Karolingsche Verhalen

Part 6

Chapter 64,093 wordsPublic domain

Als Lodewijk aldus den prijs van den steenworp hadde boven allen, zoo zeide hij tot Haymijn met hoogmoedige tale: "Wat zegdy nu, gij stugge grijskop? Waarom haalt gij nu niet uwen zone Reinout? gij zegt, hij zoude mij den steen ontwerpen! Die u recht deed--hij zoû u trekken bij den baard, dat u de oogen verkeerden in het hoofd. Waarom haalt gij nu Reinout, uw zone niet? waar wacht gij op! Uwe woorden zullen u beschamen, om dat gij uw zone geprezen hebt boven alle de Heeren van het land." Deze honende tale verwarmde Haymijns bloed: "Ik zegge u, Koning Lodewijk!" sprak hij, "gij zijt niet zoo koen, dat gij uw hand zoudt slaan aan mijnen baard: want nimmer trokt gij uw hand en arm weder tót u."--"Grijze dief!" zeide Koning Lodewijk, "loopt henen tot uw zone Reinout, en doet wat gij gezegd hebt! laat hem den steen om het verst met mij werpen."

Toen Haymijn van Lodewijk aldus smadelijk toegesproken werd, barstten hem de tranen uit de oogen. En hij kwam in den boomgaard bij zijne kinderen, die er zaten met Vrouwen en Jonkvrouwen, en blijde waren. Toen Reinout zijn vader bedroefd zag en dat de tranen hem over de wangen liepen, liet hij aanstonds zijne vreugde, kwam tot zijn vader, en zeide: "Vader! wat is u misdaan?--ik zal 't wreken, als zoû ik lijf en goed verliezen."

Haymijn, de Grave, andwoordde zijn zone Reinout met doffe stem: "Ik stond in den boomgaard bij Lodewijk, en daar begon hij vermetelijk te spreken, en zwetste, dat niemant zijns gelijk en was in kracht, schoonheid en edele geboorte, en des beroemde hij zich ten tweeden male. Ten leste mocht ik dit niet meer verdragen, en zeide tot hem, 'dat er nóg een was van twintig jaren, die, wilde hij zijn kracht doen, den steen zoo ver zoude werpen als hij. Toen deed hij zijn mantel in arren moede af, en ontwierp de genen, die er waren, een voet. Daarop sprak hij mij smaadlijk toe, en schold mij 'grijzen dief: is 't, dat gij dit niet wreekt, en den steen om het verste werpt met hem---ik zal het besterven. Dies bid ik u, zone, doet mijn wensch, en laat mij geen leugenaar blijven."

--"Vader," andwoordde Reinout: "dat ware niet behoorlijk. Lodewijk is onze Koning; de trotsche woorden, die hij sprak, en zijn hovaerdige daden komen toch uit zijne jonkheid voort: en wat hij misdoet, zijner jonkheid wege, dat betert ons zijn vader."

"Zal ik dan een leugenaar blijven?" riep Haymijn met hartstochtelijke droefheid; "mij waar liever, dat ik storve! Ik zeg u, zone! wilt gij den steen werpen, ik zal u Beyaert in eigendom geven."

Ten laatste werd Reinout geschokt en vertederd door het lijden zijns vaders: "Welnu," riep hij, met ontwaakte drift: "Vader! ik zal met hem in wedstrijd gaan, en hem den steen verwerpen, al ware hij de Duivel!"

Met deze woorden sprong Reinout op, en ging met zijn vader waar Lodewijk was. Zijne broeders volgden hem en menig Edelman met Vrouwen ende Jonkvrouwen, om het werpen van den steen te zien.

En Haymijn met zijne Kinderen kwamen ter plaatse daar de steen lag. Reinout nam den steen op, en wierp hem een halven voetstap verder dan Lodewijk. Deze werd toornig toen hij met eigen oogen gezien had van Reinout, wat geen der andere Edelen had bestaan; hij liet Reinout zijn worp overdoen--en zag nu dat Haymijns zone den steen verder wierp dan hij!

Haymijn zeide tot Reinout: "Zone, ik bid u, denkt om uwe eer." Lodewijk wierp zijn mantel in grammen moede daarheen, zett'e zijn kroon van het hoofd, en beval, dat men hem den steen brengen zoude; 't welk terstond gedaan werd: hij nam het zeer euvel, dat Reinout hem den steen ontworpen had.

Lodewijk nam toen den steen en wierp verder dan Reinout.

Reinout nam den steen en wierp dien nog verder dan Lodewijk.

En Lodewijk nam den steen nog éen maal--en konde hem zoo ver niet werpen als Reinout; hoewel hij zulke kracht deed, dat hem het bloed te neuze en monde uitsprong.

Haymijn zag naar Reinout--dat hij zijn krachten aan den steen zoude toonen.

Toen deed Reinout zijn mantel af en bad Ritsaert dat hij hem den steen langde: hetwelk hij dede. Als Haymijn, de oude, zijnen jongsten zone den steen zag aanbrengen, stond hij op, en lachte.

En Reinout nam den steen, en wierp hem met zulke kracht, dat hij den steen wierp drie voetstappen verder dan hij te voren gedaan had, hetgeen menig Edelman verwonderde. En Haymijn strekte de handen uit en riep: "Wees gezegend, mijn Kind Reinout!"

En alle die daar waren, jong en oud, Vrouwen en Jonkvrouwen, gaven Reinout den prijs.

En Lodewijk stond daar met grooten nijd in het harte en zeide: "Dwazen, die ge zijt! dwazen, die een huurling--die om geld gehuurd is (deze hier geve hem al uit voor zijn zoon!)--dus lofprijst! Een grove dorper zij soms zoo sterk als een Edeling--des is hij nog geen prijzens waerd."

Hiermede keerde zich Lodewijk om, en ging van daar. En Haymijn zeide tot Reinout: "Mijn zone, nu is Beyaert uw eigen."--Toen lachte Reinout en zeide: "Vader, ik dank u innig, dezer gifte!"--"Zegt mij, zone!" sprak Haymijn toen, "hoe kost gij uw kracht nog zoo inhouden? Hadt gij ze ten volle getoond--ge hadt Lodewijk dan steen nog een voetstap méér ontworpen."

En Lodewijk hoorde deze woorden, en schaamde zich dieper; en spoedde zich voort, met rouw en bitterheid in 't harte.

Toen kwam hem in 't gemoet Guweloen, Heredriet, Macharis, en Fouke; dat waren trouweloze Ridders en Lodewijks naaste raadslieden; den Koning groetende, vraagden zij hem wie meester was gebleven aan den steen? Lodewijk zweeg, en andwoordde niet. Toen zeide Macharis: "Ik zie wel wat u deert: Reinout heeft u leed gedaan; maar ik weet goed raad voor u. Wilt gij uwe eere herwinnen, zóo dat elk u prijzen zal--gaat dan in den boomgaard, neemt Haymijn in uw armen, dat 't al de Edelen zien, Vrouwen en Jonkvrouwen; en zegt met loosheid en luider stemme: 'God en zijne Lieve Moeder zij dank, Haymijn! die u verleend heeft zulken schoonen en moedigen zoon, dat hij alle Edelingen te boven gaat in schoonheid en kracht; als hij wel betoond heeft aan den steen.' Als gij dit gedaan hebt, zal elk u prijzen en tot uwe eere spreken; dan zult gij zeggen tot Adelaert, dat hij u volge in een kamer der burcht; als gij hem daar bij u hebt, zult gij tot hem zeggen, dat hij met u schaken zal. Wil hij het niet doen, zoo zegt, dat hij zich beroemd heeft het beter te kunnen dan gij. En wil hij dan daartegen opkomen--zoo zult gij zeggen, dat drie van ons het gehoord hebben; en is 't van noode--wij zullen er nog wel meer toe krijgen, die het zelfde zullen zeggen. En dan zult gij maken eene over-een-komst, dat hij, die op den andere wint vijf spelen na elkaêr, zal hebben gewonnen des anderen hoofd, en dat dit niet te verdingen zal zijn met eenig goed. Zoo haast gij de vijf spelen op Adelaert gewonnen hebt, zoo zult gij hem 'et hoofd afslaan en niet laten verdingen[8]. En aldus moogt gij dan van de schande, die u gedaan is, baat ontvangen, en dan zal, daardoor, niemand meer zoo vermetel zijn, die iets tegen u zal durven doen."

Lodewijk deze woorden hoorende van Macharis, dacht 'et hem goede raad, en zeide: "Macharis, gij hebt wijs gesproken: want daar is niemant, die 't schaakbord beter verstaat dan ik."

Lodewijk deed gelijk hem de trouwloze geraden had. Hij stond voor een venster en wenkte Adelaert met een handschoen. Als Adelaert (de Drossaart) dit zag, dat hem de Koning wenkte, meende hij dat hij wilde drinken. Adelaert ging in den wijnkelder en tapte van den besten wijn, en schonk een gouden schale vol en bood ze den Koning Lodewijk, zeggende: "Heer Koning, drinkt van dien wijn; het is de beste dien gij van daag gedronken hebt." En Lodewijk fronste 't voorhoofd, en sloeg de oogen neder en sprak niet.

Als Adelaert zag dat Lodewijk verstoord was, deed 'et hem leed, hij wist niet wat te doen, en zeide: "Heer Koning, heeft u iemant te kort gedaan, dat gij wreken wilt, zegt 'et mij?" Als Adelaert deze woorden tot den Koning zeide, sloeg hem Lodewijk de schale uit de hand, dat ze tegen den muur sprong.

Toen wilde Adelaert heengaan, als hij den jongen Koning zoo verbolgen zag; maar Lodewijk sprak met verborgen woede: "Ik meende te hebben vrienden en magen, die mij getrouwelijk in nood beschermen zouden: maar mij dunkt het zijn hier alle mijn vijanden! 't Was Ritsaert, Adelaert en Reinout geen eere genoeg, dat Reinout boven mij had den prijs van den steen--maar gij, Adelaert, hebt u vermeten, dat gij zijt mijn meester van den schaakspele; aldus verhieft gij u en vernederde mij. Is het wonder, dat ik toornig ben?"

Adelaert keerde zich aanstonds weder tot Lodewijk en zeide: "Des neem ik God tot getuige! dat ik nooit gedachte gehad heb die woorden te spreken: en, ik zweer 'et bij 't gebeente van St Dionijs, ware er iemant die 't mij staande wilde houden, ik dede 't hem loochenen in eenen strijd!"

--"Van dat wapenspel kan niets komen," zeide Lodewijk--"maar ik eisch, dat ge mij volgt in een kamer--daar zullen wij een ander spel beginnen." Toen nam Macharis Adelaert bij der hand, en gingen samen met Lodewijk in de kamer; en als zij in de kamer kwamen, zoo was daar Guweloen. Toen zeiden Macharis en Guweloen, dat Adelaert zich vermeten hadde beter te kunnen schaken dan Lodewijk. Nog waren daar zeven Graven die des mede oorkondden, en zeiden dat het waar was.

Adelaert werd daar in de kamer omringd van de Edelen, opdat hij hun niet ontgaan zoude. Toen ging Adelaert tegen Lodewijk over zitten, en men bracht een schaakspel, dat kostlijk en kunstrijk was van werk.

Lodewijk zeide tot Adelaert: "Alzóo zullen wij spelen: Wie het eerst zijn weêrpartij vijf spelen achter-een afwint, zal hebben des anderen hoofd."

Adelaert stond op: "Heer Koning!" zeide hij, "ik en speel om zoo kostelijken pand niet; ook ware 't schande dat gij, Koning, uw hoofd zett'et tegen 't mijne; maar wilt gij spelen om kasteelen of sloten--dat doe ik gaerne!"

Lodewijk antwoordde: "Ik ben een Koning, en moet mijn woord houden: ik zweer u bij mijner kroone, dat ik om geen ding ter waereld spele, dan om uw hoofd en 'et mijne!"

Adelaert werd des droevig, en zeide met zoete woorden: "Wel dan in Gods Name--moet het zoo zijn!" Toen zeide Guweloen in hem-zelven: "nu hebbe ik mijn wil, want ware Lodewijk dood--ik droege nog eenmaal de kroon te Parijs." Lodewijk had den eersten zet--om dat hij des daags Koning gekroond was. Elk dede zijn beste. Lodewijk nam Adelaert een Ridder[9]; zij namen elkander een Oude[10]. Adelaert zei: "God ontferme zich mijner! mijn ongeluk is groot."

De Koning won op Adelaert drie spelen ná elkander, en zeî op trotschen toon: "Had uw broeder den prijs van den steen--hier blijf ik uw meerder: in waarheid, ik voorzet 'et u--ik zal hier ter stede u 'et hoofd doen afslaan." Adelaert zuchtte, sloeg de oogen neêr en zeide: "O Koning, zoo gij mijn hoofd wonnet--en zoude ik 'et niet mogen verdingen?" De Koning zeide: "Neen gij, Adelaert! al gaaft gij mij al uw goed daarvoor, ik nam 't niet voor uw hoofd: dat zeg ik u bij mijn trouw!"

Nu sprak Adelaert in zich-zelven, en zeide: "O Heer! ik smeek u, om uw bitter lijden en dood, dat gij mij de genade geeft, dat ik zonder schande van mijn neve keeren mag." Zij zett'en hun spel uit alzoo 'et hun goed dachte. "Ik schake u, en mat u met een Rots[11]," zeide Adelaert, en nam hem een Ridder. De Koning werd toornig, als hij zag dat hij het spel verliezen moest. Adelaert zeide: "Men moet van twee kwaden het beste nemen: beginnen wij op nieuw, en trekt vóór, Heer Koning!"

Adelaert speelde scherpelijk, en matt'e den Koning met een Ridder. Met de volgende spelen mocht de Koning zijne schade niet beteren. En Adelaert won vijf spelen achter-een.

Als Adelaert had gewonnen, was hij vrolijk van herte en stond op, zeggende tot den Koning: "Heer neve, nu weet gij, dat ik uw hoofd heb gewonnen! maar ik begeere 't niet: alleen bid ik u, dat gij niet meer speelt om zoo kostelijken pand. Ik zegge u, die dezen raad u gaf, hem verdroot uw leven."

De Koning nam deze woorden zeer euvel, sloeg Adelaert het schaakbord in 't aangezicht, dat hem neus en mond bloedden en zeide: "Valsche dorper, zegt gij dat tegen mij?" Adelaert was droevig, en had zich gaerne verweerd, maar hij en had niet waarmede. Hij nam zijn mouwslip en hield ze voor zijn neuze, en ging in den stal daar Beyaert stond.

Niet lang was hij daar geweest, of Reinout kwam daar binnen. Als hij Adelaert bloeden zag, gloeiden zijn wangen van toorn, en zeide hij: "Wie heeft u geslagen?"

Adelaert andwoordde: "Niemant!"--"Ik hoor u liegen, broeder! Gij zult 'et mij zeggen, of ik tref den eersten dien ik bereiken mag." --"Broeder!" zeide Adelaert, "ik heb mij neus en mond te bloede gestooten aan een balk; 't was hier in den stal."

Reinout zeide: "Broeder! 't en is zoo niet!" en toog zijn zwaerd. Adelaert zag, dat Reinout hevig vergramd werd, hij viel hem aan de borst en riep: "Om Gods wille betoom dy! Het was aldus: ik kwam in den stal, om dat ik Beyaert zoude geven koorn en hooi; als ik er bij kwam, sloeg 'et mij onvoorziens voor mijnen mond, dat ik er aarde viel." Reinout dit hoorende zeide bleek: "Adelaert! gij liegt! of heb ik Beyaert niet zóo gewend, dat hij mijn broedei niet zal misdoen? Spreek! of ik vergrijp mij aan u-zelven...." en hij vatte Adelaert bij den haire ende hief het zwaard op.

Als Adelaert dit zag, wierd hij vervaerd, en riep: "Genade, edel broeder, ik zal 't u zeggen, al zoû ik er om sterven--maar niet van uwe hand! Heden, toen gij den prijs hadt van den steen, was Lodewijk beschaamd en verstoord, en ging in de zale en wenkte mij; en als ik 't zag, nam ik wijn mede, of de Koning had willen drinken. Toen ik daar kwam vond ik Guweloen, Macharis en Heredriet; en toen ik den Koning drinken bood, sloeg hij mij de schale uit der hand. Toen wilde ik gaan; als ik gaan zoude, klaagde hij over ons en zeide, 'dat ik mij 't schaakspel vermeten had beter te kunnen dan hij;' ik wendde mij toen weer om, en zeide, dat ik onschuldig was, en wilde 't mij iemant staande houden--ik dede 't hem loochenen in een perk! Toen nam mij Lodewijk bij der hand, en leidde mij in een kamer; daar zeiden Macharis, Guweloen, en Heredriet, dat zij mijn overmoedig woord gehoord hadden; en daar waren zeven Graven, die 't mede zeiden. Daar ging Lodewijk tegen mij over zitten, en ik moest een spel met hem beginnen. Daar werd gebracht een schaakbord, en Lodewijk zwoer bij zijn Kroone, dat hij om geen ding spelen en zoude, dan om de kans, dat wie van beiden den andere vijf spelen achter-een zoû afwinnen, hebben zoude des anders hoofd. Ik won op Lodewijk het eerst vijf spelen achter-een, en ik zeide, dat hij niet meer spelen en moest om zoo dieren pand, en dat hij kwalijk dede, die 't hem ried. Daarover werd Lodewijk toornig, en sloeg mij met het schaakbord in 't aangezicht. Des was ik droevig, en ging van daar."

Reinout sloot de tanden op elkander, en zeide tot zijn broeder: "Zulke dieren pand als 'et hoofd eens Konings wil ik hier achterlaten."

[1] _Drossaart_:(hier) huismeyer, spijsverzorger, scbotelschikker.

[2] Deze tocht van de Vier Heemskinderen naar Parijs wordt gewoonlijk voorgesteld op den titel van het oude verhaal. 't Is jammer, dat Dr. J.C. Matthes, alleen Reinout op Beyaert laat zitten: bl. 23.

[3] _Markgrave_ beteekent eigenlijk een Graaf, die grensbewaker is; hier zoû het zijn--bewaker van den afstand tusschen Lodewijk en het volk.

[4] _bezant: een_ muntstuk.

[5] _Poelgiën_, Apulië.

[6] _Angrico_, Angers.

[7] _ontwierp hem een voet_: wierp een voet verder dan hij.

[8] _te verdingen_: af te kopen.

[9] _Ridder_: paard.

[10] _Oude_: raadsheer.

[11] _Rots_: kasteel.

HET ACHTSTE CAPITTEL.

Hoe Reinout--Lodewijk het hoofd afsloeg, dat het bloed in Carels aangezicht sprong; en hoe Haymijn gevangen werd, en Koning Carel hem wilde doen hangen; en hoe Haymijn zijn Kinders afzweert, en belooft, dat hij ze Koning Carel gevangen zoû leveren.

Reinout en Adelaert gingen samen tot hunnen vader, en klaagden hem, hoe Adelaert met Lodewijk gevaren was--van 't begin tot het einde. Toen Haymijn dat hoorde, werd hij als verwoed, en beval dat elk zich wapende, en men de paerden heimelijk uit der stad leidde; dat men 't in Hof niet en vername. En Haymijn toog haastelijk met al zijn volk uit der stad.

Reinout heette Adelaert Beyaert te zadelen en naar buiten te leiden, en als alles' gereed was, zeide Reinout: "'t Koste wat 'et wil--ik zal 'et hoofd van Lodewijk, den Koning, hebben." Met deze woorden wapenden zich Reinout en Adelaert, en togen hunne kleederen over het harnas en sloegen een mantel om, en hielden in de hand een bloot zwaerd, dat zij verborgen. Aldus gingen zij ten Hove.

Inmiddels waren Edelen en dienaren meest gekomen uit den boomgaard in der zale, en Lodewijk stond voor zijn zetel, en gaf elk zijn leen.

Toen kwamen Reinout en Adelaert in de zale; en Koning Carel stond bij Lodewijk; en ieder schikte zich, om Haymijns kinderen door te laten. Toen Reinout en Adelaert bij Koning Carel kwamen, groetten ze hém eerbiedig en minnelijk, en Lodewijk niet. En terstond greep Reinout--Koning Lodewijk bij den hoofde en sloeg et af, en nam het hoofd bij de hairen en wierp 'et tegen den muur, dat 'et bloed in Koning Carels aangezicht sprong.

En zoodra de Koning den schrik van zijn zone zoo deerlijk voor zijne oogen vermoord te zien, te boven was gekomen, sprong hij voorwaards en riep in eenen strijd van droefheid en woede: "Op, gij, Edele Baroenen! die mij nu lief hebt, helpt mij wreken de dood van mijn zone!" En het geheele Hof was in roere, en alle de Baroenen en Ridders wapenden zich haastelijk, velen waren Reinout nagevlogen, die het in de ontsteltenis en verwarring ontkomen was. En met Adelaert ruimde hij de stad, en reden naar hun vader, daar hij lag met 800 mannen wel voorzien van wapenen, op een schoone vlakte.

Daar riepen zij met luide stemmen: "Vader, laat ons vliên!"--"Geef mij Beyaert," zeide Reinout: "want ik heb Lodewijk 'et hoofd afgeslagen; het vlieden is ons geen schande--want Carel is onze Koning!"--"Dat en zal niet gebeuren!" riep Haymijn: "Ardennen en Nerboen en plegen niet te vlieden of te wijken: Ik zal blijven op 'et veld, en verwachten wat mij overkomen mag. Ik zal strijden tegen Koning Carel; en is 't dat iemant vliedt, ik zal hem doen hangen bij de keel!"

Daar was elk strijdens reê; Reinout zat op Beyaert--vertrouwen en blijdschap straalden uit zijn oog, want hij voelde, dat 'et Ros, hem verstond en liefhad; zijn broeders zaten op andere schoone paerden, en blaakten en blonken van moed, als mannen die zich verweeren wilden, en hun vijand klein achtten.

Aldus reden zij den Koning tegen. En Reinout zag den Koning rijden naast den gene, die den standaart hield: hij gaf Beyaert de sporen, en stak den Koning met zulke kracht door schild en halsberg, dat hij van den paerde viel.

Reinouts broeders reden meê in den hoop en deden wonderen met den zwaerde; nochtans zouden zij reeds in den aanvang gebleven zijn, hadde Haymijn hun vader hen niet ontzet, die met zijn volk kwam aandraven en menigen vijand onder den voet reed.

Koning Carel, hersteld van zijn val, gebood, dat men Haymijns volk in het heir omsluiten zoude. Als Haymijn dit zag, riep hij: "Hier mag niemant vliên! elk weere hem vromelijk!" En Haymijn vocht zoo lang, dat hem al zijn volk afgeslagen was, maar hij en zijn Kinderen zaten nog op hunne paerden. Haymijns paerd werd doodgestoken, zoo dat hij vallen moest.

Reinout meende, dat zijn broeders gevangen waren, want hij zag ze nergens; toen stak hij Beyaert met sporen, en het sloeg en beet vervaerlijk om zich rond, zoo dat 'et menig man om hals bracht. Aldus doorbrak Reinout de scharen; hij vindt zijn broeders; de overmacht dringt hen dérmate dat zij vlieden; de overgeblevenen van Haymijns heir volgen hen; de rossen der broeders bleven dood, zoodat zij te voet waren. Reinout beval hen op Beyaert te springen; en zij namen hun zadels en leiden ze op 'et Ros, en sprongen daar op, en namen de vlucht, zoo snel dat hen het heir niet volgen mocht. Als dat de Koning zag, was 't hem zeer leed.

Nog stond Haymijn daar en vocht, en weerde hem vromelijk; daar was er veel aan 's Konings zijde, die het jammerde en hem noode zoû zien sterven. Eindelijk riep Bisschop Tulpijn hem toe en zeide: "Haymijn! geeft u gevangen!" Haymijn sprak: "Dat zij zoo, Heer Bisschop, mids het, met 's Konings wil, in uw geleide mag wezen." Terstond reed de Bisschop tot den Koning en zeide: "Wil ik Haymijn vangen?" De Koning antwoordde: "Indien men hem ving--ik dede hem ter dood brengen." Echter ving de Bisschop Haymijn, en leidde hem in vaste hoede met zich. Als dit gedaan was, zat de Koning ten richterstoel, bande Haymijns Kinderen uit heel zijn Rijk, en zwoer, dat hij Haymijn zoû doen hangen en Vrouw Aye doen verbranden, 'om dat zij den moordenaar van zijn zone Lodewijk gedragen had'.

Koning Carel gebood Fouke van Parijs, dat hij Haymijn name en hem terstond 'et hoofd afsloege. "Heer Koning," zeide Bisschop Tulpijn, "dat waar groote dorperheid, dat men een gevangene dood zoude slaan: eer dit geschiedde, ik zoude hem helpen met al mijn macht." Toen zeide Roelant: "Zoo zoû ik mede!" Toen zeide Fouke: "Heer Koning, het waar euvel, zoudy hem slaan: want hij is gevangen. Laat hem verdingen: hij heeft heden zoo groote vromigheid[1] gedaan, dat het wonder waar te zeggen." Maar Koning Carel andwoordde: "Ik zal hem doen hangen, en Vrouw Aye doen verbarnen; 't koste dat 't mag."

Toen zeide Roelant: "Heer Koning, dat ware groote schande, deed gij Haymijn hangen en uw zuster barnen." Toen fronste de Koning het voorhoofd: "Zet ook gij u tegen mij, Roelant?"--"Neen ik," zeide Roelant: "maar uwe Heeren zouden het, om u-zelfs wil niet gedoogen, dat men Haymijn ombrachte en uw zuster doodde; zij zouden daar liever alle om sterven en des noods vechten tegen u." Als Fouke deze woorden verstond, zeide hij tot den Koning, "hier is Bertram, mijn zone: ik heb hem zeer lief; of hij iet tegen u misdede, zoude ik dat ontgelden? dat ware immers schande. Al heeft de Grave Reinout en zijn broeders tegen u misdaan, gij hebt hun schoone goederen gegeven, die ze levenslang gehad zouden hebben: laat hun die verbeurd hebben: maar wat wilt gij vader en moeder wijten?"

--"Wil Haymijn," hernam de Koning, "zijne Kinderen afzweren, ik zal hem kwijtschelden." En toen ried Tulpijn aan Haymijn en zijner vrouwe, dat zij 'et doen zouden. En Haymijn zwoer zijner Kinderen dood, bij het hoofd van St Dionijs: 'Ware 't in zijn macht, hij zoude zijn Kinderen den Koning geven, om naar zijnen wille met hen te doen.' Daarmede schonk hem de Koning het leven. Toen riep Carel de twaalf Genoten voor zich, en liet ze zweeren, 'waar dat zij Haymijns Kinderen vonden, dat zij ze den Koning brengen zouden'; hetwelk zij alle beloofden. Hier wil ik zwijgen van Haymijn, en verhalen van zijn Kinderen.

[1] _vromigheid: prouesse_.

HET NEGENDE CAPITTEL.

Hoe Haymijns Kinderen tot Piërlepont en van daar in Spanje kwamen, daar zij geroepen werden bij den Koning Saforet die Heidensch was; en hoe hem Reinout strafte, om dat hij hem zijnen schat onthield, en valt op 's Konings Volk, die hun Koning wreken wilden.

Als Reinout met zijn broeders des Konings heir ontkomen waren, overmids de snelheid Van Beyaert, reden zij met haaste, tot dat zij in 't kasteel te Piërlepont kwamen. En als zij afstegen, vraagden de genen die daar gebleven waren, 'hoe 't vergaan was met hen? en waar hun vader en moeder waren?' Zij zeiden zij wisten niet of hun vader dood of gevangen was, "want toen wij van hem scheidden, stond hij te voet en vocht."