Part 17
"Pelgrim!" zeide de Koning, "brengt gij iets nieuws van den Lande van over Zee en van de stad Jerusalem?"--"Heer Koning!" andwoordde Reinout, "ik kom daar nu juist van daan; de Christenen hebben de stad Jerusalem veroverd in het gantsche, en dit is voornamelijk gekomen door toedoen van twee mannen, uit dit land derwaards heengetrokken." De Koning vroeg "wie zij geweest waren?" Toen zeide hij: "'t Zijn Madelgijs en Reinout geweest; die hebben den Turken zoodanigen weêrstand geboden, en der vijanden zoo menigen verslagen, dat het niet te zeggen en is. Doch Madelgijs heeft het met de dood bekocht." Toen vroeg hem de Koning: 'of hij niet wist, waar Reinout was?' Toen andwoordde hij: "Heer Koning! hij, naar wien gij vraagt, staat vóór u als een arm man."
Toen de Koning dit hoorde, verwelkomde hij hem zeer vriendelijk, en ieder verheugde zich over Reinouts wederkomst: in zonderheid de Genoten: maar het meest verheugde zich Adelaert, zijn zone, en de verraders waren droef en gramstorig. De Koning deed Reinout kostelijke kleederen aantrekken, en bewees hem groote gunste.
En Reinout ging zich met zijn zone Adelaert wat vermeyen in het veld en vraagde hem, "waar Haymijn zijn vader, en zijn broeders, en zijn moeder waren." "Vader! zij dwalen achter lande om u te zoeken; zij hebben zich voorgenomen niet te rusten, voor zij u gevonden hebben." Toen Reinout dat hoorde was 't hem zeer leed, en weende hij, om dat hij zijnen vader, moeder, en zijne broeders niet weêrvond.
Adelaert troostte hem, maar was ontrust wegens den uitslag van den kamp, dien hij strijden moest. "Mijn lieve zone," zeide Reinout, "vreest niet: God, die de rechtschapenen nooit verlaten heeft, zal ook u in nood niet verlaten." Zoo sterkte Reinout zijn zoon en bleef bij hem tot de ure dat zij kampen zouden.
Daar rustte zich de jonge Ridder Adelaert toe ten strijde, en had een goed paerd beschreden, waarmee hij in het krijt verscheen buiten de stad van Parijs.
Intusschen reed ook Galeran gewapend aan, en rende Adelaert, met zijner spere, recht door het schild. Adelaert, als een jonge, onvertsaagde held, rende weder op hem toe, dat zij, alle beide, van den paerden vielen. Beiden sprongen haastig weder op en vingen ten zwaerden. Adelaert sloeg Galeran 4 maal, eer hem Galeran eenen slag gaf: maar kwetste Galeran niet.
Daar wrong Reinout zijne handen en gebaarde zich als een diep bedroefde. "Florenberge!" riep hij tot zijn zwaerd, in 's jongelings handen, "gij zijt vervallen: mij dunkt, dat ge snijdt of gij een kouter waart uit een ploeg." Adelaert liet zijne oogen omgaan, en zag zijn lieven vader de handen samenwringen. Toen ontvlamde de wakkere jonkman en voelde hij zich aangeprikkeld van schaamte. Met beide handen hief hij het zwaerd, waar hij toornig en stoutmoedig voor Galeran stond, en sloeg den strijder den linker arm af, die het schild droeg. Toen sprak Adelaert stoutelijk: "Wilt gij schuld bekennen, lagen bastert?" Toen andwoordde Galeran: "Neen ik! bij Sint-Jan-Bâtist niet, Heere!" Met-een heeft hij het zwaerd opgeheven en geslagen naar Adelaert, en sloeg den Jonkheere zes maliën af, en meer, en bracht hem een wonde toe aan den voet. Toen sprong Adelaert achteruit; schielijk hief hij zijn scherpe zwaerd en sloeg Galeran tot de schouders, dat hij dood viel voor zijne voeten en het loon kreeg voor zijne valschheid.
En Carel sprak luide: "Gezegend zij zulk een kind, dat dusdanige slagen slaat!" Toen viel Reinout aanstonds ter aarde en dankte vurig onzen Heer voor de gunst, die hij hem in den kamp gedaan had. Carel deed Galeran aanstonds hangen; en alle de verraders deed hij van stonde aan uit zijnen Raad: zoo dat met niemant van hun geslacht ooit ter waereld meer in Vrankrijk een Koning te Rade ging, noch ooit meer gaan zoude: ik wil, dat men dit wel versta!
Nu kon Adelaert Parijs binnentrekken. Carel vermeerderde hem zijn leen, en gaf hem nieuwe burchten. Op dezen voet bleef de Jonkheere voortaan met den Koning.
Thans wil ik u verhalen wat Reinout verder deed. Hij leî het scharlaken af, dat hem de Koning gegeven had; kocht een arbeiderskleed en schootsvel, en zal zich in grooten arbeid begeven. Stil toog hij van daar, die zelfde nacht nog, bij den sterren en bij der mane, verre wech in vreemde landen, waar 't hem onbekend was.
Toen diende daar de fiere held Reinout, gelijk de arbeider achter den ploeg-os. De stoute Grave won met moeite zijn brood. Bij het maken der wegen droeg hij hout aan, en mortel[1] en steen, en was de minste onder de lieden. Zoo won hij met moeite waar hij van leefde: want hij wilde om geenen nood iets anders dan gerstenbrood eten, en dronk slechts van der fonteine, die hij in den vreemde vond. Dat deed hem de dood van den gekroonden Koning Lodewijk, en de dood van Beyaert, zijn goed Ros.
[1] _mortel_: ciment.
HET ZES-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.
Hoe Reinout wrocht aan St. Pieters Kerk te Keulen, en diende de metselaars om steen en kalk aan te brengen, en hoe hij vermoord en in den Ryn geworpen en gevonden werd; en hoe zijn lichaam te Dortmunde kwam.
Toen Reinout dus met Gods hulpe dit leven geleid had, tot het ten jaargange gekomen was, vernam hij, dat er een Kerk ter eere van Sint Pieter begonnen was te Keulen, in de Rijnstad, en dat men derwaards timmerliên en metselaars ontbood, en al die geld wilden winnen.
Reinout maakte zich gereed en trok naar Keulen; en toen hij bij de stad kwam, vraagde hij naar den meester, die de Kerke maken deed. De werklieden leidden hem ter stede, waar zij hem spoedig gevonden hadden. Reinout vraagde hem of hij eenen knecht huren wilde.
De meester was verheugd toen hij hem zag: want hij lett'e zijne groote, mannelijke leden op, en bevond, dat hij sterk was, en grooten arbeid zoû kunnen doorstaan. Toen vroeg de meester hem, "wat hij elken dag winnen wilde." De Grave van Montalbaen zeide hem: "Heer! ik wil alle dagen eenen penning!"
Toen sprak de man ten helde: "Ik meen dat gij méér verdienen zult: wilt gij kloek en vaerdig zijn, en uw plicht doen, ik zal u vier penningen daags geven." Reinout andwoordde "Heer! hoe 't ga--'k en wil zoo veel niet winnen."
De meester dacht inderdaad, dat hij uitzinnig was, en zeide: "Gaerne zal ik u geven, wat gij vraagt. Zoo komt dan morgen vroeg werken."
--"Heere," zeide hij, "dat doe ik!"
En Reinout toog aan den arbeid, en droeg alléén steenen aan, die ze met hun vijven, met alle inspanning, niet dragen en konden.
Dus diende daar die aanzienlijke man, een half jaar lang, dat hij maar éenen penning daags won. Zwaar arbeidde de Edele Grave, en dede alléén meer werks dan een drietal van al de genen die daar waren: dat zeg ik u in waarheid! Nochtans namen zij hooger loon dan hij. Als zijne gezellen eten gingen, nam hij het oogenblik waar, om de grootste steenen aan te dragen, en zoo vele, dat zij voor lange dagen werk hadden. Als zijne gezellen gingen slapen, toog hij uit om hun intusschen mortel te bereiden. Des hadden zijne gezellen nijd. Bedenkt nu, dat hij daags maar éen gerstenbrood en niet anders en at, dat hij slechts water dronk, en sliep op de steenen; dat hij, eer iemant dan nog dag gewaar werd, reeds was opgestaan en aan het werk getogen: dan zult ge beseffen hoe blij de meester was, dat hem zoo'n werkman gekomen was. Hij vraagde hem, "hoe hij heette en wie hij was?" Dit wilde Reinout om niets ter waereld hem zeggen. Toen werden zij bedacht op een naam, die voor hem, gepast zoude zijn. "Geen betere voor hem," zeide de meester, "dan Sint-Pietersman." Zoo bleef Reinoude deze naam; al ware het hem niet lief geweest--hij zoude 'm al zijn leven gehouden hebben, door Gods beschikking.
Het was den arbeiders zeer leed, dat Reinout zich dus vooruitstelde, en het werk schier alléén deed. De meesters, hoogst voldaan over hem, vielen den anderen knechten des te harder: die, zoo doende, een onaangenaam leven hadden. De knechts beraadslaagden dan, hoe zij hem van kant zouden maken, en zelve in eere blijven. Toen sprak een der knapen: "Wij zullen een steen ophijschen tot boven aan den hoogen muur; dat zal hem bitter bekomen; als hij met zijnen last komt, zoo zullen wij den steen nederwerpen op zijn hals, en hij zal het besterven."--"Ik weet beteren raad!" sprak een ander der arbeiders: "Wij moeten hier vijf mannen uitkiezen, die hem te nacht waarnemen zullen, als hij zal slapen gaan: dan zullen wij hem met den mortel versmooren, en dan zullen wij hem in een kleed wikkelen en binden dat dicht als een zak, en werpen hem in den Rijn, zoo zal hij schielijk te gronde gaan."
En des nachts kwamen zij tot Reinout, en stortten den mortel uit grooten tobben over hem uit en doodden hem. Zij wikkelden hem in het kleed, bonden dat dicht als een zak, en droegen hem op den Rijn: zij wierpen hem daarin; en was de stroom sterk van 'et water--nochtans en mocht de last niet te gronde gaan, overmids de gratie Gods: want wij vinden waarachtig, dat Reinout vrij van zijne zonden stierf.
In Keulen was een geestelijk vrouwken, en was van goeden leven, en had 'et gezicht en het gehoor verloren. Op eenen tijd als de vrouw te bedde lag en sliep, dacht haar in een visioen 'dat ze op den Rijn gegaan was, en daar vond zij een zak; daarin was een man, die heimelijk vermoord was; en als zij den zak aan land hadde en zoude optrekken, was zij genezen.'
De vrouw ontsprong[1] met dien visioene en dede zich kleeden, en op den Rijnoever dragen. Als zij aan den Rijn was, viel zij op haar kniën, en zij bad God, door zijn bitter lijden, dat het visioen, 'etwelk haar te voren was gekomen, waarachtig mocht wezen. Als de vrouw haar gebed tot den Heer aldus gedaan hadde, ontloken haar oogen, die te voren gesloten waren; zij zag in den stroom na den zak, en zij zag gints en weder; ten laatste werd zij den zak gewaar en voelde zich-zelve gezond worden, en zij greep het kleed met haar hand, en zoude den laste te lande trekken, en ziet! daar begonnen de klokken in de stad van Keulen van zelve te luiden, 't welk het volk zeer verwonderde, en deden de stad doorzoeken om de ware oorzaak te vernemen.
Zoo werd den Bisschop geboodschapt, 'hoe op den Rijn gevonden was een mensch vermoord, en was in een toegebonden kleed gewikkeld, en een devoot vrouwken, die groote gebreken hadde, heeft hem gevonden, en is genezen!' Als de Bisschop dit hoorde is hij met zijn Geestelijken met cruicen en vanen derwaards gegaan; en daarna het waereldlijke gerechte der Heeren. Als zij daar nu kwamen, vonden zij het vrouwken en alles gelijk hun gezegd was. De Bisschop en de waereldlijke Heeren deden den zak ontbinden, en Reinout lag daar voor hunne voeten. Daar waren eenigen die hem kenden, en zeiden: "Dit is Sint Pieters man!" Men ging het lichaam ontkleeden; daar vonden zij naast zijn lichaam eenen rijken gordel, en daaraan hing een gouden signet, 't welk den Bisschop gegeven werd, en hij las 'et, en daarin stond geschreven: "Ik ben Reinout van Montalbaen." Als de Bisschop dit verstond, en de andere Heeren, die daar bij stonden en hem gekend hadden, bedreven zij groote rouwe, en die bisschop zeide: "O vrome Reinout, gij waart een spiegel der mannen, door uw grootdadigheid en door den arbeid en armoede, waarmee gij uwe zonden geboet hebt: nu hebdy voor God uw leven verloren--wist ik wie u verslagen hadde, ik zoû hem den Koning zenden!"
Als die van Dortmunde[2] dit hoorden, kwamen zij met haaste te Keulen en vielen op de kniën voor den Bisschop, en baden hem, "dat hij hun woû geven 'et lichaam van Reinout, den vriend Gods: zij zouden ter zijner gedachtenis een schoone kerke maken." De Bisschop andwoordde zoetelijk: "Mij dunkt, Heeren! dat Reinout verdient te liggen in de kerke, waarvoor hij ter dood toe gearbeid heeft." En de bisschop gebood, dat men een karre brengen zoude. Als het lichaam op de karre geleid was, en men de paerden ging halen; om 't eerwaerdelijk in een tombe te leggen en in de kerke te brengen, zoo is de karre van zelve gekeerd met den lichame na den weg te Dortmunde, en ging zoo sterk voort, dat men ze niet wederhouden en mocht, en hield niet op voor zij kwam te Dortmunde, 'twelk menig mensch zeer verwonderde.
De Bisschop dit ziende was droevig, en hij keerde met zijn volk wederom. En die van Dortmunde waren verblijd van den lichame des vriends Godes, Reinout, en deden, ter eere Gods en heugenisse Reinouts een kerke maken.
[1] _ontsprong_: stond op.
[2] _Dortmunde_: stad in Westfalen.
HET ZEVEN-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.
Hoe de Bisschop van Keulen Koning Carele deed boodschappen, dat Reinouts lichaam gevonden was in den Rijn, en hoe Koning Carel met zijn volk naar Keulen kwam.
De Bisschop van Keulen zond haastelijk eenen bode, en deed Koning Carel aanzeggen, dat Reinout, zijn neve, verslagen en in den Rijn geworpen was. Als Koning Carel deze nieuwmare van den Bisschop hoorde, was hij uit der mate droevig en zwoer bij zijner kroone, dat hij de dood van zijnen neve wreken zoude, en hebben den man die 't gedaan hadde; of zij zouden 'et bekoope al die in Keulen waren.
Koning Carel vergaderde zijn volk, en reed in grammen moede na Keulen, en belegde de stad, en dede tenten op het veld slaan. Als dit de lieden van Keulen vernamen, sloten zij met haaste de poorten. Het werd den Bisschop geboodschapt en hij liet den Koning in, en zeide: "Heer Koning! wij doen maken een kerk; uw neve Reinout kwam dienen de metselaars, en niemant kende hem; maar toen wij zijn lichaam vonden en ontdeden, vonden wij aan hem eenen kostelijken gordel, en daar was aan een signet, daar ik in las zijn naam en titel." Als de Koning hoorde, dat Reinout zoo jammerlijk en verraderlijk vermoord was, zoo gebood hij den Bisschop dat zij zouden vangen alle de metselaers en werkers die daar waren; 't welk terstond gedaan werd, en bij den Koning gebracht. Toen vorschte Koning Carel zoo lange, dat hij vond alle de genen die schuldig waren aan Reinouts dood; en hij liet ze terstond nemen en verzinken met zakken in den Rijn.
Als Koning Carel gedood hadde allen die aan Reinouts dood schuldig waren, vertelde de Bisschop Koning Carele, hoe Reinouts lichaam te Dortmunde voer met een karre zonder paerd of ander dier. De Koning trok na Dortmunde en vond het volk zeer droevig, want zij meenden dat de Koning Reinouts lichaam wechnemen zoude, en dat hij daarom gekomen was. Koning Carel zeide tot de Heeren: "Ik bid u, mijn Heeren! laat mij zien 'et lichaam van mijn neve Reinout." Toen zeiden de Heeren van de stad: "Edel Heer Koning! zijdy hier gekomen om ons te benemen 'et lichaam van den vriend Gods, Reinout, die hier alleen kwam bij miraculen, zonder menschen hulpe--dat zoude God op u wreken!" Toen zeide de Koning Carel: "Neen ik: en hebt des geen zorgen!" Als de Heeren en borgers dit hoorden, waren zij blijde, en deden de tombe op en om Koning Carel 'et lichaam te laten zien; met-een trad Koning Carel tot de tombe, en zag daarin af, en Reinouts lichaam was wech, en was gevaren tot zijn broeders; en zoo wij beschreven vinden, zoo liggen ze te Napels: en als de Koning dat lichaam van zijnen neve daar niet en zag, verwonderde hij hem. Als dit de Heeren en Gemeente van de stad vernamen, dat zij het lichaam van Reinout, den vriend Gods, kwijt waren, bedreven zij groote rouwe en misbaar.
En de Koning reisde met zijn volk weder na Parijs.
Dus nam Reinout zijn einde en stierf zaliglijk, en verblijft met God in 'et eeuwige leven, daar ons wil brengen de Vader, Zoon en Heilige Geest! Amen.
Hier eindigt de Historie van de Vier Haymijns Kinderen, en van Reinout Heer van Montalbaen en Koning Carel van Vrankrijk.
WILLEM VAN ORANJE.
A. D. 806.
"Nu, 't zij zoo! 't is waar ... het is Sinte Matthijs! "Wel; schaf dan voor heden min sobere spijs. "Want anders ... gij weet in de tijd van de vasten-- "Zou 'k noode de Abdij op forellen vergasten. "Wat groente, wat brood ... 't is al meer dan betaamt: "De voortijd maakt ons in zoo véél reeds beschaamd;" Zoo, zittende voor een quartijn van Cyrillus, Sprak de Abt van Gellone tot broeder Camillus.
"Maar wie zal...?"--Wie gaan zal? 't Zij de eerste, die kan;. "Wien hoor 'k in de gangen? Hij zij onze man! "Ha, 't is broeder Willem ... Ja, 'k wenschte wel, broeder, "Wat visch voor van daag: geef de merrie haar voeder, "En neem een paar korfjens en 't stalknaapjen meê. "Een uur of wat rijdens ... tot waar Sint-André "Zijn needrige torenspits zichtbaar laat worden.... "Daar wonen de visschers; daar komt gij in orden.
"Geef gij aan den broeder het noodige geld!" Nu dit hem met-een in de hand is geteld, Knikt Willem gemoedlijk, en keert op zijn schreden, En was ook al gaauw uit het klooster gereden. Hij draafde vrij stumprig en sukkelend voort. De bles was 't ontwend; en die pij en dat koord.... Die monnikskap, wapprend om slapen en ooren.... Het kenschetst hem niet als tot ruiter geboren. Zoo'n kloostergeleerde--'t staat vréémd op een paard!.... Die staljongen--is zonder grónd niet vervaard; Gezeten van achter (de bles was vrij sterrek) Klemt hij zich wel vast aan den wigglenden klerrek. Zoo denkt ge!--maar och, hoe bedriegt soms de schijn! Wat spreekwoorden zelfs al vol leugentaal zijn!-- Al lijken de kappen een haar op elkander, Toch zeit de eene monnik niet altoos den ander.
Nú rijdt broeder Willem zoo zachtjens door 't bosch; Twee korfjens, een knaap, voert hij meê op zijn ros; Een inktkruikjen steekt uit zijn tasch; en die scheede Bevat slechts een penpunter, argloos van snede. Maar de sprong van den grijzenden baard op de borst-- Maar de glans van den blik, die soms rondschouwt, en vorscht Hoe lang men nog Zuidwaards zal hebben te rijden-- Maar het hoofd, dat soms rijst als in jeugdiger tijden-- En de vuist, die den slappenden toom soms vervat-- En de knie, die zich spant en het bergachtig pad Den klepper op éénmaal soms over doet schieten, En springen en waden, waar beektakken vlieten Of heester en kloof hem den weg soms verspart-- Tuigt kracht in de spieren, en moed in het hart.
Geen wonder! geen wonder!--de bode, die heden Om visch voor het klooster daar heen gaat gereden, Hem cierde eens een naam in de waereld vermaard; Hij droeg eens een schild, waar der Heidenen zwaard Op splinterde in Duitschland, Itaaljen, en Spanje: Dat schild--was het wapen van 't Prinsdom Oranje. Oranje! geen held onverwinbaar als hij! Een Roelant-alléen stréeft dees Willem op zij. Waar Ronceval davert op d' aanren diens braven. Daar vluchten geen Franken, noch buigen als slaven. Daar klieve 't Verraad hun den helm van de romp-- Zij knabblen op ketens de tanden niet stomp: Daar steekt Groote Karei met droefheid zijn horen, Herroepend zijn helden:----Geen dooden, die hooren! Oranje!--steeds galmden de harpen zijn naam! Niets kon hij benijden: geen' Koning' zijn faam! De dichters, na eeuwen, weêrhielden hun tongen-- Eer Willem den roem van zijn Heer hadd' verdrongen!
Nog schaalt soms den vreedzamen Benediktijn De strijdleus in 't oor van den krijgspaladijn: Nog treden somwijlen hem beelden voor oogen. Daar levend voor jaren; sints jaren vervlogen.
't Is lang geleên!--hij had, na felgevochten strijd, Van 't Sarazijnsch geweld de Oranjestad bevrijd. Toen nog maar erfzoon van de Graven van Narbonne, Bezat hij geen gebied aan de oevers van de Rhône. Doorblaakt van Christenvuur sloeg hij 't beleg er neêr; Sneed iedren toevoer af; en nooddwong 't Moorsche heir, Dat op de wallen van de leêggeroofde veste Zijn vaandels had geplant, bij 't krijgstuig dat hun restte De stoutste plonderaars te levren in zijn hand En aan de dood; hun trillende Emir, zelf in band, Om wien de hoofden, prachtige edelliên, zich schaarden Met tal van vrouwen, bood de halve-maan-standaarden Geknield den Veldheer aan. Hij trok de straten door Bij vreugd- en noodgeschrei der burgers, die de Moor, Na kneveling en schimp en schade aan lijf en have, Naar wellust martlen woû, den jongen Christen Grave Ten schouwspel, op den wal geblakerd en geslacht-- Toen d'arme burgerij een muurbres uitkomst bracht. En de Emir, dol van spijt, doch met betóomde woede De poorten openstelde, en voor des Veldheers roede 't Getulband voorhoofd boog. Een hoog schavot verrees; 't Geboefte ontving zijn straf. Toen klonk: "Gij Emir, wees "Mijn krijgsgevangen: om uw dapperheid van dade "Me in 't open veld getoond, geworde u lijfsgenade! "Uw woord tot onderpand--en, om mijns Heilands wil, "Ontboeit hem, knechten!"--Maar op eens, wat luide gil! Een jonge maagd schiet toe; zij dringt zich uit de scharen; Een paerelsnoer doorkranst haar blinkend zwarte haren; De sluyer hief zij van het beeldschoon bleek gelaat, Waar zich, in flukschen blos, een vreugde zonder maat Op uitspreekt; met de ziel in elken blik der oogen, Die lichtend langs de rij der Christen krijgers vlogen, Zoekt zij den Veldheer, stort ter aarde voor zijn ros. En barst in dank op dank en tranenstroomen los. "Gij schenkt hem 't leven!... O, de dochter kust uw voeten! "En wat de vader deed--ik wil daar nóg voor boeten, "Grootmoedig Veldheer, neem mijn schatten, neem mijn bloed "Ik dank voor zoo veel deugd. O, zeg mij, wat voldoet "Voor deze weldaad!... Is hij, is hij wel behouën?... "O, vraag een losprijs!--dat mijn harte moog vertrouwen!" --"'t Is om mijns Heilands wil, die mij de liefde leert, "Die mij mijn vijand leert beminnen--die begeert "'Doet wel aan wie u haat', dat ik den vader heden "Der dochter weêrgeef; 'k wil geen losprijs! Gaat in vreden!" Reeds lag het schoone kind den Emir aan de borst: Maar toch, eer ze aan haar heil (een droom?) gelooven dorst. En, hupplend, aan de zij des grijzaarts henentreden-- Zag zij tot Willem op (wiens harte bij haar reden Een schuchtre gloed doordrong), en sprak met teêre stem: "Dien Heiland, Dien gij dient, waar, Heer, waar vind ik Hem?"
O dat tooneel wordt in zijn rustig later leven Den Kloosterbroeder vaak herschilderd en hergeven. Geen wonder! 't heeft voor hem beslist van heel zijn lot: De God van Willem werd der teedre maged God: En--knielend voor den troon van Keizer Charlemanje, Kroont haar als hem de kroon des Prinsdoms van Oranje.
Wat zegen,... wat geluk ... wat bittre rampspoed viel Hem sedert al te beurt! Vermoeid naar stof en ziel, Trekt hij, uit strijd op strijd, aan lauwren rijk en wonden, Ten onzent. O, zijn hart waant reeds 't geluk hervonden In de armen van zijn gade en kindren.... Wreede slag! Hij naakt zijn stad; betreedt zijn slot:--de volle dag, Zijn gloênde heilzon, keert in middernachtlijk duister: Hij zinkt ter aard: de krans van licht en rozenluister Is hem van 't hoofd gerukt: daar kwam hij aangetreên-- Daar draagt men die hij riep naar de eeuwge rustplaats heen! Nu wil ook hij de rust: ja,... hij is oud van dagen!... Ja,... de arm verloor zijn kracht,... ja!... 't hart telt minder slagen; Ja, 't was te lang zich-zelv' met zoo veel werks belast.... Zijn erfzoon zij de zorg op 't schoudrenpaar getast Bij 't streelend mantelbont. Hij drukt zijn kroost aan 't harte En zoekt een heulbron op voor Hemeldorst en smarte. Ze is door hem-zelf gesticht, de wijkplaats, die hij mint, En waar hij 't oud geluk, bij meerder vree, hervindt.
"Heer!--Heer!--hoort ge ginds niet dat joelend gedruisch? "'k Ben bang in dit bosch, lieve Heer!" met een kruis, En een ril, sprak van achter op 't lastpaard gezeten De knaap dus tot Willem, zich-zelf haast vergeten.