Karl Marx en zijne voorgangers
Part 9
Owen vatte zijn betoog in de vier hier behandelde opstellen te zamen, in de navolgende twee reeksen van wetten. De eene reeks zou moeten bestaan in eene algemeene onderwijs-regeling voor het geheele land, zoowel omvattend den geest van het onderwijs, als de voorziening van de schoolgebouwen, de normaal-inrichtingen voor onderwijzers en hunne gansche vorming op het oog hebbend. De tweede reeks, zou aan de hervorming van den arbeid moeten zijn gewijd. Zij zou moeten worden ingeleid door eene wettelijke enquête, naar de arbeidstoestanden in het Vereenigd Koninkrijk, naar de verhoudingen tusschen kapitaal en arbeid in hunnen ganschen omvang, ook wat aangaat de werkeloosheid. Owen hield zich overtuigd, dat deze laatste geen maatschappelijk euvel zoozeer, als wel een euvel der opvoeding was en dat daarin gelegen was een reden tot armoede en niet in de z. g. n. "Wet van Malthus." Het was z. i. niet de massa van menschen, die kwaad was voor de menschheid, het waren de groote onwetendheid, de domheid en de verwaarloosde opvoeding der menschen, die al het kwaad over de wereld gebracht hadden. Ieder individu kon geleid worden, en wel in die richting, dat hij veel meer produceert, dan dat hij verteert; daar er volgens Owen's vaste overtuiging veel meer was of geschapen kon worden, dan er noodig was om dadelijk te worden verteerd.
Inmiddels was Owen steeds voortgegaan, de inrichtingen van New-Lanark te verbeteren en steeds volkomener te maken. De bezoekers stroomden naar dat oord, om het "wonder van dien tijd" in oogenschouw te nemen. Jaarlijks kwamen meer dan tweeduizend belangstellenden naar New-Lanark, en de hooge wereld was niet het minst, onder dat aantal vertegenwoordigd. De Koning van Saksen zond Owen een medaille, de Koning van Pruissen schreef hem eigenhandig brieven. Groot-Vorst Nicolaas van Rusland begaf zich in 1816, persoonlijk derwaarts en verwijlde zelfs een paar dagen in Owen's huis. De Hertogen van het Koninklijk huis van Engeland, toonden de grootste belangstelling in de instellingen van New-Lanark en de Hertog van Kent, de vader van Koningin Victoria, was zelf op vriendschappelijken voet met Robert Owen er door gekomen.
Dit alles maakte Owen evenwel niet trotsch, of deed zijn hervormingszucht omslaan in conservatisme, of in zucht om de grooten der aarde wèlgevallig te zijn.--Juist, integendeel! Het is een bewijs voor de groote naïviteit van Owen, voor het kinderlijk vertrouwen, dat hij in de menschen stelde, dat hij deze blijken van belangstelling aanzag voor aansporingen die men hem wilde geven, steeds verder voort te gaan. Maar hij zou bittere ervaringen opdoen met dat vertrouwen.
Telkens en telkens kwam er oppositie van den kant der geldschieters, hoofdzakelijk Kwakers, die méér winsten verlangden, of wel het meest van alles, nu eens wenschten opgehouden te zien met die oneindige hervormingen, welke Owen nooit moede was in te voeren, teneinde aldoor maar te verbeteren en te verbeteren.
Maar erger werd deze oppositie, of liever zij verscherpte zich, door de kwestie van het onderwijs. Owen had n. l. in zijn onderwijsinstituten een neutraal onderwijs ingevoerd, van een soort, gelijk dat bij ons nog gehuldigd wordt in de openbare school.
Hij nam een Christendom aan, dat boven geloofsverdeeldheid stond, een universeel Christendom dus. Hij was de meening toegedaan, reeds in zijn "New View of Society" uitgesproken, dat men, om de ongelegenheden te vermijden die altijd moeten oprijzen, wanneer men een bepaald geloof op school invoert, de kinderen slechts behoorde te leeren uit die boeken, welke zoodanige voorschriften der christelijke godsdienst inprenten, die gemeen zijn aan alle uitingen of secten van het christendom.
Dat was den kwakers, die een positief christendom voorstonden, zeker niet naar den zin. Nog veel minder was het van hunne gading, dat Owen de kinderen op school, onderricht liet geven in dansen, in muziek en ze liet oefenen in militaire exercitieën. Owen gaf ter wille van zijn drieduizend menschen, die in New-Lanark het zoo goed hadden, veel toe.
Maar telkens en telkens herhaalden zich de grieven van de zijde der financiers. Men liet niet na Owen wetten te stellen, hem op de vingers te tikken; ten slotte wilde men hem zoo bedillen, dat hem het handelen feitelijk, daardoor tot eene onmogelijkheid werd. In 1822 nam Owen ontslag, verliet New-Lanark, na een bestuur van 25 jaren, dat den grootsten zegen had aangebracht.
Owen zegt zelf, dat hij zijne benijdenswaardige positie in New-Lanark alleen prijs gaf, om volkomen vrijheid te verkrijgen voor zijne agitatie en om al zijne krachten te kunnen aanwenden, tot eene grondige hervorming van de menschelijke maatschappij. In New-Lanark vergewiste hij zich, door de, onder de ongunstigste omstandigheden op zich genomen praktische toepassing, van de juistheid van zijne principes--onder ongunstige omstandigheden, die voor een deel voortvloeiden uit de natuurlijke oppositiegeest van de menschen, tegen een experiment dat, bij al de instemming die het vond, toch er toe geëigend was als het ware, om de onhoudbaarheid aan te toonen van, en het geloof te schokken, in, de principes waarop de tegenwoordige wereld was gebouwd. Sedert de verbreking van den band, die er tusschen hem en New-Lanark bestond, vestigde Owen zich weer in Londen. Tusschen de herfst van 1824 en den zomer van 1829, was Owen eenmaal in de Vereenigde Staten, eenmaal in West-Indië en eenmaal in Mexiko. Drie jaren te voren bezocht hij Frankrijk, Oostenrijk, Pruissen, Beijeren en Saksen. Al deze reizen deed hij, als studiereizen en met dat eene doel voor oogen: de voortdurende welvaart van het menschelijk geslacht te kunnen grondvesten.
In 1825 stichtte Owen in Amerika de eerste kolonie op communistischen grondslag. Hij noemde haar "New-Harmony". Owen had voor deze kolonie 30,000 acres land aangekocht van de sekte der Rappiten. De kolonie bloeide een tijd lang, maar hoe langer hoe meer deze tot de praktijk moest komen, zag Owen in, of liever het bleek, dat men kapitalistische instellingen niet zoo maar tot Communistische kan maken, en dat daartoe veel meer en veel andere dingen behoorden, dan de goeden wil, het edel gemoed en de energie van een man, als hij was.
Na het in Mexiko nog eens beproefd te hebben, keerde Owen naar Engeland terug. Voor zijn familie had hij intusschen gezorgd en hij zou zich nu geheel aan de arbeidende klassen gaan wijden. Reybeaud vertelt, dat Owen van 1826 tot 1837, duizend openbare redevoeringen gehouden, vijfhonderd adressen heeft verzonden, tweeduizend tijdschrift-artikelen geschreven heeft en driehonderd reizen gedaan heeft.
In 1829 deed Owen een diplomatieke poging, die gelukkig geslaagd mocht heeten. Tusschen Engeland en de Vereenigde Staten waren n.l. kwesties ontstaan, die tot een oorlog hadden kunnen leiden, en wel daarom zoozeer de verhoudingen tusschen beide naties geprikkeld maakten, omdat het in den grond van de zaak handelskwesties waren. Owen, die bij den toenmaligen president van N. Amerika Jackson, zoowel als bij den Staatssecretaris van Buren in hoog aanzien stond, gebruikte zijne aanwezigheid in Amerika daartoe, om de verschilpunten met de beide mannen grondig te bespreken. Het resultaat was, dat Owen aan de Engelsche regeering kon melden, dat de Amerikaansche, de bereidwilligheid tot een vredelievende oplossing van de kwesties toonde en dat binnen weinige weken, een twist, die door de vakdiplomaten behandeld, misschien tot een oorlog geleid zou hebben, door een niet-diplomaat, op de beste wijze tot oplossing werd gebracht.
In 't jaar 1832 stichtte Owen dan zijne bekende ruilbank, die in verbinding met de Coöperaties en de produktieve-associaties door wederzijdsch crediet, den arbeiders in staat zoude stellen, zich te emancipeeren van het kapitalistendom. Het plan mislukte, evenzoo als 17 jaren later de ruilbank door Proudhon in Frankrijk gesticht, met ongeveer dezelfde bedoelingen mislukte, omdat het crediet van hen die niets hebben, ook niets waard is.
Tusschen 1836 en 1838, zag ook Owen's hoofdwerk "The New Moral World" (De nieuwe moreele wereld) het licht, eerst als weekblad, later in 1844, als boek. Het bevatte zeven deelen en kan als samenvatting, van datgene wat Owen wilde, worden beschouwd. Het is, naar zijn eigen meening, zijn omvangrijkste werk geweest, waarin hij zijn diepste gedachte heeft nedergelegd.
Het Eerste deel verzamelt de gegevens over de menschelijke natuur. Owen geeft hier niets nieuws en wij kunnen dus volstaan met hetgeen daaromtrent vroeger omstandig is medegedeeld. De mensch vormt nòch zichzelven, nòch zijne meeningen, nòch zijne gevoelens; zij-allen worden voor hen gevormd, door de omstandigheden, waarin hij is geplaatst. Hiermede valt dus de leer te zamen, dat men het allereerst moet aanvangen, die omstandigheden te begrijpen. Men moet niet oordeelen of veroordeelen, maar men moet leeren begrijpen. Men moet de natuur beluisteren en haar volgen, want de natuur is niet slecht. Ook de mensch is niet van nature-uit verkeerd; de maatschappij waarin hij verkeert vormt hem zooals hij is. De tegenwoordige beschaving is op den slechten weg. Men moet het natuurlijk instinct volgen en bevredigen. Het tegenstreven der natuur, het gedurig tegenwerken harer bedoelingen, dááraan is het te danken, dat de menschelijke karakters dien betreurenswaardigen trek verkregen hebben, waaraan zij lijden.
In plaats van het egoïsme der onwetendheid, moest er onder de menschen gaan heerschen, de welwillendheid van het inzicht in de werkelijkheid. De mensch is bestemd een sociaal wezen te zijn. De verschillende onderscheidingen moeten wijken onder de menschen; de religies zullen te-niet worden gedaan, de priesters overbodig worden bevonden, de menschelijke trots verdwijnen en eene hérschepping van den mensch zal er komen, zoo schoon als zij er nog nooit geweest is. Owen meent, dat hij hetzelfde voor de menschheid op 't oog had, als Gallileï gedaan had voor de natuurwetenschap, toen hij bewees, dat de aarde om de zon en niet de zon om de aarde draaide.
Het Tweede deel behandelt de leer en de kennis van de maatschappij. Naar Owen's overtuiging moest de menschheid zich bezig houden met vier onderwerpen: ten 1e, met de produktie van den rijkdom; ten 2e, met de verdeeling van den rijkdom; ten 3e, met de opvoeding en het onderwijs, en ten 4e: met de regeering. De produktie lijdt tegenwoordig aan deze gebreken, dat alles tegen elkander inwerkt; dat er geen harmonie, dat er geene samenwerking is; daar is overal wanorde, daar is overal scheiding en er is verdeeldheid en daardoor is er een enorme verspilling van arbeidskracht. Men werkt hard, véél te hard en nog is er te weinig, nog steeds produceert men niet genoeg. Elk beginsel van produktie, dat op een gezonde basis staat, moet er op zijn ingericht: een vereeniging en eene verbinding van de productiemiddelen tot stand te brengen; landbouw bij nijverheid, geoefendheid en kennis bij kapitaal te brengen, dezen samen te vereenigen, dàt moet het doel van de produktie zijn; dat is de gezonde grondslag van de nieuwe moreele wereld, die Owen, aan de menschen wilde laten zien. Maar terwijl de combinatie van al deze verschillende elementen tot een eenvoudig en een overvloedig resultaat zou leiden, wordt het heil gezocht in eene geweldige concurrentie, van den een tegenover den ander, elk toegerust met zijn eigene middelen. Het is een onafgebroken strijd, een worsteling, een hijgen en een zwoegen van fragmenten tegen fragmenten, waarvan de gevolgen zijn: een verwijdering van den mensch, van zijn voedsel en eene verwijdering van de natuur; een ophooping van menschen in gangen, sloppen en stegen, zonder licht, zonder lucht en zonder reinheid.
Wat blijft er over van al datgene, waarop de mensch recht heeft, van een fatsoenlijk dak, dat den mensch noodig heeft om er onder te vertoeven; van goed onderwijs, van het genoegen, van het gezellig verkeer, van liefde en van vriendschap? Door de gruwelijke tijdsverkwisting van arbeid, van tijd en van kapitaal, wordt er door de individuen gebrek geleden, hoe zij zich ook aftobben. Bij een verstandige leiding van arbeidsassociatie, behoefde er zooveel te minder te worden gearbeid,--misschien slechts vier uren daags--om al de producten voort te brengen, welke er noodig zijn, om aan de behoeften van de consumptie te voldoen.
Bij de verdeeling der rijkdom is volgens Owen, deze verspilling van arbeid en produkt nog meer zichtbaar. De ware leer van de verdeeling, zegt Owen, is de producent zoo dicht mogelijk bij den consument te plaatsen. De consumenten moesten als uit den voorraad of uit het magazijn, kunnen putten. En in plaats daarvan, heeft zich tusschen den producent en den consument eene klasse van tusschenpersonen genesteld: die der kooplieden, die koopen en verkoopen in 't groot, in 't klein, op de beurs of in den winkel. Zij nemen overal hunne winst, laten zich geducht betalen en vormen het doode gewicht der maatschappij.
Zij zien er niet tegen op, om voor meer winst de waren te bederven, te vervalschen. Zij noemen zich verdeelers of verspreiders van den rijkdom, maar moesten eigenlijk verspreiders van de menschheid genoemd worden. Zij moesten bij elken gezonde regeling van de verdeeling verdwijnen, want zij kosten der maatschappij te veel, veel meer dan men oppervlakkig denkt. Owen, die een kwart-eeuw fabrikant was, kon daar dan ook wel met verstand van zaken, een oordeel over vellen.
Ook richten die verdeelers banken op, die in verband met het slechte geld-systeem, alle voordeelen van den arbeid aan zich trekken en als het ware de produkten, van hun weg, dien zij hebben af te leggen, van producent naar consument, onderscheppen. Plaats den mensch naast zijn voedsel, zegt Owen, en naast zijnen rijkdom, dan behoeft dit niet, tot hem te worden gebracht.
Opvoeding en onderwijs zijn slechts twee onderdeelen van de vorming van het karakter, met welke taak de maatschappij zich bezig moet houden. De tegenwoordige wetgevers deden dat tot nog toe niet. Want er is noodig een vorming of eigenlijk een vervorming van de uitwendige omstandigheden om de menschen heen, en zulk eene taak, kan alleen door de georganiseerde maatschappij op zich genomen worden. Neemt zij die taak op zich, dan is vóór alles noodig, dat zij tot het inzicht komt, hoezeer o. a. de godsdienst een zonderlinge rol gespeeld heeft, om het milieu waarin de menschen tot nog toe geleefd hebben, te doen verworden. "De godsdienst, die voortkwam uit de imaginatie van de menschen en niet uit hunne rede; de godsdienst, die òveral donker-gekleurde glazen zette, waar het licht van de waarheid, helder schijnen moest."
Men zal ook de ongerijmdheid inzien, van stichtingen als Oxford en Cambridge, die instellingen van gepriviligeerd Onderwijs, en men zal overal instellingen van gelijk onderwijs in het leven roepen, men moet dat onderwijs organiseeren, men moet de uitstekendste mannen aan dat onderwijs kunnen weten te verbinden. Reeds van af de prilste jeugd, moet men daarmeê beginnen. En het was dan ook volgens Owen's plannen, dat in Engeland en ook in gansch de beschaafde wereld, de eerste kleinkinderbewaarplaatsen (crèches) tot stand gekomen zijn.
Ook omtrent het staatsbestuur, had Owen zijn eigen denkbeelden. De taak van het gouvernement bestaat niet in onthouding, maar in ingrijpen. Het gouvernement moet leiden en niet lijdzaam blijven. De taak van het gouvernement is wel degelijk positief en niet negatief, gelijk de economisten uit Owen's tijd, op het voetspoor van Adam Smith, hadden geleerd.
De slotsom van dat alles is deze: dat de elementen der maatschappij, tot eene vaste eenheid en orde moeten worden georganiseerd.
Om die harmonie te vestigen, die eerbied van gevoelens en belangen in de maatschappij tot stand te brengen, wilde Owen een vaste grondslag scheppen van het gemeenschapsleven. Deze bestond voor hem in de genootschappelijkheid of de communiteit. Het is de keus, de "nucleus", die den band van de enkele huisgezinnen vervangt. Op eene juiste vestiging dezer "nuclei" komt het voor de maatschappij der toekomst, in alles aan.
Het Derde deel houdt zich bezig, met de opnoeming en de ontvouwing van alles, wat voor het geluk der menschen noodig is. Die voorwaarden zijn volgens Owen talrijk. Hij noemt er dertien op. Zij hebben betrekking op goede gezondheid; op een zorgvuldige opvoeding; op het verkrijgen van meerdere kennis; op het bekomen van genot; op het bewustzijn en het streven om voortdurend tot het geluk van onze medemenschen werkzaam te zijn; op het bezitten van vrienden; de vrijheid en de gelegenheid van associatie,--van gedachte en geweten; de afwezigheid van bijgeloof en op het zich bevinden in een maatschappij, wier wetten, instellingen en schikkingen, in overeenstemming zijn met de wetten der natuur. De arbeiderstoestanden, onderwerpt Owen dan aan de scherpste critiek. De streng doorgevoerde arbeidsverdeeling, door welke den arbeider-mensch opgeofferd wordt aan het product, wil Owen vervangen zien worden, door een àlzijdigen arbeid, dien hij ook eischt, in 't belang van de gezondheid van den mensch en in het strikte belang van een harmonische ontwikkeling van lichaam en geest. Owen verklaart zich een sterken voorstander van eene afwisselende bezigheid van lichaam en geest, mits die geest zich niet bezig houdt met vakken, als bijv. de theologie, rechtsgeleerdheid of de medicijnen.
Owen meent dat het bestaan der prostitutie, wel het sterkste bewijs is, op welken lagen trap van ontwikkeling wij nog staan.
In het Vierde deel ontvouwt Owen, wat volgens hem, de inhoud van een redelijke godsdienst der menschheid moet zijn. Hare geest is gegrondvest op waarheid en liefde. Het wezen der Godheid, is volgens Owen nu eenmaal onbegrijpelijk, daarom is er over twisten, nutteloos. Godsdienst trouwens, bestaat in daden en niet in begrippen. Het vraagstuk van het leven nà den dood is een, waarmede de menschen wijs doen zich niet in te laten; de mensch moet slechts bedenken, hoe hij hier op aarde heeft te leven en te werken. Hij moet zijn liefde over alle schepselen--ook over de dieren--uitstrekken. Hij moet er zijn doelwit op richten, de maatschappij waarin hij leeft, voortdurend volkomener te maken. Deze godsdienst is eene praktische, die alle andere, zeer onpraktische zal doen verdwijnen, meent Owen.
Tal van gebreken onzer samenleving noemt Owen òngodsdienstig, niet gebaseerd op de liefde en op de ware verhouding, van de menschen tot elkander.
Het heffen van ongelijk-drukkende belastingen is òngodsdienstig. De verhouding van de twee geslachten--mannen en vrouwen--is volgens Owen al het minst godsdienstig; de praktijk om de vrouwen tot slavinnen van het gezin te maken, is een bewijs onzer òngodsdienstigheid.
Ten slotte is onze geheele maatschappij òngodsdienstig, daar men er in haar zich hard er-op toelegt, niet om waarheid, maar om onwaarheid te spreken. De eenige taal, door woorden of blikken gesproken, moet de taal der waarheid zijn. De waarheid zonder mysterie, zonder bijmengsels en zonder eenige vrees voor menschen of hoogere machten.
In het Vijfde deel, wordt op het vreemde verschijnsel gewezen, dat aan het einde der 18e eeuw, wel werd gedacht aan het construeeren van een nieuwen Staat, maar niet aan het vormen van een nieuwe maatschappij. Dit laatste, is evenwel belangrijker dan het eerste. Owen vindt dat de Amerikanen, die evenzoo handelden, op een zandgrond gebouwd hadden.
Onder het gezichtspunt van de voortbrenging, moet alles worden terzijde gesteld, wat doet denken aan den ouden krijg om rijkdom. Hierin moet Engeland de andere naties voorgaan. Er zal geen goede toestand meer komen, dan voor dat, tot de vestiging van de communiteiten wordt overgegaan. Zoolang men verstrikt blijft in de leeringen der economisten, zoolang zullen de regeerders met de handen in den schoot moeten blijven zitten. Maar reeds moet nu tot nationaliseering worden overgegaan der spoorwegen; van staatswege moeten nieuwe worden aangelegd en de gronden, die langs deze lijnen vrijkomen tot "communiteiten" worden ingericht.
De tegenwoordige standen en rangen behoorden, in een goed geregelde maatschappij, niet te bestaan. Alleen ouderdom en ervaring, zouden aanspraken kunnen doen gelden op eenig onderscheid. Kennis is de eenige maatstaf, waarmede de menschen behooren te worden gemeten. Geen mensch heeft het recht, zegt Owen uitdrukkelijk, van een ander mensch te verlangen, dat deze iets voor hem doet, wat hij niet bereid is voor anderen te doen, of in andere woorden uitgedrukt: alle menschen hebben gelijke rechten. De natuurlijke en zedelijke klassenverdeeling van het menschelijk geslacht, is de verdeeling naar den ouderdom, die Owen in acht klassen verdeelt.
Eerste klasse: Van-af de geboorte tot het einde van het vijfde jaar. Na het eerste tijdstip van den zuigelingstijd, komen de kinderen in de verplegingsinrichtingen en kleine kinderscholen, waar hunne eigenlijke opvoeding een aanvang neemt.
Tweede klasse: bestaande uit kinderen van vijf tot tien jaren. In de eerste twee jaren, dus totdat het zevende jaar is afgelegd, wordt het onderwijs der kleine-kinderscholen, met de door de noodzakelijkheid, aan lichaams- en geestesontwikkeling gestelde behoeften voortgezet. Van het achtste jaar af, wordt aan het onderwijs regelmatigen arbeid, zoowel in huis als in tuin verbonden. Natuurlijk mag die arbeid de krachten der kinderen nooit te boven gaan, integendeel daarmede in volkomen overeenstemming zijn. Zij staan daarbij onder de leiding van de jongere leden van de derde klasse. Deze arbeid vormt voor Owen een deel der opvoeding, en het doel der opvoeding, moet hierbij geen enkel oogenblik uit het oog worden verloren. In weerwil daarvan, zal ook dit onderwijs nuttig zijn voor de maatschappij en zijnen winst dan ook, ruimschoots loonen.
Derde klasse, bestaande uit kinderen van 10 tot 15 jaren. In de eerste drie jaren, alzoo tot de afgelegde 12 jaren, hebben de kinderen der derde klasse--onder oppertoezicht van volwassenen--den arbeid van die der tweede klasse te leiden en er het opzicht over te houden. Van af het 13de jaar, worden zij ingewijd in de hoogere kunsten en takken van bedrijf en zoodanig opgeleid, dat zij den rijkdom en het welzijn van de gemeenschap, gepaard aan het zoo groot mogelijk genoegen voor zich-zelf, kunnen bevorderen en dit op de meest praktische manier. Hunnen arbeid omvat het gansche gebied van landbouw en industrie, de mijnbouw, de visscherij enz. In alle deze verrichtingen worden de medeleden der derde klasse regelmatig, zoo vele uren per dag bezig gehouden, als in overeenstemming, is te brengen, met de lichamelijke ontwikkeling en het doel van de opvoeding. Het onderwijs strekt zich uit, over alle takken van wetenschap en voor een goede en volkomene ontwikkeling van het lichaam, wordt mede zorg gedragen.
De Vierde klasse bestaat uit de jonge personen van 15 tot 20 jaren. In deze arbeids-klasse vindt de ontvouwing van het geslachtsleven plaats. Der neigingen worden geen dwang opgelegd, en de volkomene vrijheid, waarmede zij zich kunnen uiten, gepaard aan de volkomen afwezigheid van velerlei omstandigheden, welke de verhouding van de geslachten tot elkander in de huidige maatschappij onnatuurlijk en immoreel maken, waarborgt eene reine en op wederzijdsch-geluk gegrondveste, verbinding van de twee seksen. De leden der vierde klasse, nemen naar de mate hunner hooger ontwikkelde arbeidskracht in grooteren omvang dan de leden van de derde klasse, deel aan den maatschappelijk-noodzakelijken arbeid, echter met de voortdurende ondergeschiktmaking van dezen arbeid, aan het doel der opvoeding. Zij hebben--onder oppertoezicht der volwassenen--den arbeid van de derde klasse te leiden en tot onderricht derzelven, mede behulpzaam te zijn.