Karl Marx en zijne voorgangers

Part 4

Chapter 43,626 wordsPublic domain

"Het is alsof de maan de zon verlicht," zoo zegt hij vervolgens, "wanneer men ziet, dat de mannen der oude orde, de mannen der conjecturale wetenschappen, leiding meenen te kunnen geven aan nieuwe dingen, aan nieuwe wenschen, aan eene nieuwe orde van zaken, aan den bedrijvige, positieve vooruitgang." De leiding moet komen aan de kundigsten en aan de bedrijvigsten en de regeerders moeten er toezicht op houden, dat de arbeid ongestoord plaats kan vinden. De arbeid is er, volgens de Saint-Simon, niet om de regeering, omgekeerd, de regeering is er om den arbeid.

Er worde dus gevormd eene eerste Kamer, welke hij "Kamer van Inventie" noemt. Zij zal bestaan uit drie secties. De eerste sectie zal bestaan uit 200 ingenieurs, de tweede uit 50 dichters of literatoren, die nieuwe denkbeelden hebben, de derde uit 25 schilders, 15 beeldhouwers of architecten en uit 10 musici. Zij zal zich moeten bezig houden, met het ontwerpen van werken van openbaar nut, ten doel hebbend den rijkdom van Frankrijk te doen vermeerderen en het lot van zijn inwoners te verbeteren. In de tweede plaats moet deze Kamer de openbare instellingen organiseeren. De leden dezer Kamer hebben zitting voor vijf jaren, zijn herkiesbaar en hebben eene persoonlijke toelage van 10,000 francs.

Dan worde er gevormd een tweede Kamer, die "Kamer van Onderzoek" zal genaamd zijn. Zij zal eveneens bestaan uit 300 leden, waarvan 100 natuurkundigen, die zich bezig hebben te houden met de kennis van de georganiseerde natuur, 100 physici, die zich met lichamelijk onderzoek, zoowel van menschen, dieren en insecten bezig houden en 100 beoefenaren van de meetkunde. Deze Kamer zal al de ontwerpen van de Eerste Kamer moeten onderzoeken en toetsen aan hunne kennis en aan de ervaring. Zij moet de ontwerpen van wetten voor het onderwijs maken en invoeren. Het onderwijs moet zooveel mogelijk pasklaar, aan de praktische behoeften des volks, worden gemaakt en daarom in drie trappen worden verdeeld. Er mag alleen, in geen der drie soorten van onderwijs, sprake wezen van godsdienstig onderwijs. De Saint-Simon meent dat, daar ieder vrij is in het uitoefenen van den godsdienst dien hij verkiest, iedereen ook persoonlijk moet weten, welke godsdienstige opleiding hij zijne kinderen moet laten geven. Ook moet deze Kamer een geregeld toezicht houden op de openbare opvoeding.

De leden dezer Kamer genieten mede 10,000 francs per jaar persoonlijke toelage, worden eveneens voor vijf jaren gekozen, en zijn eveneens herkiesbaar.

Daarna komt de derde Kamer, waaronder de Saint-Simon zooveel als het "Huis der gemeenten" in Engeland verstaat, en die hij "Kamer van uitvoering" noemt. En in deze moet elke tak van den arbeid goed en evenredig vertegenwoordigd zijn. De leden dezer Kamer genieten géénerlei toelage, omdat zij vrij zijn door den arbeid dien zij verrichten. Zij is belast, niet alleen met de uitvoering van de door de beide eerste Kamers vastgestelde en aangenomen wetsontwerpen, maar ook met het uitschrijven en het heffen van belastingen.

Het parlement zal eene nieuwe "Code civil" ("Burgerlijk wetboek") en eene nieuwe "Code criminel" ("Wetboek van Strafrecht") vaststellen. Het zal den eigendom op nieuwe grondslagen vestigen, gunstiger voor de voortbrenging in de maatschappij; een stelsel van algemeene verdediging, dat zoo weinig mogelijk een staande leger noodzakelijk maakt en een stelsel van algemeene volksweerbaarheid ontwerpen. De Saint-Simon verwacht, dat als alle staten rondom Frankrijk zich evenzoo zullen hebben gereorganiseerd, oorlog niet zal voorkomen en dus alle verdedigingsmiddelen overbodig zullen worden. Een schadeloosstelling van twee milliard, zal worden toegestaan aan hen, die onder deze nieuwe orde van zaken schade zullen lijden.

De menschen zullen het een "utopie" noemen, zegt de Saint-Simon, zulk een plan! Maar dit komt, volgens hem, omdat de menschen geen begrip hebben van de geschiedenis; geen kennis hebbende van den loop der beschaving spreken zij van "utopieën". Het is zeer te bejammeren, zegt hij, dat de geschiedenis een tak is van de wetenschap der letteren, en niet wordt beschouwd als een wetenschap op zich-zelve, wat zij is.

Intusschen, terwijl zich een aantal leerlingen om de Saint-Simon geschaard hadden, verergerde zijne pecuniaire positie zeer. Hij ging zijn zestigsten levensjaar in, kon zijne geschriften alleen maar gedrukt krijgen, door zich telkens en telkens te vernederen en openlijk vernederd te worden, en de geringe opbrengst ervan, was niet in staat om hem in het leven te houden. Van teleurstelling en van armoê werd hij wanhopig en op een morgen in de maand Maart 1823, vonden zijne jongeren hem met een kogel in het hoofd liggen op zijn kamer, evenwel niet doodelijk gewond. Hij herstelde weder, maar moest een oog verliezen, terwijl zijn gezondheid van nu af zeer zwak en wankel was geworden. Twee jaren leefde hij nu nog, en in dien tijd zagen nog het licht: "Catéchisme des Industriels" en het beroemde boek "Le Nouveau Christianisme" ("Het nieuwe Christendom.")

In de "Catéchisme" heeft de "science générale" waarover de Saint-Simon het zoo vaak heeft, die hij met zooveel hopelooze inspanning verdedigt, haar uitgangspunt in de "idee der Industrie." Wat de industrie is naar haar wezen en welke gestalte zij in de geschiedenis van Frankrijk heeft aangenomen, welke aanspraken zij kan doen gelden en welken som van geluk in de samenleving zij heeft doen geboren worden, alle deze vraagstukken liggen aan deze verhandeling ten grondslag. Hij begint met de begrippen, industrieel en arbeider te ontleden. Een industrieel is iemand, die der samenleving de middelen verschaft om in stand te blijven en om de behoeften der menschen te bevredigen. De klasse van menschen, die zulks doen, behooren den eersten rang in te nemen; zij kan allen ontberen, niemand echter haar. Daar alles dóór de industrie geschiedt, zoo geschiede ook alles vóór haar. Zij vormt de groote massa van de natie, zij vormt het overwicht aan physieke kracht, zij bezit de talenten en de intelligenties. Hoe was het nu mogelijk, dat zij onderdrukt werd, door een kleiner en zwakker aantal? En hierop antwoordt de Saint-Simon, door ons historisch uiteen te zetten, de verhouding waarin de industrie tot de staatsmacht staat.

De Franken zijn, naar zijne voorstelling, als de krijgslieden van Frankrijk te beschouwen, en tegelijkertijd als de bezitters van grond en bodem; door hen werden de Galliërs onderworpen, die nòch wapens, nòch vermogen hadden, en niets als hunne arbeidskracht bezaten. Beide deelen van het Fransche volk kwamen alsnu, vijandig tegenover elkander te staan; deze heerschend en slechts verteerend, gene onderworpen en werkzaam. Nog bij de troonsbestijding van Lodewijk XI waren deze klassen scherp gescheiden. Deze koning echter verbond zich met de industrieelen, de laatsten kwamen daardoor langzamerhand tot persoonlijke vrijheid en bezit van geld, terwijl de militaire klasse der Franken, nog altijd aan haar bezit van den grond vasthield. Hierdoor ontstond voor het eerst in Frankrijk de tegenstelling in bezit, die van de eigenaren van geld en industrie en die van den grond. Tot aan Lodewijk XIV toe vormden grondbezitters, fabrikanten en handelslieden, drie afzonderlijke corporaties. Maar onder deze laatste koning begon de industrie zich te ontplooien en een element in zich te vormen, dat hare geheele gestalte begon te vervormen. Uit de concurrentie en de behoefte van den afzet, vormde zich de wereldhandel, die op hare beurt eene klasse van bankheeren in het leven riep, die bemiddelaars der betalingen werden en in wiens handen het eigenlijke voordeel terecht kwam; met hen begon de periode van het credietwezen in de geschiedenis. Het crediet behoort, naar zijn wezen, den grooten bankheeren en kooplieden toe; om hen te gebruiken, leenen dezen den fabrikanten en den arbeidenden. Dezen breiden daardoor hunne zaken uit en daarvandaan komt het, dat de eigenlijke macht van het geld en alles wat daardoor geschiedt en mogelijk is, in handen van den bankiers over is gegaan. Als nu de Staat geld noodig had, boden zij het hem aan, maar onder zekere voorwaarden, en hier vangt den tijd aan, waarin de geldwisselaars, de bezitters van het crediet zelfs over de industrieelen konden zegevieren en zich van den Staat meester konden maken. Op deze wijze was het ook mogelijk, dat zich de industrieele wereld zelve splitste in twee klassen, die van de eigenlijke industrieelen, zij die arbeiden, en die van de slechts-bezittenden; de eersten onderworpen, de laatsten heerschend. De oude tegenspraak ziet men hier van nieuw af aan opkomen: zij die het diepst onderdrukt zijn, vormen de beste klasse van de maatschappij. Zoo komt het resultaat dan te voorschijn, dat de natie, het volk is industrieel; de regeering feodaal. Terwijl de bankiers van alle landen, den gouvernementen het crediet van de industrie tegen hoogen interest verkoopend en zich verheffend op de puinhoopen van de ineengeslagen leenheerschappij, den toestand van onderworpenheid van voren af aan zijn gaan bevestigen. Nevens hen verheft zich eene eigenaardige klasse, die zich tusschen beide klassen in stelt; beiden dienend, maar die den eene in haar ziel vijandig is, terwijl zij de andere beheerschend, beiden in stand houdt. Dat is de klasse der "Legistes", waaronder speciaal de advokaten behooren. Zij vormen met de bankheeren tezamen, eene middelklasse en zijn de eigenlijke "liberalen," die tegenover de "Industrieelen" staan. Men vergist zich zéér, zegt de Saint-Simon, wanneer men beide voor identiek houdt; integendeel is het liberalisme van eerstgenoemde klasse, niets als een verkapt egoïsme en de leuze van hunne leiders tegenover het gouvernement, komt op niets anders neer, dan op het "ôte-toi de là, que je m'y mette!" ("Verwijder u van deze plaats, opdat ik mij er neder kunne zetten!")

De ware grondzuilen van het eeuwigdurend welzijn der menschelijke maatschappij, zijn de industrieelen. "Want," zoo roept hij uit, "het is duidelijk, dat de industrieele heerschappij die is, welke den menschen de grootste som van algemeene en individueele vrijheid kan geven en dat zij alleen aan de moraal de grootste macht in de samenleving kan verzekeren. Het is verder duidelijk, dat de samenleving van-uit de feodale heerschappij naar die der industrieele, niet kan worden overgeleid, door het bloote zakenleven van het bestuur; beiden staan diametraal tegenover elkander. De eerste wil de grootst mogelijke ongelijkheid onder de menschen, het laatste, het industrieele systeem, is gebouwd op de grootst mogelijke gelijkheid van de menschen.

"Daarom moet het rijk van de industrie a priori gekend worden en deze "catechismus," is het bewijs, dat de menschelijke geest zich reeds tot die hoogte opgewerkt heeft. Wat is evenwel de kracht eens gewonen ondernemers anders dan de eenheid? Daarom moet de goddelijke, zoowel als de menschelijke moraal, den meest uitstekenden geesten aan het werk stellen; het industrieele systeem in zijn onderdeelen bloot leggen en de industrieelen zelven opeischen zich, ter verwerkelijking kunnen roeping te vereenigen."

Dit is, in 't kort, de inhoud van de "Catéchisme des Industriels." De Saint-Simon is de eerste, die naar de innerlijke wetten van de samenleving en de wetten welke haar besturen en op hare vorming en gestalte van invloed zijn, heeft opgespoord; die hare verschillende gestalten heeft blootgelegd en onderzocht heeft, wáárdoor zij zich tracht te vervolkomenen. Hij vond de klasse-tegenstellingen, in primitieven vorm, tusschen bezit en niet-bezit; tusschen arbeid en kapitaal en tusschen, wat hij nog noemde: "de strijd der standen."

De Saint-Simon's laatste werk, waaraan hij arbeidde toen zijne krachten hem reeds voor een goed deel begeven hadden, is "Le Nouveau Christianisme" geweest. Reeds in zijn "Système Industriel" predikt hij deze moraal: "God zeide: Bemint u en helpt u onder elkander!"; hier begint hij de stelling te ontwikkelen, dat het waarachtig goddelijke principe van de christelijke religie is: "de menschen zullen elkander als broeders behandelen." God had zelf, wel-is-waar de christelijke godsdienst gesticht, maar de later zich ontwikkelende clerus is een misgeboorte der christelijke kerk; zij heeft den inhoud van het goddelijke christendom, tot een menschelijke gemaakt. Het is dus de taak van onzen tijd, om de godsdiensten weder terug te voeren tot hunnen waren oorsprong; ze te zuiveren van elk egoïstisch en tweeslachtig bijmengsel en om de menschheid op het nieuwe Christendom voor te bereiden.

Hij klaagde den Paus en zijn kerk van ketterij aan; het onderwijs dat de geestelijkheid den leeken geeft, is valsch en leidt, volgens hem, van het ware Christendom af. Want in plaats van de levende moraal der liefde te prediken, stelt de katholieke kerk het doode dogma aan den spits en in plaats van de kennis te doen vermeerderen, zoekt zij de leeken absoluut zich van haar afhankelijk te maken. Hij klaagde den paus van haeresie aan en ook dat hij in zijn eigen Staat een bestuur in stand houdt, die de moreele en physieke belangen van de behoeftige klasse in den weg staat, en dan ook nog hiervan, dat de Paus en de kardinalen, zoomede de geheele geestelijkheid geheel uit den tijd zijn en tegenwoordig zeer gemist kunnen worden.

De protestantsche kerk critiseert hij eveneens. Hij erkent, dat Luther met de Reformatie der beschaving een grooten dienst bewezen heeft, maar in het andere gedeelte der Hervorming, dat der opbouw van den godsdienst, heeft Luther zijnen navolgers nog veel te doen overgelaten. De protestanten hebben dan ook eene moraal welke, bij die zooals zij aan den tegenwoordigen stand der beschaving past, verre ten achterstaat. De protestantsche cultus is bovendien "zonder eenige bekoring, onschoon en koud", in plaats van de aanbidding van het Hoogste te doen vieren met behulp van den kracht van den schilder, den dichter en de macht van de muziek. Ook gelooft het protestantisme aan een gebrekkig dogma. Luther gebood den Bijbel te lezen en niets dan den Bijbel. Het lezen van den Bijbel heeft zeker groote voordeelen gegeven, maar ook groote nadeelen. Het ware dogma heeft geen gebreken.

De Saint-Simon stelt nu als positief dogma op deze moraal: "in het nieuwe Christendom zullen de menschen zich wederzijdsch als broeders beschouwen." Deze godsdienst "zal de samenleving haar grootste doel, de snelste verbetering van het lot der arme klassen tegemoet doen voeren." De godsdienst is van nu af eene sociale godsdienst geworden; haar uitgangspunt is de toestand van de menschelijke samenleving "de terugvoering naar het aardsche geluk." Het woord van Christus: "Mijn Rijk is niet van deze wereld!" werd niet begrepen. "Der religie moet men hare zinrijke zijde teruggeven en den eeuwigen strijd tusschen materie en kennis, tusschen lichaam en geest moet, in haar verzoend, ons tegentreden."

Toen de Saint-Simon zijn "Nouveau Christianisme" voleindigd had, hadden hem zijn laatste krachten reeds bijna begeven. Hij hield zich toen bezig met de oprichting van het blad "Le Producteur," maar hijzelf zag de verschijning daarvan niet meer.

Toen hij zijn einde voelde naderen, riep hij de vertrouwden van zijne gedachten voor zijn bed en zeide tot hen: "Gij gaat een tijd tegemoet, waarin goed gecombineerde inspanningen tot een ongekend resultaat moeten voeren; de vrucht is rijp, gij zult ze plukken." En zich tot zijn meest geliefde scholier, Olinde Rodrigues, wendend, zeide hij: "Vergeet niet, mijn zoon, dat men begeestering moet hebben, om groote dingen tot stand te brengen! Mijn geheele werken laat zich tezamen vatten in deze eene gedachte: alle menschen de verzekering der meest vrije ontwikkeling te kunnen geven!" Na eenige minuten, toen hij reeds met den dood streed, riep hij uit: "De toekomst is aan ons!" Des morgens den 19en Mei 1825, ontsliep hij in de armen van zijne leerlingen.

De Saint-Simonistische School telde aanvankelijk vele jonge mannen, die later tot de eersten intellecten hebben behoord. Het eerst stond zij onder de leiding van Bazard en Enfantin, waarvan later de anderen zich afscheidden. Tot hen behoorden behalve de reeds genoemden A. Thierry en Comte, Buchez, Pierre Leroux, Adolphe Blanqui, Michel Chevalier, Ferdinand de Lesseps, Felicien David, Armand Carrel enz. Velen hunner hebben De Saint-Simon's denkbeelden later of geheel, of halverwege losgelaten.

Gelijk wij schreven, geheel onafhankelijk van De Saint-Simon leefde, werkte en streed er in denzelfden tijd in Frankrijk een ander groot denker en een genie van even grooten soort als hij, voor het geluk van de menschheid.

Beiden leefden in één land, doch kenden elkander niet, hadden elkander nooit gezien of gesproken en voor zoover bekend, stelden zij zich ook niet tegenover elkander, althans niet in het openbaar.

Het tweede genie hier bedoeld was Fourier.

FRANÇOIS MARIE CHARLES FOURIER

werd den 7en Februari te Besançon geboren uit gegoede ouders. Zijn vader was groothandelaar. De jonge Charles toonde reeds vroeg, een groot gevoel van ingeboren rechtschapenheid. Hij was voor den handel bestemd, maar hij kreeg reeds als knaap een zoo onoverwinnelijken afkeer van den handel, dat die op zijn geheele leven den stempel heeft afgedrukt. Hij leerde niet alleen den handel haten, maar ook verachten.

Hij zeide later zelf, dat men in den handel ophoudt het onderscheid te leeren kennen, tusschen oprecht zijn en liegen. In katechismus en op school, had men hem geleerd nooit te liegen, maar dan leidde men hem in den winkel, om hem vroegtijdig in het edele handwerk van den leugen, of in de kunst om te verkoopen zich te doen oefenen. Getroffen door het bedrog en den zwendel van den handel, had hij meermalen den koopers terzijde genomen, om hen te vertellen, hoe zij bedrogen werden. Een van hen was zoo dankbaar hem te verraden, hetgeen hem van zijn vader een pak slaag deed oploopen. En op een toon van verwijt, zeiden zijn ouders dan ook meermalen "die jongen zal voor den handel nooit deugen." Inderdaad, bij Fourier was dan ook een diepen afkeer van den handel gerijpt en, negen jaren oud, zwoer hij den handel een eeuwigen haat.

Fourier was jong op een bankierskantoor geplaatst in Lyon, maar hij liep weg, verklarende nooit een koopman te willen worden. In 1790 kwam hij naar Rouen, alwaar hij een positie als reiziger bekwam, als reiziger naar Parijs, hetgeen in dien tijd een post van groot vertrouwen was. Hij kreeg daardoor de gelegenheid, zoowat alle groote steden van Frankrijk, Duitschland, Nederland en België te bezoeken en daardoor kon hij veel studiën maken, omtrent buitenlandsche toestanden.

Op al deze reizen bestudeerde Fourier het klimaat der verschillende landen, de toestand van den bodem, de nijverheid, de bouworde van de steden, de aanleg der straten en het karakter van de bewoners. Geen architektuur was er in de door hem bezochte steden, die hij niet kende. Alleen voor de talen had hij weinig zin, daarvandaan de opmerking, door hem uitgedrukt in zijn hoofdwerk "De theorie van de universeele eenheid", dat het eene der slimste gebreken van het menschelijk geslacht was, de vele en verschillende talen te hebben. Hij beschouwde ééne wereldtaal, waartoe hij het fransch als de meest geëigende beschouwde, als eene der belangrijkste voorwaarden, voor eene nieuwe, sociale orde van zaken.

In de Revolutieperiode verloor Fourier zijn vermogen. Maar ook met den gang van zaken in de Revolutie kon hij zich geenszins vereenigen. Naar zijne meening had het volk maar zeer weinig bij de Revolutie gewonnen, daarentegen had die klasse, welke hij het meest onder allen haatte, de handeldrijvende klasse, het meest daarbij gewonnen.

Niets kon dan ook Fourier meer in toorn brengen, bij de latere ontwikkeling zijner denkbeelden, dan dat men hem op eene lijn stelde met de "Jacobijnen" uit de Revolutie. "Neen en duizendmaal neen!" zoo riep hij dan uit, "mijne theorieën hebben niets te maken met die van deze lieden, noch iets met hunne omverwerpende denkbeelden!" ....

Wat hij evenwel gezien had, dat was dit: terwijl de menschen der Revolutie bezig waren alles met bloedig geweld neêr te slaan, wat naar hunne begrippen aan het geluk van het vaderland in den weg stond, het kapitaal evenwel, in den schrilste tegenspraak bleef ageeren, met de gepredikte grondstellingen. Hij zag hoe de schaggerhandel, hoe de levensmiddelenwoeker, de zwendel met de leverantiën bloeiden, en hoe de plotseling rijk geworden opkomelingen hunne orgieën vierden. En niet minder waren hem de oogen opengegaan voor de ellende der massa, die haar leven voor de Republiek zoo heldhaftig gegeven had. Al deze waarnemingen, die hij vooral de gelegenheid had volkomen te maken, door wat hij dag aan dag in kleineren kring om zich heen zag, brachten dezen denker op de gedachte, dat de samenleving niet juist georganiseerd moest wezen. En hij zon op middelen, eene maatschappelijk plan te ontwerpen, dat aan alle deze euvelen een einde kon maken.

Fourier, die van nature reeds een tegenzin had in de studie van politieke vraagstukken, werd in deze weerzin versterkt, door de feiten om hem heen. Hij zag de politieke stelsels veranderen, maar de maatschappelijke euvelen blijven. Dit deed bij hem de gedachte ontstaan, dat er tusschen de sociale toestand van de maatschappij en de politieke geen wezenlijk verband bestond; de eerste is even willekeurig, als den laatste; maar samenhang tusschen beiden bestaat er niet volgens hem.

Voor hem was het véél gewichtiger het uitgangspunt te vinden, van waaruit alle beschaving en ontwikkeling ontsproot, en hij meende, dat datgene wat een Newton voor de natuurlijke wereld had gedaan, n. l. het ontdekken van de wetten der zwaartekracht, dat dit moest geschieden voor de materieele wereld, en dat hij het was die dit had te doen.

Dat hij, Fourier, deze wetten, die het uitgangspunt waren van een geheel stelsel, hetwelk in staat was den menschheid het verloren geluk te hergeven, had ontdekt was zuiver toeval, volgens hem. Andere geleerden vóór hem hadden het ook kunnen doen, en een eigenaardige beschouwing is het dan ook van hem, dat de 400,000 dikke boekdeelen, welke er in den loop der tijden waren geschreven en die in Bibliotheken opgestapeld lagen, van zéér twijfelachtige waarde voor de menschheid en haar geluk waren.

In 1808 publiceerde Fourier nu ook zijn eerste en principieel-wetenschappelijke werk: "La théorie des quatres mouvements et des destinées generales." ("De leer van de vier bewegingen en der algemeene bepalingen") genaamd.

De gedachtengang door Fourier daarin ontwikkeld, is de volgende. De wereld bestaat uit drie eeuwige, ongeschapene en onverstoorbare grondstellingen:

God, of den geest, actief en bewegend principe; de materie, passief en bewogen principe; de gerechtigheid of de mathematische wetten, regelend principe.

Analoog aan het wereld-al, bestaat ook den mensch uit drie principes, namelijk:

de drijfveeren (passiones), aktief en bewegend principe; het lichaam, passief en bewogen principe; de intelligentie, neutraal en regelend principe.