Karl Marx en zijne voorgangers

Part 3

Chapter 33,691 wordsPublic domain

In deze "Brieven uit Genève" wilde de Saint-Simon dus aan de menschheid eene nieuwe organisatie geven; een orde van zaken in de maatschappij, steunende op het denkbeeld, dat de geheele menschheid één eenheid was; dat er éénheid moest komen in het menschelijk arbeiden en dat de geleerden en kunstenaars de mannen bij uitnemendheid waren, om dat werken te leiden en te besturen.

De taak der vrouw was hierbij niet over het hoofd gezien en ook werd deze nieuwe orde van zaken door de Saint-Simon, tot een soort nieuwen godsdienst verheven.

In 1807, na een leven van ontbering te hebben geleden, schreef de Saint-Simon zijn: "Introduction aux travaux scientifiques du XIX-me Siècle." (Inleiding tot den wetenschappelijken arbeid der 19e eeuw). In zekeren zin was dit boek een antwoord op een prijsvraag door Napoleon Bonaparte uitgeschreven en aan het "Instituut" opgegeven onder het opschrift: "geeft mij rekenschap van de vooruitgang der wetenschap sedert 1789 en zegt mij, welke hare tegenwoordige toestand is en welke de middelen zijn om haar vorderingen te doen maken."

De Saint-Simon past in zijn boek voor het eerst,--en dit is werkelijk een vooruitgang der wetenschap geweest, al werd het niet officieel erkend,--deze tweeledige methode toe: die der analyse en die der synthese. Door analyse, klimt men van bijzondere feiten óp tot een algemeen feit; door synthese daalt men van het algemeene tot de bijzondere feiten af, zoo stelde hij vast.

De geleerden van de richting a priori waren voor hem die zoo als Bacon van Verulam en Descartes. Vooral de laatste, die tot den menschheid heeft durven zeggen, dat zij slechts gelooven moet die zaken welke haar door de rede worden aangetoond en bevestigd zijn door de ervaring; de man die het bijgeloof omverwierp en een volgens vaste methode te werk gaanden twijfel onderwees.

De richting a posteriori was begonnen bij Locke en Newton in Engeland. De een op het gebied van de kennis van de georganiseerde wezens, de ander op dat van de brute lichamen, verkregen hunne bewonderenswaardige resultaten door toepassing van de analyse.

Beide methodes zegt de Saint-Simon, moeten worden vereenigd; het was de fout van de denkers der 18e eeuw, dat zij hierbij dachten aan strijd en aan tegenstelling. Zoowel het generaliseeren als het particulariseeren, zij hebben verder te zamen recht van bestaan.

Na aldus de gansche wetenschap van de 18e eeuw te hebben getoetst aan deze twee maatstaven, gaat de Saint-Simon zich in beschouwingen verdiepen over den godsdienst. En dan krijgen wij eene krachtige uiteenzetting van hem, dat de Kerk in de middeneeuwen dáárom zoo hoog in aanzien stond, omdat werkelijk de geestelijken van toen beter en intelligenter waren dan de leeken. Eerst toen die meerderheid van verstand en gemoed ophield te bestaan, kwam er scheuring.

Volgens zijne inzichten, gaat de richting in het godsdienstige deze kant uit: het godsdienstig Deïsme maakt plaats voor het Physicisme, een godsdienst op natuurkennis gebouwd.

Wat de ethiek aangaat, meent de Saint-Simon, dat het negatief beginsel van het Evangelie: "Doe niet aan anderen, wat gij niet wilt dat men u doet", plaats moet maken voor een ander en een positief beginsel.

"De mensch moet werken!" Het denkbeeld van den arbeid in den breedsten zin opgevat altijd. Maar een rentenier, iemand die niet persoonlijk het werk bestuurt dat zijn eigendom produktief moet maken, is een wezen dat de maatschappij tot last is. De zedeleer dient hierop steeds de aandacht gevestigd te houden. De wetgever moge het vrije en volledige gebruik van den eigendom toestaan, de moralist is genoodzaakt der menschheid en der openbare meening te drijven in de richting der erkenning, dat den nietsdoenden eigenaar, alle achting moet worden onthouden.

In 't jaar 1813 schreef Saint-Simon twee groote manuscripten, zij zijn het bij zijn leven gebleven, dewijl hij geen geld had om ze te laten drukken. Eerst in 1858 zijn zij gedrukt geworden. Zij zijn getiteld: "Mémoire sur la science de l'homme" en "Travail sur la gravitation universelle" ("Memorie over de wetenschap van den mensch") en ("Studie over de algemeene zwaartekracht"). Het eerste is wederom een poging om de Europeesche maatschappij te reorganiseeren. De studie van den mensch moest allereerst uitgaan van de physiologie, in de tweede plaats moesten de daden van het menschelijk geslacht beantwoorden aan de wet der ontwikkeling. De physiologie is de eenige positieve grondslag voor de kennis die de mensch noodig had. Volgens de Saint-Simon, had de literatuur als zoodanig, als voortbrengend middel van beschaving uitgediend; de kennis der natuur kon thans nog alleen tot resultaten leiden.

De Saint-Simon's uitgangspunt was, dat de mensch van dezelfde natuur is als de dieren en alleen door eene betere organisatie van het lichaam, zich boven de dieren heeft weten te verheffen. De menschheid heeft evenwel gezorgd, de dieren op lageren trap te houden en daarom storend gewerkt op hunne ontwikkeling.

De Saint-Simon's betoog komt dan vervolgens hierop neer, dat het geheele stelsel van onze kennis daarheen moet worden georganiseerd, en gegrondvest moet worden op dit eene geloof: dat het geheel bestuurd wordt door eene enkele vaste wet. Alle systemen van toepassing nu, alle die van religie, van politiek, van moraal en van burgerlijk recht, zij zullen in overeenstemming moeten worden gebracht met dit nieuwe stelsel van kennis. De geheele maatschappij moest aldus worden geregeld, en volgens hem was de tijd daarvan niet meer zoo ver af. Immers, politieke en wetenschappelijke omwentelingen wisselen elkander beurtelings af.

In zijn tweede geschrift, vervaardigd onder den indruk van gebeurtenissen van 1813, geeft hij o. m. een schoon overzicht van de philosophie, in den vorm van een toespraak van Socrates aan zijne leerlingen. En dan nogmaals, een overzicht van de waarde van de Middeneeuwen voor de beschavingsgeschiedenis der menschheid. Hij toont aan, hoe slecht de geschiedschrijving dit tijdperk begrijpt, door het te beschouwen als dat van de "donkere eeuwen der barbaarschheid".

Verder uitwerkende het denkbeeld, dat zoowel de zedelijke als de natuurwetenschappelijke, ja alle kennis berust op de wet der zwaartekracht, moeten de geleerden zelven, als geestelijke macht bij uitnemendheid, de leiding van de wereld op zich nemen. Het geleerdste lichaam moest de priesterlijke functie vervullen en de nieuwe paus van zulk eene nieuwe wereldorde, priester van positieve kennis, zal het tijdperk van den oorlog sluiten, dat van den vrede inwijden en de anarchie zal alsdan ophouden te bestaan.

In 1814 verscheen onder den titel van: "De la réorganisation de la Société Européenne, par M. le Comte de Saint-Simon et par M. A. Thierry, son élève." ("Over de hervorming van de europeesche maatschappij door de graaf de Saint-Simon en A. Thierry, zijn leerling"), het eerste eigenlijke maatschappelijk hervormings-werk.

De Saint-Simon stelde daarin voorop, dat de negentiende eeuw tot taak had te organiseeren, gelijk de aan haar voorafgaande, de 18e, tot taak had de critiek op de maatschappij te leveren.

In de eerste plaats moesten de Mogendheden naar betere regeeringsvormen zoeken. Men vergete niet, dat de Saint-Simon dit schreef onder den geest van algemeene reaktie in de politieke gebeurtenissen na den val van Napoleon I. Dit betere moest zijn criterium vinden in de voorwaarde, dat onder zulk een regeeringsvorm elke quaestie van openbaar belang, achtereenvolgens a priori synthetisch en a posteriori analytisch werd onderzocht en behandeld.

Dit was volgens hem alléén mogelijk--en ook verwezenlijkt in het Engelsche parlementaire stelsel--waar voor het onderzoek a posteriori afzonderlijke en goed onderscheiden politieke machten waren gevestigd. Het Huis der Gemeenten ging alles na, uit het oogpunt der locale belangen, onderzocht de zaken a posteriori, terwijl de Koning daar te lande, het hooge standpunt vertegenwoordigde dat de zaken a priori behandelde. En het Huis der pairs was werkzaam als "moderateur" (middelaar) tusschen beiden. Daarbij waren dan maatregelen genomen tegen het eventueele kwaad, dat de machtige koning het systeem op zijn grondslagen kon doen wankelen, door de verdeeling van de koninklijke uitvoerende autoriteit in twee deelen: den koning zelven en de verantwoordelijke ministers. Zijn plan kwam ten slotte hierop neêr, dat elke Europeesche staat een eigen parlement moest bezitten en dat al die parlementen boven zich zouden hebben: een algemeen Europeesch parlement. Dit zou zijn samengesteld uit twee Kamers, die der Gemeenten en die van de Pairs. Ieder millioen menschen in Europa dat lezen en schrijven kon, zou naar de Kamer der Gemeenten van dat groot-Europeesch parlement, een koopman, een geleerde, een magistraat en een administrateur benoemen. Van de berekening uitgaande, dat er in Europa 60 millioen menschen waren, die lezen en schrijven verstonden, zou men dus 240 leden hebben. Ieder lid van de Kamer zou voor 10 jaren gekozen worden en ten minste 25,000 franken aan rente moeten zitten.

Nevens die vermogende mannen, het element van de stabiliteit, zouden er uit de niet-vermogenden 20 leden bij worden gekozen, uit de bekwaamste geleerden, kooplieden, magistraten en administrateurs, die door die toelating eene dotatie van 25,000 franken aan grondeigendom zouden verkrijgen.

De Pairs zouden door den Europeeschen koning worden benoemd uit de allerrijksten van Europa; ieder Europeesch pair zou ten minste 500,000 francs aan rente moeten bezitten. Ook zouden hier nog 20 pairs bij kunnen toegelaten worden en gedoteerd, uit de mannen van wetenschap, industrie, magistratuur en administratie te kiezen. Over een Europeeschen koning, wiens instelling eveneens in het plan lag, heeft de Saint-Simon zich niet verder uitgelaten.

Tot de bevoegdheden van het Europeesche parlement rekende de Saint-Simon in de eerste plaats, twistpunten oplossen tusschen de Mogendheden onderling. Verder het ondernemen en het leiden van groote werken van openbaar nut voor de Europeesche maatschappij, bijv.: het verbinden van den Rijn met den Donau en dat van den Rijn aan de Oostzee, enz. Dan ook zou dit Parlement het openbaar onderwijs, in zijn geheel, onder zijn beheer moeten nemen. Vervolgens, zou het "een Wetboek van de zedeleer" moeten ontwerpen en invoeren, gesplitst in voorschriften voor het algemeen en voor elke natie. Zulk een "code" zou geheel Europa moeten worden ingeprent.

Na zich aldus te hebben bezig gehouden met het najagen van hersenschimmen; immers in de dagen waarin hij "De la Réorganisation" schreef was er in de verste verte niet te denken aan de algemeene vereeniging van de Europeesche Staten, ging de Saint-Simon zijn groote denkkrachten besteden aan de hervorming van den arbeid. In Mei van 't jaar 1817, kwam het eerste deel uit van "L'Industrie" ("Over de nijverheid") onder het motto: "Tout par l'Industrie, tout pour elle". ("Alles door de industrie, alles voor haar.") Daarin was Augustin Thierry, den reeds genoemden leerling van de Saint-Simon aan het woord, die daarin een krachtig betoog hield over de nuttigheid van de industrieele klasse. In het oude Europa was de krijgsman in eere, hij achtte zich krachtig, omdat de menschen voor hem leefden; in het nieuwe Europa is de industrieel de hoofdpersoon, hij heeft het bewustzijn van zijn sterkte, omdat alle menschen zijn belang voorstaan en behartigen. Volgens de nieuwe beschouwing is thans die natie de eerste van allen, die het nuttigst voor de anderen is. Het geluk van een volk bestaat in maatschappelijke werkzaamheid: eerst werken dan genieten. "Werkt voor allen, want allen werken voor u," dát is de leuze van den nieuwen tijd! En de groote strijd die nog gevoerd moet worden, gaat thans tegen de onwetendheid en tegen allen die door haar worden gevoed. De grondslag van de geheele politiek moet worden: elke natie is eene industrieele maatschappij.

In het tweede deel van 't boek is de Saint-Simon zelf aan het woord. De maatschappij is volgens hem niet anders dan de éénheid, van de menschen die arbeiden. Deze gemeenschap kent slechts twee vijanden: de anarchie en het despotisme. Gedreven door hun eigen belang, moeten alle menschen ongestoord kunnen arbeiden. Maar er zwerven rondom hen, en in de maatschappij, een aantal parasieten rond, die niet arbeiden. De groote taak van elke regeering moet het zijn den arbeid tegen die schadelijken te beschermen. Een verbond van de industrie met de denkers moest vervolgens tot stand komen.

De Saint-Simon's gevolgtrekkingen in dat boek waren: "eerbied voor de produktie en voor de producenten"; mannen van den arbeid moeten den gang en de loop van den Staat regelen; het verderfelijke van oorlogen en van monopoliën moesten de menschen inzien; eene verbetering van de zedeleer was noodzakelijk, omdat aan den arbeid grooten eer diende bewezen te worden; iedereen behoorde zich te beschouwen, als behoorende tot het genootschap van arbeiders, De politiek is de wetenschap der productie. Laat den arbeider dus fier den standaard opheffen; industrie is gelijkbeteekenend met productie!

In het derde deel, dat ook nog in 1817 verscheen, werd de wending die de maatschappelijke orde te gemoet moest gaan, tengevolge van het optreden van de industrie, uit een hooger standpunt bezien. Het tegenwoordig tijdstip was een overgangstijdperk, zoowel in zeden en gewoonten als in denkwijze. Geen regime kan zich vestigen, wanneer niet een daarmede in overeenstemming zijnd philosophisch stelsel zich eerst baan gebroken had en in de gedachten der menschen zich had vastgezet. En dan gaat de Saint-Simon in zijn boek verder de theologische zijde van het Christendom bestrijden. Zooals hij zeide: de "morale céleste," had te wijken voor de "morale terrestre"; hemel en hel moesten niet langer de menschelijke gedachten in beslag nemen. Het rijk van de positieve ideën moest een aanvang nemen. Dit alles moet evenwel zeer voorzichtig geschieden; men moet met geduld te werk gaan; de bestaande kerken moeten niet worden met opheffing bedreigd, van-zelf zou dit wel geschieden. Maar de priesters zouden evenwel bij de wet gedwongen moeten worden, een examen af te leggen in de positieve wetenschappen.

In het vierde deel, dat in 1818 uitkwam, zijn wij weder op praktisch terrein. De maatschappelijke kwestie, zegt de Saint-Simon daarin, geldt de kwestie van den eigendom. De eigendom moet geconstitueerd worden, met het oog op het groote welzijn van de maatschappij, onder het tweeledige gezichtspunt dat van den rijkdom en dat der vrijheid. Men moet het eigendomsrecht inrichten en bepalen op een wijze, die het gunstigst is voor het aangroeien van den rijkdom en voor het vermeerderen van de vrijheid van den arbeid. Het eigendomsrecht moet in zijn volle kracht blijven, maar de uitoefening van dat recht op deze of gene wijze, moet worden bepaald door een wet. En de Saint-Simon maakt in dit opzicht geen onderscheid tusschen de landbouw, het handels- en het fabriekswezen. Bij het handels- of fabriekswezen is de man die werkt en kapitalen opgenomen heeft, de meester dier kapitalen; bij den landbouw blijft hij die het land verpacht, die dus niet zelf aan het land werkt, de voorname rol vervullen. De oude kooplieden en handwerkers, hebben door vrijkooping hunner gemeenten hunne rechten moeten koopen; de rechten van de eigenaars van den grond echter steunen op verovering, steunen op het recht van den sterksten. De Saint-Simon wil aldus aan de landbouwende standen, de "agricole industrieelen" dezelfde rechten geven tegenover de grondeigenaren, als de kooplieden en nijverheidsmannen die reeds bezitten tegenover de lieden van het kapitaal. De vastheid van invloed, die den grondeigendom heeft, moest volgens hem, ophouden te bestaan. Bij de volle eerbiediging van den grondeigendom als zoodanig, wil hij den grondeigenaren niet geheel vrij laten in de uitoefening van deze hunne rechten; het individueele eigendomsrecht kan volgens hem, slechts worden gewettigd door het algemeene en het gemeenschappelijke nut dat er verkregen wordt, door de uitoefening van dat recht. Het nut kan veranderen, al naar mate de tijdomstandigheden veranderen.

Men schept daardoor eene klasse van landelijke industrieelen, die opkomen voor hun grond, die mede betalen in de belasting, die dus ook invloed uitoefenen op het parlement en die aldaar "de politieke partij van den arbeid" kunnen helpen versterken.

Saint-Simon wilde de voorwaarden waaronder de eigenaars hunne gronden kunnen laten verpachten goed zien vastgesteld en evenzoo de bepalingen, waarbij de eigenaars verplicht kunnen worden bij te dragen, in de verbetering van dien grond. Van groote waarde is ook voor de Saint-Simon het nut van grondcrediet-banken.

Als dus zoodoende de landbouwkwestie zal kunnen worden gerangschikt onder de categorie van industrieele zaken, dan zal de landbouw uit haar staat van verval op te heffen zijn en een bloeiend leven kunnen gaan leiden, evenals dit de industrie deed. Een zaak achtte de Saint-Simon hard noodig, en dat was de meerdere verbreiding van de kennis der economie. Onder die economie rekende hij vóóral die van Adam Smith en J. B. Say. De economisten zijn volgens hem, en in bovenstaanden zin opgevat, de beste bondgenooten van de arbeidende klassen.

In 1819 gaf de Saint-Simon een verhandeling over de politiek uit, getiteld: "La Politique", of zooals de ondertitel luidde: "Verhandelingen over de politiek, zooals zij aan de menschen der 19e eeuw voegt, door eene vereeniging van letterkundigen." Dit geschrift is bijna uitsluitend van polemischen aard en is vooral gericht tegen de geringschattende wijze, waarop er destijds over den arbeid, van machthebbende zijden werd gesproken. De eigenaars, de bezitters werden toenmaals verklaard te zijn de eenige mannen van kennis en geschikt om het land te besturen. Dit was de Saint-Simon te veel. Hij riep alle produceerenden op, om eene nationale partij te vormen, tegenover de door de van reaktionaire zijde samengeperste nationale partij van uitsluitend mannen van grondbezit en groot-kapitaal. De klasse der produceerenden riep hij toe, dat zij zich moest bemoeien met de politiek "dat zij was die der bijen van de maatschappij en dat zij verlost moesten worden--zichzelven moesten verlossen--van de hommels." Hij ried hun aan, eene petitie tot den koning te richten, met de bede: "Sire, wij zijn de bijen, verlos ons van de hommels!" Dan zal het begrepen worden, dat de producenten de kracht van het land zijn en dat het niets dan materialisme is, wanneer alleen de nationale vertegenwoordiging berustte op de macht van den grondeigendom en het aktieve element van den arbeid van elken invloed op den gang van zaken bleef buiten gesloten. Het geschrift is dan ook in twee afdeelingen gesplitst. Het eerste heet: "Le parti national ou industriel, comparé au parti anti-national" ("De nationale of industrieele partij, vergeleken bij de anti-nationale partij.") Het tweede: "Sur la querelle des abeilles et des frelons, ou sur la situation respective des producteurs et des consommateurs non-producteurs" ("Over de twisten der bijen en der hommels of bijzonderlijk over de positie van de voortbrengers en de verteerders niet-voorbrengers.")

Omstreeks dezen tijd was het, dat de Saint-Simon de medewerking van zijn leerling en "geadopteerden zoon," Augustin Thierry verloor. Zij gingen uiteen omdat beider opvattingen bleken te zeer uiteen te loopen. Thierry heeft later groote naam gemaakt als historicus, en het is in deze hoedanigheid dat wij hem nog verderop met een enkel woord ook zullen hebben te noemen. Hij is met zijn historische werken tevens ook niet zonder eenige invloed op de ontwikkeling van Karl Marx en diens geschiedsphilosophie geweest.

In plaats van Thierry trad nu als "leerling", d. w. z. als medewerker van de Saint-Simon Auguste Comte op, eveneens een man die zich later onafhankelijk van zijnen vroegeren meester, een beroemden naam gemaakt heeft, door zijn positivistisch-philosophische denkbeelden. Ook was de tijd dat de Saint-Simon "L'Industrie" uitgaf, blijkbaar voor dezen een goeden tijd, althans in finantieel opzicht. Dit laatste echter in zooverre, dat de uitgave van dit boek met milde hand werd gesteund door bankiers als Perier, Lafitte enz., zoowel als door edellieden van naam als de hertog de Broglie en de hertog de la Rochefoucauld, van wien er later weder terugkrabbelden toen de Saint-Simon zijn "morale terrestre" in plaats van de "morale céleste" gesteld wenschte te zien.

In den aanvang van 1820 verscheen "L'Organisateur", dat een positief plan bevatte tot wijziging van het maatschappelijk bestuur en tot samenstelling van het Parlement.

De Saint-Simon ging hierin wederom van het begrip uit, dat de 19e eeuw de nieuwe stelsels moest organiseeren, gelijk de 18e critisch is te werk gegaan. Hij geeft hier al dadelijk zijn standpunt omtrent den arbeid in zijn geheel aan, door het bekende beeld, dat onder den naam van "le Parabole" ("de gelijkenis") beroemd is geworden. Hij zegt: "Gesteld dat op een nacht in Frankrijk stierven: de 50 eerste natuurkundigen, de 50 eerste scheikundigen, de 50 eerste physiologen, de 50 eerste mathematici, de 50 eerste dichters, de 50 eerste schilders, de 50 eerste beeldhouwers, de 50 eerste musici, de 50 eerste letterkundigen, de 50 eerste mechanici, de 50 eerste ingenieurs, de 50 eerste artilleristen, de 50 eerste architecten, de 50 eerste doktoren, de 50 eerste wondheelers, de 50 eerste pharmaceuten, de 50 eerste zeevaartkundigen, de 50 eerste uurwerkkundigen, de 50 eerste bankiers, de 200 eerste kooplieden, de 100 eerste landbouwers, de 50 eerste bestuurders van hoog-ovens en van metaalfabrieken, de 50 eerste wapenfabrikanten, de 50 eerste bestuurders van leerlooierijen, de 50 eerste metselaars, de 50 eerste timmerlieden, de 50 eerste schrijnwerkers, de 50 eerste smeden, de 50 eerste slotenmakers; kortom, een cijfer van drieduizend van de eerste mannen van wetenschap, techniek, kunst en arbeid, zou Frankrijk in ééne nacht moeten verliezen. Dan zou, volgens de Saint-Simon, Frankrijk als met één slag de ziel van zijn leven verliezen, in rang beneden andere natiën dalen en eene geheele nieuwe generatie zou er noodig zijn om het geleden verlies weder te boven te komen. Maar als nu eens Frankrijk al die mannen behield, doch op ééne nacht, zou het land evenzoo plotseling verliezen: "Monsieur" (de broeder van den Koning), de hertog van Angoulème, de hertog van Berrij, de hertog van Orleans, de hertog van Bourbon, de hertogin van Angoulème, de hertogin van Berrij, de hertogin van Orleans, de hertogin van Bourbon en mejonkvrouwe van Condé. Gesteld dat daarnevens op ééne nacht aan Frankrijk, àl de groot-officieren van den Kroon, àl de ministers van Staat, àl de Staatsraden, àl de leden van de rekenkamer, àl de Maarschalken, àl de Kardinalen, àl de Aartsbisschoppen, groot-vicarissen en kanunikken; àl de prefecten en onder-prefecten, àl de beambten der ministeries; alle rechters en nog bovendien de tienduizend rijkste inwoners het land zouden ontvallen, het ongeluk zou zeker te bejammeren zijn, zegt de Saint-Simon, maar het land zou geen noemenswaarde schade door deze verliezen lijden. Het verlies zou zéér spoedig te vergoeden zijn!--En toch zegt hij, hebben al deze menschen, wiens verlies den Staat niet, of zeer weinig voelen zou, den grootsten invloed in onze maatschappij, toch hebben zij méér te zeggen, dan de overgroote massa van producenten en nijveren."

"De armen moeten mild zijn voor de rijken; de onbekwamen hebben den taak, den bekwamen te leiden en te regeeren. Het is zeker in Frankrijk de omgekeerde wereld!"