Part 18
"Wat?... Onraad?... Wel-foei! Wees niet bang, beste man, Zóo zijn wij het bosch uit----Ons valt men niet ân: "Mijn tasch is te dun om tot roof te bekoren; "Kom, laat mij veel liever uw liedtjen eens hooren.
"Gedraafd en gezongen met vrolijken zin! "Dan halen niet eens die kornuiten ons in." --"Heer ... 'k durf niet;... maar--daar gij 'et wilt--zal 't gebeuren." En bevend begon hij een lied jen te neuren.
Zij draafden vrij hard. Bij het blaadrengeruisch Denkt telkens het knaapjen: 'och, waren wij thuis!' Een windvlaag verheft zich: de kruinen der boomen, Zij spellen den stalknaap: 'ze komen! ze komen.'
En Willem, al zwijgt hij nog wat hij gelooft, Keert somtijds, met zorgende blikken, het hoofd. Daar hoort hij al dichter het trapplen van paarden, Die ginds langs het lover de takken ontblaarden: Het kruisen van stemmen, gevloek en gelach En 't sleepen eens wagens; en eindlijk, hij zag Den een na den ander een zevental ruiters, Dat vlak op hen aanreed: 't zijn moorsche vrijbuiters! "Heer Jezus! wees met ons!" zoo fluistert de knecht, Terwijl hij zich krampig aan 't monnikskleed hecht. En Willem rijdt door. "Sta, gij monnik! bij Mâmêt: "Eer ik op uw rug met den sabel mijn naam zet!"
"Sta, monnik!... Uw buidel!... Voort mannen, dat pak "Van zijn rug! waar hij zeker zijn goud in verstak...." En Willem betoomt zich met moeite van binnen; En andwoordt, als past, met zachtmoedige zinnen: "Dat pak?--'t is mijn dienstknaap! Wat, Heeren, kunt gij "Voor schatten vermoeden in grauwharen pij! "Ik bid--laat mij gaan, en trekt rustig uw wegen!... "Aan 't rooven op klerken is voordeel noch zegen."
--"Wat, klerken!" zoo joelt men: "'t Is juist uws gelijk "Die 't meest ons belemmert!... maar üit heeft uw rijk!-- "Hier mannen, den knaap in die kreek daar gesmeten! "En beiden de plunje van 't lichaam gereten!" Ze ontkleeden den halfdooden stalknaap op steê, Ze binden hem handen en voeten, en reê Den monnik, dien zij met hun vijven omringen, Tot afstappen en ontkleeden te dwingen, Smaalt schaatrend hun hoofdman: "Gij zijt arme bloed, "Gelukkig niet de eerste, dien 'k heden ontmoet.... "Wij hebben daarginder een lijk of wat leggen.... "Zóo varen ze, die zich niet laat gezeggen. "We maakten hun goud, en wat anders nog, buit, "Gepakt in die kar ... 't zag er slecht met u uit, "Zoo de hongrige wolven, voor 't eerste verlangen, "Niet reeds een kapoentje' of wat hadden gevangen: "Geen lid bleef u heel! Nu maar straks van uw beest! "Toe! voort uit den tabbert! Het minst is óns meest! "Die tasch en die rozekrans.... Kousen en schoenen.... "Uw pij uit!--Die hoofdkap bij de ándre kaproenen!"
--"Ai God!" bidt de knaap, en hij heft uit de kreek Zijn armen ten Hemel, "ai Heere, verbreek "Het opzet dier boozen! Wend af hunne handen! "En spaar, spaar mijn edelen meester die schanden!"
Heer Willem staat barvoets; zijn opperkleed gaat Den huifwagen in met het zadelgeraad; "Foei!" spreekt hij, en denkt: 'O mij! hadde ik een wapen!...' "Slechts vloek zult gij u uit dit boevenstuk rapen.... "Een weêrloze monnik--maar geeft me mijn knecht "Voor 't minst dan weder!"--"Dien knaap?--Gij hebt recht "'k Vergat 'em al haast," sprak het hoofd van de Mooren: "Den knaap in de kar!--en de paarden de sporen!-- "Vaarwel ... vrome vader! en als ge in dit bosch "Alleen u vervéelt, in uw luchtigen dos,... "Dat kan toch den beste eremiet overkomen,... "Hier hebt gij een koord--en daarginder staan boomen!"
Zoo sprekend, en sporend zijn ros in den draf, Ontrent hem de hoofdman, maar spottend en straf Roept Willem op eenmaal, terwijl ze alle zeven Met huifkar en schreyenden knaap hem begeven: "Fraai, mannen! fraai helden!--Uw prooi lacht u uit; "Het best van zijn goed werd niet eens nog uw buit! "De gordel, die schuilt in mijn onderste klêeren, "Is meer dan uw dubbelde roof te waardeeren! "Een gesp is er aan van het edelste goud, "Die pronkt met eens krans van robijn, esmeraud "En keurdiamanten; voor twee-duizend ponden "Wordt iedere goudsmit hier kooper bevonden. "Gij kweet u voorbeeldig!" De troep wendt den kop; De hoofdman rijdt nader: "Zoû 't waar zijn?--Pas op, "Vrome klerk! heeft uw argloze scherts ons belogen "Dan stoot ik mijn priem door die tong en die oogen!... "Te voorschijn die gordel!"--"Ik schenk hem u. Heer," Zegt Willem, "maar eer ik hem geef (bij uw eer, "Gij moogt mij niet weigren!) schenk mij dan dien leedren.... "Opdat ik mij gord met de rest van mijn kleedren!" --"Dat gaat!" roept de hoofdman, en stijgt van zijn paard En haakt zich den riem van het lijf, en ter aard Zich buigend om 't kleinood van Willem te ontvangen, Daar steigert den monnik het bloed naar de wangen. Daar heft hij de vuist, en met morslende slag, Een slag als geen hamer op 't aanbeeld vermag, Verplet hij de hersens aan 't hoofd der bandieten, Dat breinstof en bloed door het schedelbeen schieten. Met rukt hij het kromzwaard den Moor van de zij; Hij springt in den zadel: geen vreeslijk als hij! Hij stort zich te midden der wanklende knechten, Die denken aan bijstand, noch vluchten, noch vechten.
"Oranje vooruit!--Ha, gij wolvengebroed! "De Leeuw is ontwaakt, en hij smacht naar uw bloed! "Voort, schurken! of 'k laat naar het diepste der hellen "Elk uwer zijn eerloozen meester verzeilen!..." Een bliksem gelijk zwiert het staal in zijn vuist; Hij houwt en verminkt; en verjaagt,en vergruist. Daar liggen drie roovers, en weerloos, ter aarde; Daar vluchten vier andren zijn doodlijken zwaarde. Zij kreunen om lijken of huifkar zich niet; Reeds zijn zij geweken in 't verste verschiet; En Willem van d'aakligen rechtsplicht ontslagen Vereent zijn gebed ... met een toon uit den wagen.
Hij nadert dien; opent de huif.... Groote God! Zijn knaap niet alléén werd geboeid door het rot.... Twee ándre gevangnen, wien doeken en banden Het roepen belett'en en 't roeren der handen!... De schaduw der huive floerst Willem het oog; Daar kerft hij de boeyen.... Neen, God! hij bedroog Zich niet in zijn zielsdrift: daar klinken hun stemmen.... Daar schalt het "mijn vader!" "mijn kindren!"; daar klemmen Zijn zoon en zijn dochter Heer Willem aan 't hart. "Hoe dús?... hoe gij-beiden?... Dank, God! dat die smart "In vreugde gekeerd is! Gij waart overvallen "Door 't helsche geboefte!... en allen ... tegen allen...." --"Neen, vader! mijn mannen, het offer der trouw, "Zijn ginder verslagen;... de schaamte en de rouw "Dat ik ze overleef ... haar kon niet weer verzoeten "Dan 't uur van dit roemrijk, dit zalig ontmoeten: "De vader voltoog, wat de zoon niet vermocht...." --"We aanvaardden," zoo koosde de zuster, "dees tocht, "Om u in het klooster te komen verrassen.... "We hebben steeds in de Cortezische plassen "Niet ver van 'et burchtslot zoo héérlijken visch! "En hadden dien heden bestemd voor uw disch;... "Hij hangt in een korfjen hier achter den wagen." --"Zoo waarlijk!" schertst Willem, "dan mocht ik toch slagen!
"Om visch werd de reis dezen morgen aanvaard...." En glimlachend leî hij de zweep op het paard; De staljongen moest met den bles het maar stellen, En de Abt kreeg twee gasten en--goede forellen.
FLORIS EN BLANCEFLOER.
AAN HELENE UKENA. (1851--1873)
Nu hoort naar mij! Ik zal een avontuur van minne gaan verhalen, dat boeren en dwazen niet betaamt te hooren; maar hun die verstand hebben--'t zij geletterde, of leek, of welgeboren vrouw--en wien de liefde zoowel blijdschap als droefheid heeft aangebracht, dien gun ik dat hier tegenwoordig zijn. Ook ontzeg ik het hooren er van niet aan alle welopgevoede lieden, die goed en kwaad te onderscheiden weten. 't Is alles van eene standvastige min--van blijdschap beide en droefheid. Merkt wel op, gij Heeren en gij Vrouwen: de liefde gaat daarin wel een vreemden gang, dat ook hartzeer haar volgt.
Diederic van Assenede zult gij 't, alle, dank weten, dat u verhaald werd, hoe Blancefloer en Floris, twee schoone kinderen, ter waereld kwamen, en in hun leven zoo veel leed en rouwe en zoo menig maal blijdschap en zoo groote vreugde door de liefde gehad hebben.
Wij vinden gemeld, dat in overoude tijden een Heidensche Koning uit Spanje, op den raad zijner wijze mannen, met eene groote menigte volks te scheep ging, tegen de tijd, dat de zomer nieuw loof en gras brengt. Fenus--zoo was diens Konings naam. Welhaast kwamen zij aan een zandigen oever ten anker en liepen der Christenen land op. Roof en brand deed Koning Fenus alomme stichten, muren slechten, burchten omwerpen; kloosters, kerken en Godshuizen vernielde hij. Mannen en vrouwen, alles werd omgebracht, en de buit te scheep vervoerd. Zoo werd in veertig dagen de landstreek verwoest; op dertig mijlen van zee was geen Christen meer te zien, geen goed meer te vinden. Toen deed de Koning nog veertig hooggeprezen ridders wapenen en liet hen de bergen, velden en wegen van alle zijden berijden, om de pelgrims te lijf te gaan, te berooven, en om te brengen, of gevankelijk meê te voeren. Onder de dus overvallenen nu bevond zich ook een Franschman van Edelen geslachte. Daar hij zich moedig en tot het uiterste verweerde, wilden de Turken hem het leven niet laten, en hij werd verslagen op den weg. Hij had zijne dochter daar met zich, die, op raad van haren Bisschop, te bedevaart naar Rome wilde. Haar man was al vroeger in een gevecht gebleven en had haar zwanger achtergelaten. Hoe groot was haar nood! Zij zag haren vader verslagen, en nog méér moest zij lijden, want zij maakten haar gevangen en voerden ze weenend en klagend voor den Koning. Fenus herinnert zich vol vreugde, dat de Koninginne hem had aangezocht eene Christen Jonkvrouwe uit den vreemde over te brengen; nu deed hij rondroepen, dat hij vertrekken wilde. Allen kwamen scheep; de vaart was hun wel geslaagd; zij hadden groote schatten gewonnen; met volle zeilen voeren zij van daar, en werden al spoedig in de haven van Toledo aan wal gebracht. De mare liep hun vooruit in de stad; die 't het eerst verneemt, zegt het voort. Zoo doet de een den anderen kond, dat de Koning aangekomen was, gezond en wel met al zijn tochtgenoten. De lieden liepen naar de haven, en waren blijde dat zij vrienden en verwanten behouden zagen aankomen. Met grooter eere ontving men den Koning, zoo Heeren als Vrouwen; en vele kinderen liepen om en achter hen.
De Koning ging vrolijk ter burchtzaal op, en begon zijnen buit te deelen: den een gaf hij meer, den ander minder; hij kon het ieder van pas maken. Toen nam hij de Christen vrouwe op hoofsche wijze bij de hand, en deelde haar de Koninginne toe. Deze vond zoo veel behagen in de gevangene Gravin, dat zij haar vrijheid gaf haren Godsdienst waar te nemen; dat zij haar van goede zorgen omringen deed, en eene vriendin van haar maakte.
Op zekeren dag, dat de jeugdige weduwe bezig was eene banier voor haren Heer den Koning te borduren, waar zij de portretten van het koninklijk echtpaar ingewerkt had, kwam hare meesteres bij haar, en merkte op, dat zij onpasselijk werd. De Koningin nu stond eerlang moeder te worden van haren eersteling, en thands bekende de Gravin aan deze, dat ook zij een liefdepand van haar beschreiden egaâ onder het harte droeg. De vrouwen brachten op den zelfden dag, "eens Palmensondaechs" een schoon kind ter waereld. Dat der Koninginne was een jongen, en de bloedverwanten zochten hem uit hun boeken, op hunne wijs, een schoonen naam, en heetten hem Floris; de gevangene Christin had een meisjen, dat zij, naar onzen Godsdienst, den Doop liet geven en Blancefloer noemen.
Floris werd ter opvoeding vertrouwd aan de moeder van Blancefloer --want het had den ouders duidelijk gebleken, dat zij was van edele geboorte en dat hare gepeinzen en haar leven hieraan beantwoordden.
De kinderen nu altijd samen zijnde, zoo schoot de teerste verknochtheid reeds wortel in hun hart, eer zij nog vijf jaren oud waren. Zij waren beide zoo schoon, dat men in geen land ter waereld ooit zoo schoone kinderen gezien had. De vader, de woeste krijgsman, beminde zijn zoon meer dan zich-zelven, en was op niets anders bedacht, dan om eenmaal den geleerdsten, rijksten, beroemdsten Koning van hem te maken. Hij wilde hem daarom al dadelijk ter schole zenden, opdat hij de Letteren mocht kennen en verstaan! Maar Floris barstte uit in tranen, toen zijn vader hem dit aanzeide:
"Lieve Heere," zeide hij, "dat kan niet gebeuren! Ik zal noch lezen, noch schrijven kunnen, noch iets van de leering verstaan--tenzij Blancefloer met mij ga."
De vader beloofde hem dit dan; en gezamendlijk togen de kinderen ter schole.
Thands meer malen alleen zijnde, spraken zij vrijer met elkander, en beminden elkaar in 't geheim. Als de eene niet bij den andere was, kon hij niets onthouden van wat hij las of hoorde, en vergat terstond wat men hem beval. Ter liefde hadden zij goeden gelegenheid. Zij waren ééns van meening, ééns van schoonheid, van éenen zin en even standvastig van harte. De boeken, die men hun te lezen gaf, deden hen zulke vorderingen in de min maken, dat zij vaak verheugd waren, maar ook dikwijls in zorge. Zij zouden liever sterven dan lang gescheiden te zijn. Zoo leefden zij voort, in die zoete kwelling, in zoete droefheid, in zoeten druk. Veel te lang dachten hun de nachten; de dagen waren hun veel te kort voor hun blijdschap, voor hun genot.
Binnen vijf jaren spraken zij tamelijk wel Latijn, en konden zich nu bij den weg en in den hof met elkander onderhouden, in eene taal, die de ongeletterden niet verstonden. Eindelijk blonk hunne liefde echter dermate in 't openbaar, dat de Koning ernstig ongerust, ja, vergramd, en op alle middelen bedacht werd, om een einde te maken aan Floris' neiging voor de arme dochter der gevangene Christin.
Hij ging heimelijk tot de Koninginne. "Vrouwe," zeide hij, "wij hebben, naar ik inzie, Floris ons kind verloren." De vrouwe was rustig van gemoed; maar terstond beving haar een groote vrees. Uit zijn gelaatskleur zag zij duidelijk, dat hij gram en verbolgen was; zij peinsde dan, hoe zij hem minlijkst en met zoete redenen te gemoet kon komen: "Ai Heere," zegt zij, "door wat oorzaak zullen wij ons kind verliezen? Zeg het mij, en wij zullen den besten raad kiezen, dien wij er op vinden kunnen."--"Vrouwe," zegt hij, "ik zal 'et u verklaren: Floris heeft, uit allen zinne, zijn liefde zoo sterk op Blancefloer gesteld, dat hij, naar hij zegt, haar niet op zal geven zijn leven lang. Vrouwe! is mijn raadslag ook de uwe, en dunkt het u welgedaan--dan zal ik haar laten onthoofden. Als dan de droevige tijding, dat zij dood is, Floris bereiken zal, zoo houd ik mij verzekerd, dat hij haar zal vergeten, en zijne liefde keeren tot eene andere, die hij met eere beminnen mag. Dan wil ik, dat hij, als betaamt, eene vrouwe van hoogen geslachte zal nemen."
Zoo haast de Koninginne vernam wat den Koning zoo zeer misviel was zij geneigd tot goedertierendheid en heuschheid, en bedacht zich snel, hoe zij bewerken mocht dat der Jonkvrouw het leven gespaard bleef en des Konings toorn gestild wierd. "Heere," zeide zij, "dit plan is goed: maar, naar de zaken staan, zal ik trachten ons beteren raad te schaffen. Misschien bemint Floris het zoo edel opgetogen kind Blancefloer, die in waarheid schoon is, met zulk een standvastigheid, dat ik hooglijk duchten zoû ... dat ik in groote vreeze ben, of hij niet reddeloos verloren zoû gaan en sterven van droefheid, bij het vernemen der tijding. Dan zoû onze schade en ons verdriet méér zijn dan te voren. Daar is geen lof noch roem meê te behalen, 't zoû niemants nut zijn, zoo zij gedood en ongelukkig wierd gemaakt: 't is beter, dat zij in 't leven blijve!"--"Maar wat raad gij dan?" En nu geeft hem de Koningin als middel aan de hand, dat de meester der tegenwoordige school van de kinders eene ziekte zoû voorwenden, opdat men Floris naar eene andere plaats, naar Montorië, ter schole kon zenden. De moeder van Blancefloer zoû men noodzaken, om den wille van haren verzwakten toestand, aanspraak te maken op de voortdurende hulp harer dochter --dan kon Floris niet aandringen op het samengaan--en verwijdering, afleiding door den omgang met andere speelgenoten, zoû wellicht de liefde verdooven kunnen, of vestigen eene nieuwe genegenheid in zijn hart. Des noods kon men hem ook beloven, dat na veertien dagen Blancefloer tót hem gezonden zoû worden.
Nu ontbood de Koning--Floris. "Zoon," zegt hij, "het misvalle u niet, dat uw meester ziek is en te bedde ligt, zoo dat hij de leerlingen niet verzorgen kan, noch de school gaande houden. Daarom zal ik u naar Montorië ter schole zenden. Daar zult ge, bij uwe verwanten, welkom zijn en goed ontvangen worden. Gij zult daar blijven en ter schole gaan, en lezen en schrijven leeren."
--"Heere," sprak Floris, "waar blijft Blancefloer dan?"--"Lieve jongen," zegt de Koning, "die blijft hier." Toen liepen Floris de tranen over zijne wangen en hij begon luide te snikken. "Doe dat niet Heer!" zeide hij: "dat gebod zoû mij te zwaar vallen; doet ge Blancefloer daar niet mét mij--ik zal er niet kunnen verblijven." Beurtelings bad en beval hem de Koning, blijde te vertrekken: hij zoû binnen veertien nachten of eerder Blancefloer tot hem zenden.
Floris reisde weg met een vertrouwden kamerling. Hij kwam aan bij den Hertog Gora, en was hem welkom; zijne Vrouwe, de moei van Floris, ontving haren neef blijdelijk. Zij deed hem vaak hoofschelijk door hare dochter, Jonkvrouwe Sibile, leiden onder hare gespelen, dat hij licht hier en daar woorden zoû ontvangen, die hem in eene andere liefde mochten ontsteken, hem het harte verblijden en Blancefloer vergeten doen.
Men ging in veel hem voor, en leerde hem veel--maar, 't mocht zijn wat het wilde, hij keerde zijnen zin er maar luttel toe. Wat hij ook hoorde en las--altoos stond hem de gedaante van Blancefloer voor oogen, die hij boven alle verkoren had, welke hij ooit of immer zag; die hem zoo vast in het harte geprent was, dat zij in grooten druk hem leven deed. De stonden vielen hem lang--des daags en des nachts. Menigmaal klaagde hij zijne ellende in halve woorden en diepe verzuchtingen, aleer de veertien nachten ten einde kwamen.
Maar toen de bepaalde tijd verstreken was, en zijne geliefde niet kwam, werd Floris nog dieper bedroefd dan te voren; zijne rouwe klom hoe langer hoe meer; hij kon noch eten noch slapen; zijne oogen begonnen hol te staan, en hij verviel zoodanig, dat men ging vreezen voor zijn leven. In aller ijl gaf men den Koning bericht van het gevaar. De mare trof hem vreeselijk; hij werd ten hoogste vertoornd; nu riep hij de Koninginne tot zich. "Vrouwe," zeide hij, "ziet gij nu, waar ik toe gekomen ben? De kamerling zendt ons kwade tijding van onzen zoon: nu kunt ge zien, hoe wij hiermee vervaren zullen! Ik weet niet, of het door tooverije van Blancefloer of door Floris' eigen uitzinnigheid is, dat zij hem dus geheel van zijn verstand heeft beroofd!... Men voer ze haastelijk vóór mij; ik wil haar terstond doen onthoofden. Hij zal er lichtelijk afstand van doen en hare liefde gants vergeten, als hij kennis van haar dood krijgt."
Heere God! wat groote dwaasheid heeft de Koning daar uitgesproken, dat tooverij het zoû gedaan hebben! Zoo vroeg immers heeft ze de liefde reeds in haar hart ontvangen, dat zij nog geen goed of kwaad te onderscheiden wist, toen hij haar voor 't eerst beminde. Hare wederliefde was zoo uitermate groot, dat zij, sints hij haar verliet, geen oogenblik van vreugde gesmaakt heeft. Zwaar viel haar het leven; de onrust verliet haar niet. Maar dit was haar niet ter oore komen--dat er aldus over haar gesproken werd.
De Koningin spande haren geest ondertusschen in, hoe zij ze den dood ontrukken mocht. Toen gaf zij den Koning als middel aan de hand, Blancefloer, het schoone kind, te Nicle ter markt te brengen, en haar aan vreemde kooplieden te verkoopen, die ze verre wech zouden voeren; zóo, dat er de Koning zich niet meer om zoû behoeven te vergrammen, noch er een doodslag om begaan. De Koning liet zich belezen. Blancefloer werd te Nicle ter markt gebracht en voor groote schatten aan de koopers in handen geleverd.
Hoort, wat zij voor haar gaven! Ik zal het u melden: zij gaven sestig pond gouds; honderd staven zilver, wel geteld; honderd stukken zijnde; honderd satijn; honderd gouden bekers; honderd purpren prachtgewaden; honderd roode zijden mantels; driehonderd goede jachtvogels--valken, haviken en sperwers; honderd groote en snelle paarden. Ook gaven zij nog een gouden drinkvat, waarop verbeeld stond, hoe Paris, des Konings zone van Troje, Helena ontvoerde, en haar man, Koning Menelaüs, hem zeer verbolgen achtervolgde; hoe Agamemnon het leger leidde, en de Grieken Troje belegerden, en de muren stormenderhand aantastten; en hoe er van binnen tegen in gestreden werd. Ook was op het deksel de twist der drie godinnen om den schoonheidsappel afgebeeld. Een karbonkelsteen schitterde bij den top met zoo krachtigen glans, dat er geen kelder zoo duister is, of de bottelier, dien steen in de hand houdende, kon, zonder vuur of licht, het daar zoo helder maken, dat men er gemaklijk moerbeziën, honig- en specerijdrank van wijn zoû hebben kunnen onderscheiden, zoowel als zilveren van gouden penningen. Die karbonkel werd door een daarboven staanden en als levend schijnenden vogel vastgehouden. Dit drinkvat was het werk van Vulcanus: Eneas bracht het uit Troje, en schonk het eener geliefde van hem in Lombardije; toen kwam het, door versterving van den eene op den andere, en eindelijk in de handen des Keizers van Rome, wien en dief het ontstal, die het op de markt te Nicle verkocht had.
De handelaars waren zeer verheugd met den aankoop, want zij waanden wel, konden zij haar te Babylonië brengen, dat zij twee maal den koopschat op haar winnen zouden. Zij togen dan derwaards, om den Emir het schoone kind aan te bieden.
Zoodra de Emir haar met oogen zag, beviel zij hem zoo, dat hij ze hun tien malen opwoog met goud. Zij dankten hem, en namen oorlof en ruimden met blijdschap het hof. Al spoedig bleek den Emir uit Blancefloers hoofsche zeden, uit haren bouw, uit hare schoone oogen, uit hare blankheid, uit den was en de dracht van heur haar, dat zij van hoogen geslachte moest zijn, en ofschoon hij levenslang gewoon was geweest alle jaren eene andere vrouw te nemen, zwoer hij dat hij om harentwille eene verandering in de gebruiken brengen zoude en, zijn leven lang, geen andere vrouw meer beminnen.
Hij liet haar in een toren voeren, daar zij zeven-maal-twintig jonkvrouwen heeft om haar te dienen, gelijk zij ook den Emir dienden. Hij geeft haar een jaar tijd om zich te troosten, waarna hij haar tot vrouw zal nemen en doen haar tevens Vorstinne kroonen van Babylonië.