Karl Marx en zijne voorgangers
Part 7
Eenvoudige kiem Handelsgeest, Fiskalisme. Samengestelde kiem Maatschappijen op aandelen. Steunpunt der periode Monopolie en Zeeheerschappij. Tegenwicht Handelsanarchie. Toon of stemming Economische illusies
4. Phaze: Ouderdomszwakte.
Eenvoudige kiem Banken van leening. Samengestelde kiem Ondernemenden van een bepaald aantal. Steunpunt der periode Industrieele feodaliteit. Tegenwicht Heerschappij van monopolisten. Toon of stemming Illusies over associatie.
Fourier merkt bij dit tableau op, dat hij die karaktereigenschappen, welke aan alle vier phazen eigen zijn, niet heeft op den voorgrond gesteld, maar slechts die, welke den eene of de andere phaze karakteriseeren en die, welke met den eene of met de andere phaze vermengd zijn. Zoo is de tweede phaze, waar in de Atheners leefden, eene onvolkomene, eene bastaardachtige periode, die nog merkteekenen van het barbarisme draagt en waaraan het steunpunt van de tweede phaze, de bevrijding van den arbeid ontbrak. In Engeland en Frankrijk, bevindt de civilisatie zich in de nederdalende lijn van de derde phaze en neigt sterk naar de vierde, welker beide kiemen zij reeds bezit. Deze toestand wordt door een zich sterk voelbaar makende stagnatie aangetoond; het genie voelt zich vermoeid van zijne onvruchtbaarheid en als een gevangene, het pijnigt zich tevergeefsch af, om eene nieuwe gedachte voort te brengen. De fiskalische geest aarzelt evenwel niet, de middelen te ontdekken om de vierde phaze te organiseeren, die wel-is-waar een vooruitgang, maar geen vooruitgang ten goede is. Er moet een tusschen-phaze geschapen worden, die de civilisatie, in een garantietoestand overbrengen moet.
"Maatschappijen zoo goed als individuen gaan ten gronde," zegt Fourier, "wanneer zij zich aan den woekeraars overgeven en het is een feit van onze eeuw, van leening naar leening te hollen."
Fourier begeeft zich hiermede in een critiek der staatsleeningen. Opdat een Staat door de geldmachten beheerscht, economisch en finantieel kan worden uitgebuit en uitgeplunderd, moet men hem tot het sluiten van leeningen verleiden. Maar met élke nieuwe leening wordt hem den strik vaster om den hals gedraaid, evenals dit met den privaten persoon het geval is. De staatsmacht, zegt Fourier, wordt zoodoende ten slotte een werktuig in de handen der groote finantieele machten, die méér dan de ministers den gang van zaken beheerschen en leiden; wetten decreteeren, oorlogen voeren of verhinderen, al naar hun belang dat medebrengt. En opdat de Staatsmachine naar wensch ga, de regeering ten allen tijde door de contrôle hare afhankelijke positie bewust zij; opdat verder de nodige bronnen van inkomsten in den vorm van belastingen van allerlei aard tot rente-betaling en schulddelging aanwezig zullen zijn, heeft men het vertegenwoordigend stelsel noodig, door middel waarvan de hooge persoonaadjes, die de touwtjes der finantieën in handen hebben, den hun nog ontbrekenden invloed op de gansche wetgeving en het staatsbestuur erlangen, en den Staat tevens tot hunne melkkoe maken.
Onder de permanente euvelen van zijnen tijd, rekende Fourier de heerschappij van de philosophen, die niet willen dat het volk tot de erkenning zal komen van zijn oorspronkelijk recht en het recht zal eischen, dat het bezit op een bestaansminimum, wat het alleen maar gegarandeerd kan worden, onder het stelsel van de industrieele aantrekking.
De maatschappij is overvuld van armen, hare gebreken laten zich samenvatten in 12 hoofdpunten: 1e Eene minderheid, de heerschende, bewapent slaven, die eene meerderheid, ongewapende slaven, in toom hoopt. 2e Gebrek aan solidariteit der menigte en daardoor een ongedwongen egoïsme. 3e Dubbelzinnigheid aller handelingen in de samenleving en hare sociale elementen. 4e Inwendige strijd van de menschen onderling. 5e Het onverstand tot principe verheven. 6e In de politiek wordt de uitzondering als grondslag van den regel. 7e Het hardnekkigste en taaiste genie wordt kleinmoedig gemaakt. 8e Ongedwongen begeestering voor het slechte. 9e voortdurende verergering, terwijl men gelooft verbetering aan te brengen. 10e Alzijdig ongeluk voor de groote massa. 11e Het ontbreken van een wetenschappelijke oppositie tegen de heerschende theorie. 12e Verslechtering der klimaten. Het laatste door de verminking van de wouden en de daaruit voortkomende uitdroging van de bronnen, hetgeen volgens Fourier, noodzakelijk tegen het einde der eeuw, tot excessen van het klimaat zal moeten leiden.
"De handel," zegt Fourier verder, "is het zwakke punt der civilisatie, het punt waarbij men haar moet aantasten. In het geheim wordt de handel, zoowel door de regeeringen, als door de volkeren gehaat. De rechtschapen bezitter begrijpt niet eens de middelen, waardoor deze agioteuren zich weten te verrijken. De economisten evenwel, slingeren hunne anathema's naar de hoofden van allen, die deze grootaardigheid van den handel verdacht willen maken. Welke schoone phrazes zijn er niet tot mode geworden, ter hàrer verheerlijking?"
Fourier, die er van hield alles te ordenen en te klassificeeren, doet zulks ook ten opzichte van het bankroet. De ware aard van het bankroet te leeren kennen, hiertoe deden de philosophen, volgens hem, al even weinig moeite, als zij dit deden, tot het leeren kennen van de waren aard van den handel en van den woeker.
Napoleon I had gelijk, toen hij zeide, dat men het eigenlijke wezen van den handel niet kent. Napoleon was bang geworden, door de ervaring die hij opgedaan had, dat elke schade die men den handel toebracht, door deze weder afgewenteld werd op de lagere en arbeidende klassen. Zoodra de handel bedreigd wordt, trekt hij de kapitalen terug, zaait hij wantrouwen, belemmert hij de circulatie. De handel is als den egel, die men nergens aanvatten kan, zonder dat men zich zelf steekt.
Fourier meende dat er een overgangsstand moet worden geschapen, die de civilisatie in den kortst mogelijken tijd kon leiden naar een hoogere ontwikkelings-phaze en die hij overal, naar wij zagen die der harmonie noemt. Een stelsel dat in de eerste plaats den handel van zijnen troon moet stooten.
Hij stelt voor, dat de regeering zich van de banken, zoowel als van den handel meester maakt. Dit kan geschieden langs tweeërlei wegen. Een bruske en een zacht dwingende; een concurreerende en een ondergravende. Ook zijn beide methoden te vereenigen.
Hij veronderstelt dat er een koning bestond van het vaste en niets ontziende karakter van een Mahmud II (Sultan van 1808 tot 1839), die aan dwangmaatregelen in dezen de voorkeur geeft. Deze zal de geheele arme klasse, welke niets bezit, vereenigen en staatshoeven organiseeren. Men kan rekenen, dat het aantal van hen die geheel zonder middelen zijn, ongeveer een tiende van de bevolking bedraagt en op elke vierhonderd familiën veertig arme familieën wonen. Elke 200 personen vormen dan een staatshoeve, die hare noodzakelijke gebouwen, stallen, vee, grond, werktuigen enz. bevat. Dit aantal is groot genoeg, om een doelmatig en niet kostbaar bestuur, afwisselenden arbeid en een lucratieve opbrengst te verzekeren. Deze staatshoeven moeten zich dan aansluiten bij de industrie, het instituut van het gefixeerde ondernemerschap van private personen, die van jaar tot jaar toegelaten zullen worden, onder voorwaarde, dat zij van jaar tot jaar progressief stijgende retributieën aan den Staat hebben te betalen. Een maatregel, zegt Fourier, die twee werkingen hebben zal. Ten eerste: den Staat hooge inkomsten te bezorgen, ten tweede: den onbemiddelden het ondernemerschap onmogelijk te maken of hen zal dwingen, het op te geven. De aldus vrijkomende bevolking wordt daardoor naar de staatshoeven gedrongen; de inkomende belastingen moeten evenwel, nevens tot de dekking der staatsuitgaven, aangewend worden tot delging der staatsschulden. Fourier stelt voorop, dat deze inkomsten ten slotte zeer hoog zullen worden en een belangrijk deel van de ondernemerswinst absorbeeren zullen, zoodat het private-ondernemerschap alsdan onmogelijk zal worden en er een toestand zal worden geschapen gelijk die noodig is, om tot de phaze van de "harmonie" te komen, welk Fourier beschouwt de hoogste vervolkomening en de vervolmaking van het menschelijke leven op aarde te zijn.
Fourier stierf te Parijs den 10en Oktober 1837. Op zijn grafsteen staat gebeiteld: "Hier liggen de overblijfselen van Charles Fourier. De serie verdeelt de harmonieën. De attracties staan in verhouding tot de bepalingen."
Tot Fourier's meest bekende en meest ijverige scholieren behoorden: Victor Considérant, een voormalig genie-officier, die het hoofdwerk der Fouriersche school: "Destinée sociale, exposition élémentaire complète de la theorie sociétaire" vervaardigde.
Hij vestigde na veel moeite een phalanstère te Texas "La Reunion" genaamd, die echter in 1869 te niet ging.
Ook andere pogingen tot het oprichten van dergelijke phalanstères, n. l. in 1832, nog tijdens Fourier's leven, door Baudet-Dulary in het leven geroepen en een in Citeaux bij Dijon, met de finantieele hulp van den engelschman Arthur Young; ook een in Algerije, allen mislukten eveneens na korter of langer tijd.
Tegelijkertijd met de Saint-Simon en ook met Fourier, werkte en streed er in Engeland een man, die minder dan de twee eersten, in geschriften zijn denkbeelden had uiteengezet, maar meer een man was van de daad. Die man was Robert Owen.
ROBERT OWEN
werd den 14de Mei 1771 te Newtown, een landstadje in Montgomeryshire (Wales) in Engeland, geboren, waar zijn vader winkelier en posthuishouder was. Zijn moeder stamde uit een geachte pachtersfamilie. Robert was de jongste van zeven kinderen.
Na in het stadje zijner inwoning de school te hebben doorloopen, kwam hij bij een koopman in Stanford in de leer, een zekere Mac Guffog, die zich-zelf in zaken er bovenòp had gewerkt. De jonge Owen bleef hier vier jaren en benuttigde zijnen vrijen tijd met lezen en studeeren. Elke minuut die hij van de zaken af kon nemen, wijdde hij aan de studie der mathematiek, de natuurwetenschappen en der geschiedenis. Ook hield hij zich met godsdienstige studiën niet onledig en werd hij al spoedig een twijfelaar in theologische aangelegenheden.
In 't jaar 1795 ging Robert Owen naar Londen met aanbevelingen van zijn patroon, die hem ongaarne van zich vertrekken zag. Hij vond hier een betrekking voor 25 L. S. (300 gulden) jaarlijksch, voor een knaap van 14 jaar, eene gunstige positie in die dagen. Vandaar ging hij in betrekking in Manchester, eene positie die hem 15 L. St. per jaar méér opleverde. Minder noch om het salaris, dan wel om eene andere reden, nam hij de hem aangeboden nieuwe positie aan. De katoenindustrie had in die dagen reuzenschreden gemaakt en hare hoofdzetel was Manchester.
Het was overigens een geweldigen tijd. Eene machtige sociale revolutie voltrok zich in Engeland. Terwijl in Frankrijk de politieke revoluties als het ware over elkander vielen, vond er in het geheim, zonder dat het iemand zag of kon zien, een revolutie in de maatschappelijke verhoudingen in Engeland plaats, die bewerkstelligd werd door den stoom en de stoommachine. Watt had de stoommachine, Arkwright had de spinmachine en Cartwright had de stoomweefstoel uitgevonden. De kleinproductie ging haren ondergang tegemoet en de handspinmachine en de handweefstoel, zij moesten het afleggen tegen den met stoom gedreven industrie van de groote fabrieken. De in 't raam van de kleinproductie passende verhoudingen, deugden niet meer. Een zee van ontketende "vrije concurrentie"--het hoofdleerstuk der staathuishoudkunde van den econoom Adam Smith--was nu de industrieele maatschappij geworden. De golven sloegen al hooger en hooger, en wie niet met goed uitgeruste schepen kwam, ging onder. De machinekrachten ontketenden den strijd van "allen tegen allen", een eeuw vroeger door den philosoof en staatsrechtsleeraar Thomas Hobbes zoozeer voorzien.
Niet alleen mannen, ook vrouwen en kinderen togen bij massa's naar die groote fabrieken met hunne rookende schoorsteenen, hunne stampende en ratelende machines. De groot-industrie begon haar hoogtijd te vieren in Engeland, het eerste land dat daarvoor rijp was.
Robert Owen zag dat alles, maar hij zag ook tegelijkertijd, dat de groot-industrie de produktie op geweldige manier deed toenemen. Hij zag zoowel voor- als nadeelen van het nieuwe stelsel. En meer dan iemand van zijnen tijd, heeft hij het ook begrepen. De jonge man peinsde op middelen, zon op een stelsel om de voordeelen te behouden, maar de nadeelen zooveel mogelijk te neutraliseeren.
Hij wilde aanstonds katoenfabrikant worden, want hij was inmiddels in bijna alle geheimenissen van dat vak doorgedrongen. Maar toen hem intusschen in 1789 een mechanikus met name Jones, dien hij had leeren kennen, den voorslag deed, om met hem gezamenlijk een fabriek op te richten, tot vervaardiging van nieuwe machines voor katoenfabrikatie, greep hij dit denkbeeld aan en zeide zijne betrekking op. Hij werd machinefabrikant met een kapitaal van 200 pd. sterling, dat hij van zijn broeder in Londen had geleend. Jones evenwel betoonde zich ongeschikt, en hij wilde ook geenerlei raad aannemen en in dat geval hield Owen het voor geraden zijn deelhebberschap aan een kapitalist te verkoopen en uit de zaak te treden, om tot zijn oorspronkelijk beroep terug te keeren. Voor het ontvangen geld, richtte hij een gehuurd fabrieksgebouw in, dat hij voor het grootste gedeelte aan anderen onderverhuurde en stelde, in de hem overblijvende ruimte een paar spinmachines op. De ervaringen die hij in zijn korten loopbaan als machinefabrikant had opgedaan, kwamen hem nu voortreffelijk te stade en in korten tijd had hij zich een goede cliëntèle verschaft. Alleen het gebrek aan kapitaal, hinderde hem bij elken stap, dien hij wilde doen. Tot dat men hem op zekeren dag mededeelde, dat een zekere heer Drinkinwater, een rijke katoenfabrikant, wiens ouden chef hem plotseling had verlaten, een nieuwen chef zocht. Owen nam een snel besluit en bood zich aan. De heer Drinkinwater nam aanvankelijk den nog geen twintigjarigen jongeling, die zich vermat aan het hoofd te willen komen van eene der grootste katoenfabrieken van toenmaals in Engeland, eens op. En met een blik waarin verbazing, zoowel als geringschatting lag, zeide hij tot Owen: "U is mij te jong!"--"Voor vier of vijf jaren was ik het wel," antwoordde de jonge Robert.--Nog grooter verbazing bij den heer Drinkinwater; hij dacht voor het lapje te worden gehouden. "Hoeveel malen per week bedrinkt u je wel?" vroeg hij.--"Ik was nog nooit in mijn leven beschonken," antwoordde Owen heel droog.--"Hoeveel salaris vraagt ge?" begon na een korte pauze den fabrikant. "Driehonderd pond sterling!" was wederom het korte antwoord van Owen. Het bleek dat zijn manier van antwoorden, den grooten fabrikant zoozeer imponeerde, dat hij informaties inwon, en het resultaat was dat Owen de betrekking kreeg.
Dit was in 't jaar 1791, toen de fransche Revolutie op haar hoogste punt was gekomen. De jonge Owen had voor politieke kwesties een niet zeer levendige belangstelling. Of de gebeurtenissen in Frankrijk een grooten indruk op hem gemaakt hebben, is niet gebleken. Praktische vragen, vraagstukken die in onmiddellijk verband stonden met het leven, hadden evenwel zoo veel te meer steeds zijne groote belangstelling bezig gehouden.
De heer Drinkinwater had geen reden om zijn besluit te betreuren. De jonge Owen bracht weldra orde in het bedrijf en vervolkomende de machinerie dermate, dat de fabriek binnen korten tijd, gelijk erkend werd, het beste en fijnste spinwerk van Engeland leverde. Daarbij kwam, dat de arbeiders goed werden betaald en humaan werden behandeld. Nadat een jaar verstreken was, wilde de heer Drinkinwater dan ook van geen veranderen meer weten; hij verhoogde ten dien einde dadelijk Owen's salaris tot op 400 pd. st. en verplichtte zich, om, na het derde jaar dat Owen in zijn dienst zou blijven op een salaris van 500 pd. st., hij hem als deelgenoot in de zaak zou opnemen.
Voor dat het contrakt tot stand kwam, verliet Owen de zaak, om eene, naar hij later zelf toegaf, door hem verkeerd opgevatte handelwijze des heeren Drinkinwater en richtte in Manchester eene eigene spinnerij op, echter een voor zulk soort garens, die niet in de fabriek des heeren Drinkinwater vervaardigd werden, ten einde dezen geen schade te doen. De onderneming gelukte en Robert Owen werd wat men noemt een "gemaakt man", door andere fabrikanten met jaloerschheid aangezien; bewonderd als man van zaken en uitgekreten als een zonderling, omdat hij absoluut geen vermaak vond in de gezellige omgang dier heeren, die hun geld en hunnen tijd doodsloegen, terwijl hij zijnen vrijen tijd doorbracht in litterarisch en philosophisch gezelschap; slechts met menschen willende verkeeren, waarvan hij meende iets te kunnen leeren. Hij stelde er meer een eer in, om te gaan met mannen als: Coleridge, de dichter, Dalton, de scheikundige en Fulton, de uitvinder van het eerste stoomschip, welke laatste hij vooral met beduidende geldsommen steunde.
En als Owen wel eens in het gezelschap was van zijne collega's de fabrikanten, dan had hij zulke verschrikkelijke plannen op te stellen en ideën te verkondigen, dat het er den anderen koud van werd.
Deze denkbeelden echter liet daarom Owen niet varen, in tegendeel, zij trokken hem juist aan. Wij zijn hier aangeland bij het keerpunt in Robert Owen's leven, daar waar hij van een privaat-ondernemer, een historische beteekenis krijgt als sociaal hervormer.
Tegen het einde der 18e eeuw kwam Owen, op een handelsreis zijnde, te New-Lanark in Schotland aan. Daar leerde hij een zekere heer Dale kennen, den eigenaar van een aantal fabrieksinrichtingen aldaar. De kennis met den vader, leidde tot kennismaking met de dochter; de kennismaking leidde tot liefde en Owen werd met den vriend, ook den schoonzoon van den heer Dale en alras den medeeigenaar van de fabrieken te New-Lanark. In 1800 nam hij de leiding van de gezamenlijke fabrieken aldaar, bekend onder den naam van "New-Lanark Mills" over, met inbegrip van alle daarbij behoorende établisementen.
De fabriek van den heer Dale was door hem en Richard Arkwright, de beroemde uitvinder van de spinmachine, in 1784 opgericht geworden, toen de katoenspinnerij in Schotland het eerst werd ingevoerd. De voordeelen, die de waterkracht van de Clyde aanboden, had de keuze bepaald van deze plaats, die overigens niets aantrekkelijks had. Het land rond er om heen was onbebouwd; de inwoners dun gezaaid en zeer ruw, bijna wild; de wegen zoo slecht dat zelfs de hartstochtelijkste liefhebbers van natuurschoon het niet licht wagen dorsten tot deze oorden aan de Clyde-watervallen, al te diep door te dringen. Men moest "handen" hebben voor de fabriek, geen gemakkelijk iets, daar de bevolking van de plaats geen bijzondere trek had in het werken in gesloten ruimten. Kinderen voor den fabrieksarbeid waren er in 't geheel niet te krijgen. Men moest zich dus wenden tot de "werkhuizen" in het Engeland van die dagen, niet ten onrechte de "Bastilles van den armen" genoemd, ten einde kinderkrachten te bekomen. En had zoodoende 500 kinderen bij elkander gekregen, meest uit Edinburgh, die in een daarvoor gebouwd groot huis tezamen werden gebracht, om gekleed, gevoed en opgevoed te worden.
Ter aanlokking van arbeiders uit andere oorden, bouwde men een dorp om de fabriek en verhuurde de huizen tegen een lagen prijs. Maar de arbeid was er zóó impopulair, dat men bijna geen arbeiders kon krijgen, anders dan verworden menschen en werkeloozen; van alle middelen ontbloote individuen; menschen die over het algemeen, zedelijk zeer laag en voor den arbeid bijna onbruikbaar waren, kortom het uitschot van de armen. En niet zoodra hadden dezen door eenigen tijd te arbeiden er geheel den slag van gekregen of zij werden weerspannig en onhandelbaar.
Voor de kinderen was naar de toenmaals heerschende begrippen, vrij goed gezorgd. De lokaliteit waar zij gehuisvest waren, was ruim, de kamers vrij goed, de kost en de kleeding voldoende. Ook was er voor voldoende geneeskundige hulp en verzorging, goed onderwijs en behoorlijk toezicht zorg gedragen. De armenvoogden echter, verlangden dat de kinderen reeds op 6-jarigen leeftijd zouden opgenomen worden. De kinderen moesten dus van des morgens 6 tot des avonds 7 uur werken met de grooten tezamen en daarna eerst, konde men hen onderwijs geven. De gevolgen daarvan bleven niet uit; de kinderen liepen weg als zij eenigszins daartoe in staat waren, om naar Glasgow en Edinburgh te gaan en daar dan dikwijls hunnen ondergang te vinden. Maar alles was hen liever dan 13 uren per dag te werken onder menschen, zooals het arbeidspersoneel van den heer Dale was.
Owen spreekt den heer Dale vrij van schuld; niet zijn wil was het, dat de kinderen reeds met hun zesde jaar aan de spinmachine moesten staan, zegt hij, maar die van het Armentoezicht, dat tot elken prijs natuurlijk, van de arme, verlaten, ongelukkige kinderen af wilde zijn.
En wat de toestanden aangaat, zegt hij: "als deze nu zoo waren bij goede werkgevers als den heer Dale, kan men nagaan hoe het er moet hebben uitgezien bij de slechten."
De toestand van de dorpelingen van New-Lanark was dan ook eene hoogst ongunstige. Drankzucht, luiheid en armoede waren er heer en meester. Stelen was er aan de orde van den dag en in 't bijzonder scheen het een formeel recht te zijn, zich aan den eigendom van den heer Dale te mogen vergrijpen. Ook heerschte er een godsdienstig sekte-fanatisme van de allerergste soort. De eene groep van een zeker soort geloovigen verketterde den andere, en dit werd er niet beter op, doordien den heer Dale zelve partij koos voor eene der vele secte-gelooven.
Nog een groot euvel was er, doordien de menschen van New-Lanark, tengevolge van den grooten afstand van de marktplaatsen veel te dure prijzen moesten betalen voor hunne levensmiddelen, hetgeen, naar te begrijpen was onder hen een even groote bron van ontevredenheid, als het voor den diefstal van andermans eigendom, een groote prikkel was.
Het geheel evenwel scheen, met al zijn euvelen en al zijn ellende een terrein te zijn, alwaar iemand als Robert Owen zich op tehuis gevoelen kon. Dadelijk overzag hij het geheel en besloot hij onmiddellijk de zaak radikaal aan te pakken. Hij ondernam een grondige hervorming. De enorme moeielijkheden die hij hierbij ondervond verhoogden zijnen ijver slechts. Hij deed als een wetenschappelijk ontdekker, die hoe moeielijker de taak, dien hij zich gekozen had werd, met te meer lust aan de nieuwe studie ging, wetende zijn doel toch te zullen bereiken. Hij verklaarde zijnen vrienden, dat hij zou inwijden een geheel nieuw systeem, dat geheel gebaseerd zal zijn op gerechtigheid en goedheid, dat hij zijn hoofdoogmerk zoû wijden aan de opvoeding van de kinderen, en alle straffen zoû afschaffen en zou weten te vervangen door moreele middelen. Men lachte hem uit; maar de lachers werden hier wel zeer beschaamd gemaakt.
Owen toog aan den arbeid. "Onwetendheid," schrijft Owen's biograaf Sargent, "immoraliteit, godsdienstige huichelarij, overmatige arbeidstijd, verduurdering van levensmiddelen, en om op dit alles den kroon te zetten, een hardnekkig vooroordeel dat men het tegen Owen "den Engelschman," wiens spraak den schotschen hoog- en laaglanders bijna niet verstonden, dat alles stond hem in den weg. Hierbij kwam nog, dat de andere deelnemers hoofdzakelijk het oog hadden gevestigd op de winsten, die er te maken vielen en alles van een zakenstandpunt bekeken."