Karolingsche Verhalen

Part 13

Chapter 134,094 wordsPublic domain

Toen zeide Reinout, de Edele Grave: "'t Is verwonderlijk, dat wij zonder harnas en nog levende zijn! broeders, treedt van uw paerden en doet aan de wapenen van hen, die daar verslagen liggen; 'et is van noode: ik zal u beschermen, dat u niemant misdoe." Met deze woorden traden Reinouts broeders van den paerde en wapenden zich haastelijk, en namen de harnassen van vier Edelingen, welke zij aantrokken, en het vierde gaven zij Reinout. Adelaert zeide: "Broeder! treedt van uw paerd en doet deze wapens aan; wij zullen u beschutten, dat u niemant misdoen zal." De drie broeders zaten op hun paerden, en hielden zich vast bij malkander om Reinout te beschermen, die afgestegen was, om het harnas aan te doen.

Maar eer Reinout de wapenen aan hadde, kwam Werrijn van Morlioen met veel volks aanrijden, om de Heeren krachtelijk te verslaan. Eer Reinout te paerde kon komen, was Adelaerts halsberg doorgeslagen, en Ritsaert gewond en werd gevangen van Werrijn van Morlioen. "Ik zal u terstond zenden den Koning van Vrankrijk, die u niet gave om al het goed van de waereld," zeide Werrijn; "hij zal u doen hangen te Montfaucon." Ritsaert andwoordde niets.

Daarop gebood Werrijn vier-en-twintig Ridders naauwe zorg te dragen, dat Risaert, dien ze gevangen in Vaucoloen zouden voeren, 'et niet ontging.

Reinout zat gewapend op zijnen paerde; hij zag om, en miste zijnen broeder Ritsaert. "Waar is Ritsaert?" riep hij ontrust. "Gevangen --van Werrijn!" klaagde Adelaert. "Zoo gaan wij!" galmde Reinout, "en ontzetten hem!"

--"Helaas, wat vermag ik?" sprak Adelaert; "mijn halsberg is doorslagen: Ritsaert is zeer gekwetst; 't en zij God het anders wille, moet hij er af sterven, 't Is beter Ritsaert-alleen verloren, dan wij alle."

--"Wat waagt gij te zeggen, ellendige!" riep Reinout; "zullen wij lijden, dat men Ritsaert voor onze oogen gevangen wechvoere en zende hem den Koning, die hem hangen zoû, ware 't dat hij hem kon meester worden? Geviel 'et dan nog, dat wij tot peis geraakten met Koning Carel, wat zoû men zeggen?--'Ziet, daar rijden Heymijns Kinderen, die tegen Koning Carel strijden wilden: schande over hen--want de Koning heeft éen broeder doen hangen; en deze hebben zich voor hem niet dood gevochten!"

Met een heeft Reinout zijn Ros met sporen geslagen: 't was het paerd, dat hij op Fouke won, en men waerdig prees 1000 pond: maar het docht Reinout zwak en traag en hem niet waerd een mijte[3]: zoo veel was Beyaert sterker en snelder. Inmiddels hebben de Ridders Ritsaert gevangen gesteld op een paerd, en bonden zijne beenen met den stegelreep; zij reden naar Vaucoloen, en gaven hem onder wege menigen slag, zeggende smadelijk tot Ritsaert: "Nu zijdy gevangen en moogt niet ontgaan of verdingen; wij zullen u korts leveren Koning Caerle; die u zal doen windewaayen aan een boom." Ritsaert zeide in hem-zelven: "O genadigde God! ontfermt u mijner want mijns levens is gedaan: Ai, Reinout, lieve broeder, ik bid God u te bewaren van misval, en al mijn broeders: mij ziedy nu nimmer weêr."

Pas had Ritsaert deze woorden gezeid, of Reinout kwam--niet als een mensche, maar als een duivel: en riep luide: "Staat, gij booze truwanten! en laat uwen roof!" De Ridders zagen om en waren van Reinout zeer vervaard, en zeiden tot malkander: "Ginder komt Reinout: zijn toorn is als die van een leeuw: 't is vliedenstijd: voort! of wij blijven alle dood."

Maar Reinout vloog reeds nader; hij sloeg den eersten Ridder, dien hij nabij kwam in tweeën: doodde nog twee andere: de overigen boden geen weer, en vloden wat zij mochten: dus verloste Reinout zijn broeder en zeide: "Hoe is 't broeder! zijdy zeer gewond?" Ritsaert andwoordde blijde: "Neen ik, broeder! mij is niet gedeerd, God zij lof!"

Toen zeide Reinout: "Foei, gij bloo kalf, die u zonder weer ter slachtbank laat leiden! deze reize zal ik 'et vergeven; maar ik zweer u voor God: gevalt het u weêr--ik zal u niet ontzetten." Ritsaert zeide: "Gelooft mij, broeder! ik en mocht het niet gebeteren: mijn ros bleef onder mij dood: eer ik mij op konde richten was mij mijn zwaerd benomen: dus werd ik gevangen." Als zij deze woorden samen hadden, was Werrijn weer naderbij gekomen, en reed met kracht op Reinout; hij stootte hem onvoorziens zoo duchtig met een spere, dat hij gants verdoofd zat in den zadel.

"Gij, valsche tyran!" riep Werrijn, "gij hebt mijn broeder verslagen, den Edelen Fouke van Morlioen: kwalijk moet gij varen! Nu zal ik u binden en zenden u Koning Caerle, die u te Montfaucon zal doen hangen."

Maar Reinout was reeds weêr bekomen, en verhief zijn zwaerd met zulke kracht, dat hij hem 'et hoofd kloofde; hij viel dood ter aarde. "Bindt mij nu, Werrijn! en zendt mij en mijn broeders den Koning!" riep Reinout.

En Werrijns volk zag dit en zij begonnen te beklagen, hunnen Heere, en zeiden: "Helaas, wij zijn nu al verloren, want onze Heere is dood: dat heeft Reinout gedaan: hij meende Reinout te vangen, maar 'et was om niet: hij heeft 'et met de dood bekocht."

Maar nu kwam de Grave Calon ter hulpe van Werrijns volk: de Grave reed op Reinout, en stak hem zijn ros dood. Reinout sloeg den Grave, dat hij van den paerde viel: Reinout sprong daar op; dus hadde Reinout twee rossen van dien dage. Hij reed daar hij 'et heir 'et dikste zag; brak hun slagorde, en de broeders sloegen, tot in den avond, zoo vreeselijk om zich rond, dat Roelant, Olivier of Ogier nooit zoo mannelijk en vochten als deze broeders deden.

Onder des werd Writsaert zoo onmachtig, dat hij hem niet meer verweeren konde; 'et bloed ging van zijn herte, zoo dat hem zijn leden begaven en hij viel in onmacht.

Als Reinout dit zag, was hij droevig en riep: "Waar zijt gij, broeder Adelaert! hier ligt verslagen onze broeder Writsaert." Toen zeide Adelaert: "Gedoogt 'et God, wij zullen er ons wrake af nemen." De Grave Calon bevocht Reinout scherpelijk en benaauwde hem te voet en te paerde.

Die toen Reinout hadde mogen zien vechten en zich beschermen van den dood, hij zoude hem geprezen hebben boven eenig Ridder!

Adelaert vocht mede als een vroom krijgsman; zoo dede ook Ritsaert: maar de macht van den Grave Calon was zoo groot, dat zij die op den duur niet wederstaan en konden.

Als Reinout dit zag, nam hij zijn broeder Writsaert om het lijf, en liep met haaste na een der rotsen, die de strijdplaats omgaven. Zijn broeders volgden hem na en beschermden hem, en Reinout bracht Writsaert op de rotse, en lelde hem neder op eenen vlakken marmersteen.

Daar kon hen niemant genaken dan door eenen nauwen weg. Daar was veel steens: die droegen zij bij-een. Zij werden vervolgd tot de rotse toe, en strenglijk met pijlen en werpspiesen beschoten. Reinout wierp zoo snel met zware steenen, dat niemant de rotse genaken en dorst; zij bleven dood, man en paerd: de broeders weerden zich treffelijk.

Als Calon zag dat hij de rotse niet winnen mocht, was hij zeer droevig.

Ook de Grave Ogier was in den velde, en klaagde overluid, Haymijns Kinderen ziende: "Eilacen, zoete neven! gij--lieden moogt u wel klagen vriendeloos; want ieder heeft u thands begeven! Ik zoude u gaerne helpen, maar ik en durf niet om het ontzag van den Koning. Maar mag ik u niet helpen, zoo en wil ik u niet deren: mij kome daar af dat mag."

Dit werd den Grave Calon overgebracht, en de Grave Calon riep tot Ogier: "O Edel Grave Ogier! gij zijt een verrader!"---"Calon, gij liegt daaraan!" riep Ogier toornig: "ik zegge u, dat ik nimmer een verrader wezen zal: ontzag ik den Koning niet, zoo hadt gij dit woord reeds geboet."

De Grave zeide ander werf: "Ogier! zoo gij durfdet--gij zoudt verradenisse plegen." Ogier keerde hem om, hij en mocht die woorden niet langer verdragen, en zeide: "Nog zegge ik, ontzage ik den Koning niet, ik zoude u met mijn zwaerd in stukken klieven, zoodat gij mij nimmermeer betichtet met verradenis."

De Grave Calon belachte hem, en zeide: "Gij hebbet den Koning te menige stede getrouwelijk gediend--maar nu faaldy!" Ogier andwoordde: "Ik zeg u, Heer Grave Calon! het waar misdaan, zoo ik mijn magen vinge, om ze den Koning en de dood der schande te leveren: maar believe 't u, zoo wil ik bij hen gaan, en vragen hen, of zij zich opgeven willen of nog langer strijden."

--"Zoo doet," zeide de Grave Calon; "ik zal al mijn volk achterwaards doen trekken van de rotse: zoo zal men haast zien, of gij verradenis pleegt of niet." En de Grave Calon deed al zijn volk van der rotse trekken, en Ogier ging derwaards. Als hij zoo na stond, dat men hem verstaan mocht, riep hij luide: "Reinout-neve! en werpt niet: de Grave heeft mij tot u gezonden, en doet u vragen of gij u opgeven wilt?"

--"Verrader!" andwoordde Reinout; "hoe kunt ge mij en mijn broeders begeven? Ik zegge u, mag ik van den strijd wederkeeren, gij zult een vijand aan mij hebben. Trek achterwaards Ogier--want, zoo helpe mij God! ik werpe u met eenen steen, dat gij en uw paerd dood blijven." Toen zeide Ogier: "Neve, zoo deedt gij kwaad: want miskwame u iet, het waar mij leed."

Ogier zag Reinout met zijn broeders op de kniën liggen, en zeide: "Reinout-neve rust u, want mij dunkt dat gij moede zijt!" Reinout zeide: "Verrader, hoe moogt gij ons, uwe magen, begeven?" Adelaert zeide: "Vaart te Gode, neve, vaart wel! Gij begaaft ons nooit als nu, dat 't ons leedst is. Gij weet wel, hoe 't met ons staat. Eilacen, mocht ge ons nog verkrijgen vrede tegen Calon, des baden wij u nog: wij willen hem dienen." Toen zeide Reinout: "Broeder vraagt hem niet! wij zijn den verrader Ogier zoo na verwant, dat hij ons met recht helpen zoude: nu zegt hij 'ik en durf niet om den Koning;' maar ik zegge dan ook, indien mij God spaart, dat ik van den strijd wederkeere een doodvijand heeft hij aan mij!"

Ogier zeide: "Blijft met God, lieve neven; en wat gij doet, en ruimt deze rotse niet." Adelaert zeide: "God, die voor ons stierf, moge u geleiden!"

Hiermede scheidde Ogier van de rotse en reed tot den Grave Calon. En als hij kwam, zeide Calon: "Ik zie wel, Ogier! gij wilt verradenis plegen." Ogier zeide vertoornd: "Gij liegt, valsche Grave; ik zegge u, ontzag ik niet den Koning, ik sloeg u 'et hoofd van den lijve. Maar wij hebben hier hooger zake: dunkt het u goed --ik zal vertrekken, en gij zult met uw volk tot de rotse gaan en vragen mijn neven of zij de rotse opgeven willen; en ik zal met mijn volk gaan liggen op een anderen berg, wachtende of hun eenige bijstand opdaagt; en komt hun eenige hulpe, ik zal er doorslaan met mijn volk, dat 'et hun gruwen mag."

Deze raad dochte Calon goed, en hij belegde den berg met zijn volk; en Ogier trok op eenen anderen, om de doorgangen te bewaken.

Toen nu Reinout, de Edele Ridder, met zijn broeders dus zorglijk was belegerd--had hij achtergelaten te Montalbaen een Klerk, die hem zeer lief had. Hij zag des nachts in de sterren dat Reinout van alle kanten bedreigd werd, en ontzett'e men hem niet met zijne broeders, zij onredbaar verloren waren: want deze Klerk was een wijs astronomus, en vond ook in de sterren dat Ywein ze verraden had.

Als de Klerk dit aldus gezien hadde, was hij bedroefd en ging in de burchtzale te Montalbaen. Madelgijs trad juist uit een kamer en riep tot den Kok en Drossaart: "Ziet, dat gij ons te avond genoeg bereidt: want Reinout met zijn broeders zullen t'huis komen; dus legt in elken schotel een zwaan, een roerdomp, een kraan, en een reiger."

De Klerk hoorde Madelgijs dit zeggen, en sprak droef: "Helaas, Reinout zal te avond niet keeren: want te nacht als ik in den sterren zag, vond ik aan den Hemel, dat Reinout met zijn broeders verraden zijn, en op een berg belegerd: is 't, dat men hun niet schielijk te hulp komt, zij blijven er al dood, deze berg is gelegen bij Vaucoloen." Madelgijs werd met leed over zijn neven bevangen, trok een mes en wilde zich-zelven de dood geven; maar de Klerk sprong aanstonds toe, weerhield de hand daar hij 'et mes in had, en ontwrong 'et hem met geweld. "Madelgijs! wat wilt gij doen!" riep hij; "al hadt gij u gedood, daarmee waren uwe neven niet verlost; gaat liever, en bereidt u, als Koning Ywein met zijn volk slapen; vergadert dan al uw vrienden die u helpen willen, en doet uw wapenen aan en rijdt ze ter hulpe: neemt Beyaert met u." Dit docht Madelgijs goed; en terwijl Koning Ywein met zijn volk sliepen, ging Madelgijs en blies den hoorn en vergaderde zijn volk; toen ging hij in den stal daar Beyaert stond; maar als Beyaert--Madelgijs zag, sloeg hij naar hem, en sprong achterwaarts. Madelgijs meende 'et zadel op Beyaert te werpen, maar Beyaert wilde 'et niet dulden en sloeg tegen den zadel, dat 'et tegen den balk vloog. Madelgijs voer op met toornigen moede, greep een stok en sloeg daar Beyaert mede, dat hij op zijn achterste voeten zat; toen nam het Ros een sprong en beet na Madelgijs: hadde hij 't niet ontloopen, 't hadde hem ter dood verwond. Toen zeide Madelgijs, op een afstand staande: "Beyaert, kwalijk moest du varen! Schaam dy, dat du mij dus bijts en slaagst: want Reinout, de Edele Grave, die dy zoo veel goed gedaan heeft, is in bijster groote nood, en moet het leven verliezen, is 't dat du niet en helpst."

Als Beyaert dit verstond, knielde 't voor Madelgijs.

Nu nam Madelgijs 'et zadel en wierp 'et op Beyaert, en gordde 'et hem met vier banden. Toen ging Madelgijs zich wapenen, en als hij gewapend was, sprong hij op Beyaert, en nam een schild aan den hals en een sterke speer in de hand, en reed na Vaucoloen.

Hij had verzameld in zijn hulpe 1500 mannen, vroom ter wapenen en wel voorzien van harnas; die alle begeerden Reinout te ontzetten. Madelgijs konde Beyaert niet zoo bedwingen, of 'et sprong altijd tegen zijnen dank. Dus draafden zij zoo lang, dat ze kwamen in 'et dal van Vaucoloen; en Madelgijs was met Beyaert het volk twee groote boogscheuten vooruit.

Reinout, die met zijn broeders op de rotse belegen en dikwijls aangevochten waren, hadden zich zoo lange geweerd, dat ze niet meer en mochten, zoo moede waren zij. Zij waren gereed de rotse op te geven; zij konden ze niet langer verdedigen; zij waren des zeer droevig en hadden alle de dood voor oogen.

Maar midden in hun druk, zag Reinout beneden in 'et plein Madelgijs komen rijden op Beyaert: "Broeders, weest vrolijk en zonder angst!" riep hij uit: "want ik zie Madelgijs komen rijden met Beyaert, en heeft groote begeerte ons te helpen. Maar wat mag 'et bedieden, dat Madelgijs alleen komt? Gave God, dat ik hier mijn volk had!... zij zouden ons thands wel uit de nood helpen!"

Writsaert lag daar ter aarde of hij dood hadde geweest; als hij Reinout hoorde gewagen van Beyaert, hief hij zijn hoofd op en zeide: "Reinout-broeder! zegt mij, hoorde ik Beyaert niet noemen? Voorwaar, mocht ik Beyaert zien--ik ware gezond."--"Ik zie hem komen, broeder!" andwoordde Reinout, "in genen dale: Madelgijs zit er op en brengt hem herwaarts. Maar ik vrees Ogier; dat hij Madelgijs mocht slaan."--"Broeder! laat de zorge blijven," sprak Adelaert; "al had Ogier hem gevangen, hij zoude wel ontgaan bij zijner konste."

Toen zeide Writsaert: "Helpt mij, dat ik sta! en laat mij Beyaert en Madelgijs zien!" Toen trad Reinout aan, en nam Writsaert in zijn armen, en hield hem staande op zijn beenen. Writsaert zag neder in 'et dal, daar Beyaert liep; hij werd blijde en zeide met zoete woorden: "Broeder! ik voel mij genezen."

Madelgijs, naderrijdende, werd intusschen Ogier gewaar, en reed op hem wat Beyaert loopen mocht, en stak op Ogier zijn speer aan twee. Toen zeide Ogier: "Ik ben uw vijand niet." Madelgijs andwoordde: "Verrader, dat u God schende! ziedy niet, hoe uw magen in groote nood belegen zijn op de rotse, en in zorge staan huns levens? en gij en wilt ze niet helpen? Wacht u! ik ben uw vijand!"

--"Ontzag ik niet uw tooverije," sprak Ogier, "zoo was u euvel geschied, ik zoude u vechtens mat en zat maken." Madelgijs was toornig als hij dat hoorde, en trok zijn zwaerd in gramschap en gaf Ogier zulken slag, dat hij niet meer hooren of zien kon. Als Ogier bekomen was, trok hij zijn zwaerd en zoude Madelgijs geslagen hebben, maar Beyaert ontdroeg hem en liep ter rotsewaart.

Reinout zag neder en zijn volk komen; dies hem 'et herte verheugde. "Ik heb mijn volk gezien," riep hij; "nu zijn wij gered: laten wij nedergaan hand aan hand, recht of wij ons gevangen wilden geven, want Calon en weet niet wat 'er aan gene zijde, in de bergdoortocht, is geschied." Toen namen zij elkander bij der hand en gingen nederwaards. De Grave Calon zag het, dat Reinout en zijn broeders nederkwamen, en zeide: "Mij dunkt, Reinout en zijn broeders willen zich overgeven: ik zal ze vangen en voeren ze tot Koning Carel."

[Illustratie: Helpt mij, dat ik sta!]

Met-een reed Calon ter rotse. Inmiddels was ook Beyaert aan de rotse gekomen en had Reinout gezien: toen ontliep hij Madelgijs tegen zijn dank en Reinout te gemoet. Madelgijs voelde, dat hij Beyaert niet wederhouden kon en wrong hem met den breidel den mond bijna te bloede: maar op eenmaal nam Beyaert een zoo grooten sprong, dat Madelgijs den zadel ruimen moest en viel van den paerde; en Beyaert liep tot Reinout.

Madelgijs stond haastig op; daar kwam een Borgonjon aangereden op een goed Ros. Madelgijs liep hem tegen, en sloeg hem met zulke kracht tegen zijn borst, dat hij dood viel. "Borgonjon," zeide Madelgijs lachend, "gij moest hier uw paerd laten!" en met-een sprong er Madelgijs op, gaf 'et de sporen en reed te rotsewaart.

En Beyaert is gekomen bij Reinout. Reinout zeide: "Beyaert, wees wellekom!" en sprong er op met groote begeerte. Als Reinout op Beyaert zat, stortte hij zich in des Graven heir, en Madelgijs reed hem op zij en riep: "Reinout-neve, hier is volk van Montalbaen." En beiden sloegen op den vijand in.

Toen de Grave Calon zag, dat Reinout op Beyaert zat, en zag Madelgijs mede, was hij zeer vervaard: ook zag hij al 'et volk van Montalbaen komen opzetten na zijn lager heen; toen toog hij met zijn volk achterwaards, zoo zeer vreesde hij het onderspit te delven. En Reinout had ook zijne broeders te paerde geholpen, en reden in des Graven volk, en vochten zoo zeer dat 'et onuitsprekelijk was. Reinout riep met luider stemme: "Slaat voort, gij Heeren, op al deze verraders; dat er ons geen ontga!" Reinout versloeg er alzoo veel, dat 'et ongelooflijk is, ook Beyaert dede menigen Ridder den zadel ruimen.

Madelgijs, in 't gemoet van den Grave Calon gekomen, stak hem met felheid door zijn schild, en geraakte hem zoo, dat hij dood van den paerde viel; hierenbinnen sloeg Reinout eenen François 'et hoofd van den lijve. Aldus bleef des Graven volk bij groote menigte dood: want de Historie zegt, dat op die tijd verslagen werden 1000 Françoisen ofte Borgonjonnen. Aldus moest Calons volk ruimen, en Reinout met zijn volk behielden 'et veld, en waren dus met Gods hulp door hunnen oom Madelgijs verlost.

Als Ogier zag, dat de Françoisen verwonnen waren en uit den velde vloden, is hij gereden over een water genaamd Dordoen, met al zijn volk, en hebben hun ter vlucht gesteld; om zich zelf te bergen van hunnen lijve; en zijn zoo gereden na Parijs. Adelaert, Ogier dus over 'et water ziende rijden, riep: "God wil u geleiden, neve Ogier! en moge u loonen al uw deugd. Ik bid u, dat gij den Koning wilt groeten met zoete woorden, en zeggen hem, dat hij zijn goud kwalijk besteed heeft aan de genen, die ons zouden dooden of hangen, en zouden ons leveren tot eener gifte: laat hem zulke zoudeniers méér zenden; wij zullen hunne zoldij wel betalen: met zoo zware slagen, dat zij daarna geen zoldij meer eischen en zullen." Ogier zeide: "Adelaert-neve, uw boodschap wordt gedaan." Dus scheidde Ogier van de broeders en reed na Parijs; en Reinout en zijn broeders en zijn volk reden na Montalbaen.

"Mag ik Ywein, mijn zweer, te Montalbaen vinden," zeide Reinout onder 'et rijden, "dan zal ik hem doen hangen of 'et hoofd afslaan zonder erbarmen, dat hij ons zoo schandelijk verraden heeft." Madelgijs riep nu eenen Ridder bij hem, die te vertrouwen was, en zeide: "Gij moet haastelijk varen te Montalbaen, en voorkomen 'et kwaad, dat Reinout brouwt. Als gij er komt, zoo gaat tot den Koning en zegt hem, dat hij aanstonds vlied: want is 't dat hent Reinout vindt, hij zal hem doen hangen, om dat hij ze verraden heeft." De Ridder was Madelgijs gehoorzaam, en reed met haaste te Montalbaen.

Als hij daar kwam, ging hij tot den Koning en zeide hem wat Madelgijs 'em bevolen hadde. De Koning was wegends die boodschap zeer ontsteld; hem veranderde zijn verwe en hij zwoer, in zijn droefheid, dat hij na dien dag niet meer de kroone dragen zoude, en geven zich in een klooster, dat daaromtrent gelegen was en Beurepaer heette, om zijne misdaad te boeten, en God te dienen met grooter naerstigheid, want hij Reinout niet en dorst verwachten; daar hij zijn gramschap grootelijks vreesde. Dus werd Koning Ywein een Monnik, en leefde in groote strengheid.

Reinout en zijn broeders reden zoo lange dat ze kwamen te Montalbaen. Clarisse, de schoone Vrouwe, was met rouwe bevangen; zij zag haren Heer komen, en ging hem te gemoet; en zij zeide met zoete woorden: "Heer! zijt wellekom."--"God loon 't u, Vrouwe!" andwoordde Reinout somber; "maar zegt mij--waar is uw vader?... uw vader Ywein, die mij en mijn broeders verraderlijk woû doen verslaan?" De vrouwe zeide schreyend: "Heer! te Beurepaer is hij gevaren, en heeft hem daar als Monnik gesteld, om te beteren zijn leven en te boeten voor de zonden, die hij bedreven heeft."

Reinout schudde het hoofd, en zeide: "Vrouwe! ik geloof u niet: maar gij wilt hem aan mijne gerechte wraak onttrekken. Wat had ik hem misdaan, dat hij mij en mijn broeders zoo jammerlijk verraden moest om 20000 kroonen? Gij heult met den verrader tegen uwen man.... Gaat uit mijn oogen; dat ik u niet meer en zie!"

--"Genade, Heer!" riep de Vrouwe, en vouwde de handen: "wat schuld vindy in mij zoo strengelijk te straffen!"--"Voorwaar, broeder!" zeide Ritsaert, "wij waren verloren geweest, had uw Vrouwe, de Edele, dat niet voorkomen, die mij de zwaerden heimelijk medevoeren deed, daar wij ons meê weerden: ik bid u, broederf wijt haar niet des verraders vergrijp. Wilt gij uw Vrouw die onschuldig is, niet in liefde ontvangen, broeder--welnu, dan ga ik mede uit uwe oogen, dat gij mij nimmer meer en ziet."

Reinout zeide: "Broeder! eer gij van mij gingt, vergaf ik liever de verradenis, die haar vader ons gedaan heeft." En allen waren blijde: en Reinout omhelsde Vrouwe Clarisse, en zij waren zoo gelukkig, dat er van Yweins verraad niet meer gesproken werd.

[1] _zweer_:(hier) schoonvader.

[2] _Constapel_: opperbevelhebber.

[3] _een mijte_: worm, niets.

HET NEGENTIENDE CAPITTEL.

Hoe Ogier te Parijs kwam, en vertelde Koning Carel, hoe de reize vergaan was; hoe hem Roelant verradenis opleide, en hij daarom eenen kamp vocht tegen Wouter, dien hij in 't perk versloeg.

Toen Ogier van Reinout en zijn broeders gescheiden was, reed hij met haaste te Parijs, en ging bij Koning Carel, dien hij minlijk groette. De Koning was blijde als hij Ogier zag en heette hem wellekom. Daarop vraagde hem de Koning, hoe de reize vergaan was te Vaucoloen, "brengt gij mij Reinout gevangen?"--"Neen wij, Heer Koning!" zeide Ogier; "kwalijk hebdy uw geld besteed, dat gij Ywein gaaft, opdat hij u Reinout met zijn broeders gevangen leveren zoude. Ik zeg u, Reinout heeft verslagen den Graaf Calon, Fouke van Morlioen, en Werrijn zijn zwager; hun meeste volk is gebleven, en ik mijn lijf mede kwalijk ontdragen mocht, want ik ben zeer gewond. Mijn gereide moest ik daar laten, of 'et mij leed of lief was. Dat dede Madelgijs, de toovenaar; want hij bracht Reinoude sterke hulp: wel 3000 man."

Roelant zeide: "Dat geloof ik wel, Heer Ogier! want zoo ik vernomen heb, zijdy een verrader, die Madelgijs te Montalbaen boodschap zondt."