Part 19
Hoe ongelukkig is de arme Blancefloer! Ter waereld is er geen kluizenaarster noch kloostervrouw, die zoo weinig om haar leven geeft. Zij weet naauw wat zij doet van droefheid: "Wee mij, rampzalige maagd!" roept zij uit: "hoe rouwt mij het leven! Voor mijn zoeten lief, mijn teedren vriend, den schoonen Floris ben ik verloren! Wat blijdschap was weleer de onze! maar hoe kort van duur! In hoe vele vreugden leefden wij eenmaal! hoe diep moeten wij heden treuren! en dat voor altoos! Het uur, dat ik geboren werd, zij vervloekt! O nijd, dat hebt gij ons berokkend! Indien gij een schepsel zijt, dat gevoel heeft van het goed en kwaad, dat hem geschiedt, moge God u in de diepe helle doen neerdalen, om mij te wreken, O! zeker hebt gij Floris ook gedood, of hem dus gekweld, dat hem het leven rouwt, door den rouwe, dien hij om mij draagt.... Wat zeg ik? om mij? Weet ik niet, dat Floris des Spaanschen Konings kind is! Al heb ik hem dwaselijk lief gehad, ik weet wel, dat hij nooit voor mij bestemd kon zijn, dat ik niet aan hem verbonden werd, en hij te-recht ook niet aan mij--hij is van zoo hooge geboorte, dat ik hem niet waardig ben--maar dit weet ik tevens: dat hij mij bemint--en dat ik hem bemin.... De droefheid zal dan in mijn harte blijven, bij dagen en bij nachten, want gij, mijn uitverkorene, zult in mijn geest wonen.
"Met u te noemen en van u te spreken daar kort ik mijn dagen meê. Ons-beiden zal de rouw niet verlaten. 't Is groote nijd, die ons gescheiden heeft, wel zoete vriend!
"Gode zij lof, die u geschapen heeft! Gij zijt zoo schoon, zoo edel, zoo braaf, zoo in-goed. Waar vindt men er vier in de gantsche waereld, die u gelijken! Gij waart zeker, dat gij mij nimmer verlaten zoudt, en nu moet ik, om uwent-wille, eeuwig zonder blijdschap leven. Dit groote leed, dees diepen rouwe, kom ik niet te boven, dan, Floris, door uwe liefde!"
Zoo klaagde Blancefloer, en had voor troost niet dan de zoete woorden van hare gezellinnen.
Inmiddels, wat is er met Floris geschied? De vader heeft het kwijnend knaapjen verlof gegeven te-rug te komen. Maar hij zal, bij zijn thuiskeer, vragen naar Blancefloer.... Wat hem te andwoorden? De Koningin is droef, maar beraamt toch een plan om Floris op de zachtste wijze er toe te brengen in zijn lot en het verlies van Blancefloer te berusten. Op haar voorstel laat de Koning een prachtige graftombe bouwen, en op doodstraf bevelen, dat niemant in het land den Koningszoon zoû melden, dat zijn geliefde in leven was.
Dit graf, opgericht onder een boom, voor een kerk, was gemaakt van krystal en marmersteen; 't was rijkelijk vercierd met beeldwerken; de goudsmits, die er het beslag toe leverden, tooiden hun werk met kostbare en gebeeldhouwde edelsteenen op. Aan het oppereinde van den zerk plaatste men een beeld, uit fijn marmer gehouwen, met zilver en goud en velerlei kleuren afgezet. Door het schrander overleg der meesters keerde dit beeld zich met gestrekte hand steeds uit in de richting der zon, en als het van deze beschenen werd, waren er ter waereld geen oogen, die er den glans van konden verduren. Zij zett'en midden op de tombe twee gouden kinderbeeldtjens: Het eene geleek sprekend op Floris: het andere stond met een voorkomen of het Blancefloer, zijne vriendinne, ware. Blancefloer had van rood goud eene roze in de hand, die zij haren geliefde aanbood: desgelijks bood Floris eene lelie aan zijne vriendinne. De beide kinderen hadden ieder een gouden kroon op het hoofd. Door kunstige buizen werd de wind op zoodanige wijs in verband gebracht met de kinderen, dat, onder het waayen, het eene zich naar het andere overboog, en zij elkander kusten en omhelsden, tot dat de wind ging liggen, en zij weder stil bleven staan, elkaar wel vriendelijk in de oogen ziende; dan begonnen zij elkander de bloemen te vertoonen, alsof zij samen jokten en speelden en leefden als vroeger. Zóo dachten allen, die er bijkwamen. Vier balsemrijke geurige boomen omgaven het graf. Die boomen waren het gantsche jaar groen, en de vogelkens zongen en quinkeleerden er in, zonder einde noch bedwang. Die er onder stond, hem dachte, dat hij in 't Paradijs ware. Genaakten hen eene jonkvrouw en jongeling, die elkander beminden, en Edel en natuurlijk waren, dan moesten zij aanstonds hunne liefde toonen. Van zulke kracht was daar de zang der vogelen. Naauwelijks hoorden zij 't geluid, of zij liepen haastig tot elkander, en kusten elkaâr vriendelijk. De liefde, waarvan zij daar blijk gaven, was zoeter dan ik uit kan spreken. Maar was 't een dorper of een dwaas, die daar voorbij zoû gaan, dan werd, hij, zoo haast hij den zang der vogelen hoorde, met zulk een angst bevangen, dat hij zich daarna geen minne meer onderstond, maar op staande voet in slaap viel; zoo bezweken hem al de leden.
Die boomen stonden dan daar alle vier om het graf--dat zoo kostelijk was als er nimmer voor Jonkvrouw werd opgericht. Menig rijke en wonderdoende steen was er aan gezet. Met kostelijke lijsten was de tombe omgeven, en op den steen werd in gouden letters gehouwen:
--HIER LEGHET BLANCEFLOER IN DIT GRAF, OP DESEN VLOER, DIE DE JONCHERE FLORIS, DAT SCONE KINT, MET GHESTADEGHER HERTE HADDE GHEMINT.
Het leed niet lang, of Floris keerde te-rug.
Hij reed de burcht binnen, aan de zale stijgt hij af; hij groet zijne moeder en zijnen vader, en alle de anderen. Oogenblikkelijk vraagt hij naar zijne vriendin. Niemant andwoordt, noch durft de waarheid belijden. En toen hij haar niet zag,... toen hij haar miste ... werd hij vreeslijk beangst, en onstelde, en liep haastig ter kamer, waar Blancefloers moeder was.
"Vrouwe," zegt hij, "waar is Blancefloer? Mijne vriendinne die ik hier achterliet?"
--"Uwe vriendinne?... dat weet ik niet."
--"Gij schertst!"
--"Ik doe het niet."
--"Gij doet het!"
De vrouwe voelde eene groote droefheid in haar gemoed, toen zij van hare dochter hoorde spreken.
Floris werd steeds angstiger. "Roep haar mij!" zegt hij, "haastelijk!" De moeder andwoordde nu weder wijslijk en zeide, dat ze niet wist, waar Blancefloer was. Zijn angst klom al hooger: "Vrouwe," zegt hij, "gij doet slecht: toon ze mij, aanstonds! dat ik haar zie!" Toen er geen andere uitweg was, en hij volstrekt iets van haar vernemen wilde, zeide zij, gelijk haar bevolen was, de dochter ware dood en begraven. Dat mocht hij niet gelooven--tot dat zij 't hem bezwoer. "Ai mij!" riep hij uit, "is Blancefloer, mijne wel zoete vriendinne, dood!"
Hij werd rood in het aangezicht; daarna zoo bleek dat zijne kleur als die eens dooden was. Zijne lippen klemden zich op elkaar, hij zeeg zwijmende ter aarde.
De Koning en Koninginne snellen aan. Floris lag geruimen tijd in onmacht, en kwam slechts langzaam tot zich-zelven: "Wee mij," spreekt hij stil, "wat heb ik tegen de dood misdreven dat zij mij vergeten heeft en Blancefloer genomen? Dat was niet wel gedaan! Nog bid ik haar, dat ze mij wechvoere; dat ze mij den weg wijze naar het bloeyend veld der Hemelen; daar verwacht mij hàre ziele! Wat denkt ge--dat de dood mij niet tot vreugde zoû wezen?"
Floris vroeg, dat men hem naar Blancefloers graf leidde. Hij vond daar de letters geschreven, en las:
"--HIER LEGHET BLANCEFLOER IN DIT GRAF OP DESEN VLOER, DIE DE JONCHERE FLORIS, DAT SCONE KINT, MET GHESTADEGHER HERTE HADDE GHEMINT."
Toen zag hij de lachende kinderbeelden. De droefheid greep hem zoodanig aan, dat hij drie werf achter-een in zwijm viel, dat hij noch spreken, noch zien, noch andwoorden kon. Zijn moeder stond daar bij hem. Toen hij weer tot zich-zelven kwam, barstte hij uit in tranen en jammerklachten. "Ach, Blancefloer!" zegt hij, "Blancefloer! sints ik u verliet was ik rampzalig. Wist ik op wien--hoe gaarne zoû ik 'et wreken, dat ik u dus verloren hebbe! Wij waren op éenen dag gewonnen en geboren, samen opgevoed, samen hebben wij geleerd--tot dat we de ure bereikten, waarin men ons verraden en gescheiden heeft. Met recht hadden wij ook op éenen dag de waereld moeten verlaten! Niemant misduide mij, dat ik u klage! Ik ben uitermate droef. Gij hebt mij achtergelaten in rouwe en bittere smart.
"Zoo Edel, zoo volmaakt zag niemant ooit vrouw ter waereld. Gij waart zoo schoon, zoo lieflijk, dat ik 'et niet zeggen kan. Gij waart een spiegel voor het gantsche Rijk: geen vrouw van zoo zachte zeden, zoo schoone vormen, zoo lieflijke oogen, zoo zoeten mond, zoo vriendlijk andwoord, zoo schoone groete! Gij overtroft al uw speelgenoten. Hoe vele vrienden hadt gij u verworven! Allen die u kenden loofden, en minden, en prezen u!... Niemant kan mij misduiden, dat het mij nooit verdroot u standvastige liefde te dragen. In 't geheim beminden wij elkander; in geschrifte of in 't Latijn deed ik u mijn wil, mijne wenschen verstaan; zoo deedt gij ook mij; zoo dat zij, die er bij waren, het niet verstonden.
"O dood, hoe boos en hoe hard is uwe gewoonte en uwe natuur. Gij zijt moorddadig als een roover! Gij haat, die u beminnen! Die in blijdschap is, dien werpt gij ter neder; en tot den ellendige weigert gij te komen. Ik roep u! en gij zijt zoo wreed, dat gij mijne klachte niet wilt hooren: maar ... ik zal u zoeken, en u vinden; eer deze dag ten einde komt, zal ik mij-zelven het leven benemen. Ieder kan zich wel een haastige dood geven. Ik zal mij dooden (ik heb er de macht toe), en varen in het bloemenveld, waar Blancefloers ziele weêr samenkomt met de mijne, en bloemen leest."
Floris haalde een gouden griffel uit zijn gordel, hield dien vóór zich, en sprak: "Dezen griffel deed Blancefloer maken, en gaf mij hem, opdat ik, bij het zien, aan haar denken zoude. Nu ligt mijn troost aan u-alleen. Gij zult mij van mijn leed verlossen; gij zult mij het leven nemen, al werdt gij mij daartoe niet geschonken. Haast u! Doe, wat nu wezen moet!" Met deze woorden keerde hij zich den griffel naar het hart--maar zijne moeder sloeg hem gade en wendde den stoot af.
"Floris," zeide zij, "wel lieve kind, wat hebt ge u in een dwaze liefde begeven, hoe ellendig hebt ge u-zelven gemaakt, dat ge om de minne eener vrouw u-zelven de dood wilt geven en het uiterste doorstaan. Daar is niemant in de waereld zoo uitzinnig of razende, dat hij niet liever in groot ongerief blind, doof en stom zoû zijn en lijden al wat de waereld te lijden geeft,--dan de dood, de bittere dood te ondergaan. Telt gij de stervensangst voor niets?--Meent ge dat het u iets baten zoû, of ge de handen aan u-zelf sloegt? Denkt ge op die wijze in 't bloeyende veld, in 't Paradijs te komen? Neen voorwaar, dat zoû niet gebeuren; daar zult ge langs dezen weg Blancefloer niet vinden. Daarbinnen wordt men zoo maar niet toegelaten; men toetst en proeft en ontzegt de deur, en weigert gehoor dengene, die met zonde bevlekt zijn. Elders zoû uwe woning zijn, gij zoudt ten donkeren afgrond varen, ter helle, waar Biblio en Dido lijden en rouwen en de hoeken vervullen met hunne klachten: die daar eeuwig zoeken en nimmer vinden hunne geliefden, die zij zoo zeer bemind hebben, dat zij er zich-zelf om van kant maakten. Heb goeden moed, gij zult nog geluk in uw leven hebben. Ik houde, dat gij Blancefloer, uwe vriendin, nog levend te-rug zult zien. Ik weet een geneesmiddel, welks kracht, als ik ze aanwend, haar weer levend zal maken."
Toen ging zij, in angst en ontsteltenis, weder tot den Koning: "Heer," zegt ze, "hoe gaarne zoû ik u willen bezweren, dat gij genadig met ons kind handelen zoudt. Zie hier den griffel, dien hij bestemd had hem het hart te doorsteken; had ik 't niet belet, hij ware op de plaats doodgebleven."
--"Vrouwe," antwoordde de Koning, "vrees zoo spoedig daar niet voor. Ik houd het er voor, dat hij zich niet zal dooden. Gij zult spoedig zien, dat hij al zijn verdriet vergeten zal."--"Heer," zegt ze, "dat is onmogelijk. Hij komt dit verdriet niet te boven dan met de dood--niet eer. We hebben geen ander kind dan hem: zoo wij zijn dood te weeg brengen, zal onze schuld niet verborgen blijven, het gerucht zal zich alom verbreiden, en onze schande zal groot zijn."
--"Vrouw," zeide hij, "ik zoû misdoen, indien ik uwen raadslag in dit geval, en ten opzichte van hun-beiden, niet opvolgde."
--"Nu spreekt ge wél, Heer!" zeide zij: "Wij moeten wél aannemen, dat wij ze beiden behouden of beiden verliezen zullen."
--"Ga, zeg hun dan," zeide de Koning, "dat hij geen rouw meer drijve, maar blij en vrolijk zij: want dat de rechte waarheid is, dat Blancefloer, zijne vriendin, leeft."
De Koningin keerde zich om met een lachend wezen: dit was haar genoeg gezegd: zij ging tot Floris in zijn eenzaamheid.
"Zoon," zegt ze, "ween niet. Ik zal u de rechte waarheid zeggen over uwe vriendin: Zij leeft; daar is in het graf--niets. Wij hebben leugentaal gesproken--uw vader en ik--toen wij zeiden, dat ze dood was. Wij hoopten haar aldus van u af te trekken. Wij waanden, als gij ze dood zoudt weten, dat gij hare liefde dan vergeten zoudt en nemen eens Konings dochter. Dat zoû ons liever geweest zijn dan indien ge Blancefloer tot vrouw kreegt: want deze is onedel en christen, en daar uw vader niet wilde toelaten, dat zij uw vrouw zoû worden, daarom wilde hij ze verdoen. Maar op onzen raad liet hij ze leven en deed ze verkoopen ter markt, waar hij ze heenzond. Daar werd ze van kooplieden uit verre landen voor eene groote som gelds gekocht en wechgevoerd in een vreemd rijk."
[Illustratie: Toen zag hij de lachende kinderbeelden.]
"Vrouwe!" zegt hij, "spreekt gij de waarheid?"--"Ja ik," andwoordde zij onbeschroomd: 'ik zal 't u voor uw eigen oogen laten zien."
Toen deed zij eenige jonge gezellen roepen, die moedig en sterk waren; en deed den zerk oplichten. En toen Floris er niets onder vond, dankte hij God: weer stond het leven hem aan; de blijdschap vervoerde hem zóo, dat hij zich aanstonds wilde opmaken en zoeken haar, en vinden, haar, en brengen ze vol vreugde te-rug.
Maar wat moest hij daar niet al voor doen;--wat moeite moest hij niet aanwenden en hoe bitter viel hem deze! Diederik, die de geschiedenis uit het Fransch in het Dietsch heeft overgebracht, zegt ons, dat men er niet vele in 't land zoû vinden, die zouden willen gelooven, dat iemant zoo dwaas, zoo uitzinnig of zoo stijfhoofdig zoû kunnen zijn, die om den wille van welke liefde ook, de stoute daden zoû verrichten, die Floris bestaan zal. Hij is zoo verblijd, dat hij er niets om geeft wat er verder gebeure. Hij gaat tot den Koning; zijne moeder blijft hem immer ter zijde.
Hij gaat deels bedroefd deels verheugd. Het is om Blancefloer, dat hij aldus te moede is. Hij is verdrietig, om dat ze zoo verre is; hij is verblijd, om dat ze leeft.
Zijn vader was beurtelings ontroerd en vertoornd, bij de gedachte, dat hij zijn kind misschien verliezen ging. Hij wilde hem aanvankelijk geen verlof geven. Nog bidt hij zijnen zoon, dat hij blijve; hij zal hem eene vrouwe kiezen, schoon en van hooge geslachte, die met eere de kroon moge dragen.
"Heer," zegt Floris, "als ge mij liefhebt, gewaag daarvan nooit meer. Daar is, behalve haar, in heel de waereld geen vrouw die ik beminnen kan. Hoe meer gij mijn vertrek bespoedigt, hoe eer ik met haar te-rug-kom."
Daarop gaf de vader toe; daar het niet anders zijn kon.
Hij gaf hem zijn liefste paard tot de reize: 't was rood aan de eene, wit aan de andere zijde, wat menigeen groot wonder dacht; zijn hoofd was besprengd met menigerhande bloemen, veel natuurlijker dan of ze iemant daar met verwe had opgebracht. Het dier was schoon en snel, en fier en heerlijk opgetuigd. Floris' moeder gaf hem een ringetjen, daarvan zij hem vele goede eigenschappen verhaalde:
"Lieve kind," zegt zij, "ik bid u, verwaarloos mijn raad niet: als gij dit dragen zult, hebt gij niets te vreezen: noch van wilde dieren, noch van water, noch van vuur, noch van menschelijke wapenen: ja, ik geloof vastelijk, dat wie 't bij zich draagt, vinden zal en zekerlijk verkrijgen, wat hij zoekt, vroeg en laat." Hij dankte zijne moeder van zoo schoone en goede gift, waarmee hij Blancefloer meende te-rug te zullen krijgen en in Spanje binnenbrengen. Hij wilde gaan; maar toen mocht men nog het geween zien en droevig misbaar van vader en moeder: hoe zij de handen wrongen en zich de haren uitrukten. Allen, die daar waren, weenden alsof hij dood vóór hen lage. Maar zijn moeder dreef den diepsten rouw, en kuste hem tienwerf achter-een en zoû het nog méér gedaan hebben, doch de vader trok haar op zijde en kuste hem ook drie maal voor den mond. Zij vreesden altoos, dat zij hem niet te-rug zouden zien. En het geschiedde gelijk zij dachten: want zij zagen hem nimmer weêr.
* * * * *
Floris, wel besloten Blancefloer te zoeken zijn leven lang, ging met vele dienaars en rijkdommen, vermomd als een reizende koopman, te scheep. Met groote moeite vorschte hij de verblijfplaats van Flancefloer uit. Door allerlei middelen geraakte hij eindelijk in Babylonië, de stad, waar zij Blancefloer heen hadden gevoerd.
Maar wat nu nog aangevangen zonder éenen vriend, die hem den weg kon wijzen, welken hij te volgen had! Eene groote mismoedigheid maakte zich meester van Floris. Nog had hij zich door de maaltijd ter herberge, waar hij met zijn gevolg den intrek genomen had, wat afleiding geschonken, en zittende tusschen den waard en zijne vrouwe, deed hij een heerlijken gouden kop brengen, en dien vullen met den geurigsten wijn. Maar zie, het was het zelfde drinkvat, dat in betaling voor Blancefloer had gestrekt, en zoo haast zag Floris er niet op afgebeeld, hoe Helena door Paris uit Griekenland gevoerd werd, of eene groote hitte ging over hem, en daarna zoo groote koude, dat hij beefde, verbleekte en een diepe zucht van zijn harte vlood. Nu sprak de waardinne zachtkens tot haren man, en zeide: "Hebt gij niet opgemerkt hoe treurig dees schoone jongeling steeds is; het is al geruimen tijd, dat ik hem bijna niets heb zien eten. Tracht van hem te vernemen, waarom hij dus droeft." De waard deed wat de vrouw hem ried, en toen zij gedankt hadden over het tafellaken, gelijk men zegt, nam de waard, die Daris heette, het woord en zeide: "Vriend, verberg mij niet, wat leed u overkomen is; schaam u des niet; zeg mij wat u wedervoer: ik zal u ten beste raad schaffen."--"Heer," sprak de vrouw tot haren man, "ik geloof zeker, dat hij de broeder is van Blancefloer, die door den Emir zoo bemind wordt. Het zoû mij niets verwonderen; want ik zag haar van éener gedaante, van éen manier van doen als dezen jongeling. Zij zijn gelijk in manieren, in kleur van gelaat en haren, in vorm van alle leden: tenzij zijn gedaante mij geheel bedriegt, ben ik zeker, dat hij aan de jonkvrouwe verwant is. In dit huis was zij vijftien dagen in groote droefenis en klagen om zekeren Floris, dien zij minde; om wiens wille men haar verkocht en in vreemde landen voerde. Zij dreef uitermate grooten rouw. Toen kocht haar de Emir, en woog haar tien werven in goud den kooplieden toe, die ze hem gebracht hadden. Heere, bezie den knaap ter dege. Voor mij, ik geloof vastelijk, dat deze jonkheere der jonkvrouwe broeder is of haar geliefde."
Bij deze woorden hief Floris het hoofd op; op het hooren van haar naam werd hij in zijn harte zoo verheugd, dat hij in den Hemel geloofde te zijn. "Vrouwe," zegt hij, "niet broeder, maar geliefde!" Toen hem dit woord ontvlogen was, zeide hij plotselijk: "Vrouwe ik heb u misleid: wij hebben éenen vader en éene moeder; wij zijn broeder en zuster." Zoo begon hij te warren in zijne rede. Welhaast echter kwam hij voor de geheele waarheid uit. "Wat hebt gij u onderstaan!" zeide de waard: "geen Koning, die kroon draagt, is er, die zoû durven ondernemen haar den Emir te ontrooven." En daarop beschrijft hem de waard de macht en den rijkdom des Emirs en de pracht en de hechtheid van den Jonkvrouwentoren waarin Blancefloer met hare zeven-maal-twintig schoone gezellinnen bewaard wordt. Honderd vademen is die toren hoog, bij honderd wijd. Hij steekt uit boven alle de anderen; hij is gehouwen uit rood marmer. Hij rijst geheel rond uit de aarde. Het verwelf is binnen van krystal, het dak is buiten gesmeed van staal. De spits is honderd voet lang en van goud gemaakt. Daarop staat een appel, waar honderd mark gouds aangegaan is, en waarop een karbonkelsteen staat, die zoo brandt bij nacht en zoo helder schittert, dat hij der zonne gelijkt. Hij maakt deze plaats zoo licht, dat knecht noch knaap noodig heeft een ontstoken lantaarn of fakkel met zich te voeren. Die hem over twintig mijlen ziet, en er niet van gehoord heeft, meent, dat hij er in eene mijl reizens nabij is. Vier woningen zijn in dezen toren, waarvan ik u verhaal. De vloeren zijn alle van marmersteen en hebben geen ander verband, dan dat er een krystallen pilaar in den midden door elken vloer gaat en tot den hoogsten reikt. Daarbinnen springt een heldere fontein tot de bovenste woning en keert door buizen tot de andere. In de vierde woning, op de hoogste verdieping, daar woont Jonkvrouwe Blancefloer; daar heeft elke harer zeven-maal-twintig gezellinnen heure kamer. In den krystallen pilaar nu steken tappen, daar kunnen zij in hare schalen en bekeren het water uit de buis ontvangen; als zij de tap willen uittrekken. De kamerdeuren zijn van kostelijk en onverbrandbaar ebbenhout, van geurig myrrhenhout zijn de vensters, daar kan geen vlieg, noch mug, noch rupse door; dat verdriet de jonkvrouwen zeer. Zoldering en wanden zijn met goud en lazuur beschilderd, en het is een geleerde bol, die al de geschiedenissen en beelden weet te verklaren, die er van goud op gemaald zijn.
"De jonkvrouwen gaan met een trap langs den pilaar uit hare kameren naar het verblijf van den Emir, dien zij alle, twee om twee, het water en den doek tot wasschinge moeten brengen.
"De portier van dezen toren ziet zeer scherp toe, dat niemant den toren nadere, of het moet blijken wat hij er te doen heeft. In elke der woningen waken vier wachters, boos en wreed en welgewapend. Door tooverkunste zijn ze nacht en dag beveiligd tegen den slaap. Zij zijn altijd gereed, om elk, die zonder behoorlijke rekenschap nadert, dood te slaan, wie hij ook zij. En weet wel, vriend, dat onze Emir gewoon is een vrouw niet langer dan een jaar te houden. Dat heeft hij zijn leven lang gedaan. En dat ze schoon zijn, loont hij haar op vreemde wijs: als het jaar voorbij is, laat hij alle de grooten van zijn rijk bij-een-komen, de vrouw in de zaal leiden en een ridder haar het hoofd afslaan. Met zulk leed moeten de vrouwen des Emirs de eere in 't einde bekoopen; opdat niemant, na hem, aan zijne vrouwe zich verbinden zoû."