Karl Marx en zijne voorgangers

Part 5

Chapter 53,477 wordsPublic domain

God, welke de leider en bestierder is van het wereld-al, kan alleen de éénheid en de harmonie ervan willen, anders zou hij met zichzelve in tegenspraak komen. Daarom bestaat er een onafgebroken keten van betrekkingen tusschen de drie rijken der natuur--dieren, planten, mineralieën--en de menschen; tusschen den menschen en God, gelijk tusschen den menschen en den aardbol en het gansche planeten- en wereldsysteem. Terwijl God den menschen schiep, hen van drijfveeren en hartstochten voorzag, wilde hij, dat de menschen daardoor gelukkig zouden worden. Het is dus niet aan te nemen, dat deze drijfveeren schadelijk zouden zijn, dat van deze hartstochten de eene of de andere zoude moeten worden onderdrukt of onbevredigd behoeven te blijven. Integendeel, eene bevrediging daarvan, schept veelmeer de harmonie van den mensch met zich-zelf en met God. Wanneer wij desniettegenstaande zoo dikwerf zien, dat deze hartstochten bij de menschen, zich in eene schadelijke richting openbaren en werken, dan bewijst dit niets tegen dezen, maar tegen de sociale organisatie van de maatschappij, welke deze hartstochten op valsche wijze zoekt werkzaam te doen zijn, of ze zoekt te onderdrukken.

Het zijn vijf bewegingen, welke de wereld voortbewegen en haar hare bestemming doen naderen:

1. De normale beweging; wetten der aantrekking voor imponderabele elementen, electriciteit, magnetisme, reuken. 2. De dierlijke of instinktmatige beweging; wetten der aantrekking voor drijfveeren en instinkten van alle geschapen wezens hoe en wanneer zij ook waren, zijn en zullen zijn. 3. De organische beweging: wetten der aantrekking voor de eigenschappen der lichamen: vorm, kleur, smaak, reuk, enz. 4. De materieele beweging--reeds door de mathematici (Newton) ontdekt--wetten der aantrekking en gravitatie der wereldlichamen (Planeten en vaste sterren). De kometen zijn, volgens Fourier, irregulaire lichamen die het wereldruim doortrekken. 5. De sociale beweging--het eigenlijke steunpunt van het geheel-- de wetten, welke de orde en de opeenvolging van de verschillende sociale gestalten op alle wereldlichamen regelen.

Het middelpunt dezer sociale wetten is de mensch, die daardoor, in den grond der zaak, tot het middelpunt van het geheel wordt en om wien, ten slotte, zich alles draait. Wat zou, zoo vraagt Fourier, de wereld voor een ander doel hebben, wanneer zij niet geschapen was voor de menschen?

De bestemming van den mensch is het geluk, dat in de ontwikkeling van geheel zijnen aanleg, de bevrediging van al zijne hartstochten ligt. De mensch behoort te genieten en nogeens te genieten, alles waartoe zijn hart hem dringt. Deze bestemming was den mensch door God toegedacht.

Fourier legt op het akkerbouwbedrijf of de agricole associatie het hoofdgewicht; hij ziet het zelfs voor de eigenlijke grondslag aan van het menschelijk bestaan, die welke de meeste en de aangenaamste afwisseling geeft. Maar ook de gansche huiselijke bezigheid, de huishouding in hare uitgebreidste opvatting; handel en nijverheid; opvoeding; de kunsten en de wetenschappen, zij allen moeten sociëtair bedreven worden.

De arbeid is volgens Fourier, een noodzakelijkheid voor alle menschen zonder onderscheid van leeftijd of geslacht, maar zij moet geene last, maar een lust wezen. Zij moet in een woord gezegd: aantrekkelijk zijn. En dit kan zij alleen wezen, wanneer ieder in die richting drijven kan, waarheen zijne gaven en aanleg hem dringen, tot wat hem dus het meeste genoegen kon schenken. Daarnevens moet de arbeid, dikwijls afwisselen en moeten ten dien einde, de arbeidstijden slechts kort zijn.

Ten einde de verschillende tegen elkander in dwarrelende elementen te kunnen leiden, is het noodig, dat zich groepen vormen van gelijkgezinden, voor bepaalde bezigheden. Elk van deze groepen, kan slechts negen personen omvatten. Er vormen zich evenveel groepen, als er ondersoorten van arbeid bij eene bepaalde produktietak noodig zijn; de verschillende groepen vormen: eene serie. Daar twee menschen niet in alles dezelfde smaak kunnen hebben en ook niet de voor alles gelijke aandrift, worden dezelfde personen, die zooeven tezamen gearbeid hebben in ééne groep, in tegenovergestelde arbeidsgroepen, of serieën van andere produktietakken geplaatst. Niet alleen dus, dat er voortdurend afwisseling is van arbeid, er is ook eene voortdurende afwisseling in maatschappelijk verkeer bij dien arbeid. Deze voortdurende afwisseling van arbeidsbeoefening en van de personen die den arbeid beoefenen en de daaruit voortvloeiende, dan weder aantrekkende, dan weder afstootende bewegingen, voldoen volgens Fourier, aan de hoogste bevrediging, omdat juist daarbij alle drijfkrachten in het spel komen. Maar zulk eene bevrediging zou nog geen volkomene zijn, wanneer niet ook de voortbrenging van den rijkdom door haar kon worden in stand gehouden. Daarom dacht Fourier een stelsel uit, waarin den maatschappelijken arbeid, op den grondslag van deze organisatie en samenwerking van alle drijfkrachten en geaardheden, talenten en kundigheden, kon worden verricht. Het was het systeem van de phalanstère.

Deze planmatig georganiseerde en geassocieerde bezigheid van honderden van families, zal, naar Fourier verklaarde, in tegenstelling tot de private en individueele voortbrenging en het private ondernemerschap eene groote mate van besparing aan arbeidskracht, werktuigen en tijd ten gevolge kunnen hebben eenerzijds; en door geschikt aangewende en gecombineerde werkzaamheid van allen anderzijds, eene vermeerdering van den rijkdom ten gevolge hebben, die in vergelijking met die van thans verveertigvoudigd zou kunnen worden en zelfs den armsten zoû veroorloven eene bevrediging van zijne behoeften, zóó rijkelijk als heden ten dage den rijkste alleen, dit mogelijk was.

In de Fouriersche "phalanstère" blijft het onderscheid in bezit voortbestaan. Fourier achtte dit zelfs noodzakelijk voor de harmonie, die volgens hem juist uit eene geschikte en verstandige combinatie van tegenstellingen voort kan komen. Zijn socialisme was dat van verwijdering en van harmonie; van elkander dáárom bekampende tegenstellingen, omdat zij niet onderling verbonden en dus niet tot eenheid kunnen komen.

Daarom wendde hij zich steeds tot de grooten en aanzienlijken en niet tot de geringen, tot de arbeiders of tot het volk. Alleen de eersten waren in staat zijn plan te doen verwezenlijken.

In de "phalanstère" zou volgens Fourier kapitaal, arbeid en talent zóó worden beloond, dat aan den arbeid vijf-twaalfde, aan het kapitaal vier-twaalfde en aan het talent drie-twaalfde van de arbeidsopbrengst ten goede komt. De beide geslachten zullen volkomen op gelijken voet worden behandeld. Immers zij werken, vergenoegen en beminnen zich, met- en onder elkander. Ook de opvoeding van de kinderen behoort gemeenschappelijk te geschieden; de kinderen zijn het derde neutrale geslacht en aan hunne opvoeding wijdt Charles Fourier in zijne werken, groote en breede ruimte. Met grondige diepte en met een wonderbaarlijk onderscheidingsvermogen, heeft hij steeds over de opvoeding geschreven en geen pedagoog zal nog heden ten dage deze bladzijden, niet dan met genoegen lezen.

Wat de verhouding van de geslachten tot elkander aangaat, deze is door Fourier van een zeer ruim standpunt bekeken. De critiek, dien hij uitoefent op het tegenwoordig huwelijk, zoowel op zijnen vorm als op zijne uitwassen, behoort tot het scherpste wat daarover ooit is gezegd.

Onder de nieuwe levensverhoudingen, gelijk Fourier ze ons die schilderde, genieten de menschen niet alleen het volle geluk, zij kunnen zelfs bij hunne, zooveel betere, gezondere en natuurlijker levensverhoudingen een hoogeren ouderdom bereiken. Fourier spreekt van het bereiken van een leeftijd van 144 jaren, als doorsneê-leeftijd.

Het gansche heelal, is volgens Fourier, die zich hierbij op Schelling beroept "het spiegelbeeld van de menschelijke ziel." De wereld is ter wille van de menschen geschapen; na zijn dood wandelt den mensch van planeet tot planeet, tot een steeds hoogere volkomenheid.

Elke planeet wordt geboren en heeft, gelijk den mensch, hare kindschheid en hare ouderdom, op- en neêrgaande ontwikkeling, en dood. Ook de menschheid sterft, en wel, na een totaal-levensduur van 80,000 jaren, die zich afwikkelen in vier phazen. De phaze der kindschheid, in welke laatste periode wij ons bevinden, duurt: 35,000 jaar en die van den nedergang eveneens: 35,000 jaren. Dan volgt de phaze van de ouderdomszwakte, weder met 5000 jaren, waarna de dood der menschheid en die der aarde intreden. In de tijdruimte van 80,000 jaren beleeft de menschheid 32 ontwikkelingsperioden--wij bevinden ons in de vijfde, die der civilisatie--en in deze verschillende perioden, zijn er verschillende hérscheppingen, door welke de dieren- en plantenwereld en ook het klimaat, in overeenstemming met de hoogere ontwikkeling der menschen, zich tot hoogere volkomenheid ontvouwen zal. Met de achtste periode, die van de harmonie, vangt de dageraad van het geluk aan. Dan wordt de noordpoolkroon (couronne boréale) geboren, die dan gelijk de zon, niet alleen licht, maar ook warmte verspreidt en daarmede zullen tal van nieuwe scheppingen ingeleid worden. De werkingen daarvan zullen zijn, dat Petersburg zoowel als Ochotsk een klimaat zullen verkrijgen, gelijk Cadix en Constantinopel; dat het klimaat van de Siberische ijskusten, dat van Marseille en van den golf van Genua verkrijgt en dat eene vruchtbaarheid van deze noordelijke deelen der aarde aanvangt, die zal kunnen wedijveren met die van deze tropische gewesten. Gelijktijdig zal door de inwerking van dit fluïdum en door de verandering der klimaten, de zee zich veranderen en haar water een anderen smaak verkrijgen. De bestaande, thans den mensch nog vijandige en schadelijke zeemonsters als de haai enz., zullen verdwijnen en door andere schepsels, als anti-haai, anti-walvisch vervangen worden, die den menschen vriendelijk gezind zullen worden en zich door hen zullen laten gebruiken tot het leiden van hunne schepen enz. Evenzoo op het land. Alle wilde dieren, leeuwen, tijgers, luipaarden, wolven enz., alle giftige reptielen en vergiftige schadelijke planten zullen verdwijnen en plaats maken voor nieuwe, der menschheid nuttige gewassen.

Zoodra den ganschen aardbodem met phalanstères overdekt is, zal zij twee millioen derzelven en vier milliard menschen aanwijzen. Dan zal Constantinopel hoofdstad zijn van de wereld en zal de door alle phalanstères gekozen "Omniarch", als heerscher der wereld, aldaar zijn zetel innemen.

Met het getal van vier milliard, is volgens Fourier, het maximum bereikt dat het bevolkingscijfer bereiken kan; want wanneer ook de menschen zich aanvankelijk sterk vermeerderen, de vruchtbaarheid van het geslacht zal verminderen, naar mate nevens de mannen, ook de vrouwen sterker zullen worden, hunne geestelijke en lichamelijke ontwikkeling en opulente levenswijze toenemen zal. Fourier gelooft, reeds voor onze samenleving de opmerking gemaakt te hebben, dat vrouwen van groote lichaamskracht en lichaamsgestalte en onder gunstige materieele verhoudingen levend, minder kinderen krijgen dan die van een zwakkelijke en geringe constitutie. De eersten zijn zelfs dikwerf onvruchtbaar.

Dezelfde veranderingen als op aarde, voltrekken zich ook op alle overige planeten. Geheele nieuwe planeetsystemen zullen zich nog moeten vormen, ten einde in de sterrenwereld denzelfde harmonie, het opperste klavier (clavier majeure) te kunnen vestigen, zooals deze harmonie op aarde gevestigd is in het klavier van de menschelijke ziel, dat 810 karaktereigenschappen aanwijst.

Fourier rekent bij dit alles met bepaalde mathematische verhoudingen; alle levensuitingen en levenschijnselen laten zich in bepaalde mathematische getalverhoudingen uitdrukken. Fourier staat hierbij geheel op den bodem van Pytagoras (540-500 vóór Chr.), die gelijk bekend is, eene philosophie van de getallenleer voor alle verschijnselen, leerde.

In 1829 verscheen Fourier's tweede werk: "Le nouveau monde industriel et sociétaire". ("De nieuwe industrieele en sociétaire wereld.") Dit boek bestaat uit één deel en is van alle werken van Fourier wel het duidelijkst en helderst geschreven. Het kan, om de beknoptheid waarin zijne denkbeelden erin vervat zijn, als de quintessens van Fourier's denkbeelden als hervormer, worden beschouwd. Zeven jaren later gaf hij nogmaals een groot werk in het licht, dat "Valsche industrie" genaamd was, maar dit boek bevat geen nieuwe denkbeelden en is van beslist minder waarde, dan zijn "Nouveau monde" en zijn "Théorie des quatres mouvements" dat zijn.

In 1848 hebben de scholieren van Fourier zijn gezamenlijke werken uitgegeven, onder den titel: "L'harmonie Universelle et le Phalanstère" ("De algemeene harmonie en de phalanstère"), waarin Fourier zelf aan het woord is, omtrent zijne plannen en de ontdekkingen zijner wetenschap.

Hij zegt, dat nadat bij hem eenmaal den twijfel was geweken, dat de toestand van ontbering, die overal heerschte, van nood en gebrek, het overal-heerschend-bedrog, het handelsmonopolie en de slavenhandel, een door God gewilde toestand was, dat hij toen tot de conclusie kwam, dat deze gansche toestand er eene van overgang was voor de menschheid; een toestand van verandering in de sociale orde van zaken. En hij maakte 't zich tot een regel van zijn onderzoek: de absolute twijfel, en de absolute vermijding van de tot dusverre betreden wegen. Hij vroeg: wat kan er twijfelachtiger bestaan, dan deze onvolkomene beschaving?--Wanneer er aan haar ook drie periodes voorafgegaan waren, die van wildheid, patriarchaat en barbarisme, moet dan daaruit worden opgemaakt dat zij de laatste is, alleen omdat zij de vierde is? Kan er niet een vijfde, zesde of zevende sociale orde komen, die wel-is-waar ons nog niet bekend kan zijn, maar dit alleen, omdat tot nog toe niemand zich de moeite gegeven heeft van haar te ontdekken! Men moet dus de noodzakelijkheid, de voortreffelijkheid, zoowel als de voortduring van deze maatschappij, altijd en altijd in twijfel blijven trekken. Dit hebben de philosophen nooit gedaan, omdat zij, zoo zegt Fourier, dit nooit gewaagd hebben, dewijl dan de nietswaardigheid van al hunne werken voor de menschheid meteen zou aan het licht gekomen zijn!

In de eerste plaats hield Fourier zich bezig met de landelijke associatie (association agricole) en bij het nadenken over haar, geraakte hij tot de theorie der bepalingen. De oplossing van dit vraagstuk, leidt volgens hem, tot die van alle politieke vraagstukken. "De philosophen hielden de akkerbouw-associatie voor eene even zoo groote onmogelijkheid, als de afschaffing der slavernij, omdat zulk eene associatie tot nog toe niet bestond. Ziende, dat bij de dorpsbewoners elk gezin op eigen gelegenheid arbeidt, konden zij zich geen middel denken om hen te vereenigen. En toch zouden er reeds talrijke verbeteringen kunnen ontstaan, wanneer men de bewoners van elk vlek, kon vereenigen tot gemeenschappelijke bezigheid, naar verhouding van hun kapitaal en hunnen arbeid. Aldus zouden 2-300 families, met ongelijk vermogen, een streek kunnen cultiveeren. Men kan nauwelijks 20, 30, 40 individuen tot gemeenschappelijke bezigheid verbinden, hoe zoude men het honderden kunnen doen, zegt men. En toch zouden er voor zulk een associatie op zijn minst genomen 800 personen noodig zijn. Ik versta hieronder, verklaart Fourier verder, eene samenwerking bij welke de medeleden door wedijver, eigenliefde en andere middelen, aan den arbeid gehecht zouden kunnen worden gemaakt.

"Eene zoodanige organisatie komt ons belachelijk voor en toch is zij mogelijk. Eene agrarische associatie, gelijk ik mij die voorstel en die wel duizend personen kan omvatten, levert zulke enorme voordeelen op, dat zij in vergelijking met de tegenwoordige toestanden, aan een toestand van zorgeloosheid gelijk zou zijn."

De sterkste prikkel voor den landman, zoo gaat Fourier voort, is de winst. Wanneer de verbondenen maar eenmaal zullen zien, dat sociëtair-georganiseerden arbeid, hen vijf zesmaal meer winst oplevert, dan hunne geïsoleerde bedrijven van vroeger dit deden, zullen zij wel ál hunne onderlinge jalouzieën ter zijde zetten en tot de associatie toetreden.

"Dan zullen zich de associaties over regionen uitbreiden. Want overal hebben de menschen den trek naar genot en naar rijkdommen."

Het eerste wat Fourier daarna ontdekte, was de aantrekking der hartstochten. "Ik zag in dat de voortschrijdende serieën, aan de hartstochten der beide geslachten, de verschillende leeftijden en klassen de volle ontwikkeling zouden kunnen geven; dat in de nieuwe orde, men zooveel te meer kracht en vermogen zoude erlangen, naar mate men meer hartstochten heeft, en ik concludeerde daaruit: dat als God zooveel invloed gegeven heeft aan de aantrekking der hartstochten en zoo weinig invloed aan de rede, hunnen vijand, dat dit zeker geschiedde, om ons tot organisatie der voortschrijdende serieën te voeren, welke in elk opzicht de aantrekking bevredigen."

"In de schaduwen van de voorhanden zijnde sociale wetgeving," zoo zegt hij voorts, "ziet men niet in, dat de ellende der volkeren aanwast, juist met de sociale vooruitgang. Wij zien reeds die gevaarlijke werking uit den invloed van den handelsgeest, die daarheen leidt, de heete luchtstreek te bevolken met zwarte slaven, die men ontrukt aan hun geboorteland en het gematigde klimaat met witte slaven, die men in industrieele bagnoos drijft, gelijk men dit heden ten dage in Engeland doet, iets dat gewis wel in andere landen navolging zal vinden. Is er zelfs eene gerechtvaardigde zijde aan een toestand, waarin de vooruitgang van de industrie, zelfs niet eens aan den armen den behoorlijken arbeid kan garandeeren?"

"Het verbond is de basis van elke economie, wij vinden de kiemen daarvan verstrooid in het geheele sociale mechanisme, van-af de machtige Oost-Indische Compagnie, tot aan de arme vereenigingen der voor een bedrijf vereenigde dorpsbewoners toe.... Wij hebben overal, zoowel in het kleine als in het groote deze kiemen voor ons welzijn bij de hand; het zijn ruwe diamanten, welke door de wetenschap geslepen moeten worden. Het problema is, deze kiemen der associatie, die in alle takken van menschelijken arbeid terug te vinden zijn, tot één mechanisme te verbinden, hen tot eene algemeene éénheid te doen worden."

Wat de sociale beweging aangaat, zoo ziet men elke belanghebbende klasse, de andere het booze toewenschen; overal is het persoonlijke belang in tegenspraak met het algemeene belang. De geheele schrikkelijkheid van een dusdanige toestand, ziet men recht en duidelijk in, wanneer men ze eerst goed leert begrijpen; wanneer men de sociëtaire organisatie leert kennen, waarin de belangen een geheel andere richting uitgaan, wanneer ieder voor het algemeen belang werkt, juist omdat dit het meest parallel loopt met zijn persoonlijk belang.

"De vrijheid is illusoir wanneer zij niet algemeen is. Waar de vrije ontwikkeling van de hartstochten tot een zeer kleine minderheid beperkt is, daar heerscht er slechts onderdrukking. Om de massa eene volkomene ontvouwing en de bevrediging harer hartstochten te verzekeren, is eene sociale organisatie noodig, die aan drie voorwaarden te voldoen heeft. Men moet: 1e een regime der industrieele attractie zoeken, ontdekken en organiseeren; 2e aan ieder moeten gewaarborgd kunnen worden de zeven natuurlijke rechten, die ook de wilde bezit; en 3e, de belangen des volks moet men verbinden met die van de grooten. Want het volk zal op den grooten afgunstig zijn en hen haten, zoolang het niet gradueel een aandeel heeft aan hun welzijn. Slechts onder deze drie voorwaarden, kan men het volk een minimum aan voedingsmiddelen, bekleeding, woning en hoofdzakelijk, ook aan het vergenoegen verzekeren, want zonder er een aangename zijde aan te verbinden, zal ook de nieuwe toestand voor de menschen niet voldoende zijn."

Er is, volgens Fourier, geen voor altijd samengestelde vrijheid mogelijk die niet in-zich bevat dat minimum. "Geen minimum zonder industrieele attractie; geen industrieele attractie in den stuksgewijs verrichten arbeid", waarmede hij bedoelt, in den arbeid gelijk hij verricht wordt in de privaat-ondernemingen.

De aantrekking tot den arbeid, kan slechts daar aanwezig zijn, waar die arbeid aangenaam en lucratief is. De verdeeling heeft plaats, volgens de drie industrieele eigenschappen: arbeid, kapitaal en talent. Het bevolkingsaantal van een phalanstère mag niet grooter wezen dan van 1800 tot 2000 personen, omdat in dat getal naar Fourier's berekening, de verschillende hartstochten en karaktereigenschappen ten volle en doelmatig vereenigd zijn. De economie der hulpmiddelen verkrijgt men, uit een zoo doelmatig mogelijk tezamenwerken van allen, met elkander werkenden, omdat allen belang hebben bij de besparing van materialen, van tijd en van arbeidskrachten.

Zoo zal men in een phalanstère van 400 families, niet 400 keukenvuren voor 400 private huisgezinnen noodig hebben, maar zullen vier of vijf groote keukenvuren voldoende zijn. De bewoners zullen in vier of vijf klassen, naar hunnen stand en naar hun vermogen ingedeeld kunnen worden, en aldus één gemeenschappelijk paleis kunnen bewonen.

Een phalanstère, die zich bijv. met de wijn- of olieproduktie bezig houdt, zal slechts een enkele werkruimte noodig hebben, in plaats van de velen, die thans in een wijn- of olieverbouwende streek bestaan.

De juiste behandeling van den wijn, is den kleinen bezitter onmogelijk, noch kan hij voor de behoorlijke ligging zorg dragen, noch voor de verkoeling die noodig is. In eene phalanstère zal de wijn, tengevolge van de deugdelijke bewaring en verzorging reeds na één jaar, vijfmaal meer waard zijn. Bovendien kan de phalanstère steeds het produkt verbeteren, door de kostenbesparing; betere zaden, betere planten aan te schaffen. Zij kan de beste bodem uitzoeken en de doelmatigste machines, gebouwen, stallen en bergruimten hebben.

Eene der schitterendste kanten van het sociètaire systeem van den arbeid, is wel deze, dat daarbij de waarheid in handel en wandel kunnen worden ingevoerd. "Terwijl de associatie, de coöperatieve, solidaire en zeer vereenvoudigde, op waarachtigheid en waarborgen berustende concurrentie, in plaats van de individueele, onsoliede en door leugenachtigheid opgevreten, willekeurige concurrentie onzer beschaving stelt, zal zij maar een twintigste van de handen en de kapitalen daarvoor noodig hebben. Men zal zoodoende den tegenwoordigen handel als parasietisch kunnen onderdrukken. Men zal door de phalanstère, in plaats van honderden concurreerende en tegen-elkander intrigueerende kooplieden en winkeliers, met hunne marktplaatsen en winkels slechts één groot Warenmagazijn en naar verhouding zeer weinig personen noodig hebben, dewijl alle koopen en verkoopen naar buiten, door de phalanstères onder-elkander afgesloten worden.--

"Zoodra mannen, vrouwen en kinderen, de laatsten van af den leeftijd van drie jaren werkzaam zijn uit aantrekking; wanneer hartstocht, geschiktheid, wedijver, het verbeterde mechanisme van den arbeid, éénvormigheid in het doel der handelingen, vrijer verkeer, verbeteringen van het klimaat, hoogere kracht en langeren levensduur der menschen, tezamen werken, zullen de arbeidsmiddelen en -krachten onberekenbaar zich vermeerderen, en het produkt kwantitatief en kwalitatief zich, daaraan geëvenredigd veredelen en vermeerderen.