Part 11
De Koning liet dan Reinouts broeders uit de gevangenis halen en voor hem brengen; en als zij voor hem kwamen, liet hij ze handen en oogen binden, alsof ze dieven geweest waren. Als dit Bisschop Tulpijn zag, had hij medelijden, en zeide: "Heer Koning! doet wel, en laat onze neven voor de Schepenen brengen: want. Heer Koning, het is immers uw vleesch en bloed, en gij weet wel, dat de Wet u als ieder mensch te zwaar is."
"Heer Bisschop!" zeide de Koning; "dit woord wijs ik af: ik wil wraak nemen over mijnes zones, des gekroonden Konings, dood, en de eedgenoten nog heden doen hangen."
De bisschop zeide: "Heer Koning, die Heeren hebben hier zoo menige magen, die t' niet gaerne zien zouden; en gij haalt vele rampen over u, zoo gij ze ter dood laat brengen."
De Koning zeide: "Zuldy u dan tegen mij zetten?"--"Neen ik," zeide de Bisschop. Koning Carel zeide weder: "Ik zal ze doen hangen--en gij zult u niet kanten tegen uwen Koning."
--"Heer!" zeide de Bisschop, "niet tegen u kant ik mij--maar tegen deze wrake, die u-zelven ten dierste te staan zal komen. Wilde ik mij zetten tegen u, ik wonne u af Kroon ende land." Als de Bisschop deze woorden zeide, werd de Koning zeer toornig, en riep tot hem Fouke van Parijs, en zeide: "Wat raadt gij mij, zal ik mijn neven doen hangen, of zal ik ze laten leven en nemen de zoen, die zij mij bieden?" Fouke sprak: "Koning! daartoe zijdy zelf wijs genoeg: gij ziet wel dat Bisschop Tulpijn met machte tegen u wezen wil; en is 'et dat gij de zoen aanvaerdt, zoo zal men zeggen, dat ge 't bij bedwang dedet, en dorste 't niet nalaten." Deze woorden van Fouke zett'en des Konings gramschap grootelijks aan, en hij zwoer bij zijner Kroone, dat hij zijn neven nimmer tegen zich zoû laten verdingen, maar zoude doen hangen te Montfaucon.
Als de Bisschop den Koning hoorde zweeren, was 't hem zeer leed, en hij zeide: "Heer Koning! gij zult uw neven tegen u laten verdingen--'t moge gaan, hoe 't wille!" De Koning zeide: "Bisschop Tulpijn! gij zet u tegen mij--wij zullen zien, wie hier 't meeste vermag. Ik zal weten," riep de Koning in arren moede, "wie de genen zijn, dat mij verlaten en met u leven en sterven willen.
Toen trad de Bisschop naar éene zijde, en sprak: "Ik bid mijn magen, die mij helpen willen, en in de nood niet en begeven, dat zij tot mij komen!" Als de Bisschop dit zeide, sprong bij hem over van des Konings kant: Grave Aymerijn van Narboen, Arnouts zone van Beulande, daarna Heer Arnout zelf, toen de Hertog van Ardennen, een stout Ridder, en was Diederic genaamd; daarna de Hertog van Borgondiën, en zeide: "Heer Bisschop Tulpijn! wij zullen ter dezer zaak u helpen tegen al de genen, die u zouden willen deeren." Toen ging over: Ritsaert van Normandije; daarna de sterke Ogier; toen ging over de Hertog van Brabant, en met hem Bertram en Riosse, die beide zijn kinderen waren; toen trad over van Geneve Grave Olivier, daarna de stoute Roelant: nochtans had hém daartoe niemant aangezocht!
Als Koning Carel dit zag, werd hij weemoedig, bracht de hand voor de oogen, en zeide: "Neve Roelant, hoe komt gij hiertoe?--Ik zie wel, ik heb mijn brood kwalijk besteed, dat ik u dus lange binnen mijnen Hove gehouden heb, en van jongs opgevoed, en heb u gemaakt den eerste van alle mijne Heeren, en mijn betrouwen op u gesteld, en gij begeeft mij in de nood!"
--"Heer Koning," zeide Roelant, "des acht ik u en hebt u lief: maar naar ik u meer beminne, is mij inniger gelegen aan uw eer: en gij zoudt 't u voor al de waereld te schamen hebben, verdeedt gij deze drie Heeren: zij zijn uw vleesch en bloed!"
Toen riep de koning Fouke van Parijs, en zeide: "Zal ik mijne neven laten verdingen en de zoen aanvaerden, die zij mij geven willen?" Fouke zeide: "Heer Koning, des zijt gij-zelf wijs genoeg! Of ziet gij niet dat uw hooge magen, die met u gaan t' allen ure, tegen u gewapend zijn, in hulpe van Bisschop Tulpijn. Is 't, dat gij de drie Heeren tegen u laat verzoenen, men zal zeggen, dat gij 't uit vreeze gedaan hebt." De Koning zeide: "Fouke! gij zegt waar." Dit hoorde Ogier, sprong toornig naar voren, greep Fouke bij den haire, en sloeg hem met de vuist in zijn hals, dat hij in onmacht viel voor des Konings voeten of hij dood ware geweest. "Gij, valsche raadgever!" sprak Ogier: "ik wane dat de Heeren nu over u voldoende gewroken zijn." Met-één ging hij daar de drie Heeren zaten, en ontbond hun hand en oogen: want hij ze zoo gebonden niet zien en mocht. "Wie zal het wezen," zeide de Bisschop, "die deze Heeren hangen zal ondanks de Wet? Ik wane niemant zoo stout!"
--"Heer Bisschop!" riep de Koning, "gij zet u onmatig tegen mij!" Toen zeide de Bisschop: "Heer Koning! ik zeide 't u, en ik zegge nog, woude ik mij tegen u zetten, ik won u af Kroon ende land."
Bij deze woorden werd des Konings herte nog heftiger geschokt: "Zoo is er geen Koning meer in Vrankrijk!" riep hij, terwijl er tranen vielen op zijn grijzen baard.
De Bisschop was getroffen door de smerte des Konings, en bond den drie Heeren weder handen en oogen, en zett'e ze weder aan 's Konings voeten, zeggende: "Heer Koning! doet er uwen wil mede, maar ik raad u ten beste: laat ze verdingen."
De Koning zeide somber: "De liefste, daar ik mijn betrouwen op stelde, heeft mij begeven!" Toen zeide Roelant: "Voorwaar, Heer Koning! ik en doe dat niet! wilt gij strijden tegen de Sarazijnen of Heidenen, ik en begeve u niet door angst of vreeze van de dood, noch om eenig ding ter waereld. Heer Koning, doet mijnen raad: het zal u goed zijn. Doet deze drie Heeren weder in de gevangenisse leiden, en laat ze nog een wijle leven, hierentusschen zult gij u beraden, zoo dat alle ding ten beste komen zal." De Koning gaf toe. De broeders die in de vreeze geweest waren voor hun leven werden weder in de gevangenisse geleid, en daarmede scheidde de raadsvergadering der Heeren.
En weinig tijds later kwam Madelgijs weder binnen de stad, om te verlossen Reinouts broeders uit de gevangenis; want zij wisten niet beter van ure tot ure of Koning Carel zoû ze doen hangen.
Madelgijs, als hof- en huismeyer vermomd, drong de burcht van Koning Carel binnen, en ging recht naar de gevangenisse, waar hij wist dat zijne neven geketend lagen. Hij ging onder gelijken schijn tot den portier, en zeide hem, dat hij, van wege des Konings, hem zes pinten wijns bracht, en dat de Koning hem toezond om dat hij Haymijns kinderen trouwelijk bewaakt hadde, en hem aanbeval verder het strengste toezicht te houden. "Intusschen heb ik twaalf pinten genomen, en breng ze u," zeide Madelgijs, "dat wij samen drinken, en ons verheugen." De portier nam ze gaerne, en nederzittende begonnen zij te drinken. Madelgijs had slaapkruid in den beker des portiers gedaan, en het leed niet lang of de vaak beving hem zoodanig dat hij insliep. Toen verwisselde Madelgijs van gedaante en kleederen met den slapenden portier, en drong, met behulp zijner sleutels, in de gevangenis waar de drie broeders zaten.
Hij nam Adelaert bij der hand, en dede af van hun lijf de sloten en banden, waarmede zij geboeid waren. De broeders wisten niet dat 'et Madelgijs was, maar zij waanden dat 'et 's Konings dienaars waren, die de Koning zonde om hen heimelijk te dooden; en zij waren droevig.
Adelaert zeide: "Vaartwel, broeder Reinout! want Carel zal ons op dit pas doen dooden; gij en ziet ons niet meer levende: God wil bewaren onze zielen!" Ritsaert en Writsaert zeiden: "'t Is al gedaan --wij moeten sterven! de Koning heeft zijn volk om ons gezonden en zal ons dooden." En zij begonnen zeer te schreyen, dat er Madelgijs deernis meê had, en zeide tot hen: "Vervaart u niet: ik zegge voorwaar, ik ben uw oom Madelgijs." Als dat de broeders hoorden, waren zij blijde. Adelaert zeide: "Lieve oom! ons leven staat, na God, aan u, dus wilt ons helpen!" Madelgijs zeide: "Wees te vrede, ik zal u leiden uit der gevangenisse." Met deze woorden nam hij ze bij der hand en leidde ze uit den kerker.
Eer zij buiten waren, kwamen daar een achttal knechten toeschieten, die de gevangenis bewaakten. Madelgijs veranderde, op staande voet, de gedaante der Jonkheeren in die der knechten, en gaf aan drie knechten den schijn van Haymijns Kinderen. "Helpt, helpt!" riep hij met de stem en gedaante des portiers--"de drie gevangen Ridders willen 'et heimelijk ontgaan!" En in de verwarring maakte hij met de vermomde Heeren zich wech. Op eens bleef Madelgijs staan, en zeide: "Toeft mij hier; ik misdeed grovelijk, dat ik u wechleidde zonder 's Konings wille; ik zal gaan nemen oorlof aan den Koning: want zonder oorlof en wil ik u niet medevoeren." Toen zeide Adelaert: "Oom! laat ons gaan, de Koning en zal u geen verlof geven--dat weet ik wel." Madelgijs zeide: "Gij moet zoo lang staan, dat ik oorlof heb." Met deze woorden liet Madelgijs de Heeren, en ging tot den Koning.
Als Madelgijs in 's Konings kamer kwam, ging hij staan voor 's Konings bed, en zeide: "Heer Koning! God geve u goed geval, en wil uwe ziele geleiden als gij van der waereld scheidt! Heer Koning, ik heb mijn neven uit de gevangenisse genomen; zij staan voor de brugge binnen Parijs, en ik bid u, Heer Koning, dat gij mij oorlof geeft, opdat ik die Heeren leide te Montalbaen, daar zij u niet ontzien en zullen." De Koning, dit hoorende, liggende tusschen waken en slapen, zeide tot Madelgijs: "Doet met uw neven dat gij wilt!" Hij moest tusschen waken en slapen zijn om zulk andwoord te geven! Als Madelgijs dit van den Koning hoorde, was hij blijde, keerde weder tot de drie Heeren en bracht ze in korten tijd op Montalbaen.
Reinout betoonde de grootste vreugde, toen hij hen te-rug-zag. Hij bleef als nu met zijne broeders en Madelgijs tot Montalbaen in goede veiligheid.
Koning Carel, die van Madelgijs dit gehoorde hadde tusschen slapen en waken, was weder ingesluimerd; en als hij daarna weder wakker werd, wist hij niet of hem Madelgijs in een droom te voren gekomen of dat 'et werkelijk geschied ware.
En de Koning was lange in overdenking, voor hij opstond om te zien wat 'er àan was--droom of wezenlijkheid.
En zich met haaste gekleed hebbende, ging hij tot der gevangenis, waar hij alles in verwarring vond: in den kerker der broeders vond hij drie zijner krijgsknechten in ketens liggen, en zag dat hij de broeders kwijt was.
Hij ging weder naar zijne kamer, toen hem Roelant tegenkwam, die hem groette, en zeide: "Heer Koning, ter goeder tijd moet gij aldus vroeg opgestaan zijn...." En de Koning verhaalde hem zijn gantschen misval.
HET ZESTIENDE CAPITTEL.
Hoe dat Koning Asises in de stede van Keulen belegerd was van de Heidenen, en om hulp vroeg aan Koning Carel, en hoe hij Roelant derwaarts zond, die de stad verloste, en den Heidenschen Koning Corsaen versloeg.
Roelant en de Koning stonden samen in de zale met vele andere Heeren, en spraken over de euvele behendigheid van Madelgijs. Intusschen zag Koning Carel eenen bode komen, en zeide tot Roelant: "Neve, ons genaakt nieuwe mare."--"Goede boodschap moet wellekom zijn," zeide Roelant. Met-een kwam de bode in de zale voor den Koning en groette hem; en als hij hem gegroet had, zeide hij: "Heer Koning! ik brenge tijding die beter achterbleve: want Koning Asises van Keulen doet u bidden, dat gij hem hulpe zendt; of wel hij zal de stad moeten overgeven: de Heidensche Koning heeft ze zoo sterkelijk beleid, dat ik ze schier vermeesterd duchte, eer gij daar komt."
Koning Carel was deze mare zeer leed: "Neve Roelant, Edel Ridder!" zeide hij; "gij en liet nooit dat ik u opdroeg--nu bidde ik u, dat gij derwaards trekt, en ontzet die van Keulen: ik zal u leveren 50000 mannen."
Roelant nam de heirtocht met geestdrift aan. Toen zeide Olivier: "Roelant, vrome Ridder! gij zult hier alleen niet varen, ik wil mede met 8000 mannen." Roelant zeide: "Dank hebt, Olivier!" Daarna zeide Ogier, de stoute krijger: "Roelant, ik zal mede trekken, met 8000 vrome mannen." Roelant sprak met blijden gezichte: "Neve! God loon u der vriendschap!" Hertog Naymes sprak desgelijks, en de Heeren kwamen over-éen dat ze dien avond buiten Parijs hunne tenten zouden slaan, en gingen uit elkander om zich reede te maken.
Olivier met zijn volk waren 'et eerste gereed, trokken naar buiten in schooner optocht, en hij sloeg zijn tenten buiten Parijs in een veld.
De Koning was op zijn paleis, riep Roelant tot hem en zeide: "Ziet, neve Roelant! ginder staat een treflijke schare volks: ik bidde God dat hij ze beware!" Toen de Koning dit zeide, sloeg hij de oogen naar boven, en stond met gestrekte handen.
Intusschen kwam Ogier rijden met zijn volk, in goede orde en wel toegerust, en sloeg zijne tenten bij Olivier.
De Koning zeide: "Roelant-neve, ziet ginder Ogier met zijn volk, al schoone en kloeke mannen, ik bid God dat hij ze behoede voor misval!"
Naymes, met zijn vrome mannen en Ridders, sloeg zijne tenten bij Ogiers.
De Koning dit ziende, zeide: "Ziet ginder, neve Roelant! Naymes met zijne scharen: God wil ze beschermen!"
Toen ging Roelant en wapende zich en zijn volk, en nam oorlof aan den Koning, en reed uit met zijn heir: het was heerlijk om aan te zien--zoo vele schoone en moedige mannen: wél gekleed en gewapend, en alle strijdzuchtig. Roelant sloeg zijn tenten bij de anderen; daar bleven zij liggen buiten Parijs tot des anderen daags, en zoo haast de dag aankwam reden zij naar Keulen.
Niet verre van Keulen vonden zij een groote schare Sarazijnen. Als zij dit zagen, stelden de Heeren hun volk in slagorde, en reden tot dat zij in hunne nabijheid kwamen; en als zij zich op een boogscheut afstands van de Heidenen bevonden, reden Roelant en Olivier met hun volk voor het Heidensche heir: Naymes en Ogier met hun mannen volgden.
Als de Heidenen--de Christenen dus op hen zagen aankomen, stelden zij mede hun volk in slagorde en reden den Christenen tegen: daar renden de twee heiren te gader: de strijd werd groot en menig man verslagen, en vele Ridders van den paerde gestooten.
Toen dede Roelant wonderen met lancie en zwaerd, en Olivier doorbrak de Heidensche schare. Naymes en Ogier zag men mede menig vroom feit van wapenen volbrengen, en menigen Heiden dooden: zoo dat des Heidens heir grootelijks door hun-vieren vernield werd; maar wel bizonder door Roelant.
Als de Heidensche Koning Corsaen dit zag, dat zijn volk aldus verslagen werd, en zwichtte door toedoen der dapperheid van Roelant, gaf hij zijn paerd de sporen, en reed met groote felheid op Roelant in, zoo krachtelijk, dat hem zijn spere brak in vele stukken: maar Roelant verstelde noch verschoot er niet af.
De Koning zag, dat hij op Roelant niet winnen mocht, en hem de stoot niet 'et minste hinder deed; hij wendde haastelijk zijn paerd en meende wech te rijden: maar Roelant bracht hem een zoo grooten zwaerdslag toe, dat hij hem kloofde tot den paerde.
Als de Heidenen hunnen Koning dood zagen, waren zij droevig en riepen Roelant tegen: "Ai, booswicht, wat doet gij?" en bevochten hem zoo strengelijk, dat Roelant veel te lijden hadde: want der Turken was er 60000. Roelant, steeds in den strijd gewikkeld, aan alle zijden bevochten, weerde hem vromelijk, want hij sloeg menig maal een geharnasten Heiden in tweeën.
Hertog Naymes zag Roelant van alle kanten bezet; sloeg zijn paard met sporen, en doorbrak moedig der Heidenen schare, zoo dat 'et menig Sarazijn met der dood bekocht.
Olivier en Ogier, de stoute Ridders, deden dien dag menigen vijand den zadel ruimen en ter aarde vallen: zoo dat de Heidenen moesten vlieden, daar zij de vromigheid der vier Heeren niet en mochten verdragen.
En de Heeren, ziende dat zij hun vijanden verwonnen hadden, togen binnen Keulen, waar hun de Koning Asises zeer blijdelijk ontving; en toefden daar veertig dagen. Ten einde van de veertig dagen, nam Roelant aan den Koning Asises oorlof, en reisde naar Parijs. Als zij binnen Parijs kwamen, en de Koning Roelant zag, was hij blijde en heette den Heeren vriendelijk wellekom.
De oude Koning nam Naymes ter zijde, en vraagde hem, "wat de Koning Asises gezegd had, en hoe hij ze ontving, en of zich Roelant in den oorloge manlijk gehouden hadde?" Naymes zeide, "Heer Koning, Roelant heeft zich mannelijk gehouden, en vele vrome daden bedreven; ik zeg u, Heer Koning, had Roelant een ros naar zijner waerde en tot zijnen wille, hij zoude met zijn stoutheid dwingen al dat in de waereld is."
HET ZEVENTIENDE CAPITTEL.
Hoe Koning Carel zijne kroone ophing, dat ze wonne wie zijn paerd 'et eerst ter stake bracht, en de kroone daar af nam; en hoe dit Reinout geboodschapt werd; hoe Madelgys Beyaert veranderde, dat men 't niet en kende, en het de kroone won.
De Koning was droevig, dat hij geen paerd en wist voor zijn neve Roelant. De Koning en zoude geen goed sparen, mocht hij zulken ros meester worden; en zeide, "waar zal men vinden Beyaerts gelijk! had ik zulk een Ros, ik zoû 't mijnen neve Roelant geven, dan mocht ik Reinout dwingen."
En Hertog Naymes zeide: "Heer Koning! daar is zoo velerlei in alle landen. Wanhoopt niet een paerd te vinden. Wilt slechts eene mare doen uitroepen, dat gij uwe kroone zult zetten op een staak tusschen Montmarter en der Seine: wie ze daar eerst afhalen mag, met stormen of behendighede, gij zult ze hem vier werf met goud opwegen, en zijn snelle paerd dat zuldy van hem koopen, en geven 'et uw neve Roelant: zoo moogt gij er Reinout meê dwingen."
Reinout nu hadde een verspieder in 's Konings Hof, die 'et hoorde; deze liep met groote haast te Montalbaen bij Reinout, en zeide: "Heer, gij zijt verloren: want Koning Carel zal in alle landen doen uitroepen, dat hij zijn kroone zal zetten tusschen Montmarter en der Seine op een staak; en die ze daar mag winnen, 't zij door stormrid of behendighede, de Koning zal ze hem vierwerf met goud opwegen; en 'et ros, dat daar best loopen zal, wil de Koning koopen, en geven 'et zijnen neve Roelant, dat hij u daarmede dwinge."--"Zwijg," zeide Reinout, "wat dwaas bericht brengst du mij! waar zoû hij vinden zulk een ros, dat Beyaert zoû onderloopen of ontspringen? Dat en vindt men in de waereld niet.... Maar ik-zelf zal tot Parijs varen. Ga, en raad mijnen oom ten beste: want ik zal de kroone winnen en brengen ze hier ter stede!"
Op dit oogenblik kwam Madelgijs in de zale, en Reinout zeide tot hem: "Oom, hier is gekomen een bode van Parijs, en zeide, dat Koning Carel heeft doen afkondigen in vele landen, dat hij zijn kroone zetten zal op eene staak tusschen twee schoone steden, en wie ze daar eerst afwinne, het zij met stormrid of behendigheid, de Koning wil ze lossen van den gene dit ze wint, en wegen ze hem vier werf op met goud; en 'et ros, dat 'et best loopen zal, wil de Koning koopen en geven 'et Roelant, om mij daarmede te dwingen. Waar waant de Koning in al de waereld een ros te krijgen, dat Beyaert zoude onderloopen? 't En is niet mogelijk, en al zijn opzet van geener waerde."
"Ik rade u," zeide Madelgijs, "dat gij met uw broeders derwaards trekt; maar gij zult veel van volk medenemen, dat gij beveiligd zijt."
Reinout dede dat hem zijn oom ried, wijl hij het oorbaar achtte. Hij dede Beyaert zadelen, en hij en zijn broeders en zijn oom Madelgijs bereidden zich te vertrekken; en als zij reede waren, zaten zij op hunn paerden en reden zoo lang, dat zij te Orleans kwamen.
Madelgijs vraagte, 'waar de beste herberge was;' zij werd hem gewezen. En als zij voor de herberge kwamen, traden zij van hunne paerden en namen daar hunnen intrek. Madelgijs ging, en kocht de beste spijze die hij op de markt vond. Toen vraagden de burgers aan malkander, 'wat Ridders het waren, die ter herberge kwamen?' En als de spijze reede was, ging men eten; men gaf water tot handwasschinge, als Heeren toekomt, en elk ging zitten ter tafele, en aten en dronken met blijdschap.
Als de maaltijd gedaan was, stonden de Heeren op, en gingen wandelen daar 'et hun geliefde. Reinout en Madelgijs gingen zamen in een schoonen boomgaard, daar menigerhande kruid en bloemkens stonden. Daaraf nam Madelgijs wat hem goeddacht en stampte ze zamen. Als hij ze gestampt hadde, was hij blijde, en hij nam het kruid en besmeerde Reinout over al zijn lichaam. En als Reinout gesmeerd was, veranderde zijn coleur--want hij te voren oud was twee-en-twintig jaar, en nu scheen hij te zijn een jongeling van vijftien jaar; het scheen of hij nooit baard en hadde gehad.
Als Adelaert dat zag, loeg hij er om, en wees 'et zijn broeders, zeggende: "Ziet wat onze oom gedaan heeft met zijn konste." Madelgijs ging in den stal bij Beyaert; en besmeerde ook het Ros: en Beyaert veranderde, dit zoo zwart was als een rave, die werd over al zijn lijf zoo wit als sneeuw.
Als de broeders dit zagen, lachten zij er om, en Adelaert zeide: "Nu is Beyaert onherkenbaar: wist ik 'et niet, 'k en zoude niet zien, dat het Beyaert, ons goede Ros, ware." Toen zeide Ritsaert: "Bij mijner trouwe! onze broeder is niet minder onbekend; men kan hem niet kennen." Writsaert zeide: "Ik zeg u voorwaar, daar is niemant onder de zon, die zeggen zoude dat is Beyaert, dat is Reynout uw broeder."--"Nu laat ons de tocht vervolgen!" zeide Madelgijs: "want men kent Reinout noch Beyaert, en mij en zullen ze ook niet kennen."
Reinout, de vrome Ridder en Heere van Montalbaen, dede Beyaert zadelen; hij spande twee sporen aan zijne voeten en gordde een zwaerd: niemant van zijn broeders was zoo heerlijk opgezeten.
Ondertusschen--het gesprek, dat Madelgijs en Reinout en zijn broeders gevoerd hadden, hoorde een verrader en kende den Edelen Reinout; hij liep haastelijk ter zijner herberge, bereidde zijn paerd en reed tot den Koning. Als hij hem zag, groette hij hem en zeide: "Edel Heer Koning! ik zegge u (zoo helpe mij God!) Reinout zal komen te Parijs om uw kroone te winnen; ik hoorde zelf 'et hem zeggen."
"Wat zegt gij, bode?" andwoordde dé Koning; "ik weet, dat Reinout hier niet komen zoude, al mocht hij Parijs daarmeê winnen!" --"Edel Heer Koning!" zeide de verspieder: "ik zegge u, ik zag gisteren te Orleans Reinout en zijn broeders, en ook Madelgijs."
Toen de Koning dit gehoord had, riep hij Foulke van Morlioen, en zeide: "Ik zal u geven 400 mannen; daar zuldy hoofdman van zijn, en zult trekken tegen mijn rieve Reinout. Ziet wel toe, dat hij niet en ontga; en is 't dat gij hem vindt--zoo zuldy hem gevangen hier brengen. En als zij zich weeren willen, moogdy mij hunne hoofden brengen, ik zal ze u met goud opwegen."
Fouke zeide tot den Koning, dat hij 'et gaerne dede. Dus reed Fouke uit, en verzekerde zich van de wegen. 't En dede God met zijn gratie, Reinout wierd gevangen[1]: want de wegen zijn nauw bezet!
Hierbinnen is Reinout met zijn broeders gekomen op vier mijlen van Parijs, daar een schoon fonteine sprong; daar gingen Reinout en Madelgijs van den Paerde, en zeiden tot Adelaert: "Gij zult hoofdman wezen van dit volk en blijven hier liggen; wij zullen samen rijden naar Parijs: maar zoo 't gebeurde, dat men ons met kracht verslaan wilde--zoo zullen wij den horen blazen: en als gij 't hoort, dat gij dan met uw volk ons ter hulpe koomt!" Adelaert zeide: "Ik doe 'et gaerne!"
Aldus scheiden Reinout en Madelgijs van hem, en reden naar Parijs. Madelgijs zeide tot Reinout: "Wat men tegen u zeide, andwoordt zoo zoetelijk in Brittaansch of gij geen Françoisch en kondet."
Op dat oogenblik zag Fouke--Reinout en Madelgijs komen rijden. Hij sprong haastelijk op zijn ros; en Reinout zag Fouke en zeide: "Oom! wat doen wij hier? Ik zie Fouke van Morlioen: die is mijn meeste vijand! laat ons wederkeeren tot onze gezellen, en een anderen weg rijden, dien wij ongedeerd gaan kunnen."
--"Gij en zijt niet vroed," sprak Madelgijs; "dat hoor ik wel aan uw woorden: rijdt voort, hebt geen angst; want u of Beyaert kan niemant kennen. Is 't dat zij mij kennen, ik geve hun van alles wat hun baten mag!" Madelgijs grijnslachte, terwijl hij dit zeide. Fouke reed op Reinout toe en hadde een lancie in de hand.