Karolingsche Verhalen

Part 4

Chapter 44,077 wordsPublic domain

Intusschen kende Koning Carel--Haymijn en zijnen magen toe wat zij zouden winnen op de Heidenen[2], dat ze 't vrij houden mochten, zonder van iemant te leen te ontvangen. Als dit gedaan was en Haymijn met zijn vrienden te vreden gesteld waren, ontvangen hebbende wat hun in den zoene beloofd was, ging Haymijn tot Koning Carel, en bad hem vriendelijk 'of 't hem beliefde, dat de Koning bij hem ten Hove bleve en deelname aan zijne bruiloft?' Maar Koning Carel zeide, 'dat hij des niet en dede.' Nu wierp Haymijn zijnen haat op den Koning, nam zijne vrouw met hem, en toog met haastigen en grammen moede van Koning Carel wech, naar Piërlepont; en Koning Carel toog met zijn volk voort van Senlis, en tot Parijs.

En als Haymijn met zijn vrouw en vrienden gekomen was te Piërlepont, toen zeide hij tot zijne Heeren: "Ik zal Hof houden met al mijn vrienden en magen, veertig dagen lang: laat Carel zich dan daarover belgen! en wat zoen hij mij en mijn magen gedaan heeft, ik en houde dien van geener waerde; noch ik en begeer geen vrede, want waar ik iemand van Carels zijde, 't zij vrienden ofte vreemden, kan bereiken, zal ik dien krenken waar ik mag aan lijf en goed!"

Als Haymijn deze woorden sprak, was daar menig Edelman bij, dien 't zeer leed was: maar daar was niemant zoo koen, die er tegen dorst opkomen. En Vrouw Aye viel het zoo hard, dat zij noch eten noch drinken konde.

Toen ging Haymijn zitten ter tafele met zijn vrienden en Heeren. Daar werd elk naar zijn waerde eervol gediend; daar was groote blijdschap en geneucht, zoo dat ieder zijn rouw vergat--maar Vrouwe Aye niet; zij was zoo droevig; dat ze niet in de feestvreugde deelen kon.

Deze Feest duurde tot den avond toe; de Grave begiftigde elk naar zijne waardigheid en verdienste. En dit gedaan zijnde, begaf de Grave zich ter rust. En als hij in de slaapkamer was, trok hij zijn zwaerd in toorne, en leîde zijn vinger op 't kruis van het zwaerd, zweerende, dat hij dooden zoude al de kinderen die van Carels zuster kwamen, en slaan alle Carels magen, daar hij 't mochte. Vrouw Aye, hoorende deze woorden, was zeer droevig, maar zij gedroeg zich als of zij daarom niet en gaf en ging bij haren man te bedde en bewees hem groote vriendschap.

Haymijn en was niet lange op het huis, en toog in de oorloge, daar hij ze wist, naar zijn gewoonte. Vrouwe Aye was dragende, maar hield het geheim, dat het niemant konde weten, behalve eene Jonkvrouwe, die zij het te kennen gaf, en beval daarvan niet te spreken.

Toen zij haar tijd nabij zag, zoo ried haar de Jonkvrouw dat ze in een klooster trekken zoude, en blijven daar tot dat zij bevallen ware van kinde, en dat zij zeggen zoude, dat zij in pelgrimaadje wilde gaan.

Dit gedaan hebbende en in 't klooster wezende, zoo werd zij verblijd van een jongen zone. Men deed dat kind doopen, en werd geheeten Ritsaert; de gevaders waren Bisschop Tulpijn[3] en Grave Willem[4]; en het kind werd heimelijk opgevoed, maar 't hadde brieven bij hem, dat het echtelijk gewonnen was en van edeler geboorte. Men wist echter niet wien 't toebehoorde: want de moeder vreesde Haymijn zeer, en kende zijne wreedheid; zij duchtte, dat hij 't zoude dooden, ware 't, dat hij 't vernam.

Inmiddels is Haymijn t'huis gekeerd en had gevochten op de Heidenen; hij was eigenwillig uitgetogen, en door niemants bede noch bedwang. Op den zelven dag als Hayman, kwam Vrouw Aye mede op het huis en hadde haar kerkgang gedaan.

En later heeft zij nóg een zone gekregen, en dien droeg zij zeer in 't verborgen en lag weder in 'et klooster, zoodat 'et niemant wiste; en dat kind werd gedoopt en Writsaert genaamd en heimelijk opgevoed.

Daarna ontving zij den derden zone; hem werd gedaan als den anderen, en Adelaert werd hij genaamd.

Toen is Haymijn weder in de oorloge getrokken, daar hij zeven jaar bleef. Dies had Vrouwe Aye groote rouwe, want daar was tijdinge gekomen dat Haymijn dood was.

Ter wijlen dat zij de rouwe dreef, kwam Haymijn th'uis, op zijn gewapend paard, zijn schild aan den hals, zijn baniere ontploken. Als de Vrouw hoorde dat Haymijn kwam, ging zij hem tegen met een vrolijk aangezichte, en nam hem in haar armen, en kuste hem vriendelijk, en heette hem wellekom. En als Haymijn zijn vrouwe zag, was hij, hoe gewond ook, blijde in zijn gemoed, en steeg van den paerde, en ging met haar in de zale.

En Vrouw Aye droeg Reinout, die zij mede heimelijk opvoedde. Aldus had Haymijn vier kinderen dat hij 't niet en wist; de jongste van de Vier was groot en sterk boven al de andere, gelijk een valk boven den sperwer.

Te dezer tijd had Koning Carel een zone, geheeten Lodewijk. Deze zone en Reinout waren van éenen ouderdom, en éener grootte; maar toen zij vijftien jaar oud waren, ontwies Reinout Lodewijk een voet.

Deze Lodewijk werd naar huis ontboden, om oorzaken die ik thands verklaren zal; hier wil ik van Reinout zwijgen en schrijven van Koning Carel.

[1] _Roeland_:'s Konings neef, zijn beroemdste Paladijn.

[2] _Heidenen_: Sarrazijnen, Saxers en Lombardiërs.

[3] _Bisschop Tulpijn_: mede een van Carels Pairs of Genoten, die den Rijksraad uitmaakten.

[4] _Willem_: Willem van Oranje, in de Legende de H. Willem van Gellone.

HET VIJFDE CAPITTEL

Hoe Koning Carel zijn zone Lodewijk woû doen kroonen Koning van Vrankrijk, en hoe Bisschop Tulpijn des niet wilde toelaten, 't en ware, dat de Grave Haymijn mede ten Hove kwame; en hoe om den Grave gezonden werd; en hoe den Grave Haymijn van zijn vrouw gezeid werd, dat hij vier Kinderen hadde--'t welk hem zeer verwonderde--en hoe hij hem bereidde ze Ridder te slaan.

Het is gebeurd, dat 'et ging tegen Pinxteren, en dat Koning Carel Hof hield als hij gewoon was, en had ontboden alle de Edelste, Geestelijke en Waereldlijk; als den Paus, de Patriarchen, Bisschoppen, Koningen, Hertogen, Graven en in zonderheid de Twaalf Genoten. En als zij bij hem in de burchtzaal waren gekomen, zoo heeft Koning Carel eene stilte doen gebieden, en is opgestaan, zeggende: "Gij, Edele Vorsten en Baroenen, u is kennelijk, dat ik zeer oud van dage worde--alzoo dat ik voortaan de wapenen niet wel gebruiken kan; noch de groote heerschappije daar ik in ben, niet berechten, overmids de zware lasten daaraan verbonden. Daarom wil en begeer ik, dat gij toestemt en helpt volbrengen, dat ik mijn zone Lodewijk overgeve mijn kroone en land, en dat gij hem kroonet en zettet als machtig Koning: want hij is een vroom jongeling."

Toen sprak Bisschop Tulpijn en alle de Heeren, en zeiden: "Heer Koning, het is waar: maar voor heden wederzeg ik uwen wensch: want al is Lodewijk jong en schoon, en tot redelijken leeftijd--'t en kan nochtans niet geschieden, want uw Hof is niet volmaakt."

Toen sprak Koning Carel met haastige moede: "Wie is hier ontbrekende! Ik hebbe hier binnen mijnen Hove de vermaardste, Geestelijk en Waereldlijk, van heel Christenrijk!"

Bisschop Tulpijn andwoordde: "Heere Koning, ik zegge u voorwaar, hier ontbreekt een der aanzienlijkste, edelste mannen van der waereld; van den hoogsten geslachte; een vrij heerschend man: want hij houdt zijn goed van niemand ter leen. Hij werd van u gebannen vijftien jaren en zes weken: 't was daarom, dat hij menige--overmoedige krijgstocht tegen uw volk deed, met hevige feiten van wapenen: hij sloeg al dood (en roofde en brandde in uw land) wat geestelijk of waereldlijk was; en het goud daar men Gode mede diende op den autaar daar besloeg hij zijn paerden de voeten mede."

En als Bisschop Tulpijn zijn woorden geëindigd had, sprak Koning Carel: "Dat is Haymijn: hij heeft mij dikwijls groot verdriet gedaan; ook enne en weet ik, dat hij met schendige hand de doornekroone onzes Heeren geroofd heeft, die hem op zijn gezegend hoofd gedrukt was, ook stal hij de nagelen daar onze Heer aan het Cruis mede genageld was; ik weet voorwaar, dat hij mij den dood gezworen heeft, en al dat van mij gekomen is. Ik zegge u en beloof 'et God, kende ik iemant van mijn vrienden, magen, of Heeren, die Haymijn eenige hulp of bijstand deden, ik zoû ze doen sterven. Maar wist ik een bode zoo stout, ik zoû hem zenden om Haymijn. Ik bidde van uw liefde, Bisschop Tulpijn, wilt mij hierin raden wat best is; gij weet toch hoe het met mij staat."

Bisschop Tulpijn andwoordde: "Heer Koning, de beste raad, dien ik weet, is, dat gij uw feest en Hof doet verlengen veertien dagen, en zendt terstond om Haymijn een bode met een brief, inhoudende, dat gij hem zweert vrede en vast geleide, op St. Dionysius' lichaam, en stelt tot borge twaalf mannen, de beste van Uw Rijk. Valt het wat zwaar en verdrietig, 't is nochtans met eere gedaan."

Als nu Koning Carel dezen raad van Bisschop Tulpijn gehoord had, dacht die hem goed, en zeî hij tot den Bisschop: "Waar zoude ik iemant vinden zoo koen, die de boodschap durft aanvaarden?"

Toen deed Bisschop Tulpijn voor den Koning komen den stouten Roelant, Willem van Orangiën[1], Bertram, en Bernaert. Als zij voor den Koning stonden, vraagde hun de Bisschop 'of zij de boodschap aannemen wilden?' 't Welk zij gaerne deden. Men gaf hun elk een treflijk paerd met kostelijke tuigen van goud en zijde.

Deze vier Heeren bereidden zich tot vertrekken, en zaten op hunne paerden, die hun Koning Carel gegeven had, en goed waren. Als zij nu te paerd zaten, met een cierlijk golvenden mantel, en met olijftakken in de hand, zoo reden deze vier Heeren met blijden moed en vrolijker herte, zonder eenig toeven, zoo langen tijd, dat zij kwamen in Haymijns land, en zagen Piërlepont, waar Haymijn weder Hof hield met al zijn vrienden: daar waren twee-en-dertig vrome Ridders.

En Haymijn had, te dezen feesten, acht-honderd mannen binnen zijn kasteel, die altijd gewapend waren en voorzien van harnassen: de uitgelezene van zijn volk bewaakten het kasteel van Haymijn, tegen verraad en oploop.

Na de maaltijd stond Vrouwe Aye voor een venster van de zale; zij hield den middenspijl omvangen, en zag ginds in het dal deze vier Ridders komen aanrijden. "Den voorste," zeide zij, "herken ik wel: dat is mijn Heer, de Grave Roelant; en waarlijk is de andere niet de Grave Willem van Orangiën? de derde schijnt Bertram, de stoute en roemrijke Ridder; de vierde is Heer Bernaert. Mij dunkt zij komen herwaards; bij God die mij ten leven riep! ik vreeze, dat zij in hunnen dood rijden. In dit oogenblik wilde ik wel, dat zij waren honderd mijlen ver.--Zij moeten iets gewichtigs te boodschappen hebben."

Toen riep zij den poortier tot zich: "Ga haastelijk, en met Gods hulpe," zei zij, "en neem deze vier hoofdbanden, en geef den beste aan mijn Heer Roelant, en zeg hem, dat zijn moei hem die zond, die hier Vrouwe is; doe de paerden wèl verzorgen, en leid de Ridders in de zaal; zij komen voor den overmoedigsten man der waereld."

Op die tijd zat Haymijn, de oude, onder zijne Baroenen; ieder had op zijn schoot een zwaerd met scherpe snede. Haymijn droeg een schoonen en kostelijken blioud[2] van groene zijde, vercierd met edelgesteente. Hij hield de beenen gekruist over elkaar, leunde met de elbogen op de knieën, en zat daar, of hij Heer over gantsch Christenrijk ware; hij hield het Hof ook dus in bedwang, dat er niemant en was, geen zoo rijke Landsvorst, die spreken durfde, 't en ware met zijn toestemmen.

De vier Ridders dan zijn te gader gekomen in de zale, en bij het binnentreden groetten zij Haymijn heuschelijk, en even zoo de Ridders, Vrouwen en Jonkvrouwen die zij daar vonden. Maar daar was niemant zoo stout in de zale, die zeggen dorst: "Weest wellekom!" Daarna bogen de vier Heeren weder op hunne knieën voor Haymijn; die zich niet verwaerdigde op hen af te zien. Toen zeide Graaf Roelant met zoete woorden: "Wij komen als boden, u gezonden door Koning Carel, die u noodigt, dat gij tot hem komt en kroont zijn zone Lodewijk. Hij kent niemant zoo edel en aanzienlijk als u, die hem de kroone spannen moge; hij heeft daarom zijn hof doen verlengen veertig dagen en veertig nachten. Hij zweert u vrede bij de twaalf beste borgen van Christenrijk."

Haymijn hoorde wel het gesprokene--maar andwoordde niet. Als hij zijne vijanden, in zijn eigen land, daar vóór zich zag, ontging hem al zijn verwe, en zat hij bleek en sprakeloos. Hadde hij ze, met behoud zijner eere, mogen nêerslaan--ze zouden hem niet ontkomen zijn.

Andermaal zeide Roelant: "Spréékt tot ons, Heer Haymijn! dat bidden wij u op genade, en zegt ons of gij het u welgevallig laat zijn Lodewijk te kroonen.--Een dief of gevonnisten moordenaar, zoudt ge, ondanks zijne veroordeeling, toch andwoord geven!"

Haymijn en andwoordde niet. Toen zagen de Ridders elkander ernstig aan. Vrouw Aye, de schoone vrouw, die heusch was en edel, stond nu op, en nam eene gouden schale en goot ze vol van den besten wijn, en zeide: "Drinkt, Heer Roelant, dezen frisschen, koelen wijn; ik wil heden uw schenker wezen en ook mijns Heeren Willems!"

Toen gaf zij, uit de gouden schale, te drinken al dezen Ridders, en heetten ze welkom. Dit vergramde den Grave Haymijn zeer.

Toen zeide Vrouw Aye tot hem: "Spreekt, Edel Heere! en, om uw eigen eer, wilt mijnen magen en den uwen andwoord geven: ze zijn de besten van Christenrijk. Dat gij zoo lange zwijgt--is dorperheid...." En eer zij het woord voleindigd hadde, verhief Haymijn, in toorne ontstoken, de hand en sloeg haar, dat ze ter aarde viel, en niet meer en hoorde en zag. En niemant had durven roepen: "Laat af!" noch er een woord tusschen spreken--schoon haar het roode bloed ten monde en ter neuze was uitgebroken.

En hierbij stonden de vier ridders--Grave Roelant en Bertram de krijgsman, Heer Willem, en Bernaert, en vloekten hunne zwaerden, en zeiden "het was des Duivels bestier, dat zij daar ongewapend binnenkwamen." En zij hieven de schoone vrouw op van den grond. Zoo gaerne zoude de Gravinne een eind aan deze groote veete maken, en haastig riep zij: "Gij Heeren! ik en hebbe geen nood!" De heusche Vrouwe, de zachtmoedige, wischte zich het bloed af, en ging met een vrolijk aangezicht tot Haymijn en kuste hem aan zijnen mond, en omhelsde hem minnelijk, en zeide: "Spreekt, Edel Heere, welbeminde! en geef dezen antwoord!"

En Haymijns gramschap was gekoeld, en hij sprak tot haar: "Wat heb ik te zeggen, beminde vrouwe? Voorwaar, dit getuig ik u: ik ben de ongelukkigste man, die ooit ziele ontving of leven; en gij de ongelukkigste vrouw ter waereld."--"Waarom, mijn welbeminde?" zeide zij.

"Ik zal het u zeggen, Vrouw Gravinnen!" reide Haymijn. "Meer dan twintig jaren heb ik u gehad, en God verleende mij nooit de gratie, dat ik een kind aan u hadde gewonnen, dat nu ter wapene goed zoude zijn en mijn land na mijn dood bezitten mocht. Nu zal mijn goed voor mijnen doodvijand blijven: want ik weet wel, dat hij 'et mijn magen ontweldigen zal. En nu willen zij dat ik hem de kroon zal spannen! dat zeggen zij mij aan! Maar ik haat hem nog meer dan den vader, en dien ik van hunnentwege meester kon worden, dien zoude ik verslaan: en werd ik van hen gegrepen--God weet, dat zij ook mij zonder uitstel zouden dooden. Dies is mijn herte ontrust, en heeft een afschuw van die krooning;... liever offerde ik alles op, dan dat mijn goed hun blijven zoû."

Toen antwoordde de Gravinne: "Grave," zegt ze, "ware 't, dat gij kinderen hadt, luttel of vele--zoudt gij ze dooden?"--"Voorwaar," zegt hij, "ik zweer u bij mijn trouw, dat ik ze allen zoû grootbrengen en behoeden, gelijk een vader schuldig is te doen--zijn lieven kroost, dat hij voor al de waereld bemint!"--"Zoo waren het dan verloren eeden, die gij zwoert, voor vele jaren; waarbij gij verzekerdet, dat gij dooden zoudt alle de kinderen, die wij zouden hebben!"--"Woorden, hetzij door dwang of in verbolgenheid gesproken," zeide Haymijn, "hebben geen waerde. Hadde ik kinderen, zoo kon ik gelukkig wezen: maar neen ik--God betere 't!"

--"Zweer mij bij uw Ridderschap," sprak de edele Vrouwe, "dat gij uw kinderen vreedzaam bejegenen zult--wilde 't geval, dat gij er vondt."

Haymijn verbaasde dit: "Vrouwe!" zeide hij, "dat wil ik gaerne doen; maar gij onderstelt iets, dat ik kwalijk kan aannemen--want ik weet niet, dat mij ooit kinders geschonken zijn."

Toen nam de Edelvrouwe den Grave Haymijn bij de hand en zeide: "Gaat met mij--gij zult ze zien!"

Haymijn, verblijdde zich innig bij die woorden; hij stond op, en ging met haar. En toen hij de vier Gezanten voorbijging, groette hij elk bij name, en heette ze welkom. Hij zeide, 'hij zoû dra te-rugkomen in de zale: maar hij moeste gaan zien zijn Kinderen--daar hem zeer naar verlangde.'

Daarop leidde hem de Vrouwe voor eene steenen kamer, waar de Kinderen waren. Haymijn bleef een weinig voor de deur staan, eer hij binnenging.

Terwijl hij voor de kamer stond en de jongelingen die er in zaten, hier niets af wisten, zeide Reinout, met een overmoedigen zin, daar hij zeer stout en onvervaerd was: "Ondank moet hebben die hier Hofmeester is en Drossaart, en dient ter tafele van eten en drinken!... want wat gerechten dat hij hier brengt, ze hebben alle eerst op andere tafels geweest, en de schotels zijn er half ledig afgenomen; ook hebben wij noch krijgen geenen wijn die goed is.... Ik zegge voorwaar! had ik hier den Bottelier en Schenker, ik zoû ze slaan dat ze er nimmermeer van opstonden!"

Daarop andwoordde Adelaert en zeide: "Broeder, ik bid u, dat gij die tale staakt."--"Wij zeggen hetgeen ons gelieft...." andwoordde Reinout trotsch. "Gij weet wel," sprak Adelaert, "dat onze moeder ons bevolen heeft, dat wij stille wezen zouden. Wij weten wie onze moeder is; maar wie onze vader is, weten wij niet, want onze moeder wil het ons niet zeggen; zij vreest Heere Haymijn, en ik zegge u voorwaar, sloegt gij Haymijns Drossaart, Bottelier en Schenker--hij is zoo wreed en hoogmoedig van zinnen, hij zoû u de hardste dood doen sterven: gewapend volk heeft hij altijd op der zale en in den hof."

Als Reinout deze woorden van zijn broeder hoorde, sprak hij met toornigen moede: "Zoude hij mij doen dooden--Haymijn--die ellendige? des zoude de Duivel hem richten. Ik en geve om zijn gewapende lieden niet een kaf;... ik zoû ze mijn vuisten doen voelen, dat ze neêrduizelden--en dien Haymijn het eerst!"

Deze woorden hoorde de stoute Haymijn, daar hij voor de deure stond, en zijn herte werd verblijd, en hij zeide tot zijne vrouwe: "Voorwaar ik zegge u, dat Kind is het mijne, dat hoor ik aan zijn fiere taal!"

--"En van de anderen twijfelt gij?"

Toen sprak Haymijn: "Ik wil beproeven hunnen moed of ze vroom zijn van herten."

Daarop heeft hij met zijnen voet op de deur gestooten met zulke kracht, dat zij uit de harren brak, en viel neder op den vloer der kamer. Reinout sprong driftig op, en met dat Haymijn binnenkwam, wierp hij hem over een bank, dat hij ter aarde viel, zeggende tot Haymijn: "Wat doet gij hier, oude! ik zegge u voorwaar, wij hebben gegeten: waar gij hier eer gekomen, gij mocht van den afval van onzen disch genomen hebben."

Toen kwamen de andere broeders toeloopen. Als dat Haymijn zag, vervaerde hij hem, daar hij ter aarde lag, en Reinout bij hem overeinde stond met een dreigend aangezichte. Toen riep Haymijn haastelijk en zeide: "Edel jonkman, en wil mij niet slaan--ik ben dijn Vader; van dezen avond zal ik dy Ridder maken." Toen sprak Reinout: "Zijt gij onze Vader?----zoo ware mij leed, dat ik had geslagen."

Het eerste kuste Haymijn--Writsaert aan zijnen mond, daarna Adelaert en Ritsaert; en als hij Reinout kuste drukte hij Reinouts aangezicht hard aan e't zijne, zoodat Reinouts lippen bloedden.

"Wat doet ge!" sprak deze; "waart gij mijn vader niet, zoo zoude 't u euvel bekomen, dat ge mij kwetstet."

Toen sprak Haymijn: "Lieve zone, des ben ik blijde, dat gij der eere waerd zijt Ridder te worden."--"Edel Heere," zeide Vrouw Aye; "wat zij behoeven van Ridderlijke wapenen, dat heb ik doen maken cierlijk en sterk--zoo moget gij rijden met de Kinderen tot mijnen broeder ten Hove."

[1] _Willem van Orangiën_: deze Paladijn, uit het Huis van Narbonne, en Bisschop Tulpijn, die over den Doop van Ritsaert stonden, dienden dus toch den Koning. Verg. boven: "Vrouwe Aye was dragende, maar hield het geheim, dat het niemand konde weten, behalve eene Jonkvrouwe....

[2] _blioud_: cierlijk opperkleed, met of zonder mouwen. Zie Viollet le Duc, op het woord _Bliaut_ (Dict. du mob., III, I, 38--60).

HET ZESDE CAPITTEL.

Hoe de Grave Haymijn zijn Kinderen Ridders maakte, en hoe hij Reinout 'et Ros Beyaert toonde, en deed hem dat berijden, dat vele Heeren aanzagen.

Als Haymijn met vrouw Aye in de zaal waren te-rug-gekomen, deed hij spreiden een groot laken van fluweel, en liet zijn Kinderen vóór hem komen. Ritsaert kwam eerst. Men bracht hem twee gulden sporen, die zeer kostelijk waren; die spande men aan zijn voeten. En Haymijn gordde hem 't zwaerd, en deed hem knielen en sloeg hem in den hals, zeggende: "Ziet op, Ritsaert, weest kloek en vroom, en helpt het bloed Christi wreken, dat hij voor ons aan het Cruis gestort heeft. Ik hebbe voortijds vele ongerechte daden bedreven--dat berouwt mij zeer; wees gij altoos een vroom Ridder, heusch[1] in woorden en Werken. Ik en geve u erf noch land; gij zult het zelver winnen, met uw welsnijdend zwaerd, op Heidenen en Turken. Ik zal u het zwaerd geven, dat mijn vader mij gegeven heeft. Op 't goed, dat ik bezit, durft geen Leenheer aanspraak maken: ik heb t' met den zwaerde gewonnen op de Turken, Gods vijanden; en wat ook gij daarop moogt winnen, moge u God in vrijen eigendom laten: maar eer gij op de Heidenen vaart, moet gij met mij ten Hove."

Toen liet Haymijn--Adelaert komen; hij bracht een zwaerd in de hand, zijn sporen waren gespannen, die kostelijk en goed waren: Haymijn gordde hem 't zwaerd en sloeg hem in den hals, zeggende: "Peinst op God, dien men in den hals sloeg, en hoe hij dat minnelijk verdroeg van de Joden ter onzer verlossing! Ik zeg u voorwaar, daar behoort veel toe om Ridderschap eerlijk te dragen. Ik geve u tijdlijk goed, noch borg, noch kasteel. Wint ze met uw vromigheid op de Heidenen en Turken, maar gij moet ook ten Hove met mij, eer gij vaart op de Heidenen."

Daarna maakte Haymijn--Writsaert Ridder, en zeide hem 'tgene hij den anderen Kinderen gezeid had.

Dat gedaan zijnde, liet hij Reinout komen, die stout en van hoogen moede was; zijn sporen waren hem gespannen. Hij was zoo lang, toen hem Haymijn in den hals zoude slaan, dat hij op een bank moeste klimmen. Toen zeide Haymijn: "Reinout! staat op goed Ridder en hebt den moed van een Espetijn[2]: want hij draagt karbonkelen in zijn hoorn, de zege verbeurt hij nimmer. Reinout, ik geve-u-alleen Piërlepont, Montagu en Valencijn[3], maar gij en zult niet laten op de Turken en Heidenen te vechten."

Toen bracht men daar vier schoone rossen die goed waren, bekoorlijk voor het oog. 't Beste van de vier gaf men Reinout, daar hij op zoude rijden ten Hove; want het was een voet hooger dan de andere drie. Toen Reinout dat ros zag, dacht 'et hem te klein, hij verhief zijne vuist en sloeg 'et ros daarmede tusschen zijne ooren, dat 't dood vóór hem viel. Hij zeide: "Vader, dit is een kleine gifte: dit ros is veel te krank en tenger." Toen de Edelvrouwe Aye dit zag, was zij zeer verwonderd van Reinouts kracht, en zeide: "Gij zoudt ze alle doodslaan, die men u voorbracht."

Maar Haymijn zeide verstoord: "Zwijgt, Vrouwe, van deze woorden; laat Reinout, mijn Kind, zijn kracht toonen! Ik zegge u voorwaar, ik woude dat men hem er honderd voorbracht, en dat hij ze alle dood sloeg." Toen bracht men hem er een uit den stal, dat hooger was dan de andere, en hij sloeg ook dat met de vuist ter neder; daarna bracht men hem een derde, dat uitermate groot was en grover dan de anderen; daar sprong Reinout op, en sprong het de lendenen aan stukken, dat 'et stierf.