Karl Marx en zijne voorgangers

Part 6

Chapter 63,597 wordsPublic domain

"Het meest wel zal het lot van de kinderen in deze sociétaire organisatie, zich verbeteren. In de slecht geleide privaat-ondernemingen vinden de kinderen, in de hutten en de arbeidsplaatsen, schuren en ellendige woningen nòch de verzorging, nòch de beoordeeling, nòch de aandrift die zij zoo noodig hebben om zich te kunnen ontwikkelen. Daarbij sterven zij bij massa's in ongenoemde woningen, door slechte levenswijzen, of worden zij met kwalen behept. In den sociètairen toestand, zal de sterfte buitengewoon verminderen; het kinderaantal zal, zoowel lichamelijk als geestelijk, op ongekende wijze toenemen. Dreigende overbevolking, zal alleen door de sociètaire organisatie kunnen worden geneutraliseerd.

"De beschaving bevindt zich tegenover alle deze vraagstukken in een vicieuzen cirkel en dit erkent men allerwege. Men is er perplex van dat in de beschaving, de armoede de overvloed voorbrengt. Onzen toestand brengt ons niet het geluk, maar zij levert het niet-geluk op, de excessen der industrie voeren tot de grootste euvelen, zij brengen ons van Scylla in Charybdes. En waarom? Omdat wij zonder leiddraad, omdat wij zonder gids, ronddolen in een labyrinth. Dat ziet men aan alles. Wij moeten een wegwijzer in het maatschappelijk leven hebben, eene nieuwe wetenschap en die is volgens Fourier, die van de serieën der aandriften. Men zegt dat de menschen van heden niet slechter zijn, dan die van vroeger. Maar een halve eeuw terug, kon men nog voor weinig geld stoffen van goeden kleur en goede kwaliteit koopen voor weinig geld. Men kon nog onvervalschte levensmiddelen krijgen, tegenwoordig heerscht in alles bedrog en vervalsching. De landman-zelf is een vervalscher moeten worden, gelijk het den koopman reeds lang voor hem was; melk, olie, wijn, brandewijn, suiker, meel, koffie, alles is vervalscht. De arme menigte kan geen natuurlijke levensmiddelen meer bekomen, men verkoopt overal vergiften.

"De handel is schrikwekkend toegenomen en in dezelfde mate het bedrog, den zwendel en de opzuiging van kapitalen.

"Ten allen tijden en overal, zal de aantrekking der hartstochten, tot drie doeleinden trachten te komen. Tot de luxe of tot bevrediging der vijf zinnen; tot groepvormingen en serieën van groepen of bonden van toeneiging; tot het mechanisme der aandriften, der karakters en der instinkten; en door alle deze drie, tot universeele gelijkvormigheid.

"Alle groepen zoeken eene serie of een ontwikkelingstrap te vormen, verschillend in paring en soort. Deze serieën van groepen, zijn aldus het tweede doel van de aantrekking, terwijl zij zich voor alle funkties der zinnen en der ziel vormen. Het derde doel, is het mechanisme van de aandriften of de serieën van de aandriften of de serieën van groepen. Het is het streven van de vijf zinnelijke aandriften. 1. Smaak, 2. gevoel, 3. reuk, 4. gewicht, 5. gehoor met de vier affektieve: 6. vriendschap, 7. eerzucht, 8. liefde, 9. ouderschap, in overeenstemming te komen. Deze overeenstemming voltrekt zich door bemiddeling der drie weinig bekende en veel miskende aandriften; 10. de aandrift door intrigue, naar vereeniging van gelijkstrevenden; 11. de aandrift naar afwisseling, naar contrasten; 12. de aandrift tot beijvering, tot begeestering en tot het streven naar vervolkomening."

Deze twaalf tezamenwerkende aandriften of hartstochten, bevatten volgens Fourier, de harmonie van de aandriften.... "Tegenwoordig is de mensch in oorlog met zich-zelven. Zijne aandriften werken tegen elkander-in. De eerzucht werkt tegen de liefde, het ouderschap tegen de vriendschap in; en aldus bevinden zich vele aandriften in disharmonie. Ons doel moet het zijn, een vrijwillig in-elkander grijpend mechanisme van aandriften te scheppen, zonder een derzelve te onderdrukken. Dit kan geschieden, door dat ieder individu, terwijl hij zijn persoonlijk belang beoogt, daarmede tegelijkertijd het algemeen belang dient.

"De kunst om te associeeren bestaat hierin, een phalanx van serieën van aandriften, met elkander in volle overeenstemming te kunnen brengen en te doen ontwikkelen, die volkomen vrij alleen door aantrekking voortbewogen wordt en toegepast kan worden op de zeven voornoemde industrieele functies: huishouding, akkerbouw, industrie, handel en verkeer, onderwijs, wetenschappen en schoone kunsten.

"Een serie der aandriften is een verbinding van verschillende, op en neder gaande volgreeksen van verbonden groepen. Zij zijn vereenigd door overeenstemming in smaak voor een of andere bezigheid, zooals het verbouwen van een zekere vrucht, in welke voor elken tak van arbeid, zich hierbij een speciale groep vormt. Wanneer eene serie bijv. hyacinthen of aardappelen verbouwt, moet zij even zoovele groepen vormen, als er soorten van hyacinthen of soorten van aardappelen in cultuur gebracht moeten worden. Elke groep vormt zich uit de leden van de serie, die voor eene bepaalde soort, neiging aan den dag leggen. Er zijn minstens 40-50 serieën noodig, om eenigermate te voorzien in de behoeften aan de noodige afwisseling en neutraliseering. De serieën benuttigen de verscheidenheid van karakters, smaken en instinkten; van de vermogens, aanspraken en van de trappen van ontwikkeling. Elke serie is tezamengesteld uit contrasteerende ongelijkheden, zij behoeft evenzoovele tegenstellingen of antipathiën, als zij overeenstemmingen of sympathieën noodig heeft. Gelijk in de muziek, waarin men een akkoord verkrijgt doordien men evenzoovele noten uit laat vallen, als men aan den anderen kant er aan toevoegt en de contrasten der tonen één akkoord leveren, zoo levert de vereeniging van de serieën der groepen, voor de sociale harmonie hetzelfde effect op. Zij brengt beweging, waarheid, gerechtigheid, direkte en indirekte overeenstemming en eenheid in den vorm.

"De verschillende groepen moeten zich tegen elkander-in bewegen. Dat is mogelijk, doordat de groepen slechts gradueel van elkander verschillende bezigheden verrichten, bijv. niet verschillende soorten van ooft, maar verschillende soorten van een soort verbouwen. Verder moeten de arbeidszittingen kort zijn en niet langer dan twee uren duren. Een groep van zeven arbeiders is voldoende, zij is volkomen, als zij er negen telt. Dan verdeelt zij zich onwillekeurig weder in ondergroepen, in de beide vleugels en een centrum. Vier en twintig groepen is het laagste getal voor eene serie.

"De mensch", zegt Fourier "is uit instinkt een vijand van dwang en van gelijkheid, hij streeft in elk opzicht gestadig naar verandering. In de beschaving van thans wordt instinktmatig overal het valsche bereikt. Steeds wordt het valsche aan het ware voorgetrokken en het steunpunt van ons tegenwoordig systeem is eene valsche groep, die welke zich tot het kleinste getal laat terugbrengen: tot de echt.

"Deze groep is valsch door de beperking van het getal, valsch door het ontbreken van de vrijheid, valsch door het uitelkandergaan en de splitsing van de smaken. Reeds dadelijk zijn deze verschillen voelbaar. Nà den eersten dag van het huwelijk, verschilt men bijv. al over de gerechten, over de bezoeken, over de uitgaven, de conversatie en over honderd andere dingen meer. Welnu, als de beschaafden van onzen tijd, in de oorspronkelijkste hunner groepeering niet kunnen harmonieeren, dan kunnen zij het nog veel minder met het geheel der groepeeringen in de samenleving."

In de phalanstère van Fourier, is men niet zonder eenige regeering. De leiders van de serieën en groepen worden officieren genaamd en hebben militaire graden. Zij hebben den titel van hoofdlieden, luitenants, vaandeljonkers; er zijn geheele staven in de phalanstère en ten opzichte van deze waardigheden is er geen verschil tusschen man en vrouw. De medeleden van de serieën en groepen, verkiezen tot hunnen leiders diegenen onder hen, die zich in hunnen kring het meest verdienstelijk gemaakt hebben en daardoor het meest de sympathie hebben van de anderen.

Fourier is verder van oordeel, dat de menschen, met zeer weinig uitzonderingen, reeds vrij spoedig hunne vreugde zullen hebben aan schoone harmonieën van kleuren, aan prachtige en schoone feesten, standbeelden en gebouwen. En naar alle deze richtingen heen, kan alleen door de phalanstère het schoonste gewrocht kunnen worden.

Zien wij nu nog voorts hoe, volgens Fourier een onbemiddelde en een rijke in zulk eene phalanstère hunnen dag doorbrengen. Wij kiezen daartoe den maand Juni. Des morgens 3 1/2 uur is het opstaan en aankleeden; 4 uur "séance" in een groep voor de verzorging der dieren in de stallingen; 5 uur arbeid in een groep van tuiniers; 7 uur ontbijt; 7 1/2 zitting van maaiers; 9 1/2 uur zitting van groentekweekers. Om 11 uur, tweede zitting in de stallingen; 1 uur middagtafel; 2 uur boscharbeid; 4 uur arbeid in een werkplaats; 8 uur beurs; 8 1/2 uur avondeten; 9 uur conversaties en 10 uur slapen-gaan.

De beurs van de phalanstère houdt zich niet bezig met schaggerhandel in papieren of levensmiddelen, maar met den zorg voor den volgenden dag. Dan weêr vormen zich nieuwe groepen en serieën. Ook worden later als de phalanstère in volle werkzaamheid is, het getal der rustpoozen en maaltijden verhoogd tot op vijf, en worden ook de zittingen korter. Den korten slaaptijd, verklaart Fourier hiermede, dat de menschen die in harmonie arbeiden, tengevolge van hun veel aangenamer levenswijze, veel minder slaap noodig zullen hebben, dan de beschaafden van tegenwoordig.

Maatstaf van verdeeling van de opbrengst van het produkt in de phalanstère is: ten 1e de direkte werking, die zij voor de banden der eenvormigheid van de phalanx in het spel van het sociale mechanisme heeft; ten 2e de waarde die zij heeft voor de uit-de-wegruiming van tegenstrijdige hindernissen en ten 3e de omgekeerde verhouding waarin zij staat tot de sterkte der aantrekking, die zij opwekt. Naar deze wijze groepeeren zich de verschillende bezigheden, welker klassificeering en ordening de medeleden der phalanx-zelve te bepalen hebben. Een overeenstemming is zooveel te gemakkelijker, daar elk medelid in een gansche menigte van serieën en in een nog grooter aantal groepen werkzaam is. De gunst die het medelid eener serie of groep in de bevoordeeling van dividend zou kunnen verkrijgen, zou hen tot schade zijn in eene andere groep of serie. Zijn eigen belang dwingt hem dus tot de grootst mogelijke objektiviteit. Ook is hij erbij geïnteresseerd, dat de harmonie niet gestoord worde, omdat dit dan tot schade zou wezen van het geheel en zonder twijfel ook tot dat van hemzelf. Van deze gezichtspunten uit beoordeeld, geschiedt ook de verdeeling van het inkomen over kapitaal, arbeid en talent. Fourier geeft hiermede volgende voorbeelden:

"Alippus is een rijke aktieënbezitter, die tot nu toe, ín de beschaving, voor de uitleening van zijn kapitaal op goederen, 3 à 4 procent maakte. In de phalanstère heeft hij kans 12 à 15 procent te maken. Hij is zéér voor een rechtvaardige verdeeling, maar zijn hebzucht kan hem ertoe verleiden, als kapitalist de helft van het overschot, als dividend voor zich op te eischen. Maar hij komt dan dadelijk tot het inzicht, dat de beide andere talrijke klassen, welke arbeid en talent aan de zaak gaven, daarmede zéér ontevreden zouden zijn en waarschijnlijk binnen weinig jaren zou de phalanstère opgelost en de schade dan nog veel grooter zijn. Dus vergenoegt hij zich met eene regeling, die aan zijn kapitaal 4/12, den arbeid 5/12 en het talent 3/12 toewijst. Hij heeft, naar deze maatstaf, nog driemaal meer inkomen dan de beschaving hem gaf; hij leeft in de phalanstère veel goedkooper, hij ziet bovendien de beide andere klassen bevredigd en het bestaan der maatschappij daardoor verzekerd. Zijne hebzucht wordt in evenwicht gehouden door twee tegenwichten. Hij heeft de overtuiging, dat in het algemeen belang tevens zijn eigenbelang opgesloten ligt en dat in de vooruitgang van de industrieele aantrekking, voor hem een bron van grooter rijkdom opgesloten ligt. Een tweede voorbeeld:

"Johannes heeft nòch kapitaal, nòch aktieën. Hij is als beschaafde er dus zéér voor, dat den arbeid, op kosten van het kapitaal en het talent het leeuwenaandeel bekomt en rekent dus 7/12 voor den arbeid, 3/12 voor het kapitaal, en 2/12 voor het talent. Maar Johannes, als lid van de phalanstère, denkt er anders over. Als medelid van een groep, juist dikwijls door het talent dat hij ten toon spreidt de eerste, komt hij nu tot juiste waardeering van het talent. Bovendien begrijpt hij, als praktisch burger, welke beteekenis het kapitaal heeft, welke voordeelen den arbeid eruit kan trekken, hoevele voordeelen er uit geboren worden voor de serie en de groepen, en vervolgens, dat zijne kinderen het vooruitzicht hebben met kapitaal te worden bedeeld. Hij zelve kan door toeneming zijner kennis tot hooger waardigheid klimmen, ook besparingen maken. En ten slotte zal hij gevoelen, dat tot een juist evenwicht in de maatschappij, hier den arbeid iets of wat naar den achtergrond heeft te treden, tegenover het kapitaal en het talent. Een derde voorbeeld:

"Philintus is medelid van 36 serieën. In twaalf daarvan munt hij uit, door groote geschiktheid en talent; in twaalf anderen is hij middelmatig en in de twaalf laatsten, is hij een nieuweling. Als nu bij het einde van het jaar zijne rekening opgemaakt wordt, zou hij, in aanmerking genomen de talenten welke hij ontwikkelde in twaalf serieën, zéér geneigd zijn, deze bijzonder hoog te willen aanslaan. Maar verstandig als hij is, zal hij moeten inzien, dat hiermede nòch zijn belang, nòch dat van de phalanstère kan gediend zijn. Niet alleen staan tegenover de 12 serieën, waarin hij zich door talent onderscheidde, 24 anderen waarin hij slechts een middelmatig arbeider bleek, maar ook van die 12 serieën waarin hij uitmunt, behooren slechts vier tot de eerste klasse, de hoogst beloonde, die van de noodzakelijkheden; vier anderen in de tweede, en de vier laatsten in de derde klasse. Hieruit dus, volgt voor hem van-zelf, dat de eenzijdige maatstaf van de bevoorrechting van het talent hier geenszins in toepassing kan worden gebracht. Maar daarbij komt nog iets. Daar de belangen van alle medeleden in de dozijnen van serieën en honderden van groepen persoonlijk van elkander verschillen; in eene serie of groep, van twee of van meerdere weder harmonieeren, dezen wederom in alle andere serieën en groepen in belang van elkander uiteenloopen, is een intriguenspel ten gunste van enkele serieën of groepen onmogelijk. In deze honderden, door elkander loopende en elkander kruisende belangen, waarbij geen individu alleen iets vermag en geen andere verbinding van gelijke belangen mogelijk is, moet ten slotte wel het algemeen belang, en dus tegelijk het belang van allen, op zich-zelve reeds zegevieren.

"Het regime van de serieën der aandriften, is de gewilde gerechtigheid, die de voorhanden zijnde ondeugd, de zucht naar goud, omzet in den dorst naar gerechtigheid."

De geheele verdeelingswet formuleert Fourier aldus: "De individueele hebzucht moet door het collectief belang van elke serie en dat der geheele phalanstère, als toebehoorende aan eene menigte van serieën geabsorbeerd worden." En deze wet wordt bereikt, door de direkte verhouding van het getal der frequente serieën, in omgekeerde verhouding tot den duur van den arbeid; in de serieën op-zich-zelf. Met andere woorden, tot hoe meer serieën het individu behoort en hoe korter dientengevolge de enkele arbeidszittingen worden, zooveel te lichter zal de neutraliseerende gerechtigheid in de verdeeling van de arbeidsopbrengst zich voordoen. Met het getal der verschillende belangen van de enkelingen, groeien ook de mogelijkheid van de meest rechtvaardige verzoening en de eenvormigheid van het geheel aan.

De hebzucht werkt aldus ten slotte verzoenend in de harmonie. Maar tegenover haar staat nog een tweede impuls van verzoening: de edelmoedigheid. Bijvoorbeeld. Het komt er op aan een bedrag van 216 francs te verdeelen, zegt Fourier, onder negen medeleden eener groep, waarbij het dan toevallig uitkomt, dat de rijksten en welhebbendsten onder de negen groepsgenooten, tengevolge hunner verrichtingen het meest uitgekeerd krijgen. Hierop verklaren dan de beide eersten, dat zij hun kapitaalinkomen in aanmerking genomen, en ook om het genoegen dat hen den arbeid gedaan heeft, zich met het minimum zullen vergenoegen, hetgeen vier franken bedraagt. Dientengevolge blijven en 52 franken over, om onder de overigen te verdeelen. Maar het voorbeeld van de beide eersten volgen de anderen na, alleen deze laten, met het oog op hun geringer vermogen, van het hen toekomende maar de helft vallen, waardoor dus verder nog 20 franken te verdeelen overblijven. De 72 franken worden nu onder vijf armere sociètaires verdeeld, zoodat die 24, 18, 12, 9 en 9 franken krijgen.

Wanneer nu hieruit ook voortspruit, dat de rijkste sociètaires slechts het geringst mogelijk arbeidsaandeel ontvangen--en het grootste deel van hun inkomen trekken al naar de mate van hun kapitaal--dan resulteert daaruit, dat hun aandeel in de algemeene opbrengst, in omgekeerde verhouding staat tot den afstand waarin de kapitalen tot elkander staan; want voor arbeid en talent bedoelen zij slechts het kleinste aandeel in beslag te nemen. Daarentegen staat hun aandeel in de algemeene opbrengst, met betrekking tot het kapitaalaandeel, in directe verhouding tot de massa der kapitalen. Er komen hier, evenals in de physieke wereld, twee tegen elkander inwerkende krachten in aanmerking: de centripetale, welke hier de hebzucht is, en de centrifugale, die hier de edelmoedigheid vertegenwoordigt.

Ook aan het bevolkingsvraagstuk, heeft Fourier een behoorlijken aandacht gewijd. Juist in zijnen tijd n.l. kwam het boek van Thomas Robert Malthus "Over de bevolkingsleer" uit, en werd veel besproken. Malthus stelde de theorie op, dat de menschheid de tendenz heeft zich in eene geometrische progressiereeks, dus in de reeks: 1, 2, 4, 8, 16, 32 enz., te vermeerderen; daarentegen vermeerderen de voedingsmiddelen zich maar in eene arithmetischen reeks: 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 enz. Uit deze, met elkander in tegenspraak zijnde tendenzen, zou volgens Malthus, binnen vijf-en-twintig jaren--die voldoende zijn om de verdubbeling van het aantal menschen voort te brengen--de aarde zoo òverbevolkt zijn, dat de menschheid te gronde zal moeten gaan, door gebrek aan levensmiddelen.

Fourier nu pakt het vraagstuk van zijne andere zijde aan. Hij huldigt de grondstelling: stijgende produktiekrachten geven een stijging van produkt, beiden staan tot elkander in onmiskenbare verhouding. Maar zegt hij, "vergeefsch zullen de beschaafden naar middelen moeten omzien, om eene vier- ja, honderdvoudige vermeerdering te bereiken, die er noodig is, wanneer de menschen veroordeeld moeten blijven zich te vermeerderen onder den tegenwoordigen socialen toestand, die, tengevolge van oneconomische toepassing, der maatschappij dwingt, gestadig het drie- of viervoud van het produkt op te koopen, om het door de gewoonte bestendigde levensonderhoud der verschillende klassen, mogelijk te maken."

Ten allen tijde in de beschaving was de bevolkingstoename, in verhouding tot de voedingsmiddelen, een der klippen waarop de politiek is gestrand. De Ouden kenden tegen de overbevolking geen andere middelen dan uitzetting, kinderdooding en wurging van de overtollige slaven.

"In sociètaire toestand", zegt Fourier, "werpt de natuur tegenover de excessieve vermeerdering van de bevolking, vier werkzame dammen op. 1e. De grootere kracht en de lichamelijke ontwikkeling der vrouwen; 2e. de ruimere levenswijze; 3e. de phanegoramische zeden en 4e. de gelijkmatige lichamelijke oefening van alle krachten. Wat de grootere lichamelijke ontwikkeling aangaat, dat zien wij bij de vrouwen in onze steden; op elke vier vrouwen die onvruchtbaar zijn, komen drie robuste, terwijl daarentegen de zwakkere vrouwen ook de vruchtbaarste zijn. Men zal zeggen, dat de vrouwen ten platten meest robust en tóch ook vruchtbaar zijn. Dit is juist, zegt Fourier, maar een bewijs te meer, dat alle vier middelen moeten worden gecombineerd en met elkander verknocht moeten worden gemaakt. De vrouwen op het platte land zijn vruchtbaar, omdat zij matig leven en een grove, hoofdzakelijk vegetabiele voeding tot zich nemen. De vrouwen uit de steden, leven meest weelderiger en geraffineerder, en daarvandaan hare grootere onvruchtbaarheid. Verbindt men nu in de harmonie, de lichamelijke krachtsontwikkeling der vrouwen met luxueuser levenswijze en voeding, dan zal men daardoor twee werkzame middelen, die de vruchtbaarheid tegenwerken met elkander verbonden hebben."

In de harmonie zullen de menschen dan ook later als tegenwoordig hunne geslachtsrijpheid erlangen, omdat de niet-onderbroken en steeds afwisselende lichamelijke oefeningen, alle ledematen in werking doen komen en langeren tijd de levenskrachten opslurpen zullen. Zij zullen aldus het oogenblik verlengen, waarop tengevolge van de ontbrekende absorptie het overschot der sappen, onverwacht, de puberteit vóór het door de natuurgewilde tijdstip, teweeg zoû brengen. Evenzoo zullen de gelijkmatige gymnastische oefeningen bij de vrouwen, de vruchtbaarheid tegengaan, en wel in die mate, dat eene vrouw, welke zwangerschap wenschte, zich omgekeerd, door onthouding van lichamelijke oefeningen en grootere industrieele inspanning, op dezen toestand zal moeten voorbereiden. De ál te groote lichamelijke rust van de tegenwoordige stedebewoonsters is het wel in hoofdzaak, welke de geslachtsdrift en het zwanger worden doen stijgen. Een tegenwicht is er, in den regel, niet aanwezig.

Fourier verklaart, dat de tegenwoordige beschaving, ongeschikt is om het bevolkingsvraagstuk op te lossen. Hij toont dat aan, door op Ierland te wijzen, welks bevolking in dezelfde mate verarmt, als het in aantal afneemt; terwijl het aantal van de onder de ploeg genomen acres land en het hoofdcijfer van de veekudden, steeds stijgen. De roof aan grond en bodem begunstigt de kunstmatige ontwikkeling van de industrie en het verkeerswezen en zoo, zegt Fourier dan ook, dat de beschaving de "armoede uit overvloed" voortbrengt en dat dit "elk euvel, elke ondeugd, welke de periode van het barbarisme slechts op eenvoudige wijze gekend hebben, tot een tweezijdige maakt. Zij gaat aan haar cercle vicieux, aan hare inwendige tegenspraken ten gronde."

Gelijk het menschelijk lichaam, zoo bezitten de maatschappijen hunne vier, door bepaalde karaktereigenschappen zich kenmerkende leeftijden, welke elkander opvolgen. Men kan nòch de opkomst, nòch de nedergang van eene samenleving bepalen, zoolang men niet de zeer verschillende karaktereigenschappen weet aan te duiden, welke eene bepaalde samenleving bezit.

Onze natuurwetenschapsleeraren zijn, wanneer er sprake is van de onderscheiding bij vrij nuttelooze planten, zeer scrupuleus. Waarom, vraagt Fourier, zijn onze politici en economisten niet ook zoo, waar het samenlevingen te beoordeelen geldt? Waarom volgen zij hier niet de natuurwetenschappelijke methode, bij het onderscheiden hunner kenmerkende eigenschappen?

Volgens Fourier, zijn de vier phazen der civilisatie en elk harer kenmerkende eigenschappen, de volgende:

OPSTIJGENDE LINIE.

1. Phaze: Kindschheid.

Eenvoudige kiem Monogamie. Samengestelde kiem Patriarchale of adellijke feodaliteit. Steunpunt der periode Burgerlijke rechten der vrouw. Tegenwicht Federatie der groote vazallen. Toon of stemming Ridderlijke illusies.

2. Phaze: Jeugd.

Eenvoudige kiem Stedelijke privilegies. Samengestelde kiem Zorg voor wetenschappen en kunsten. Steunpunt der periode Bevrijding van den arbeid. Tegenwicht Vertegenwoordigend stelsel. Toon of stemming Illusies der vrijheid.

MIDDAGSPHAZE.

Kiem Zeevaartkunst, experimenteele chemie. Karaktereigenaardigheden Ontgoochelingen, Staatsleeningen.

NEDERDALENDE LINIE.

3. Phaze: Mannelijkheid.