Karl Marx en zijne voorgangers
Part 8
De arbeiders wantrouwden de geheele zaak eveneens. Zij immers waren zoozeer gewend te worden geëxploiteerd, dat zij onmiddellijk achter elke vernieuwing van de dingen, eene poging zagen, om meer uit hunne arbeidskracht te halen. Geen wonder dus, dat er in de eerste twee jaren slechts weinig was volbracht. "Er was geen middel," schrijft Owen zelf, "dat er niet tegen mij werd gebruikt; en de vesting van vooroordeelen en misbruiken die te veroveren was, en wier verovering ik mij vast voorgenomen had, werd dan ook systematisch en op hardnekkige wijze tegen mij verdedigd."
Owen was echter te verstandig om met geweld te werk te gaan.
Hij zag in, dat de noodzakelijkste veranderingen zeer talrijk waren en niet in één handomdraaien gedaan waren te krijgen, temeer, daar hij van geen enkele zijde op medewerking te rekenen had. De beambten der fabriek zagen in hun patroon een phantast, die de zaak te gronde zou richten met zijne plannen en zij verklaarden liever hunne plaatsen aan de fabriek te zullen verlaten, dan zich te zullen leenen tot zulke belachelijke dingen, als Owen die met de fabriek voorhad. Hij moest zich dus voor alles een vasten bodem onder de voeten scheppen, waarop hij het gebouw zijner wenschen moest vestigen. Maar dit niet alleen, hij moest zich ook het noodige bouwmateriaal zelf verschaffen. Het voornaamste was in dat opzicht, mannen te krijgen, die hem bij zijnen arbeid ondersteunen konden en genoeg vertrouwen in zijn zaak hadden. Dat was niet gemakkelijk, maar gegeven de uitmuntende takt die Owen bezat om met menschen om te gaan, om uit ieder te halen wat erin zat, was deze moeielijkheid geene onoverkomelijke. Hij vond dan ook wel de noodige krachten.
En nu ging hij met onvermoeiden ijver aan den gang tot het volbrengen van zijne tweeledige taak: verbetering van het lot der volwassenen en de opvoeding der kinderen.
Het was vóór alles noodig, in de fabriek-zelf eene zekere orde te herstellen, omdat het gebrek aan systeem en de wanorde die er heerschten, werkelijk de fabriek met een bankroet bedreigden, zelfs onder het oude regime. Repressie-maatregelen, daaraan dacht Owen niet. Wat zou het hem baten, een paar dozijn "handen" in het tuchthuis en enkelen aan den galg te brengen? Daarmede waren noch de fabriek, noch de menschen zelf gebaat, noch hadden Owen's plannen, die hij met de menschen voor had, daarbij maar eenigszins een voordeel gehad.
Owen geloofde niet aan wat men den "persoonlijken schuld" noemde, daarvoor had hij een te diep inzicht in de omstandigheden, waaronder die menschen van New-Lanark leefden en wat dezen van hen hadden gemaakt. Owen zag dus van elk soort van bestraffing af. Hij zocht het mistrouwen der werklieden op verstandsgronden te overwinnen, door beleering hen de dingen te verklaren en door hen louter en steeds op hun belang te wijzen, dat hen gebood eerlijk en arbeidzaam te zijn. Ten einde de dieverijen op de fabriek tegen te gaan, trof hij zeer vernuftige maatregelen, welke de ontdekking van de misdrijven zeer verlichten en, als 't ware, het politietoezicht in de handen der arbeiders zelven legde.
Het was Owen's doel geenszins een modelfabriek te stichten, hem was de sociale zijde van de hervormingen veel meer aangelegen, dan aan de mercantiele zijde van het vraagstuk. Maar het ging bij hem hierom, een modelsamenleving op kleine schaal in te richten.
De fabriek was Owen slechts middel tot dat doel. Door haar zocht hij zijn hervormingsplannen te verwezenlijken, die met de vooruitgang in de praktijk van den dag, telkens grootere afmetingen begonnen aan te nemen.
De inrichtingen van New-Lanark waren Owen's proefstation voor sociale hervormingen. Door deze maatschappij-in-het-klein wilde hij der maatschappij in het groot, een bewijs leveren van de juistheid en de uitvoerbaarheid van zijne sociale hervormingsplannen. Door deze wilde hij beproeven, praktisch de argumenten te weêrleggen van hen, die zijn plannen misschien in theorie prachtig, maar in de praktijk voor onuitvoerbaar verklaarden.
Het duurde niet lang of te New-Lanark was er zóóveel verbeterd, dat de spotters en de lachers, althans niet meer zoo luide lachten en de twijfelaars tot nadenken gestemd werden. Het stelen hield op, zonder dat er één arbeider gerechtelijk vervolgd was geworden. En het optreden en de manier-van-doen van de arbeiders, niet alleen binnen, maar ook buiten de fabriek, was geheel anders geworden. Dronkenschap werd steeds minder en dat, zonder dat men de drankwinkels in het dorp had doen sluiten, wat men Owen aangeraden had. Owen was persoonlijk geen vijand zoozeer van het alkoholgebruik als zoodanig, maar beschouwde het drinken en wel, het zich bedrinken, in verband met de maatschappelijke omstandigheden der arbeiders. Hij vroeg zich af, hoe het kwam, dat de menschen zulk een misbruik maakten van den alkohol en kreeg allereerst de overtuiging, dat dit voortsproot uit gebrek aan phijsiek voedsel, dat den menschen dwong, kunstmatige prikkels tot zich te nemen.
Ten tweede ontbrak het den menschen aan een goed en behoorlijk "tehuis," aan een behoorlijk en gezellig familieleven, waardoor zij zich in de kroeg meer thuis gevoelden, dan in hunne eigene woning. Ten derde kwam het, omdat de menschen geestelijk op een te laag standpunt stonden en verwaarloosd waren. De meesten van zijn fabriekarbeiders konden niet eens lezen! Het was dus geen wonder, dat zij geen denkbeeld hadden van hooger levensgenot en van geestelijk leven, eene der beproefdste middelen, om de menschen uit de kroeg te houden.
Owen ging planmatig te werk. Hij onderdrukte het "Trucksysteem," hetwelk, zooals overal in Groot-Brittanje, ook in New-Lanark in zwang was, en de arbeiders waren aldus niet meer gedwongen hunne levensmiddelen te koopen waar die duurder en slechter waren, dan overal elders. In plaats daarvan stichtte Owen eene coöperatie, de eerste die bestaan heeft en zeker niet de minst slechte. Hij kocht waren van de allereerste kwaliteit in het groot en deed ze aan de arbeiders die ze koopen wilden--gedwongen was men niet--tegen den kostenden prijs van de hand. Alleen de kosten van beheer werden hen in rekening gebracht. Het gevolg was, dat weldra alle arbeiders deelnamen en dat de bevolking van New-Lanark binnen vrij korten tijd, tot de bestgevoede en de bestgekleede van Engelands arbeidersbevolking behoorde. Voor de ongehuwden werd een kost- of eethuis opgericht, eveneens op coöperatieven grondslag, waarin voor hunne voeding en hunne kleeding den meesten zorg werd gedragen.
Owen liet vervolgens de slechte woningen afbreken en liet er "Cottages" bouwen van zijne eigene vinding en naar zijne eigene aanwijzingen, met ruime lustige woon- en slaapkamers, een praktische keuken erbij en tevens een stukje tuingrond eraan verbonden, om groenten, ooft en bloemen te kweeken. Voor de kinderen werden bovendien speelplaatsen opgericht. De nieuwe woningen, met de daarbij behoorende tuintjes werden voor een lagen prijs verhuurd, zoodat niet meer dan de rente van het kapitaal in rekening gebracht werd, die opgebracht moest worden. Niet lang daarna verlieten alle arbeiders hunne ellendige krotten, om de woningen van de fabriek binnen te trekken.
Een moeielijker werk leverde de geestelijke verheffing van de arbeiders op. Hier moest tegelijkertijd, van twee kanten uit worden begonnen. Met bloote opvoeding van de kinderen was men alleen niet klaar, ook de reeds opgegroeide generatie mocht niet onverzorgd gelaten worden. Voor de jeugd was een groote school opgericht die binnen korten tijd, onder de persoonlijke leiding van Owen, tot een modelschool werd. Geschikte leeraren en leeraressen werden gevormd en aan de school verbonden; het slaan was streng verboden. De kinderen werden er onderwezen in lezen en schrijven, in mathematiek, in geschiedenis, geographie en meer praktische vakken.
Voor volwassenen werden aparte onderwijsklassen opgericht, leeszalen en een bibliotheek gesticht en in weerwil dat voor de deelname aan alle deze dingen geen dwang was ingevoerd, was de deelname weldra zoo algemeen, dat na eenigen tijd New-Lanark, behalve den grijsaards geen inwoner meer had, die niet ter dege kon lezen en schrijven. Het intellektueele peil der bevolking rees dan ook zeer schielijk en kwam zeker boven het doorsneêpeil van de fabrieksplaatsen, in het Engeland dier dagen te staan.
In de fabriek werd de behandeling eveneens op veel humaner en praktischer manier ingericht, dan dit voorheen het geval was. Straffen waren principieel verboden. Goede loonen werden betaald en Owen wist de menschen het snel duidelijk te maken dat, hoe beter zij arbeidden, des te meer dan hunne loonen zouden stijgen, en dat dan ook zooveel te meer zoude gezorgd kunnen worden, voor hunne moreele en materieele verheffing. Hij maakte er voor de menschen geen geheim uit, dat ook dan de eigenaren van de fabriek daar beter bij zouden varen. Maar door te wijzen op hetgeen hij had gedaan, en op hetgeen hij voornemens was daarenboven te doen, kon hij met een goed geweten verklaren, dat voor hem de fabriek geen doel, maar een middel was, om tot de oplossing te komen van het problema, de arbeid die tot dusver voor den arbeiders een vloek geweest, voor hen in een zegen te doen veranderen.
En de eenige dwang, welke hij uitgeoefend had, was eene moreele, n.l., de dwang van de publieke opinie.
Ten einde, om zoo te zeggen, een soort gerecht onder de arbeiders, uit de arbeiders zelven te verkrijgen, voerde Owen den "Silent Monitor" ("stille vermaner") in. Hij liet voor elken arbeider vier borden maken, van verschillende kleur: een wit, een blauw, een geel en een zwart. De eerste was goed, de tweede tamelijk goed, de derde middelmatig en de laatste onvoldoende. Al naar het werk van de week uitviel, liet Owen een der vier borden naast den arbeider neerhangen, op den Maandag waarop het werk aanving, zoodat dan elkeen kon oordeelen over eens anders arbeid en gedrag. Deze borden hadden bovendien nog dit voor, dat de arbeiders die hunnen plicht niet gedaan hadden, geen standjes kregen, maar zelven zien konden hoe men over hun werk dacht. Owen controleerde zelf deze borden steeds en zorgde voor de meest stipte gerechtigheid bij hunne verdeeling.
Owen ging misschien hier wat schoolmeesterachtig te werk, maar het was hem liever aldus te handelen, dan eene heerschappij van de fabrieksopzichters langer te handhaven. Hij wilde den arbeiders dan ook niet anders opvoeden dan met moreele middelen, als een werkelijk pedagoog.
In New-Lanark, werd door Owen in 't jaar 1809 de eerste kleine-kinderenbewaarplaats en kleine-kinderenschool opgericht die er tot dusver bestond, en alle scholen van dit soort waren geschoeid op de leest van Robert Owen's eerste stichting van dien aard.
In een rede door Owen in 1812 te Glasgow gehouden, ter eere van zijnen vriend Lancaster, den beroemden schoolhervormer, zijn zijne grondstellingen over opvoeding neergelegd.
Hij zeide daarin: "Wat is de oorzaak van de lichamelijke en geestelijke verschillen, welke wij in 't algemeen onder de menschen waarnemen? Zijn zij ons aangeboren, of ontstaan zij uit den bodem, waarop wij ter wereld komen? Noch het een, noch het ander. Deze verschillen zijn eenig en alleen: werkingen van verschillende omstandigheden en van de opvoeding. De mensch wordt een ruwe en een gruwzame wilde, een kannibaal--of een beschaafd en een goedaardig wezen, al naar mate van de omstandigheden, waarin hij van zijne geboorte af is gekomen. Hieruit volgt dus, dat het cardinale punt voor ons is, te overwegen of wij deze omstandigheden beïnvloeden, of wij ze beheerschen kunnen; en als dit zoo is, in welke mate wij dit kunnen doen.
"Stellen wij het geval eens, ten einde eene proef te nemen brachten wij bijv. een aantal pasgeboren kinderen uit ons geboorteland naar ver-afgelegen landen, leverden ze daar aan de inboorlingen over en lieten ze daar achter. Zouden wij één oogenblik hebben te twijfelen aan het resultaat? Neen! De kinderen zouden gezamenlijk, zonder uitzondering, gelijk worden aan elke gewone inboorling en van die in karakter niet verschillen.
"En zouden op gelijke manier, een zeker aantal van jongegeboren kinderen tusschen het "gezelschap der vrienden" ("genootschap van kwakers") eenerzijds en tusschen het verwaarloosde gedeelte van de Londensche bevolking welke St. Giles bewoont anderzijds uitgeruild worden, dan zouden de kinderen van de eersten, opgroeien en gelijk worden aan die van de laatsten; vóórbestemd voor elk misdrijf, waarentegen de kinderen der laatsten tot evenzoo matige, goede zedelijke menschen opgroeien, gelijk de eersten dat zijn."
Dit waren, in 't kort, de grondprincipes van Owen; de beginselen van zijn sociaal systeem, welke hij sedert 't jaar 1812, toen hij met zijne agitatie begon, en in een gansche rij van brochures, voordrachten voor het volk en in tal van memories aan staatslieden nederlegde: "de mensch is het produkt der omstandigheden; ellende en misdaad, zij zijn de gevolgen van de onnatuurlijke levensverhoudingen."--Het moet alzoo onzen taak zijn, op de invoering van andere verhoudingen te werken. En dit is in het belang van alle menschen, omdat alle menschen zonder uitzondering, onder de bestaande omstandigheden te lijden hebben. Elk mensch heeft een gelijk recht op welzijn, voorzoover dit de vooruitgang van de beschaving en de stand der produktie mogelijk maken en op de hoogst mogelijke graad van ontwikkeling, voorzoover dit zijn lichamelijke en geestelijke eigenschappen mochten vereischen. Daarom is het volgens Owen, eene maatschappelijke noodzakelijkheid, dat alle kinderen een zoo goed mogelijke opvoeding verkregen, opdat de huidige klassebevoorrechting in dit opzicht, ten minste niet meer heerschen, en voor eene organisatie plaats maken zal, waarin elk lid van de samenleving arbeiden kan voor de gemeenschap en deze hem wederkeerig, een menschwaardig bestaan daarvoor in ruil waarborgen kan.
Robert Owen vergenoegde zich niet met de hervormingen aan zijn eigen fabriek te New-Lanark, hij strekte zijne bemoeiingen ook uit over geheel Engeland. Het was een boozen tijd voor Engeland. De Coalitie-wet verbood den arbeider op elke manier, zich te vereenigen. De omstandigheden waren evenwel té verschrikkelijk voor den arbeiders, dan dat zij zich zoo maar konden nederleggen bij hetgeen er in 't land gebeurde. De wetten dreven hun echter tot het plegen van daden van geweld. Vooral de jaren van 1814-1824, kenmerkten zich door geweldigen strijd. In 't laatste jaar werd toen de coalitie-wet eerst ingetrokken, door het werken van het parlementslid Joseph Hume.
Robert Owen begreep, dat voor de kinderen althans iets moest worden gedaan. In 1802 was er reeds een wet op de kinderarbeid in het Parlement tot stand gekomen, maar deze wet werd of in het geheel niet, of zeer slecht uitgevoerd. Owen riep ten dien einde in 1815 eene Meeting van de schotsche fabrikanten, te Glasgow bijeen, maar ondervond van geen enkele zijde medewerking. Toen ging hij zelf aan den arbeid en op reis, teneinde de noodige gegevens te verzamelen voor zijn agitatie. Hij deed deze reis vergezeld van zijn zoon Robert Dale Owen; ging naar Engeland en door Schotland.
Toen hij genoegzaam gegevens had, bezocht hij den minister Robert Peel, bij wien hij aandrong op het indienen van een wetgeving op den arbeid van jonge kinderen en volwassenen. Immers, het was hem gebleken, dat er in die dagen, als regel en niet als uitzondering, door kinderen van tien jaren doorgaans veertien uren per dag werd gewerkt, met een oponthoud van een half uur per dag voor eten, dat niet buiten, maar binnen de fabriek werd genuttigd.
Na eene onnoemelijke tegenwerking, kwam in 1819 de eerste Wet op den Kinderarbeid tot stand, niet in die mate zooals zij door Owen werd gewenscht, maar dan toch als eerste stap, in de door hem aangewezen richting.
Van af 1813 tot 1816, publiceerde Owen zijn vier opstellen, getiteld: "A New view of Society or Essays on the principle of the Formation of the human Character and the Application of the Principle to Practice". ("Nieuwe inzichten omtrent de samenleving, of studieën over de vorming van het menschelijk karakter en de toepassing van het beginsel in de praktijk").
In de aan de fabrikanten gerichte "Voorrede" tot deze uitgave zegt Owen o.a.:
"Sedert de algemeene invoering van een levenloos mechanisme in de Britsche manufaktuur, wordt den mensch, zeer weinige uitzonderingen hier buiten beschouwing gelaten, als eene machine van lagere orde behandeld; men heeft er veel meer zorgen aan besteed, de ruwmaterialen van het hout en het ijzer, dan die van het lichaam en ziel van de menschen te verbeteren. Wijdt aan deze kwestie eens de haar toekomende aandacht, en gij zult zien dat de mensch, zelfs in zijn hoedanigheid als werktuig tot de voortbrenging van den rijkdom, nog beduidend beter kan worden gemaakt! Maar nog een veel belangrijker opmerking, valt er in dat opzicht te maken. Benuttigt de middelen, die thans genoeg voor iedereen duidelijk waarneembaar kunnen zijn en gij zult daardoor, niet alleen deze levende werktuigen volkomener maken, maar gij zult ook leeren, dat men ze zoo voortreffelijk kan maken, dat ze niet alleen het tegenwoordige, maar ook die van 't geheele verleden in alle opzichten overtreffen zullen!"
Owen had een vredelievend karakter en meende dat de belangen van fabrikanten en arbeiders, langs den meest vredelievenden weg te verzoenen waren. Dit belette hem evenwel niet in te zien, dat er een groote klove tusschen hen gaapte; dat er een geweldige antagonie bestond tusschen het kapitaal en den arbeid. Maar hij was overtuigd, dat de vervulling van hetgeen hij meende dat de plichten waren van de werkgevers ertoe zou leiden, dat er eene toenadering tot stand zou kunnen komen, welke de hervorming van de maatschappij langs vredelievenden weg, niet alleen niet in den weg stond maar ook in de hand zoude werken.
Daardoor, dat hij praktisch deze plichten wist te formuleeren, stond hij reeds verre boven zijne tijdgenooten; zooals hij ook verre boven economen van zijnen tijd, als Robert Malthus stond, op wien hij reeds toentertijd het inzicht vòòr had: 1e dat een zekere mate van welstand, de onbepaalde voorwaarde is, voor een zedelijken levenswandel; en 2e dat de ontwikkeling van de groot-produktie, aan de beschaafde menschheid eene buitengewone mate van produktiviteit kan verzekeren. Zoodat dus diens vrees geenszins behoefde te worden bewaarheid, dat de productie eenmaal te kort zou kunnen komen te schieten.
Zijn goede hart en zijn bijzonder praktische ervaring, deden hem dan ook menig nieuw gezichtspunt aan de hand. Zijne theoretische inzichten waren wel-is-waar, door die van den in zijn tijd levenden liberalen apostel Jeremias Bentham sterk beïnvloed, maar zij waren verder zelfstandig door hem uitgewerkt. "De mensch is," volgens Owen, "uitgerust met een natuurlijk streven naar geluk, de regeering heeft dus ten doel, ons, geregeerden en regeerenden gelukkig te maken. De beste regeering is deze, welke in de praktijk de grootst mogelijke som van geluk aan het grootste getal menschen weet te bezorgen, waarbij allen, zoowel regeerders als onderdanen inbegrepen moeten zijn.
"Alle gecompliceerde en elkander tegensprekende motieven voor goede verhoudingen, zijn op een enkel principe der handelingen terug te voeren, hetwelk door zijne voorlichtende werkzaamheid, het oude verdorven systeem overbodig maakt en ten slotte zich in alle deelen der wereld zal oplossen. Dit principe is het geluk van het eigen-Ik, goed begrepen, en gelijkvormig verwerkelijkt, hetgeen slechts kan worden bereikt door eene verhouding, waarin het geluk van de menschheid bevorderd wordt. Want iedere macht, welke het wereld-al beheerscht en doordringt, heeft den menschen zoo gevormd, dat zij progressief, van uit eene toestand van onwetendheid, tot eene van intelligentie moeten opklimmen, welker grenzen de menschen niet bepalen kunnen; zoodat zij bij dit voortschrijden eerst ontdekken moeten, dat hun individueel geluk slechts door het groeien en het uitbreiden van het geluk van allen hen omgevenden, groeien en toenemen kan."
Het is Owen's onomstootelijke overtuiging geweest, dat de wereld alleen door deze erkenning kan worden verbeterd, dat slechts naar die verhouding waarin het streven der menschen naar eigen geluk of de liefde tot zich zelf geleid wordt, deugdzame en zegenrijke handelingen overwogen kunnen worden. En zoowel karakter als opvoeding, berusten bij den mensch op de erkenning van die waarheid. Owen was er van overtuigd, dat de menschen tot nog toe eene valsche opvoeding hebben gehad; valsch onderricht en valsch gevormd zijn geworden en dat daaruit, alle menschelijke ellende is geboren geworden. Owen geloofde der menschheid van deze waarheid te kunnen overtuigen, al had hij zelf, eveneens een slechte en onware opvoeding gehad. Want hoezeer dat laatste ook het geval is, toch maakt hij zich niettemin sterk, dat het zijn meergevorderd inzicht was, dat hem der menschheid thans aldus kon doen beleeren.
Owen's overtuiging was het, dat aan elke maatschappij een zeker karakter kon worden gegeven, hetzij goed of kwaad, hetzij vernuftig hetzij dom, en dat de middelen daartoe zoo goed als in handen waren, van hen die invloed konden uitoefenen op den gang van zaken in de wereld. Die middelen moesten echter nu worden aangewend. Het was een feit, dat drie-vierde gedeelte van de gansche bevolking van Groot-Brittanje en Ierland behoorde, tot die der arbeidenden. Men liet het echter toe, dat het karakter van die menschen werd gevormd zonder eenige leiding, onder omstandigheden, die hen noodwendig moesten brengen tot een levensloop van ellende, ondeugd en onzedelijkheid. Terwijl de hoogere klassen, wel-is-waar zeiden te gelooven aan beginselen, maar eveneens deden, alsof die beginselen niet bestonden. Zulk een toestand zou als zij lang voortduurde tot den opstand moeten leiden, omdat het lijden van de bevolking en van de arbeidende klassen van Groot-Brittanje en Ierland werkelijk èrger is, dan de toenmaals zooveel besproken slavernij van de negers in Amerika. Owen gebruikte het eerst benaming voor de fabrieksarbeiders van "blanke slaven" en leverde het bewijs, dat zij met betrekking tot gezondheid, voeding en kleeding er veeltijds slechter aan toe zijn, dan de zwarte slaven.
De hoofdzaak was nu het allereerst te zorgen voor de jeugd; een zorg die rustte op het denkbeeld dat de mensch zijn eigen karakter niet vormt, maar dat dit voor hem gevormd wordt, door de omstandigheden waardoor hij is omringd.
Het doel van het gouvernement is om regeerders en geregeerden gelukkig te maken, daarom behoorde elke regeering zich te laten leiden door het denkbeeld, dat het beter is misdaden te voorkomen, dan ze te bestraffen. Alle aanleidingen die tot het misdrijf aanzetten, behooren daarom door de regeering te worden weggenomen. Oorlog behoorde er aan de kroegen te worden aangedaan. De rechten op gedistilleerd behoorden te worden verhoogd; een stelsel van licentieën (vergunningen) in sterke en in strenge mate dient er te worden toegepast. Elk loterij, ook die van den Staat uitgaande, moet worden afgeschaft.
Het stelsel van de armenwetten dient grondig te worden herzien, en er moet worden tegengegaan, dat den vlijtigen arbeid, voor het onderhoud van luien en leegloopers heeft te zorgen. Dan moest de geheele strafwetgeving herzien worden, en het beginsel van de preventiviteit moest geheel worden doorgevoerd.
Een hervorming van de Staatskerk achtte Owen niet minder noodig. Owen was n.l. langzamerhand, door de ervaring geleerd, een vijand van de officieele godsdienst geworden, hetgeen ten slotte niet het minst geleid heeft, tot zijn maatschappelijk isolement en zijne verwijdering, ook van diegenen zijner tijdgenooten, welke hem in den aanvang, geldelijk tot het ten-uitvoer leggen van zijne plannen in staat hadden gesteld.