Part 8
"Edel Grave Reinout! wilt gij mij hou en trouw zijn, en al uw broederen mede, zoo schenk ik u plechtig de rots aan de Gironde en de schoone Clarisse, mijn blonde dochter, ter vrouwe. Bovendien geef ik u de helft van mijn goed, dat gij u naar hartelust een sterk huis doet maken, opdat, kwame Carel, de wijdvermaarde, daar vóór met heel zijn heir, hij u in honderd jaren het minste leed niet doen konde!"
--"Dat loone u God, Heer!" zeide Reinout: "uwe dochter, de schoone, roemwaardige Jonkvrouw, neem ik met blijdschap; en de rots neem ik er bij."
Zoo gaf Ywein de Koning Reinoude in waarheid zijn dochter ter vrouwe.
Wat baatte 't of ik breed ophaalde van de bruiloft, die daar gehouden werd! 't Ware tijdverlies. Daar was vermaak en blijdschap; 't was, met éen woord, een groote, goede bruiloft.
Toen deed Reinout al de timmerlieden en metselaars uit het gantsche land, al die goud wilden winnen, bij-een-komen, en een aanvang maken met zijn kasteel op de rots aan de Gironde. Die den roep vernamen, en als goede meesters aangenomen werden, kwamen op de rots, en begonnen aanstonds het huis te vesten.
Ik lees, dat Reinout wel 1000 timmerliên en 700 metselaars bij-een-had. Nu moesten de sterkten worden aangebracht: vaste muren; hooge tinnen; twee paar muren gingen er om rond.
Nu riep Reinout door het landschap velen op om tot de rots te komen: hij zoû ze verblijf geven en onderhouden hun leven lang. En de geroepenen, vrouwen en mannen, kwamen naar de rots: zoo dat Reinout spoedig 1500 personen vergaderde, die allen eenigen arbeid verstonden. Deze kweekten wijngaarden; geen werkten in akker, bosch of boomgaard; andere wonnen koren en vele veldvruchten: spoedig was daar een uitermate schoone stede gesticht.
En Reinout noodigde thands zijn schoonvader den Koning om bij hem te komen; en toen Ywein op de rots kwam en alles gezien had, zeide hij: "Reinout! voorwaar gij hebt een schoon huis gemaakt, en een sterk kasteel. Welken naam gaaft gij 'et?"
--"'t Staat op een rotse van wit marmer," zeide Reinout, "daarvan is 't Montalbaen [of Blankensteen] genoemd."
--"Blankensteen moge het heeten," zeide Ywein, "en geen vlek er op kleven! Gij geeft het een goeden en gerechten naam."
[1] _vervegen_: op zwaardvegerswijze herstellen.
[2] _ontwond_: ontdeed van het zegelkoord.
[3] _Averne_: Auvergne.
[4] _huismeyer_: hofmeester.
[5] _geen kaf_: zooveel als niets.
[6] _Gironde_: mond van Dordogne en Garonne.
[7] _Zuidzee_: Middellandsche Zee.
HET ELFDE CAPITTEL.
Hoe Koning Carel zag het nieuwe kasteel, dat gemaakt was op Rotsenland, als hij tot St. Jacob reisde, en dede vrage wie dat toebehoorde, en hoe zij zeiden "Reinout" en hoe hij dat kasteel belegde.
Het gebeurde dat Koning Carel in bedevaart reizen zoû na St. Jacob. Roelant was bij hem; en gekomen zijnde in Yweins land, zag Koning Carel het kasteel en dat het schoon en sterk was. "Neve," zeide hij tot Roelant, "ziet dat kasteel! Wie mag 'et sints zoo korten tijd hebben doen timmeren? in al Gascongiën en staat geen zoo sterk noch zoo schoon."--"Wie 't gemaakt heeft is mij onbekend," zeide Roelant; "maar zoo veel is zeker, dat het sterk, ja, ik zoû schier zeggen onwinlijk is; want ziet eens, hoe hoog van muren en torens; en hoe wel gebouwd ter verdediging: 't is in ieder geval een rijk man, die 't heeft doen maken." Hiermede lieten Koning Carel Roeland het gesprek, en deden zich over 't water zetten.
Toen kwamen zij in 't land, dat Ywein--Reinout met zijn dochter gegeven had. Als zij óver waren, liet Koning Carel door Roelant vragen, 'wie dat schoone kasteel had doen timmeren in zoo korten tijd?'
Roelant zag een akkerman aan den ploeg, en reed naar hem heen, en vraagt hem, 'wien dat kasteel toebehoorde?'
De akkerman zeide: "Ik hoor van de lieden, dat het een Grave heeft doen timmeren, die hem aldaar onthouden wil, tegen zijn vijanden: want zoo men zeî heeft hij groote oorlog en twist tegen den Koning van Vrankrijk; hij is uit zijn land verdreven."
--"Vriend, hoe heet die Grave?" zeide Roelant. Hij antwoordde: "Reinout. Hij heeft nog drie schoone jongelingen tot broeders. Het kasteel heet Montalbaen; ook heeft hij gesticht een schoone stad." Als Roelant van den akkerman de waarheid wist van den kasteele, keerde hij tot Koning Carel en zeide: "Dit kasteel heeft doen timmeren Reinout met zijn broeders, en 'et heet Montalbaen: ook heeft hij, onder de schutse der burcht, aangelegd een schoone stad."
--"Hoe?" zeide de Koning, "Haymijns kinderen? Gaat tot Reinout; zegt hem, dat hij mij geve 't kasteel Montalbaen en de stede, en zich-zelven met zijn broeders en al zijne poorters en onderzaten in mijne macht stelle, dat ik ze naar Vrankrijk voere: zoo mag hij vrede hebben en tegen mij verzoenen van zijn misdaad. Maar wil hij dit niet, dan zal hem kwaad geschiên; ik zal met macht komen in zijn land, verbranden en verderven al dat er is, en doen hem en zijn broeders hangen."
Als Roelant den Koning wel verstaan had, ging hij tot Montalbaen; en als hij in den zale kwam, groette hij Reinout met zijn huisgezin minlijk en zijn broeders even zoo. Daarop zeide hij tot Reinout: "Mij heeft tot u gezonden Koning Carel van Vrankrijk, opdat gij met uw broeders en al uw onderzaten u komt geven in zijn macht en tot zijnen wille; opdat gij hem gevet Montalbaen, en valt hem te voet met uw leenmannen, en smeeket genade: en hij zal ze u doen."
Als Reinout de boodschap van Koning Carel verstaan had, zeide hij tot Roelant: "Ik zeg u, neve, ik en gaf den Koning den ellendigsten man niet ten zoene, die in al mijn land is! Koning Carel belegere mij liever zeven jaar eer ik er een pluim om gaf."--"Wilt gij u dan tegen Koning Carel zetten?" zeide Roelant; "gij sloegt immers zijn zone Lodewijk!"--"Daar vraag ik niet naar," zeide Reinout, "den grooten manslag, dien men mij herinnert, kan ik niet vergeten. Het ga met mij als het moge! Wil mij de Koning tegen hem laten verzoenen--ik wil hem Montalbaen opgeven, en mijn land van hem te leen ontvangen en dienen hem als een trouw vazal mijn leven lang ... Roelant-neve, wildy hem dit zeggen?--Maar zijn gevangene wil ik niet zijn; en hij beginne niet met mij te dreigen."
Roelant zeide: "Reinout, doet wel, en gaat in banden!" Reinout zeide: "Neen ik: in zijne gevangenis koom ik niet; maar ik bid u, Roelant, doet mijn boodschap aan den Koning."
Met die woorden keerde Roelant weder tot den Koning en heeft hem gezeid Reinouts meeninge; en de Koning was verstoord, en zond Koning Ywein een scherpen brief, dat hij toornig op hem was, om dat hij zijn doodvijanden in zijn land herbergde en hun burg en goed gegeven had en groote eer gedaan.'
Koning Carel volbracht met haaste zijne pelgrimaadje naar St Jacob, en keerde weder in Vrankrijk. Toen vergaderde hij groot volk, en toog in Reinouts land, en belegde Montalbaen zeer sterkelijk. En Reinout, verwittigd van 's Konings aantocht, ontbood al zijn vrienden, om hem te helpen.
Koning Carel lag in Reinouts land, verbrandde en verdierf al dat hij kon, maar leed groote schade aan zijn volk. En Reinout handhaafde Montalbaen krachtig tegen den Koning en zijn volk een gantsch jaar lang. En als Koning Carel een jaar voor Montalbaen gelegen had, verdroot 'et hem; want hij zag wel, hij mochte 't niet winnen: dus gaf hij zijn Heeren oorlof t'huis te varen, en brak zijn heir op voor Reinouts burcht; 't welk luttel tot zijn eere was.
HET TWAALFDE CAPITTEL.
Hoe Reinout met zijn broeders voeren om hun moeder te zien als Pelgrims, en kwamen te Piërlepont, en hoe hen de vader vangen woude en brengen ze in Vrankrijk. En hoe Piërlepont van den Koning belegerd was, en hoe Reinouts drie broeders gevangen waren, en de Koning ze wilde doen hangen.
Reinout, in zijne burchtzaal gezeten, riep zijn broeder Adelaert, zeggende: "Lieve broeder, gij zijt mijn raad en troost. 't Is nu al zeven jaar, dat wij onze moeder niet meer gezien en hebben: mijn hert is daardoor gedrukt: ik moet haar zien en hooren spreken, of ik stierf van rouw."
--"Helaas, broeder," zeide Adelaert, "wat wilt gij ondernemen: gij weet wel, dat onze vader en moeder in onze dood hebben gestemd. Komen wij daar, wij zijn verloren." Toen zeide Reinout: "Broeder, dat en acht ik niet een strooi: want de ouders hebben de kinderen lief! Het ga hoe 't mag, ik moet mijne moeder zien."
--"Ik weet goed raad," zeide Reinout tot zijne broeders: "wij zullen gaan in 't bosch van Bordeas[1] en verwachten daar de Pelgrims, en bidden hen dat zij ons kleêren geven voor de onzen; en zoo gaan wij onbekend door 't land tot onze moeder!" Deze raad dachte den broeders goed. Zij gingen uit het kasteel, dat het weinige wisten, en wachtten in het bosch de Pelgrims. Toen zij een wijl in 't bosch geweest waren, kwamen daar vier Pelgrims, die het Heilige Land bezocht hadden, en waren uit Vrankrijk, en kenden Reinout wel. Zij hadden palmen in hunne handen. En de broeders gingen hen tegen. "Weest gegroet, gij Pelgrims!" zeide Reinout: "wij bidden u dat gij ons geven wilt uwe kleederen en schoenen voor de onzen."
Maar de Pelgrims, dit hoorende, werden vervaerd en verstonden niet wat Reinout zeide. Een hunner sprak: "Zoo zijt gij, Reinout, een roover geworden? Hoe lang hebdy dit bedrijf bij de hand gehad? Ik zeg u: is 't, dat ik in Frankrijk keere, ik zal 't den Koning klagen, dat gij een roover zijt." Dit nam Reinout euvel op, toog zijn zwaerd en vatt'e den Pelgrim bij den baard: hij zoû hem geslagen hebben --maar een ander Pelgrim viel op zijn knieën en zeide: "Genade, Heer! ziet toe wat gij aanvangt: wij zijn Gods Pelgrims, en zijn geweest te Jeruzalem. Als waren onze kleederen nog wat beter--doet 'er meê dat gij wilt."
Toen zeide Reinout: "Pelgrim, gij zijt wijs; 't is een geluk voor uwen broeder." De Pelgrims togen hun kleederen uit, en gaven ze Haymijns Kinderen, die ze aantrokken.
Als zij de Pelgrimskleêren aan hadden, bezagen zij elkander hoe ze stonden, en als ze gereed waren, gingen zij menige dagvaart, en deden menigen moeden voetstap eer zij te Piërlepont kwamen.
Zij vonden het kasteel gesloten: zij klopten aan. De portier kwam en vraagde, 'wat zij begeerden?' Reinout zeide: "Vriend, laat ons, vier Pelgrims, ingaan; wij hebben tot menige stede geweest en in menig Land, te Rome, tot St Andries in Schotland, te St Gilles in Provenciën: nu hebben wij groote honger en dorst, dus bidden wij, om Gods wille! dat gij ons inlaat."
Maar de portier zeide: "Al badt gij nog zoo lang, ik en zal 't niet doen."--"Waarom?" zeide Reinout. "Dit zal ik u zeggen," was het wederwoord: "ons kwam gisteren kwade mare uit Vrankrijk: dat onze Heeren gevangen zouden zijn, Ritsaert, Writsaert, Adelaert en Reinout.... Maar toch, vriend, ware uw baard zoo lang niet, ik zoû zeggen, dat gij waart de stoute Reinout; ik zag nooit man hem beter gelijken!..."--"Om Gods wille vriend!" zeide Reinout, "en om de liefde van Haymijns Kinderen! laat ons in. Ik bidde dat hen God met eere laat leven! en heeft Koning Carel ze gevangen, dat ze 't gelukkig ontgaan mogen; en zijn ze dood, God wille zich hunner ziele ontfermen; zijn ze in storm of ongemak, dat ze God van der dood behoeden wil!"
Als Reinout deze woorden zeide, bevielen ze den portier zoo wel, dat hij antwoordde: "Ik zal u inlaten tot mijner Vrouwe, die u zal laven en spijzigen ter liefde der Jonkheeren."--"Dat loon u God!" zeide Reinout. Met-een ontdede de portier de poort, en zij traden in. Als zij binnen waren, gingen zij in de zale, daar zij hun moeder het laatst hadden gezien, en groetten ze, zeggende: "God geve u goeden dag!"
--"God loon u, Pelgrims!" zeide Vrouwe Aye. "Vróuwe!" sprak Reinout, "wij hebben in menig land geweest, als tot Rome, St Jacob in Galiciën, en menige andere stede; maar wij en hadden nooit zulke honger en dorst als thands."
Toen zeide de Edelvrouw: "Pelgrims! weest zonder zorge; ik zal u eten en drinken geven."
De Vrouwe dede de Pelgrims zitten aan een tafel en deed daarop brengen spijs en drank: zoo dat de Heeren aten en dronken en zich verzadigen mochten. De Vrouwe was in den kelder gegaan, en had getapt eene kanne vol wijn, en bracht ze den Heeren aan de tafel.
Zij nam een gouden schaal en goot ze vol, en gaf ze Reinout. Reinout zag haar aan, nam de schaal met bevende handen en dronk ze uit, en als hij ze uit hadde, zeide hij: "Vrouwe, ik ben nog niet gelaafd; mij brandt het van binnen ...och dat ik meer hadde van dien wijn!"
De Vrouwe nam de schale, en schonk ze weder vol en gaf ze hem, en zeide: "Pelgrim, hoe smaakt u de wijn? gij drinkt hem met zooveel graagte--ik duchte, dat hij u miskomen zal." Reinout andwoordde niets, nam de schaal uit zijns moeders handen, en dronk ze nogmaals ledig. Als de Vrouwe dat zag, zeide zij: "Mij verwondert van waar gij zijt gekomen, wijl gij, Pelgrim, onzen sterken wijn zoo drinkt; zes Ridders en zouden zoo veel wijn niet drinken, als gij alleen doet."
Reinout sprak: "God loon 't u, wat ik uit uw hand mag ontvangen: ... reikt mij die schale nog éénmaal, geeft nog eens van dien wijn, wilt gij dat ik u mijn leven lang danken zal!..."
De Vrouwe was verwonderd, maar schonk hem de schale weder vol en gaf ze hem in de hand; als Reinout de schale in de hand had, dronk hij ze weder uit. Toen kon de Vrouwe den Pelgrim van bevreemding niet meer aanzien.
Reinouts oogen straalden van een hellen gloed, terwijl hij zijne moeder aanschouwde, wie hij zich niet bekend mocht maken. "Vrouwe!" zeide hij, "ik wilde dat ik meer had van dien wijn!--want had ik nog een schale, ik en ontzage Koning Carel mijnen oom geen stroohalm." Als Adelaert dezen onvoorzichtigen uitroep hoorde, voer hij verschrikt op, en stiet Reinout met zijn elleboog, dat hij ter aarde viel, en bewusteloos bleef liggen van al den wijn, dien hij gedronken hadde. Maar Vrouw Aye hoorde eene stemme in haar herte; zij nam Reinout in heur armen; en kuste hem menig werf; men meende, dat ze van blijdschap dood gebleven zoude zijn op haren Kinde: maar Adelaert nam ze in zijne armen, en voerde ze zachtkens wech van Reinout.
Intusschen had een bespieder de woorden van Reinout gehoord, en zeide: "Vrouw! doet Reinout vangen, en zendt hem Koning Carel, want gij hebt 'et gezworen; en wilt gij 't niet doen--zoo zal ik tot den Koning rijden en zeggen hem, dat gij den moordenaar, uw zoon, in uw kasteel onthaalt."
Als dit de verrader zeide, ontstelde de Vrouwe hevig om die woorden en zeide: "Valsche knecht! al dede Koning Carel, mijn broeder, ons zweeren op 'et lichaam van St Dionijs, mijn hert en heeft niet toegestemd mijn Kinderen kwaad te doen. Zoude ik om leven of om sterven mijn Kinders begeven!"
Toen ging de verrader tot Haymijn in de vierschaar, en zeide: "Heer! uw Kinderen zijn al-te-maal in de burcht, die Lodewijk doodsloegen; doet ze vangen, en zendt ze Koning Carel. Wilt gij 'et niet doen, ik zal tot den Koning trekken, en zeggen hem, dat ze zijn in uw kasteel: zoo zal hij komen en vangen u en uw Kinderen, met Vrouwe Aye, en doen u bij uw Kinderen hangen en Vrouwe Aye barnen." Haymijn, deze woorden hoorende, werd toornig, greep met der haast een stok, en sloeg den verrader neder. "Ziedaar voor uwe boodschap!" riep Haymijn verbolgen. Hij stond toen een oogenblik in beraad, fronste het voorhoofd, en riep somber maar luide: "Gij Edele Baroenen, wapent u spoedig, en helpt mij: want ik mijn Kinderen vangen moet, en leveren hen uit aan mijnen gerechten Heere, Koning Carel, wien ik het gezworen heb."
Toen wapenden zij hen alle; als zij gewapend waren, toog Haymijn met veel volk naar de burcht. En Adelaert werd dit gewaar, en zeide: "God en Maria, helpt mij! daar naakt ons groote zorg: ik zie mijn vader komen over den binnenhof met menig gewapend man. Moeder," zeide hij, "geeft ons raad! Weet gij ons geen raad te geven--wij zijn verloren; want Reinout, die de stoutste van allen is, ligt in onmacht." Zij zeide: "Helpt Reinout in gindsche kamer en verspert de ingang. Ik weet, helaas, geen anderen raad!"
Zij deden dat hun de moeder zeide, en droegen Reinout in de kamer, en leiden hem op een steen. Toen gingen de drie gebroeders met hun zwaerden voor de kamer staan.
Ondertusschen kwam Haymijn, en beval, dat men de Kinderen vinge, want hij woû ze tot den Koning zenden. "Terug, gij Heeren!" riep Adelaert: "die éne schrede nader doet, vel ik met mijn zwaerd: gij vangt Haymijns Kinderen nimmermeer!" Te gelijk werden de Heeren sterklijk te-rug-geslagen; en wat de broeders met hun zwaerden raekten, dat bleef dood, of zeer gekwetst.
Aldus werden ze bevochten drie dagen lang. Twee dagen behielden zij de kamer vechtender hand, dat Reinout nog sliep, en daaraf niet en wiste; maar als 'et was aan den derden dag, zoo kwam Reinout bij, en sprong op; hij zag zijn broeders daar staan vechten, of zij zinneloos geweest waren; matter en matter werden hunne armen; telkens flaauwer hunne slagen.--Toen nam Reinout zijn zwaerd in de hand, drong naar voren, en zeide: "Broeders! staat achterwaards, gij zijt moede, uw slagen worden zwak."
Toen traden de broeders te-rug en Reinout ging staan midden in den toegang, en riep: "God schende mij zoo ik iemant spare! al ware 't Haymijn mijn vader, hij zal er de dood om sterven!" Hij wendde zich werwaards hij 't meeste volk zag, en sloeg zoo vreeselijk, dat elk hem vluchtte als den dood.
Toen Haymijn dit zag, zeide hij tot zijn volk: "Mijn Kinderen blijven ongeschaad, want Reinout doet meer vromigheid alleen, dan gij-allen te zamen; hij heeft 'et beste zwaerd dat men vinden mag; wat hij geraakt--het blijft er ál dood."
Reinout woedde intusschen voort als een vertoornde leeuw, en Haymijn met zijn volk werden gedwongen te wijken en te vlieden, ter vlucht wat ellek loopen mocht. En Reinout volgde zijn vader met groote snelheid achter na. Dit sneed den anderen broeders door 'et hert, en Adelaert volgde Reinout. Reinout doorbrak de scharen met kracht tot dat hij zijn vader vond; hij had zijn zwaerd geheven, en zoude zijn vader gedood hebben, maar Adelaert weerhield den slag, roepende: "Broeder, wat wilt gij doen! Sloegt gij onzen vader dood--die vreeselijke misdaad mochten wij nimmermeer boeten, die schande nimmer verwinnen. Voor God waren wij verloren, verstooten uit de hoven aller Edelen, en jegens Koning Carel verworven wij nimmermeer zoen!"
--"Wat zegt gij?" riep Reinout, "is hij onze vader, die zijn Kinderen vangen wil." Toen nam hij Haymijn, en leidde hem op een bank, bond hem handen en voeten, en zetted' hem te paerd. Juist kwam daar een lijfknaap aan: Reinout riep hem: "Vriend!" zeide hij, "neem dezen man en voer hem haastelijk tot Koning Carel."
De knaap zeide: "Ik en doe 'et niet: dede ik 'et, het ware snood gedaan; want hij is mijn gerechte Heer: doodt mij liever, eer ik 'et dede." Reinout dreigde den knape, dat hij hem de rechter hand zoû afslaan, indien hij zijn last niet volbracht. De knape gaf toe, wetende dat Koning Carel hier goed recht zoû wijzen.
"Du doest wijs!" zeide Reinout; "vaar haastelijk, zeg Koning Carel, dat ik hem dezen tot eene gifte zende, en dat hij hem doe, wat hij mij zoude gedaan hebben."
De knape voer dag en nacht, en vloekte Reinout dikwijls onder wege. Ten leste kwamen zij te Parijs; en als zij door de poorte reden, zeide de portier: "Wie mag et zijn, zoo niet de Duivel, die dus misvormd op 't paerd ligt?"
Zij voeren zoo lang tot voor Carels hof; de garsoen klopte hard aan de poorte, zoo dat de portier kwam en ontdeed 'et winket[2], vragende den knape 'vanwaar hij kwam of wat gevangene hij daar had?' De garsoen zeide: "'t Is de Grave Haymijn van Ardennen." Toen de portier dit hoorde, ontstelde hij, en zeide: "Heer Haymijn! wie was zoo stout dat hij u dus binden dorst en zoo schandelijk hier henen zendt, tot 's Konings hoon?" Haymijn zeide: "Mijn Kinderen hebben 'et mij gedaan; ontdoe de poorte en laat mij doorrijden, dat ik 'et den Koning klage!" De portier opende de poorte, en Haymijn voer door, tot hij kwam in 's Konings burcht. Hij werd van 't paerd gedaan en terstond kwam aan den Koning tijding, dat Haymijn was gekomen aan handen en voeten gebonden. Toen ging Carel in de zale, daar hij Haymijn vond, en zeide tot hem: "Zijt wellekom, Heer Haymijn!"--"Heer Koning!" zeide Haymijn; "ik bid u, ontferm u mijner!"--"Wie heeft u dit gedaan?" vroeg de Koning. Haymijn zeide: "Heer Koning! mijn Kinderen zijn gekomen op mijn kasteel; als ik 't vernam, deed ik mijn volk wapenen, meende ze te vangen en herwaards te zenden: maar, Heere Koning, zij hebben mij 300 mannen afgeslagen...."
--"Ik zal zelf optrekken, en ze gevangen maken," zeide Koning Carel.
Hij gaf oogenblikkelijk last aan zijn Baroenen en volk dat ze zich wapenen zouden; zoo Edel als onedel.
En als zij gewapend waren, togen zij tot den Koning. Als hij zijn volk dus reede zag, zat hij op zijn paerd; en reed zoo lang tot dat hij kwam te Piërlepont. Reinout stond op de tinnen, en zag Carel met een groot heir daarbeneden, en dat hij 't kasteel belegerde. Hij zag, dat ze daar tenten begonnen te slaan voor het kasteel.
Reinout ging tot zijne moeder en zeide: "Moeder, het oogenblik der zorge is gekomen, Koning Carel heeft het kasteel beleid, en is 't dat hij ons mag vangen, hij doet ons ter dood brengen. Moeder! en weet gij ons geenen raad?"
Vrouw Aye zag haren zone Reinout smertelijk aan, maar sprak haastig: "Hier, mijn Kind, neemt deze kleederen, vermomt u, en ik zal u een der muurpoortjens uitlaten: zoo moogt gij uw leven bergen." Reinout dede als hem zijn moeder beval, en nam oorlof aan zijn broeders, die zeer mistroostig waren: want men dorst niet in getale door het poortjen gaan; hetgeen de vlucht ook van éen enkele had doen mislukken. Dus was hun scheiden uiterst pijnlijk, en Reinout was zeer bedroefd, dat hij zijn broeders moest laten.
Zijn moeder en broeders bedreven groote rouwe na het afscheid, en baden God voor hem.
"Eilaas!" zeide Vrouw Aye en Adelaert, "hoe zeer rouwt mij deze vaart! nu zijt gij in mijn huis belegerd van den Koning; doch, lieve Kinderen, doet mijn raad; hij zal u voordeelig zijn. Gaat, in wolle en barvoets, tot den Koning; en valt hem te voet; uw verwanten zullen u helpen bidden."
Zij deden dat hun moeder hun ried, en namen malkander bij der hand, en gingen, wollen en barvoets, na den heire. Zoo haast men ze vernam, wierden zij gevangen en voor den Koning gebracht: en als zij voor den Koning kwamen, vielen ze op hunne kniën en baden hem oodmoedelijk, bij de liefde Gods, dat hij hun genade doen wilde, en zeiden, "wat zij gedaan hadden zouden zij beteren, zoo veel zij vermochten met ziel en lijf, opdat zij ter zoene mochten komen."
Koning Carel gaf bevel, dat men ze binden zoude; hetwelk terstond gedaan werd: want hunne handen en voeten werden 't zamen gebonden, zoo dat 'et bloed den nagels uitsprong. En als Vrouw Aye dat zag, was haar wee te moede, en zij viel voor des Konings Voeten op haar kniën en bad hem, met heete tranen, dat hij haar gave heure Kinderen.
Koning Carel was onverbidbaar, maar zeide, 'dat hij ze houden zoû zoo lange dat hij Reinout mede had, om ze te zamen de welverdiende straf te doen ondergaan.' De Koning voer met zijn volk weder naar Parijs, en dede de broeders zorgvuldig bewaken.
[1] _Bordeas_: Bordeaux.
[2] _winket_--deurtjen in eene poortdeure.
HET DERTIENDE CAPITTEL.
Hoe Reinout bij Parijs kwam met Beyaert om zijn broeders te verlossen, en zond een bode aan Carel of men de zoene mocht treffen. En wat zoen hij den Koning dede bieden met den bode.
Met groote droefheid en onrust in het herte, was Reinout weêrgekomen te Montalbaen; hij beklaagde zeer zijn lot, dat hij zoo van zijn broeders had moeten scheiden. Hij had ook gehoord, dat Koning Carel ze gevangen had, en zich voorgenomen ze ter dood te brengen. Het was al in rouwe om de Heeren, al dat te Montalbaen was.
Reinout wapende zich en dede Beyaert bekleeden en zadelen, en zat op het Ros. Hij vertrok van Montalbaen en reed naar Parijs, zeer beklagende zijn ongeluk en zeggende in zich-zelven: 'wáar dat hij mijn broeders brenge om ze te dooden, ik zal ze nemen, of zelf 'et leven laten!'