Karolingsche Verhalen

Part 10

Chapter 104,061 wordsPublic domain

--"En ik zeg u," zeide Madelgijs, "gij weet luttel wie ik ben of wat ik kan." Deze woorden vuurden Reinout aan; hij verhief op nieuw zijn zwaerd en sloeg naar Madelgijs, die verschrikt ter zijde sprong en den slag weder schuttede op zijn stok. Toen toonde hij zijne konste, en veranderde zich van een grijzaart in een jongeling van twintig jaren.

Als Reinout dit zeg, stond hij verbaasd en vervaerd: 'Wee mij,' riep hij bij zich-zelven, 'wat overkomt mij! Maar keert mij 't goed geluk ook den rug--daar is niemant zoo kloek, of ik zal met den zwaerde hem te woord staan. Mijn broeders zijn gevangen en den dood gewijd; mijn Ros heb ik verloren: de rampen volgen en verdringen elkaar: daar komt nu de Duivel Beëlzebub, om mij te beproeven: ik zal met Gods hulp weten, of het bedrog is, of werking van den Booze!' En Reinout sloeg een zoo snellen en vreeslijken slag, dat Madelgijs meende dood te blijven; toch ontweek hij het zwaerd, schoon met moeite: "Wat doet gij!" riep hij, "kendy mij niet, neve Reinout?"

--"Neen ik!" zeide Reinout; "wie zijt gij?"

Toen maakte Madelgijs zich bekend; en als Reinout zijn name gehoord had, viel hij hem te voet, en zeide: "Ik bid u, oom, vergeeft mij! Schenkt mij uwe hulpe. God geve, dat gij ze mij verleent, om mijn broederen bij te staan; ik heb Beyaert, mijn Ros, verloren: en met dezen al mijn toeverlaat!"

Madelgijs zeî: "Welaan! ik zal u Beyaert te-rug bezorgen; doet, wat ik u heeten zal." Toen trok Madelgijs Reinout een oude huike aan over zijn harnas; de huike had geene opening, dan waar men het hoofd door stak. Toen gaf hem Madelgijs eenen hoed, daar menig teeken aan stond van lood, en dede hem twee oude hozen aantrekken.

Daarop vermomde Madelgijs zich-zelven in gelijker voege en veranderde Reinout in de gedaante eens mans van honderd jaar, zeer krank en mismaakt van lichaam: zijn baard graauw en lang, en de wenkbrauwen over zijne oogen.

Nu schikten zij hen tot gaan, en allen, die ze tegenkwamen, zagen ze na, om dat hun dochte, dat zij nooit zoo arme, mismaakte Pelgrims gezien en hadden. En wanneer zij uit der lieden gezicht raakten, waren zij weder jongelingen en koene Ridderen.

Zoo gingen zij tot het einde van het woud te Bordeas; toen zaten zij neder onder een hagedoorn. Niet lang en hadden zij daar gezeten, of Madelgijs zag vier Monniken komende, rijdende te paerde.

"Blijft hier en wacht mij!" zeide Madelgijs; "ik zal de Monniken te gemoet gaan, die ginder komen rijden: want ik zoude gaerne biechten."

--"Doet dat, oom," zeide Reinout, "het zal er ons te beter om gaan."

Hiermede ging Madelgijs de Monniken tegen, en zeide: "God geve u goeden dag!"--"God loon 't u, Pelgrim!" zeiden de Monniken. "Gij hebt al menigen mensche overleefd," vervolgde éen hunner. --"Ik bid God, dat hij mij leven laat, zoo lang daar menschen zijn die mij aalmoezen geven," sprak Madelgijs; "en dat ik ontbonden worde van mijne zonden: ik bid u Heeren, dat gij mijne biecht hooren wilt!"

Toen zeide een der monniken: "Gaat tot een Parochiaan hier in de nabijheid, goede Pelgrim: wij mogen niet toeven."

De Monniken voerden met zich mede een schoonen gouden kop, daar menige kostelijke steen aan stondy die in de zon zijn heerlijk schijnsel als schitterende stralen afwierp: de kop was zoo groot als men niet velen gezien en had; en was gewijd door den Paus van Rome, en was genaamd "Christelijk", en dusdanig éen als die, welke den Heere met zijn Jongeren op den Witten Donderdag gediend hadde.

Madelgijs zeide, zijne blikken op den kop gevestigd houdende die met eerbied door de Monniken gedragen werd: "Heeren gij ziet wel, dat ik een arm, krank mensch ben, stijgt af, en hoort mijne biechte, opdat ik niet in mijne zonden sterve en eeuwig verloren ga. Ik bidde u-allen, om den wille van den goeden roover, die aan den Cruice genade kreeg--dat gij hier wilt nederknielen in gebede--want ik mij kwalijk bevinde en hebbe geen halve stonde meer te leven."

En Madelgijs verschoot nog bleeker dan hij te voren was. De Monniken stegen van hunne paarden, en stonden hem bij. Een tweetal begaf zich in kniegebeden. "Heeren, ik moet u klagen mijn misval," zeide Madelgijs met een gebroken stem: "ik hadde mij vergaderd met bedelen wel twintig pond, en daar kwam tot mij Reinout (die liever hangen moest te Montfaucon!) en sloeg mij met dezen stok, met ijzer beslagen: het is echter niet mijn verlies van het goud, en de pijne mijns lichaams, die ik betreur, maar dat mijn stervensuur verhaast is, en ik het Hemelrijk verliezen zal, en zal branden in der helle, ten zij dat gij, Heeren, mij den gewijden kop laat kussen, dien gij daar bij u hebt...."

--"Het is een kostbaar en heilig vat," zeide de Monnik, die er zich bij Madelgijs meê nederboog, om hem den kop te laten kussen. "Het is lang verloren geweest, om de zonden des volks...."

--"En mag niet weêr verloren worden," zeide Madelgijs, en rees op in de gedaante van een koenen Ridder, en den kop met de eene hand ontrukkende aan den Monnik, sloeg hij hem met den ijzeren puntstok ter neder. Daarop ontliep hij den anderen met den schat.

Hoewel vervaerd van zijne gedaanteverwisseling, volgden zij hem, zoo zij best mochten, naar hunne lange kleederen hun toelieten. Toen éen hem tamelijk nabij was, sloeg hij ook dezen, dat hij duizelend neêrstortte; en, na elkander, ook de beide laatsten.

Madelgijs en de Monniken waren Reinoude, die onder de hagedoorne zat, uit 'et gezicht. Toen Madelgijs tot hem terug-keerde, zeide hij: "Neve! ik heb hier twee van der Monniken paerden, zitten wij haastig op, en rijden wij tot Parijs, opdat Koning Carel uw broeders niet en hinge, voor wij aankwamen."--"Ké[1], oom!" zeide Reinout--"ik duchte, dat gij iets kwaads gemaakt hebt!"--"Laat varen deze tale!" zeide Madelgijs; "stijgt te paerde, eer gij schuldig wordet aan de dood uwer broeders." Reinout deed als hem gezegd werd.

De beide Heeren togen haastig naar Parijs, en stelden zich te voet en in den schijn van Pelgrims, toen zij voor de brugge kwamen. 't Was Zondag en den tijd, dat Roelant--Beyaert berijden zoude, op de baan buiten de stad, als vroeger gezegd is.

Madelgijs en Reinout zagen eene schure openstaan, daar veel stroois in was; daar nam Madelgijs een arm vol van mede, en droeg het op de stadsbrugge, en ging er op zitten. "O lieve gezel," zeide hij tot Reinout, dat de lieden het hoorden, "hoe zuldy op dat stroo komen? Ik weet, dat u het lange staan zeer pijnlijk is: want gij hebt verre geloopen; dus zuldy u zeer wee doen, eer gij te zitten komt."

Meteen is daar een man bij hen gekomen, die uit de kerke kwam. Madelgijs riep en zeide: "Ik bidde u, lieve vriend, dat gij doch mijn gezel helpen wilt, dat hij te zitten kome op dit stroo, opdat hij zich geen wee en doe." Als de goede gezel dit hoorde van Madelgijs, deed hij 't gaerne, en hielp Reinout te zitten, ende hij gaf Reinout eenen penning, en dacht, hij en mochte dien nergends beter besteden. Maar als Reinout den penning hadde, gaf hij 'em Madelgijs in de hand, en die stak 'em in zijn tasch.

Toen er maaltijd ten Hove gehouden was, begonnen de Heeren zich naar buiten te spoeden, ter plaatse, daar Roelant met Beyaert rijden zoude.

Madelgijs, zittende op de brugge met Reinout, bracht van onder zijn kleederen den kop te voorschijn, dien hij den Monniken genomen had, en zett'e dien tusschen hem en Reinout, en goot dien vol uit zijne reisflessche met eenen wijn, dien hij-zelf bereid had. Toen gaf Madelgijs--Reinout weder zijne sporen van goud, en zeide: "Neve, doet uwe sporen aan uw voeten."--"Helaas," zeide Reinout, "gij doet kwalijk, oom, dat gij den spot met mij drijft: wat vermag ik met sporen, sints ik Beyaert kwijt ben?" Madelgijs zeide: "Reinout-neve, doet ze aan uwe voeten--'t zal u ten goede komen. Trekt er uw kousen over. Ik zal u Beyaert te berijden geven. Maar dit zeg ik u: als men er u op helpt, zuldy twee werf aan de andere zijde er af vallen; maar de derde reize, als zij er u op zetten, zult gij u in den zadel houden."

En op dat oogenblik verlieten de Heeren het Hof. Eene groote schare van poorters ging voor de Ridders uit; daarop kwamen twee scharen van landlieden; en als die voorbij waren, kwam er eene schare van Vrouwen. Hierna volgden de Edelen, heerlijk gezeten op hunne goede Rossen. En bij Madelgijs en Reinout stonden op de brugge vele Jonkvrouwen, die 'et volk zagen voorbijtrekken, zoo Edel als onedel.

"Gespelen," zeide daar eene Jonkvrouw, "welke dunkt u de schoonste der Ridders, die heden over de brugge gingen en gaan zullen?" Toen zeide er eene: "'t Is Roelant, die Ferragute[2] versloeg." Eene andere jonkvrouw zeide: "'t Is Olivier!"--"Neen," zeide eene derde, "het is de Hertog van Beieren." Als al de Jonkvrouwen hare meening gezegd hadden, en elken Ridder geprezen om deugden, schoonheid en moed--nam daar éene het woord, die nog niet gesproken had, en zeide: "Ik zeg u in waarheid: ik weet een schooner man dan gij er eenig genoemd hebt." De andere Jonkvrouwen vroegen, wie de Ridder was?--"Kent gij hem niet?" sprak zij: "'t Is een Ridder, genaamd Reinout, en mag hier in 'et land niet komen. Ware hij niet gebannen, hij zoû de schoonste man wezen, die van dezen dag over de brugge gaan zoude."

Deze woorden der Jonkvrouwen hoorde Reinout van waar hij zat, en lachte. Madelgijs, hoorende dat Reinout loeg, zeide: "Neve wat gij doet--en lacht niet!"--"Gij hebt gelijk!" sprak Reinout:

"Ik was mijne kleeding vergeten, door het zoet gesnap der Jonkvrouwen."

Intusschen waren de meeste Heeren voorbij Madelgijs en Reinout en over de brugge gereden; Koning Carel begon te naderen, Roelant ging bezijden hem, en Beyaert werd vooruitgeleid; de twaalf knechten, wien hij bevolen was, hadden 'et elk aan een koord.

Toen Koning Carel over de brugge reed, zag hij Madelgijs en Reinout en den gulden kop, die tusschen hen-beiden stond.

"Ziet, neve!" zeide de Koning tot Roelant: "tusschen die twee Pelgrims staat een kop, zoo schoon dat ik om geen duizend dukaten hem maken dede." Roelant zeide: "Gij zegt waar, Heer Koning!" De Koning zeide: "Laat ons den Pelgrims vragen van waar hun de kop gekomen is."

Koning Carel en Roelant reden tot de Pelgrims; toen werd juist Beyaert tot den Koning geleid; en Beyeart rook aan de Pelgrims, en herkende zijnen Heere; het Ros toonde dat het blijde was, en draafde zoetelijk op de brug heen ende weder.

En de Koning vroeg den Pelgrims: "Zegt mij, Pelgrims! van waar kwam u deze kop?" Madelgijs andwoordde: "Ai, Heere! gij vindt doch overal goeds genoeg: ik zegge u voorwaar--hadde ik mijnen kop meenen te verliezen door het volk, dat hier van daag voorbij gereden is of nog komen zal, ik en had hem niet in gebruik genomen of laten zien. Maar dank heb de Koning van Vrankrijk, die zoowél der armen luttel goed bewaakt, als dat der rijken, die veel hebben."

--"Zegt mij," andwoordde de Koning, "van waar gij den kop hebt. Ik wil 'et weten." Madelgijs andwoordde: "Het geld, daar de kop om gemaakt werd, is gedurende langen tijd uit aalmoezen in kerken, kloosters en kapellen vergaderd. De kop is een dusdanige, als waaruit onze Heer met zijne Jongeren gedronken hebben, op Witten Donderdag: hij is gewijd, en genaamd 'Christelijk'; en de Paus van Rome heeft er de Misse mede gedaan, en de genade werd er aan verbonden, dat wie uit den kop met een Godvruchtig herte drinkt, vergiffenis van al zijne zonden bekomt."

Onder dit gesprek, knielde Beyaert voor Reynout neder. Toen zeide de Koning: "Merkt wel, neve Roelant: ik zegge u, deze zijn uit den Hemel gezonden, want de stomme dieren doen hun eerbiedenisse." Madelgijs greep nu zijn stok, en sloeg er Beyaert mede, dat 'et op zijn voeten sprong. "Waarom slady dat Ros?" zei de Koning. "Heer!" antwoordde Madelgijs, "had ik uw Ros niet gekastijd, het hadde mijn gezel geslagen: daarom bid ik u, dat gij 't wat achterwaarts laat leiden, dat wij 't mogen ontkomen: want wij vreezen 'et zeer."

Toen zeide de Koning: "Ik geef u duizend dukaten voor uwen kop."

--"Heere! hij is een dusdanige, als waaruit onze Heer met zijne Jongeren gedronken hebben op Witten Donderdag; hij is gewijd, en de Paus van Rome heeft er Misse mede gedaan...."

--"Al is hij gewijd, Pelgrim!" zeide de Koning, "waant daarom niet, dat ik er een dukaat te meer om geven zoude: God behoede u en mij, dat er hier simonie[3] gepleegd zoude worden! Wat prijs vraagt gij voor den kop, dat hoog kostelijk gulden drinkvat?"

--"Heer, mij en staat niet den kop u te geven; gij moest mij veeleer den Koning wijzen." Koning Carel zeide: "Men zegt, dat ik de Koning ben."--"Zoo en belgt u niet," zeide Madelgijs, "dat ik zoo oneerbiedig tot u gesproken heb."--"Neen ik, vriend!" andwoordde de Koning; "wel moet gij varen! gij en kendet mij niet, wat wilde ik u dan wijten? Maar geeft mij den kop--ik zal u geven duizend dukaten en een vruchtbaar land in levenslang gebruik."

--"Heer Koning! dit en staat mij niet te doen--ten zij ge vergeeft al den genen, die u misdaan hebben. Gij weet, dat God allen vergaf, die Hem den dood aandeden, toen hij hing aan de galge des Cruices...."

De Koning zeide: "Vriend! gij zegt waar: doch Reinout heeft mijn zone Lodewijk, den gekroonden Koning, vermoord, en zijne straffe mag ik hem niet kwijtschelden. Ook is daar éen, geheeten Madelgijs, een snoode toovenaar, dien haat ik nog veel meer. Ik wenschte, dat ik hem gevangen hadde.... Zegt mij, Pelgrim! wat man is 'et, die hier bij u ligt?"

--"Eilaas, Heere!" zeide Madelgijs: "'t is mijns vaders broeder, en kan niet zien noch hooren; des heb ik groot verdriet."

Toen zeide de Koning: "Pelgrim! geeft mij den heiligen kop, en ik zal God bidden, dat Hij uwen gezel geneze."

"Hier ligt hij," ging Madelgijs voort, "hier ligt hij, die in vijftig dagen niet hoorde noch en zag; en kan ook niet spreken. 't Geschiedde t'eener nacht, dat hij verstand, memorie, krachten en wetenschap verloor, waar wij geherbergd waren. En eergisteren vonden wij eene wijze vrouwe, die zeide 'mocht hij komen tot de stad, waar hij Beyaert berijden kon--hij zoû genezen van al zijne kwalen.'"

-"Zoo dit waar was," zeide de Koning, "dan kwaamt gij hier ter goeder tijd."

Madelgijs zuchtte en sprak: "Men moet een ding beproeven, eer men weet wat het uitwerken kan."

--"Pelgrim!" zeide de Koning; "geeft mij den kop tot den aangeboden prijs, en ik zal uwen gezel het Ros Beyaert laten berijden!"

Madelgijs, deze woorden hoorende, zeide: "Koning, in Gods name! en om dat gij de Koning zijt, moge dit alzoo gebeuren!"

De Koning nam den kop in de hand, en zich tot Roelant keerende, zeide hij: "Edel Grave Roelant! ik draag u op, den Pelgrim te geven wat ik heb toegezegd, en bidde u, dat gij zijnen gezelle--Beyaert bestijgen laat!"

Toen liet de Koning Beyaert brengen op de heirbaan buiten Parijs, en ook de Pelgrims kwamen daar met groote moeite.

En als zij op de baan waren, zeide Koning Carel tot Roelant: "Edel Grave, ik bidde u, doet dezen armen Pelgrim rijden op Beyaert, dat 'et aan zijn herstel bevorderlijk zij!"

Roelant stemde hier gaerne in toe, nam hem in zijn armen en zett'e hem niet zonder inspanning op het paerd. Als hij hem op Beyaert geholpen had, viel er de Pelgrim aan d' andere zijde weder af. Roelant had er deernis meê, hielp er hem aan genen kant weder op; maar de Pelgrim zakte er weêr af aan dezen.

"Heer!" zeide Madelgijs tot Roelant, "gij doet zware zonde, dat gij aldus u vermaekt met mijn armen gezel: uw Ros is groot; valt hij er weder af--hij zal 'et besterven."

Koning Carel zeide tot Roelant: "Ik bidde u, houdt den Pelgrim zoo vast, dat hij niet en valle." Roelant nam den Pelgrim weder, hielp hem op Beyaert, en hield hem zoo vast, dat hij niet vallen en mochte.

Toen Reinout nu weder op Beyaert gezeten was, zat hij stevig in den zadel, en zett'e zijne voeten in de gouden stijgbeugels.

Eilaas, daarmeê waren de twaalf knechten, die Beyaert bewaarden, het goud en de eere kwijt, hun door Koning Carel toegezegd!

"Ik zoude gaerne alleen rijden!" sprak Reinout. "Laat den Pelgrim alléén rijden," zeide de Koning.

"God heb lof, lieve gezelle, dat gij spreekt!" riep Madelgijs: "kunt gij ook zien en hooren?"--"Ja ik," zeide Reinout, "ik ben al mijn leed te boven!"

--"Hoe!" riep de Koning, "is hier mirakel geschiedt?--Heer Bisschop! doet ons halen kruicen en vanen ten omgange: want God heeft ons groote gunst gedaan."

Madelgijs had met zijner konste Reinout zijn kracht hergeven. En Reinout, op Beyaert gezeten, ziende dat men op hun niet en achtte, gaf het goede Ros de sporen.

Beyaert voelde naauw, dat hij zijn lieven meester droeg, of hij zett'e zich te loopen en zijn eerste sprong mat wel elf schreden. De knechten, dien 'et Ros bevolen was, hielden kwalijk de koorden. Madelgijs, die ziende, hinkte pijnlijk heen end' weder, roepende: "Heer Koning, wat zal 'et wezen! mijn gezel is op uw Ros gezeten--voorwaar het zal hem den hals breken...." En de bedrieger wrong zijne handen, trok zijne haren uit, en scheen groote rouwe te bedrijven.

Toen de Koning Madelgijs aldus gebaren zag, had hij deernis met hem, riep de Twaalf Genoten tot zich, en bad hun, "dat zij Beyaert wilden vangen en den mensche die op Beyaert zat, en brengen ze te-rug."

En aanstonds gaven de Genoten hun paerden de sporen: de voorste waren Roelant en Ogier; daarna de Hertog van Beieren en Samsoen van Borgondiën; voords alle de anderen; zij renden wat hun rossen loopen mochten, en achterhaalden Reinout, die op Beyaert zat, tot op een boogscheut afstands.

Reinout had al herhaaldelijk omgezien, of men hem ook volgde: ten laatste zag hij de Genoten.

'Hoe gaerne wist ik,' sprak hij, voortrijdende, 'of het ten goede of ten kwade is, dat mijn magen mij volgen. Wist ik, dat 'et ten kwade ware--ik zoude mij liever wreken over hen, dan over een vreemd.' Met deze woorden trok hij zijn zwaerd, en hield Beyaert staande tot dat ze hem nader kwamen; en als ze zoo dicht in zijn nabijheid waren, dat ze Reinout hooren mochten, riep hij tot de Genoten: "Gij Heeren! hebt gij mijn dood gezworen? Zegt 'et mij!" Toen zeiden ze: "Reinout! neen wij, Ridder koen!"

--"Reinout-neve!" zeide Roelant, "wij en dachten niet dat wij ü hier vinden zouden."

--"Zijdy daar, neve Reinout?" vroeg Bisschop Tulpijn. "Ja ik!" andwoordde de Ridder. Toen zeide Ogier: "Reinout-neve! mij verwondert van u, dat gij hier zijt." Olivier zeide: "Zegt mij doch, neve! wie is de Pelgrim, die bij den Koning stond?"--"'t Is mijn oom Madelgijs!" was het antwoord, "'t Is, die 'et wezen zoude," merkte Roelant aan: "hij en doet niet dan met den Koning spotten." Toen zeide Reinout: "Ik bid u, neve Roelant! dat gij hem niet willet aanklagen!" Roelant zeide: "Neen, neve! om uwent-wille!"

--"Heer Bisschop!" sprak Reinout nu, "ik bidde u, bij al de vriendschap, die ik u te-rug moog bewijzen, dat gij mijn broeders in uw geleide nemet, die de Koning gevangen houdt. En gij, Baroenen! u bid ik mede, dat gij mijn broeders tegen Koning Carel wilt verdingen, en niet en gehengt dat men ze ter galge leid om ze te verdoen."

Met dat Reinout dit gezeid hadde, sprak daar Foukens zone: "Ik zegge u, Reinout! dat ik u gevangen leveren zal aan den Koning, die u en uw broeders morgen, zal doen hangen." Reinout hoorende deze woorden van den Schildknaap, wierd hij toornig, zeggende: "God behoede mijn broeders voor alzulke dood! ik hoop dat gij liegen zult ... en komdy nader--ik zal et u vergelden." De ruiter nu kwam nader om hem te vangen; Reinout verhief zijn zwaerd, en sloeg hem 'et hoofd van het lichaam. "Reinout-neve, dank hebt!" zeide Roelant: "gij gaaft hem zijn sinds lang verdienden loon!"

Toen zeide Reinout: "Gij Edele Baroenen, blijft alle met Gode! die moge u in zijn hoede ontvangen; ik bevele God mijn broeders en reken voor hen op uw geleide: mijn oom Madelgijs moge God barmhertig zijn. En hiermede neem ik oorlof aan u, en scheide van hier." Zoo nam Reinout afscheid van de Heeren en reed haastelijk naar Montalbaen.

[1] _Ké_--een uitroep.

[2] _Ferragute_: een reus.

[3] _Simonie_: een handel, door de Kerk ten strengste verboden, waarbij voor eenig voorwerp, om de geestelijke kracht die er aan verbonden is, méér gelds gegeven wordt dan de stoffelijke of kunst-waarde; het _verkoopen_ van al wat slechts geestelijke waarde heeft, wordt als zondig door de Kerk veroordeeld. Verg. _Hand. der Apost_., Hoofdst. VIII, v. 18--20.

HET VIJFTIENDE CAPITTEL.

Hoe de Heeren weder tot Koning Karei kwamen, en zeiden, dat zij Beyaert niet vangen en konden; en de Koning Reinouts broederen woude doen hangen, daar Bisschop Tulpijn zich tegen verzett'e met Roelant, en de andere Heeren, en belett'en et. En hoe Madelgijs ging tot Reinouts broeders in de gevangenis, en tot den Koning daar hij lag en sliep in zijne kamer.

Als de Heeren van Reinout gescheiden waren, reden zij weder tot den Koning en bespraken met malkander, hoe zij Koning Carel rekenschap zouden geven van hunne onverrichte zake. "Wat zullen wij van dezen Schildknaap zeggen, dien Reinout verslagen heeft?" vroegen zij: "wie zal 'et voor den Koning verandwoorden?" Roelant zeide: "Dat zal ik doen, en nemen de schuld op mij."

Zoo reden zij tot den Koning. Als de Koning de Heeren zag, vroeg hij Roelant terstond, "of hij Beyaert bracht?" Roelant zeide, half verlegen, "Neen wij, Heer Koning!" Met-een heeft de Koning den Schildknaap bemerkt, die daar dood in-gebracht werd, liggende op een ros. "Is dat de Pelgrim, die op Beyaert zat?" vroeg de Koning.

Roelant zeide: "Neen, Heer Koning! het is Foukens zone van Morlioen." De Koning zeide weder: "Wie heeft: den Knape gedood?" --"Heer," sprak hij, "ik neem de schuld op mij."--"Van die misdaad, neve?" vroeg de Koning streng.

"Wilt mij hooren, Heer!" andwoordde de Edele krijgsman: "Gij acht den sterken en moedigen. Zoo doen ook wij, uwe Genoten. Gij kent Beyaert--gij weet hoe stout en fel het is: in zijn heldenmoed kan niemant 'et bedwingen, noch achtervolgen; wij waren den Rosse zoo na gekomen, dat wij 't zagen; des wij alle blijde waren. Toen kwam daar de schildknaap en vermat zich met zijne kracht alleen den moedige te willen vangen--alsof hij een stuk bestond, dat ieder onzer te zwaar was. Hij trok zijn zwaerd; als Beyaert dat zag, werd 'et zeer vurig en sloeg vreeslijk om zich rond, en vloog toen of 'et dol geweest ware, en wij verloren Beyaert, tusschen twee bosschaadjes in een koornland: toen was ik zoo toornig, dat ik den Schildknaap des doods waerd schatte." -- "'t Is wel gedaan, Roelant!" zeide de Koning, "geen Knaap mocht zich onderstaan voor u-allen uit te rijden en vangen Beyaert-alleen, dat hem ondoenlijk was."

--"Heer Koning!" ging Roelant voort: "spreekt thands verder recht, en laat den knechten stokslagen geven, dien gij Beyaert aanbevaalt, en die zich hem ontgaan lieten." De Koning sprak: "Het zal geschiên."

Nu ging Madelgijs tot den Koning en zeide: "Helaas! wat is mij overkomen! mijn gezelle is op uw Ros gezeten; hij is er zeker afgevallen en heeft 'et bestorven! Wat zal ik aanvangen in mijn groote rouwe? ik wil gaan over zee, voor de ziele bidden mijns gezels, dat hem God genadig wezen moge!" hij wrong zijne handen en weende bitter en riep: "Adieu gezelle! ik en zie u nimmer weer!"

Koning Carel had medelijden met den ouden man, en zeide: "Vriend, houdt mate in uw rouw; ik zal u begeven in een klooster, daar gij uw leven lang uw brood hebt: en kan ik vernemen of uw gezel dood is, ik zal over zijn ziele doen zingen alle dagen een Misse." Madelgijs zeide: "God loon 'et u Heer Koning!"

En de Koning ontbood alle zijne Baroenen bij hem en zeide: "Edele Heeren! het wordt tijd, dat ik wreke de dood mijns lieven zoons, en ze straffe, die hem zoo moorddadelijk versloegen. Mijne eer gedoogt geen langer uitstel."