst na dezen dag van lichamelijke en geestelijke vermoeienis. Welentschuk wilde mij maar niet uit het hoofd. De heele, eenvoudige geschiedenis van zijn soldatenleven hield ondanks mijzelven mijne verbeelding bezig. Zijn laatste oogenblikken waren even rein, even rustig geweest als zijn geheele leven. Hij had te eenvoudig, te eerlijk geleefd, dan dat zijn oprecht geloof in het toekomstige, hemelsche leven in zijn laatste oogenblikken geschokt zou zijn geworden.

--God groet u, zeide Nikolaïeff, terwijl hij mij naderde,--of gij zoo goed wildet zijn bij den kapitein te komen, hij noodigt u thee met hem te drinken.

Met moeite baande ik mij een weg tusschen de in rotten staande geweren en de brandende vuren door, en volgde Nikolaïeff naar Bolchoff; ik verlangde naar het glas warme thee en het aangename gesprek, die mijn sombere denkbeelden zouden verdrijven.

--Wel, hebt gij hem gevonden? hoorde ik Bolchoff in zijn verlichte maïshut zeggen.

--Ik breng hem mee, Uwe Edelheid, antwoordde Nikolaïeff met diepe basstem.

In de hut, op een drogen viltmantel, zat Bolchoff met zijn uniform losgeknoopt en zonder zijn pelsmuts. Naast hem stond een samovar te pruttelen; op een trom stonden eetwaren klaar. Een kaars stond in den ring van een bajonet, die met de punt in den grond stak.

--Wat zegt gij ervan? vroeg hij, terwijl hij met trots zijn blik liet gaan over zijn gemoedelijke huishouding. Men zat daar inderdaad zoo lekker in de hut, dat ik alles vergat: de vochtigheid, de duisternis en den gewonden Welentschuk. Wij spraken over Moskou en over dingen, die in heel geen verband stonden met den oorlog en den Kaukasus.

Na een van die oogenblikken van stilte, die dikwijls zelfs in het drukste gesprek voorkomen, zag Bolchoff mij eensklaps glimlachend aan.

--Ik denk, dat gij u wel verwonderd hebt over ons gesprek van deze morgen?

--Neen, waarom? Het kwam mij alleen voor, dat gij te openhartig waart; er zijn van die dingen, die wij allen weten, en waarvan het niet altijd goed is te spreken.

--Waarom niet? Als er slechts een middel bestond om dit leven te verwisselen voor een ander, zelfs voor het eentonigste en armoedigste, mits het geen gevaar of geen dienst meebracht, zou ik geen oogenblik aarzelen.

--Waarom keert gij niet naar Rusland terug? vroeg ik hem.

--Waarom! herhaalde hij. O! daar denk ik al zoo lang over. Maar ik kan niet naar Rusland terugkeeren, voor ik de orde van Wladimir heb en die van St. Anna om den hals met den graad van majoor, zooals ik het mij voorstelde toen ik hierheen kwam.

--En waarom dat? als gij u toch, zooals gij zegt, ongeschikt acht om in den Kaukasus te dienen?

--Maar als ik mij nu nog meer ongeschikt acht om naar Rusland terug te keeren, zooals ik er vandaan ben gekomen! Dat is ook een van die legendes, die bij ons verspreid zijn door Passek, Sljeptsoff en anderen, te weten: dat men slechts in den Kaukasus behoeft te komen om overladen te worden met belooningen. Daar ginds verwachten allen wonder wat voor ons, terwijl ik hier nu al twee jaar ben en reeds twee campagnes heb meegemaakt, maar nog niets heb gekregen. Maar ik bezit toch nog zooveel eigenliefde dat ik voor geen geld hier vandaan wil, voor ik majoor ben, en voor ik de St. Anna en de Wladimir om den hals heb. Ik heb me al zoo vertrouwd gemaakt met die gedachte, dat het mij dwars zit, als men eene belooning geeft aan Gnilokischkine, en niet aan mij. En dan, hoe zou ik mij daarginds durven vertoonen aan mijn starost, aan den koopman Kotjelnikoff, aan wien ik mijn koren verkoop, aan mijne tante in Moskou, aan al die menschen, als ik na een tweejarig verblijf in den Kaukasus zonder de minste onderscheiding terugkom? Het is waar dat ik die menschen zelfs niet wil kennen, en het is niet minder waar, dat zij zich evenmin om mij bekreunen; maar de mensch is nu eenmaal zoo, dat, al wil ik hen niet kennen, ik toch om hen mijn mooiste jaren verknoei, het geluk van mijn leven en mijn geheele toekomst opoffer.

XI.

Op dit oogenblik hoorde men buiten de stem van den bataljonskommandant.

--Wien hebt gij daar bij u, Nikolaï Fedorovitsch?

Bolchoff noemde mijn naam, en dadelijk kwamen er drie officieren de hut binnen: majoor Kirsanoff, zijn adjudant en kapitein Trossenko.

Kirsanoff was een klein, gezet man, met een dunnen knevel, blozende wangen en kleine, waterige oogjes. Deze oogjes maakten het typische van zijn gelaat uit. Als hij lachte, bleef er niets van over dan twee vochtige, glanzende sterretjes, en deze sterretjes, gepaard aan zijn strakke lippen en zijn langgerekten hals, gaven hem een hoogst eigenaardige uitdrukking van beschroomheid.