Karolingsche Verhalen

Part 12

Chapter 124,207 wordsPublic domain

Toen hij naderkwam, dacht hem dat 'et was een knaapjen en zag dat hij ongewapend was. Toen schaamde hij zich, en liet zijn speer ter aarde vallen, en nam Reinout bij den arm, zeggende: "Waar zijdy geboren?--God helpe mij zoo waarlijk ik nooit zoo groot een paerd heb gezien, als daar gij op zit, 't heeft Beyaerts gang, en ware 'et van hair als Beyaert, ik zoude zeggen dat hij 't was."

Reinout andwoordde in Brittaansch met zoete woorden. Toen zeide Fouke: "Spreekt Françoisch!--de Booze moog dy verstaan! --Vaar heen en heb ramp!"

Toen kwam Naymes aanrijden, en zeide tot Fouke: "Hoe? hebdy Reinout niet verslagen?"--"'t Is Reinout niet," zeide Fouke; "'t is een jongen van vijftien jaren; hij heeft nog geenen baard, ik kon geen woord uit hem verstaan: want hij is gekomen uit Brittaniën." Toen stak Naymes zijn zwaerd in de scheede, gaf zijn ros de sporen, en reed naar Reinout, wat 't paerd maar loopen mocht.

Als hij bij hem kwam, nam hij den toom van den paerde in de hand, en zeide: "Jonkheere! waar zijdy geboren?" Reinout zeide hem met zoete woorden in Brittaansch: "In Barwijk ben ik geboren." Naymes zeide: "Spreekt Françoisch; ik en versta u niet." Als Naymes anders geen tale van Reinout hoorde, zeide hij met arren moede: "Vaar henen, in Duivels naam!" Toen nam Naymes Madelgijs' paerd bij den toom, en zeide: "Zegt mij, waar de Jonkheer geboren is, die daar heenrijdt." Madelgijs andwoordde in 't Vransch: "In Brittanje, Heer! hij is eens Graven kind, maar zijn land en steden heeft hij verpand." Naymes zeide: "Zegt mij, van waar hem dat Ros gekomen is: 't is sterk, groot, en snel. Bij mijn geloof, 'k en zag er nooit zoo groot: 't heeft Beyaerts gang en maaksel."--"'t Is geen wonder dat 'et groot is," was het andwoord, "want 'et at nooit anders dan haver en brood. 't Is hier, wijl die jongeling, mijn Heere, gehoord heeft, dat de Koning deed roepen alle Ridders tot zijner kroone, om ze met rennen te winnen, en dat de Koning 'et ros wil koopen dat het snelste is, en geven et zijnen neve Roelant, om Reinout daarmeê te dwingen--'t is daarom dat 'et hier gekomen is, de Jonker hopende de kostelijke kroon te winnen."

--"Hebdy van Reinout niet vernomen?" vroeg Naymes. Madelgijs andwoordde: "Ik meene, dat hij nog achter is: hij heeft 'et sterk toegelegd op 's Konings oneer." Madelgijs nam oorlof, en reed na Reinout; en Naymes reed na Fouke en zeide: "Mij dunkt wij hebben een onnoozel stuk bestaan, dat wij den koenen Reinout wilden wachten, want ik ben zeker, dat hij te Parijs noch hieromtrent niet en kwame, al mocht hij daarmede gewinnen heel Senlis, Blois en Amiëns." Fouke zeide: "'t Is waar! en verneemt dit de koene Grave Reinout, zoo zal hij den spot met ons drijven."

Toen keerden zij naar huis. Als de Koning Fouke zag, vraagde hij 'hoe t' vergaan was; of ze Reinout gevangen hadden?'--"Neen wij, Heer Koning!" antwoordde Fouke. Naymes zeide: "Heer Koning! ik zegge u dat wij een onnoozel stuk bestonden, toen wij Reinout wilden wachten: want ik ben zeker, dat hij te Parijs niet en kwam, al kon hij daarmede winnen Amiëns en Orleans."--"Duc Maymes!" zeide de Koning, "gij spreekt wellicht waarheid: maar Reinout is een van uw magen; ik wantrouw u des, en zegge, dat gij 't wel eens met uw leven bekoopen kost--ware 't dat mij Reinout ontkwame!"

--"Welnu, Heer Koning!" zeide Naymes; "uit mijn raad zal u mijn trouwe blijken! gij zult alle poorten doen sluiten, de vreemde Ridders en Baroenen buiten laten, en in elke poort zetten 30 gewapende mannen: of men Reinout ergends vernam, dat men hem vinge en tot u voerde!" Toen zeide de Koning: "Heer Naymes! dat is goede raad!"

Terstond dede de Koning al de poorten sluiten, en zett'e bij elke poort 30 gewapende mannen.

En Reinout is met Madelgijs gekomen voor de poorte der stad, en klopten aan; maar men hoorde ze niet. Als Madelgijs dit bemerkte, stak hij zijn hoofd door het klinket[2], en zag daarbinnen een gewapend man staan; dien sprak hij met schoone woorden toe, en zeide: "Mijn vriend! waarom doet de Koning de poorten toesluiten! Des verwondert mij zeer? en dat alle de Ridders hier buiten moeten blijven!... Meent de Koning, dat hij al de goede paerden binnen heeft? Neen hij, hier is een beter buiten."

Die goede man zeide tot Madelgijs: "'t Is om Reinouts wille gedaan!" Madelgijs zeide: "Is het anders niet! Wat weten wij van Reinout! Maar ik heb gehoord dat hij vóór of achter is, en het sterk op 's Konings oneere heeft toegelegd."

Bij Reinout stond een rabout[3], en zeide: "Zag ik ooit Reinout--zoo zie ik hem nu: 't is de jongeling, die daar op 'et groote paerd zit: Madelgijs heeft Beyaert met tooverije zoo veranderd." Beyaert verstond dat zoo wel, of 't een mensch geweest ware, en sloeg den rabout voor zijn borst, dat hij dood viel.--"Ach, wat vurig paerd!" zeide Madelgijs, "'t heeft hier een knecht dood geslagen." Een Heer daarbinnen zeide: "Dat ros heeft recht gedaan, want Beyaert is pikzwart, dit ros is witter dan een sneeuw; ook kennen wij Reinout wel, want hij heeft een gedaante van twee-en-twintig jaren; deze jongeling scheen geen vijftien jaar." Men dede de poorte open en liet ze binnenrijden.

Madelgijs vraagde na de beste herberge, in de stad; men wees ze hem; en als ze voor de herberge kwamen, traden zij van hunne paerden; de paerden werden in den stal geleid, en de Heeren gingen maaltijd houden.

Als de Heeren gegeten hadden, gingen zij slapen; des nachts ontsprong Madelgijs, en zong van blijdschap; stond op, en ging in den stal bij Beyaert, bond hem den rechter voet en ging te werke met zijn konst, zoo dat Beyaert veranderde van gestalte, en scheen zeer mager en lam te wezen; ja 't en scheen niet waerd te zijn twee penningen. Reinout en Madelgijs zadelden toen heimelijk hunne paerden, en reden buiten de stad in een schoon plein, aan den kant der Seine, tegenovergesteld aan dien van waar zij gekomen waren, wachtende daar dat de Koning gegeten had.--Als de maaltijd ten Hove gedaan was, reed de Koning met zijn Baroenen buiten; hem volgden al die naar den prijs wilden dingen. Die geen goed paerd en had, was verdrietig.

Als zij kwamen op de renbaan, daar de kroon was, reden Madelgijs en Reinout mede onder de Heeren. En als zij Reinout zagen met Beyaert, dat zoo zeer mismaakt scheen, dreven ze den spot met hem, zeggende: "Ziet, deze zal nog heden den prijs behalen, en door zijn vaerdigheid de kroone winnen; en 'et ros, dat zoo goed is, zal de Koning van hem koopen; en geen geld daaraan sparen."

Toen zij aldus met hem spotteden, zeide Reinout met zoete woorden: "God mochte mij heden zoo veel gratie geven in mijn jonkheid, dat ik de kroone wonne!" En daar stond een borger, die 'et hoorde, en zeide al lachende: "Vriend! gij doet een billijken wensch: doch 'et ros mag u kwalijk dragen; maar, vriend! doet mijnen raad, keert weder in de stad en huurt eenen ezel voor dit paerd: die heeft lange zijden, en kan wijde stappen maken."

Intusschen gaf ze de Koning oorlof, dat ze zouden rijden om de kroone te winnen; en die daar hadden de beste rossen bereidden zich voor, en brachten hun zadeltuig in orde. Toen trad Madelgijs plotseling en ter sluik van den paerde, ontbond Beyaerts rechter voet, deed zijne konste, en Beyaert had zijn kracht te-rug, was snel en sterk als te voren.

Madelgijs zeide tot Reinout: "Nu peinst om slim te handelen, neve! Met zaligheid moogt gij keeren! Ik zal rijden door Parijs, en aan de andere zijde van de Seine, daar zal ik u verbeiden." Hiermede nam Madelgijs van Reinout afscheid; intusschen waren zij, die reden om de kroone te winnen, een groot eind voor.

"Beyaert, goed Ros," zeide Reinout, "zal een ander de kroone winnen?--dat ware schande, Beyaert! gij moest u haasten, mij dunkt dat gij traag zijt!" En Beyaert begon te loopen dat het alle toeschouwers doodelijk vervaarde, die 'et zagen; want 'et liep met een verbolgen moed, en vloog als 't ware een pijl geweest. En Carel, de oude Koning, werd Beyaert gewaar, en zeide: "Ziet ginder, neve Roelant! dat ros, dat zoo snel loopt, zal ik nog t'avond koopen en geven 'et u; ziet, dat gij dan daarmede Reinout meester wordt: want beziet dat ros wel: 'et heeft een loop als Beyaert: ware 't zoo wel zwart als wit, ik zoû zeggen dat 'et Beyaert ware."

Onder deze woorden, die de Koning tegen Roelant hadde, heeft Reinout verre vóor de andere paerden de kroone bereikt, heeft ze genomen van de staak waar zij op stond; reed met Beyaert in de Seine en voerde de kroone wech.

Dit schokte den Koning diep, hij draafde een eind weegs langs den oever, verhief zijne stemme en riep: "Vriend! geeft mij de kroone weder; ik zal ze vier werf met goud opwegen, en uw ros, dat zoo snel van voeten is, wil ik koopen van u, en geven daarvoor wat gij eischen kunt." Reinout andwoordde: "Heer Koning! dit Ros is mijn! Waar woudt gij vinden een ros zoo groot als Beyaert, en dat hem zoude onderloopen? In al de waereld niet! Ik heb de kroon gewonnen; ik wil 'et goud nemen dat er aan is, en geven 'et die mij dienen: ik zeg u, Heer Koning! zaagdy ooit Reinout--zoo ben ik 'et." Als dit de Koning hoorde, veranderde hem zijn bloed, en hij riep met smerte: "Reinout-neve! ik bid u, geef mij mijne kroone weder!" Reinout zeî: "Heer Koning! ik doe des niet, de kroone is mijn; de steenen die er aan staan zal ik tot Montalbaen zetten, dat ze een ieder kan zien. Geen koopman behoort ze te dragen: 't is beter dat Beyaert, dat goede Ros, ze draagt. Zoo ik verneme, wildy een koopman van paerden zijn! Gij zoekt een paerd, dat Beyaert onderloopen zoû!... Dat mist u, Heer Koning! Hier is de bloem der paerden!"

Aan den overkant der Seine kwam nu Madelgijs met grooter haast aangereden, en riep luide: "Hebdy de kroone gewonnen, Reinout-neve?" --"Ja, oom!" zeide Reinout, "dank zij God en u, oom Madelgijs!"

--"Eilaas," zeide de Koning, Madelgijs herkennende, "'t en zoû ons niet baten, Heeren, of wij in de Seine reden; want deze dede met zijner tooverije ons allen verdrinken!" Madelgijs riep van verre: "Heer Koning! gij zegt waar!" Meteen sprong Reinout op Beyaert, en Madelgijs op zijn paerd, en reden tot hun gezellen; en Reinouts broeders en 'et volk, dat hem verwachtte, waren blijde dat Reinout met de kroone kwam. En zij reden te zamen in Montalbaen.

[1] '_'t En dede God met zijn Gratie, Reinout wierd gevangen_: Reinout werd gevangen, of God moest er met zijn genade tusschenkomen.

[2] _klinket_, ook _winket_ genaamd: hier een luikjen in een poortdeur.

[3] _rabout_: slechte knaap.

HET ACHTTIENDE CAPITTEL.

Hoe Koning Carel--Koning Ywein ontbood, toen hij Hof hield, en Ywein beloofde, dat hij Reinout met zijne broeders leveren zoude in Koning Carels geweld.

Als Reinout en Madelgijs dus van den Koning gescheiden waren en hem de prachtige kroone ontvoerd hadden, was 'et den Koning zeer droevig; want Pinxteren begon te naderen, dat de Koning Hof houden zoude: zoo dat hij een andere kroone moest doen maken.

Koning Carel ontbood al zijn vrienden en magen, en allen die onder hem waren, geestelijke en waereldlijke; en in zonderheid deed hij Koning Ywein aanzeggen, dat hij tot hem kwame. Als Koning Carel de Heeren ten Hove had, die hij begeerde, hield hij Feeste met groote vreugde. En als de maaltijd gedaan was, stond Koning Carel op, en riep Ywein tot hem, en ging met hem in een duistere welf.

Toen zeide de Koning tot Ywein: "Ik bid u, dat gij mij levert Reinout en zijn broeders: ik zal geven vier paerden met goud beladen: opdat ik moog wreken de dood van mijnen zone!" Als Ywein dit hoorde, en daar was niemant bij, die hem ten goede ried, werd hij overwonnen, vermids het goud, dat hij beminde, en nog meer vermids de vreeze, die hij had van Koning Carel, en zeide: "Heer Koning! wilt gij mij vier paerden met goud beladen geven, ik belove Reinout met zijn broeders te leveren. En opdat het zijn moge zonder gevaar voor u-zelven, zal ik ieder doen zetten op een muildier, zonder wapens; dat gij er uwen wil mede kunt doen." Koning Carel zeide: "Keeren wij in de zale!"--"Maar laat niemant van ons opzet vernemen, die 'et Reinout zeggen zoude:" andwoordde Ywein; "want vernam hij 'et, hij zoû mij dooden. En als gij ze hebt, bewaart ze dan wel; want ontgaan zij u, Reinout zal mij dooden."--"Vreest niet," zeide Koning Carel, "komen de Ridders binnen Vaucoloen, ik liet ze mij niet ontgaan om geen goed."

Koning Carel en Ywein hebben dus hun raad besloten en zijn in de zale gekomen, en alle de Heeren, die daar waren, deden hun eerbiedenis. En Ywein heeft terstond aan Koning Carel oorlof genomen en aan de andere Heeren, en reed met haaste na zijn land.

En de Heeren, die bij Koning Carel feest gehouden hadden, namen oorlof aan den Koning en wouden te huis reizen. "Gij Heeren!" zeide de Koning, "ik laat u niet vertrekken; gij zult varen te Vaucoloen, en wachten daar Reinout en zijn broeders: want ik hebbe hem van Ywein, zijn zweer[1], gekocht, hij zal ze mij leveren te Vaucoloen, om 20000 kronen, zonder harnas of wapen, en elk een mantel omhebbende. En als ze daar komen, ziet dat gij ze vangt; ik zal u hun hoofden vier werf opwegen met goud." Daar waren der Heeren vele, die zich blijde betoonden van des Konings woorden, want zij hadden het goud lief.

Tot Fouke zeide Koning Carel: "Ik make u Constapel[2] van den heire." Fouke zeide: "Heer Koning! ik zal mijn best doen, om uwen wille te volbrengen." Terstond maakten hen de Heeren reede, en togen na Vaucoloen, om Reinout en zijn broeders te wachten.

Koning Ywein, die deze verradenis plegen zoude, is in Gascongiën gekomen, en gereisd na Montalbaen, om Reinout met zijn broeders daar te vinden. Hij vond ze daar echter niet: want zij waren op dit pas ter jachte te Bordeas in 'et woud.

God gaf ze zoo veel wild te vangen, als zij op vier paerden laden mochten en hiermede keerden ze naar huis. Als zij buiten 'et bosch kwamen, zagen zij een teeken aan de lucht; Reinout liet het hoofd hangen op zijnen schilde.

"God zij met u, Reinout-broeder!" sprak Adelaert; "waarom zie ik u dus bedroefd?" Reinout zeide: "O broeders! mijn hoofd doet mij zoo wee, dat ik niet en weet waar ik blijve." Adelaert zeide: "'t En is geen wonder: want wij hebben te lange gejaagd."

Eindelijk kwamen ze bij Montalbaen: daar zag Reinout op de tinnen van Montalbaen veel volks liggen. "Helpt, Maria Moeder Gods!" riep Reinout uit: "wie mag wezen op de Montalbaen; Ik ducht iets kwaads. Clarisse, mijne Vrouwe, waar mag zij zijn? Madelgijs, mijn oom, heb ik er mede achtergelaten!"

En een ridder die binnen Montalbaen was, reeds hem te gemoet, en zeide: "Reinout, Edel Grave! zijt niet vervaard: Koning Ywein is gekomen, om te zien hoe gij al vaart en doet." Reinout andwoordde: "Wellekom moet hij zijn!"

Als Reinout te Montalbaen kwam, zoo ging hem Ywein te gemoet, en Reinout dede hem eerbiedenis en zeide: "Heer Koning! weest wellekom!" Ywein zeide: "Reinout ik hebbe u zeer noodig gehad." --"Waarom hebt gij mij niet ontboden?" zeide Reinout; "ik ware met mijn volk gaerne gekomen, met 3000 man, als het u welgevallig had kunnen zijn."

--"Dat betrouwe ik wel, Reinout!" zeide Ywein; "maar daar en is geen betere boodschap, dan een man zelver doet: ik heb intusschen uw boodschap getrouwelijk gedaan aan Koning Carel, en uwen peis gemaakt." Als Reinout hem deze woorden hoorde spreken sprong 'em 'et herte op van vreugde; hij zeide: "God geve u daaraf uw loon! zoo blijde was ik mijn leven niet. Maar zegt mij, Heer Koning! wat zoen zal ik mijnen oom bieden? zal ik voor den Koning op de kniën vallen?" Ywein zeide: "Gij zult met den Koning verzoenen te Vaucoloen; daar zuldy hem smeeken, wollen en barvoets."

Als Ywein dit zeide, wilde Reinout hem kussen aan zijnen mond: des ontzett'e de verrader, en zeide: "Reinout! en kust mij niet, want mijn hoofd doet mij zoo wee, dat ik 'et niet lijden en mag."

--"Ik zal varen tot Vaucoloen," zeide Reinout, "en nemen met mij 300 mannen, voor 't geval dat men verraad tegen mij gesmeed hadde, dat ze mij en mijn broeders te hulp kwamen!"--"Dat en mag niet zijn," andwoordde de Koning: "gij en uw broeders moet alléén derwaards trekken; gij moogt ook Beyaert niet medenemen; want uw peis is zoodanig gemaakt, dat gij met uwe broeders oodmoedelijk moet rijden op muildieren van Arragon, zonder wapens in uwe kleederen."

Reinout zeide: "Die woorden zijn voor niet: zoû ik zoo in Vaucoloen varen? En als mijn peis eens niet gemaakt was tegen den Koning?" Ywein zeide: "Ik zeg het u, bij al dat leeft, uw peis is gemaakt!"

--"Ik zal mij gaan beraden met mijn broeders en mijner vrouwe," zeide Reinout: hij ging en vond ze te zamen in de zale. Reinout zeide: "Lieve vrouwe! wilt ons helpen raadplegen: uw vader zegt dat mijn peis gemaakt is, en dat ik en mijn broeders moeten varen in Vaucoloen, ter zoene van onzen oom, wollen en barvoets. Ach, mocht e't waar zijn, dat ik mijn peis hadde, ik en waar niet zoo blijde, al gaf men mij half Vrankrijk!"

--"Lieve Heere!" zeide Vrouw Clarisse, "ik rade u, dat gij daar niet en komt: want in waarheid zeg ik u, te nacht als ik te bedde lag, zoo dacht mij dat ik zag in mijn droom ons goed Ros gewond door de speer van een verrader: dat doet mij angstig zijn voor u, zijn meester. Heer! blijft in uw kasteel, zoo hebt gij geen zorge. Zendt een verspieder in Vaucoloen, die eerst zal vernemen of gij vrij varen kunt of niet."--"Zoû ik vreezen, tedere vrouwe?" riep Reinout; "neen, ik zal rijden te Vaucoloen en voor den Koning niet schijnen hem te mistrouwen."

--"Lieve Heere!" zeide de Vrouwe toen, "doet dan voor 't minst wat ik u zeggen zal: bidt mijn vader, dat hij met u vare met al zijn Ridders, wel gewapend: zoo mag u geen kwaad geschiên: want, acht! ik ben zoo zeer bezorgd voor uw leven, Edel Heere. Maar is 't dat hij mede rijden wil, zoo gaat--gij en uw broeders. En is 'et dat hij 't niet doen en wil, zoo smeek ik u nederig, vaart er niet! want ziet, bij mij staat vast, dat de vaart verschrikkelijk voor ons zal zijn."

Met-een keerden zij al t'zamen uit de kamer, en gingen tot den valschen Koning Ywein. "Heer Koning!" zeide Reinout, "ik bidde u, dat gij mij met uw Ridders geleidt in Vaucoloen: zoo mag ik veilig keeren en het lijf behouden." De Koning zeide: "Edele Ridder! 't en mag niet zijn, want uw peis is alzoo gemaakt met Koning Carel, dat gij met uw broeders alleen moet varen zonder wapen, zwaerd noch Beyaert. Ik zal hier uw plaats vervullen, en 't kasteel bewaren. Gij hebt nergends voor te zorgen." Als de Edele Vrouwe haren vader deze woorden hoorde spreken, trad zij dicht bij Reinout en zeide: "Liefste! mag ik u iet bidden, o trekt dan derwaards niet: eilaas, eilaas, ik zegge u, dat mijn vader u verraden heeft." Reinout ontstelde bij deze woorden: "Wat lastert gij uw vader!" sprak hij; "waarom zoude hij mij verraden tegen mijnen oom? wat heb ik hem misdaan? Bemint hij ons en onze schoone kinderen niet, die God ons geschonken heeft? Ziet toe, wat gij van deze te wachten hebt, zoo gij kwaad zegt van uwen vader! Raadt ons niet wat t' onzer schande ware, vrouwe! Ik zeg u: ik en mijn broeders zullen in Vaucoloen rijden en den voetval doen."

Met deze woorden nam Reinout oorlof, en Koning Ywein dede de muilen halen, en de mantels daar ze in rijden zouden.

De schoone Clarisse was zeer bedroefd, en had om Reinout groote rouwe; zij riep Ritsaert, zeggende: "Edel Ridder! Ik bid u, neemt deze vier zwaarden en voert ze heimelijk mede: want wist 'et Reinout, hij zoû niet gedoogen dat gij ze medenaamt; en ik ducht, helaas, dat gij ze wel van doen zult hebben." Ritsaert dankte haar zeer en ontving de zwaerden, en verborg ze onder zijne kleederen.

Zij namen oorlof, en Reinout met zijn broeders lieten Montalbaen; de Vrouwe weende zeer en bad dat ze God in zijne hoede nam!

Als Reinout een stuk gereden had, hief hij een liedeken aan, dat hem 'et herte vervrolijken mochte. "Broeder!" zeide Adelaert, "een man, die in dus zwaren oorloge en gevaar is, behoort niet te zingen."--, "Gij zegt waar, broeder," zeide Renout; "mijn hert is zoo beklemd dat ik niet en wete wat 'et beduiden mag: ik bidde God dat hij ons behoede!"--"Hoe is 't u, broeder?" zeide Adelaert; 't is u toch anders niet dan wel?" Reinout andwoordde: "Mijn hert, broeders! zegt mij enkel goed: dus laat ons in Gods naam voorttrekken: God geve ons alle ding ten beste!"

Aldus reden zij zoo lange, dat zij bij Vaucoloen kwamen. Met-een heeft Reinout Fouke bespeurd. "Helpe 't H. Cruis!" riep Reinout: "ik geloof wij varen in den dood: zaagt gij Foukens standaart niet daarginds?" Toen zeiden de broeders: "Reinout laat ons vliên, want Koning Ywein heeft ons verraden."--"Ik hope nog door Gods genade, dat Koning Ywein zulk verraad niet zoude plegen!" zeide Reinout.

Als de broeders deze woorden te zamen hadden, zoo heeft ze Fouke gezien, en riep tot zijn volgers: "Gij Heeren, maakt u bereid; ginder komt de Grave Reinout met zijn broeders gereden, op muilen van Arragon!" Fouke was koen genoeg; hij sprong met haaste op zijn Ros, het schild aan den hals, nam een spere in de hand, en stak zijn paerd met sporen. En als hij bij Reinout kwam, zeide hij: "Geeft u gevangen! Gij hebt Beyaert, uw goede Ros, door kwaden rade achtergelaten: want ik zal u alle nemen en binden, en zenden u den Koning, die zal u doen hangen."

Reinout andwoordde: "Ik hope, dat gij niet en zult; en 't bij het woord zal blijven. Van zulker dood wil God ons beschermen! Maar ik bidde u, wilt mij helpen aan mijnen peis tegen den Koning! Laat mij doorrijden, opdat ik den Koning te voet valle!"--"Ik zegge u, Reinout," antwoordde Fouke; "uwer vrouwe vader, Koning Ywein, heeft u verraden en verkocht om 20000 kroonen."

Toen vervolgde hij: "Reinout! gij moet gevangen met mij varen tot den Koning!" Reinout zeide: "Dat zult gij gelogen hebben, alzoo helpe mij God! Met geweld vangt gij mij niet, dat zegge ik u. Ik had mij liever dood te vechten." Als Fouke Reinout deze woorden hoorde spreken, werd hij met toorn ontstoken, en velde zijn spere en wilde Reinout doorsteken. Reinout wachtte den steek niet af, en liet zich snel van den muile nederglijden. Nochtans geraakte Fouke met der spere wel drie vingerbreedten diep, en de punt was al bloedig: als Adelaert dit zag, riep hij: "Reinout is dood!" Reinout zeide: "Zwijg, gij dwaas! 'k en hebbe geen nood."

Maar Ritsaert, nu ziende dat Reinout gekwetst was, sprong voor uit en gaf hem het goede zwaerd Florenberge, zeggende: "Dien zendt u mijn vrouwe Clarisse en zegt u: 'hadt gij gedaan haren raad, 't waar ons ten goede gekomen;' zij kende haar vader, den Koning, beter dan gij, broeder." Als de Edele Reinout Florenberge zag, werd hem 'et herte lichter. "Waar zijt gij, Fouke van Morlioen?" riep hij uit; "God geve u schande en verdriet, zoo gij Carels last niet uitvoert. Vangt en bindt ons nu, en zendt ons tot Koning Carel; ik heb Florenberge in de hand, en anders geen wapen: zijdy koen, zoo komt nader!" En Fouke wendde zijn paerd met grammen moede, en reed, gevolgd door zijn benden, op Reinout aan.

Intusschen had Ritsaert elk een zwaerd gegeven, en Fouke meende Reinout met kracht te doorrijden; maar Reinout hief Florenberg op en hieuw de speer aan twee. Hij greep Foukens paerd bij den toom: en sloeg Fouke zoo vervaarlijk door den stalen helm heen, dat hij hem kloofde tot de borst. "God zij geloofd!" riep Reinout: "nu zuldy ons niet hangen of gevangen voeren den Koning."

Met-een sprong Reinout op Foukens ros, dat sterk en groot was, en menig mark gouds waerdig. Binnendien dat Reinout dit ros beschreden hadde, hebben zijn broeders elk een François van den paerde geveld en de rossen bestegen. Zij renden voort, samen uitroepende: "Slaat dood! en vlieden wij--want wij worden gevangen of moeten sneuvelen! Koning Ywein heeft ons verraden."

--"Zwijgt broeders!" zeide Reinout: "ik hebbe Florenberge in mijn hand; wijk ik heden eenen man--God verbiede mij zijn Rijk!" De broeders werden stoutelijk aangevochten; en daar was het gekrijsch der strijdenden en vallenden groot. Reinout vocht als een grimmende leeuw, en zijn broeders desgelijks: zij streden van 's morgens tot overmiddaags.