Karl Marx en zijne voorgangers

Part 28

Chapter 283,386 wordsPublic domain

"Deze oorspronkelijke akkumulatie, speelt in de staathuishoudkunde dezelfde rol, die de zondenval speelt in de theologie. Adam beet in den appel en daardoor kwam de zonde over het menschelijk geslacht! Hare oorsprong wordt ons verklaard, doordien zij ons, als eene anecdote uit het verleden wordt verteld. In een lang vervlogen tijd, bestond er aan den eenen kant, eene vlijtige, intelligente en vóór alles, eene spaarzame élite, en aan den anderen kant, eene luierende, al het hunne en meer dan dat, verbrassende troep schooierds. De legende van de theologische zondeval, vertelt ons alleen maar, hoe de mensch ertoe verdoemd werd, zijn brood in 't zweet zijns aanschijns te moeten eten, de historie van de economische zondeval evenwel, onthult ons, hoe er lieden zijn, die ook dát niet noodig hebben. Het komt echter op 't zelfde neer. Maar zoo zou het dan gekomen zijn, dat de eersten, rijkdom konden akkumuleeren, en de laatsten ten slotte niets meer over hadden dan hun eigen huid. En van af deze zondeval, dateert de armoede van de groote massa, die altijd nog, ondanks al haren arbeid, niets te verkoopen heeft als zichzelve, nevens den rijkdom der weinigen, die voortdurend aangroeit, alhoewel dezen reeds lang opgehouden hebben te arbeiden"....

"Geld en waren, zijn niet a priori kapitaal, evenzoomin als produktie- en levensmiddelen. Zij moeten tot kapitaal worden omgezet. Deze verandering zelve, kan slechts geschieden onder bepaalde omstandigheden, die zich daarheen toespitsen, dat tweeërlei zeer verschillende soorten van warenbezitters, elkander moeten tegemoet- en met elkander in contakt moeten komen; aan de eene zijde eigenaren van geld, produktie- en levensmiddelen,--want het geldt, de in hun bezit zijnde som van waarden weder tot waarde te maken, door middel van den aankoop van vreemde arbeidskracht,--aan den anderen kant vrije arbeiders, verkoopers van de eigen arbeidskracht en daardoor verkoopers van arbeid. Vrije arbeiders in dien dubbelen zin, dat zij, noch zelven onmiddellijk behooren tot de produktiemiddelen, zooals slaven, lijfeigenen etc., noch de produktiemiddelen hèn toebehooren, zooals bij den het eigenbedrijf voerenden boer enz. dit het geval is. Zij moeten daarvan los en leeg zijn. Met deze polarisatie (vaststelling der beide polen) van de warenmarkt, zijn de grondvoorwaarden voor de kapitalistische produktiewijze gegeven. De kapitaalsverhouding, stelt de scheiding van de arbeiders en hun eigendom aan de verwerkelijkingsvoorwaarden van den arbeid, op den voorgrond. Zoodra de kapitalistische productiewijze eenmaal op eigen beenen staat, is deze scheiding niet alleen aanwezig, maar reproduceert zij zich telkens weder, op steeds uitgebreider schaal. Het proces dat de kapitaalsverhouding schept, kan alzoo niets anders zijn, dan het scheidingsproces van den arbeider van het bezit zijner arbeidsvoorwaarden; een proces, dat eenerzijds de maatschappelijke levens- en produktiemiddelen in kapitaal verandert, anderzijds de onmiddellijke producenten in loonarbeiders. De zoogenaamde oorspronkelijke akkumulatie, is niets anders, dan het historische scheidingsproces van producent en produktiemiddelen. Zij schijnt ons eene "oorspronkelijke" toe, omdat zij de vóórgeschiedenis van het kapitaal en de aan hem beantwoordende produktiewijze, uitmaakt.

"De economische struktuur der kapitalistische samenleving is voortgekomen uit de economische struktuur van de feodale maatschappij. De oplossing van deze, heeft de elementen voor gene, vrij doen komen.

"De onmiddellijke producent, de arbeider, kon eerst dàn over zijn persoon beschikken, nadat hij had opgehouden geketend te zijn aan den bodem en aan een ander persoon lijfeigen of onderhoorig te wezen. Om een vrijen verkooper van arbeidskracht te kunnen worden, die zijne waar overal heendragen kan, waar een markt daarvoor te vinden is, moest hij vervolgens, aan de heerschappij van gilden, met hunne leerlingen- en gezellenverordeningen en beperkende arbeidsvoorwaarden, zijn ontgroeid. Daardoor schijnt ons de historische beweging, welke de producenten in loonarbeiders verandert, eenerzijds toe, als eene bevrijding van de dienstbaarheid en gildedwang,--en het is dan ook deze zijde alleen, die er voor de geschiedschrijving van onze burgerlijke economie bestaat. Maar aan de andere zijde evenwel, werden deze nieuw-bevrijden, eerst verkoopers van zich zelven, nàdat hun, al hunne produktiemiddelen, en hun alle, door de oude feodale inrichtingen van de maatschappij aangeboden garanties voor een bestaan waren geroofd geworden. En deze geschiedenis der expropriatie (onteigening), is in de annalen der menschheid, gegrift, met sporen van bloed en vuur.

"De industrieele kapitalisten, deze nieuwe potentaten, moesten hunnerzijds, niet alleen de handwerkmeesters der Gilden verdringen, maar ook in het bezit komen van de bronnen van rijkdom, die in het bezit waren van de feodale Heeren. Van deze zijde, doet zich hunne opkomst dan ook kennen, als een vrucht van den zegenrijken strijd, zoowel tegen de feodale machten en hunne opstandverwekkende voorrechten, als tegen de Gilden en de banden welke dezen, aan de vrije ontwikkeling der produktie en aan de vrije uitbuiting van menschen door menschen, hadden in den weg gelegd. De ridders van de industrie, speelden het nochtans alleen daardoor klaar, de ridders van den degen te verdringen, doordien zij gebeurtenissen uitbuitten, waaraan zij gansch onschuldig waren. Zij hebben zich naar boven gewerkt door middelen, even zoo gemeen, als die waardoor de romeinsche vrijgelatene zich, voormaals, tot heer van zijn patronus heeft weten te maken.

"Het uitgangspunt der ontwikkeling, die zoowel de loonarbeiders, als de kapitalisten heeft voortgebracht, was de knechtschap der arbeiders. De voortgang, bestond in een verwisseling van den vorm dezer knechtschap; in de verandering van de feodale, in de kapitalistische maatschappij. Om haren gang te begrijpen, behoeven wij in het geheel niet zoo vèr in de geschiedenis terug te gaan. Alhoewel wij den eersten aanvangen van de kapitalistische produktiewijze, reeds in de 14e en 15e eeuw in eenige steden aan de Middellandsche Zee sporadisch tegenkomen, dateert de aera van het kapitalisme, eerst van af de 16e eeuw. Daar waar zij optreedt, is de opheffing van de lijfeigenschap reeds lang een voldongen feit, en het glanspunt van de Middeleeuwen, het bestaan van de souvereine steden, is daar een geruimen tijd reeds aan het verbleeken.

"Historisch, hun tijdperk kenteekenend in de geschiedenis der oorspronkelijke akkumulatie, zijn alle revoluties, die der zich vormende kapitalisten-klasse als hefboomen dienden; voor alles evenwel die momenten, waarin groote menschenmassa's plotseling en gewelddadig van hunne bestaansmiddelen werden losgerukt en als vogelvrije proletariërs op de arbeidsmarkt werden geslingerd. Deze expropriatie van de landelijke producenten, van de boeren, van grond en bodem, vormt de grondslag van dit gansche proces. Hare geschiedenis neemt in verschillende landen, verschillende kleuren aan en doorloopt verschillende phazen in verschillende achtereenvolgende reeksen en in verschillende tijdperken der geschiedenis. Alleen in die van Engeland, bezit zij een klassieken vorm."

De historische bewijzen, die Marx vervolgens aanhaalt om aan te toonen, op welk een gewelddadige manier men in den aanvang van het kapitalistisch stelsel in Engeland, zich van den bodem der vrije boeren heeft bemachtigd, welke men dan bovendien naar de steden heeft gejaagd, om ze aldaar bij de industrie als loonarbeiders in te lijven, zijn een doorloopende staving voor het voorgaande.

Zoowel tot beschutting van den eigendom tegen vagebonden (in den regel van hunnen grond beroofde eigen-boeren), als ter bevordering van de omzetting van gemeenschappelijk eigendom in privaat-eigendom, zoo als Marx dit, met historische feiten in de hand, van Engeland weergeeft, zoo trad de staatsmacht ook daar handelend op, waar het gold de arbeiders te doen gewennen, aan de subordinatie en de discipline van het kapitalisme. Strenge wetten stelde de Staat, zoowel op de vagabondage (z. g. n. bloedwetgeving onder Hendrik VIII in 1530 en onder Elisabeth in 1572); als op het maximum dat het arbeidsloon mocht bedragen, en tegen arbeiders-coalities. Deze laatsten bleven in Engeland nog heerschen, tot aan het jaar 1825, toen zij moesten bezwijken voor den drang der arbeiders. Dit hoofdstuk over de "onteigening van het landvolk van grond en bodem", eindigt Marx aldus:

"De roof der kerkelijke goederen, de frauduleuze ontvreemding van de staatsdomeinen, de diefstal van gemeenschappelijk-eigendom; de usurpatorische en met onbarmhartig terrorisme voltrokken revolutioneering van Feodaal en Clan-eigendom (zooals bijv. in Schotland), in modern privaat-eigendom, dat waren evenzoovele idyllische methodes van de oorspronkelijke akkumulatie. Zij veroverden het veld voor de kapitalistische agrikultuur, lijfden den grond en den bodem bij het kapitaal in, en schiepen daarmede voor de industrieën in de steden, de noodige toevoer van een vogelvrij proletariaat."

Met het proletariaat, ontstond evenwel ook, de inwendige markt voor het kapitaal. Vroeger produceerde elke boerenfamilie zelf levensmiddelen en de voorwerpen voor huiselijk gebruik, die zij noodig had. Thans werd dit natuurlijk ook anders. De levensmiddelen kwamen, met de opkomst van het kapitalisme in de voortbrenging, als waren op de markt. De produkten der kapitalistische industrie,--in dit tijdstip: de periode der Manufaktuur,--vonden nu hunnen aftrek bij de loonarbeiders der industrie van de groote landgoederen, zoo ook bij de boeren zelf. Veeltijds was hun land te klein geworden, om ze voort te brengen; de landbouw werd voor hen tot nevenbedrijf en de huisindustrie voor het doel van eigen verbruik, trad op den achtergrond en maakte plaats voor een huisindustrie, die was voortbracht voor de kapitalisten. Voor den koopman in den aanvang, maar later voor den landelijken industrieel; eene der afschuwelijkste, maar tevens een der meest winstgevende vormen, van de kapitalistische uitbuiting.

"Zoo gaat," zegt Marx, "hand aan hand met de expropriatie van vroeger hun eigen-bedrijf beoefenende boeren en met de losmaking van hunne produktiemiddelen, de vernietiging van landelijke nevenindustrie, het scheidingsproces van manufaktuur en agrikultuur."

Een volgende paragraaf betitelt Marx:

HET GENESIS DER INDUSTRIEELE KAPITALISTEN.

Hij schetst daarin het ontstaan van het industrie-kapitaal.

Wij zagen n.l. hoe het eigenlijke proletariaat werd geschapen, wij zagen ook hoe de kunstmatige overbevolking geschapen werd. Waarvan stamden evenwel, die groote kapitaalsrijkdommen in weinige handen, die de grondslag konden vormen, voor een verdere ontwikkeling van de kapitalistische produktiewijze?

De middeleeuwen kenden, als van uit de oudheid overgeërfd, twee soorten van kapitaal: het woekerkapitaal en het koopmanskapitaal. Sedert de Kruistochten toch, was het handelsverkeer met het Oosten verbazend toegenomen en daarmede het koopmanskapitaal, en deszelfs centralisatie, in betrekkelijk weinige handen. Maar deze bronnen waren nochtans de eenige niet.

"Het door woeker en handel gevormde geldkapitaal, werd door het feodale staatswezen op het land; door de gilde-inrichting in de steden, in zijne revolutioneering tot industrieel kapitaal gehinderd. Deze beperkingen, vervielen met de oplossing der feodale gevolgschappen, met de expropriatie en met de gedeeltelijke verjaging van het landvolk. De nieuwe Manufaktuur werd dan in een zee-exporthaven opgericht, of op zekere punten van het platteland, waar zij buiten de contrôle van het oude stadswezen en zijn gildewetten stond. In Engeland, heerschte daardoor een langen verbitterde strijd van de corporate towns, tegen deze nieuwe industrieele aanplant-scholen.

"De ontdekking van goud- en zilverlanden in Amerika, de uitroeing en verslaving der ingezeten bevolking in de mijnen; de aangevangen verovering van Oost-Indië; de verandering van Afrika, in een jachtveld naar zwarte slaven, zij allen teekenen de dageraad van de kapitalistische produktie-aera. Deze idyllische processen, vormen de hoofdmomenten van de oorspronkelijke akkumulatie. Op den voet worden zij gevolgd, door de handelsoorlogen der Europeesche naties, met het aardrond als toeschouwplaats. Deze worden geopend, door den afval der Nederlanden van Spanje, nemen een reusachtigen omvang aan in Engeland's anti-Jakobussenoorlog, terwijl zij nog voort spelen, in de opiumoorlogen tegen China, enz.

"De verschillende momenten der oorspronkelijke akkumulatie, verdeelen zich nu meer of minder, naar tijdelijke rij-opvolging namelijk, over Spanje, Portugal, Nederland, Frankrijk en Engeland. In Engeland worden zij aan het einde van de 17e eeuw, systematisch tezamengevat in koloniaal-systeem, staatsschulden-systeem, modern belastingsysteem en protektiesysteem. Deze methoden, berusten zelfs voor een deel op het brutaalste geweld, bijv. bij het koloniale systeem. Allen evenwel, nemen de Staatsmacht daartoe in hun dienst,--deze geconcentreerde en georganiseerde macht in de samenleving,--ten einde het revolutioneeringsproces van de feodale in de kapitalistische produktiewijze, kunstmatig te bevorderen en de overgangen daarvan, af te korten. Het geweld, is de vroedmeester van elke oude samenleving, die met een nieuwe zwanger gaat. Hij-zelf is een economische macht."

Marx voert nog, in dit hoofdstuk tal van bewijzen van uitbuiting aan, door het Engelsche koloniale systeem en het systeem van het openbare crediet, dat der staatsschulden. Hij zegt: "het protektiesysteem was een middel tot het fabriceeren van onafhankelijke fabrikanten, tot het onteigenen van onafhankelijke arbeiders, om nationale produktie- en levensmiddelen te verkapitaliseeren en de overgang, van uit de oude in de moderne produktiewijze, op gewelddadige wijze te verkorten. De Europeesche staten verscheurden zich, om het patent dezer uitvinding te bekomen en eenmaal in dienst van de plusmakers getreden, brandschatten zij ten diens behoeve, niet alleen het eigen volk, indirekt door beschermende rechten, maar ook direkt door exportpremies enz. In de afhankelijke naburige landen, werden alle industrieën gewelddadig uitgeroeid, zooals dit bijv. geschiedde met de Iersche wolmanufaktuur door Engeland. Op het Europeesche vasteland werd, naar Colbert's voorbeeld, dit proces nog zeer vereenvoudigd. Het oorspronkelijke kapitaal, dat de industrieelen behoefden, vloeide hier voor een deel zelfs direkt uit de staatsschatkist."

"Met de ontwikkeling der kapitalistische produktie gedurende de Manufaktuur-periode, had de publieke opinie in Europa, de laatste rest van haar schaamtegevoel en haar geweten ingeboet. De naties renommeerden op cynische wijze met elke infamie, die een middel tot kapitaals-akkumulatie kon zijn"....

"Terwijl zij de kinderslavernij in Engeland invoerde, gaf de katoenindustrie tegelijkertijd den stoot, tot omzetting van de vroeger meer of minder patriarchale slaven-economie in de Vereenigde Staten, in een commercieel exploitatiesysteem. Over het algemeen, behoefde de omsluierde slavernij van de loonarbeiders in Europa, dan ook tot pièdestal, de slavernij sans phrase in de nieuwe Wereld.

"Tantae molis erat, "de eeuwige" natuurwetten van de kapitalistische produktiewijze te ontbinden, het scheidingsproces tusschen arbeiders en arbeidsvoorwaarden te voltrekken; op de eene pool, de maatschappelijke produktie- en levensmiddelen in kapitaal om te zetten, op de tegenpool, de volksmassa in loonarbeiders, in vrije "arbeidende armen", dàt was het kunstprodukt, dat de moderne geschiedenis ons aanbood. Wanneer het geld, volgens Augier, "met natuurlijke bloedvlekken op den wang ter wereld komt", dan is het kapitaal ter wereld gekomen, besmet van kop tot teenen en druipend uit alle poriën, van bloed en vuil."

Het nu volgende hoofdstuk handelt over:

DE HISTORISCHE ZENDING VAN DE KAPITALISTISCHE AKKUMULATIE.

In een kort overzicht, resumeert hier Marx de resultaten, uit zijn analyse en zijn onderzoek gewonnen. Thans gaat hij over tot het bepalen van de richting die het kapitalisme, eenmaal gekomen op de hoogte waarop het staat, consekwent en op de weg der ontwikkeling voortgaande, zal volgen. Marx heeft hier niet anders gedaan, dan in groote lijnen den weg van het proces aangegeven, niet de snelheid van dit proces, dat door tal van omstandigheden, soms kan worden onderbroken, soms kan worden vertraagd. Dit zagen wij ook reeds uit Marx zelf, bij het schetsen o. a. van het concentratieproces van het kapitaal. Men heeft Marx vaak, moedwillig zelfs, onderschoven, een profetie te hebben gegeven in deze bladzijden voor het heden, en dan verklaard, dat deze niet "uit is gekomen!" Het is zeker zeer gemakkelijk, eerst een carricatuur te maken van groote denkbeelden, die afgeleid zijn uit ervaring en analyse,--de grondpijlers voor elk wetenschappelijk onderzoek,--en dan deze te gaan bespotten. Marx profeteert niets. Marx leerde ons uit het verleden, het heden, uit het heden de toekomst af te leiden. Niet de toekomst-maatschappij, die eene afspiegeling zal moeten zijn van de economische en politieke verhoudingen, die dan de heerschende zullen zijn, maar van de toekomstige oplossing van het kapitalistisch produktiesysteem. Marx zegt dan:

"Zoodra dit omwentelingsproces (van de oude verhoudingen tot zuiver privaat-kapitalistische) naar diepte en naar omvang, de oude samenleving in genoegzame mate heeft gerevolutioneerd; zoodra de arbeiders in proletariërs, hunne arbeidsvoorwaarden in kapitaal zijn omgezet, zoodra de kapitalistische produktiewijze op eigen beenen staat, verkrijgen de verdere socialiseering van den arbeid en de verdere verandering van den bodem en andere produktiemiddelen in maatschappelijk uitgebuitte, dus gemeenschappelijke produktiemiddelen, daarvandaan ook de verdere onteigening van den privaatbezitters, eenen nieuwen vorm. Wat thans onteigend moet worden, is niet langer meer de, zijn bedrijf zelf uitoefenenden arbeider, maar het is de vele-arbeiders-exploiteerende kapitalist!

"Deze onteigening voltrekt zich, door de werking van de immanente wetten der kapitalistische productiewijze-zelf: door de centralisatie der kapitalen. Eén kapitalist slaat er velen dood. Hand-aan-hand met deze centralisatie, of expropriatie van vele kapitalisten door weinigen, ontwikkelt zich de coöperatieve vorm van het arbeidsproces, op steeds stijgender ontwikkelingstrap; de bewuste, technische toepassing van de wetenschap; de planmatige uitbuiting van de aarde; de revolutioneering van de arbeidsmiddelen, in slechts gemeenschappelijk te gebruiken arbeidsmiddelen, de economiseering van alle produktiemiddelen, door hun gebruik als produktiemiddelen van gecombineerden maatschappelijken arbeid; de omslingering van alle volken in het net van de wereldmarkt, en daarmede, het internationale karakter van het kapitalistische régime. Met het gestadig afnemende aantal kapitaal-magnaten, welke alle voordeelen van dit omwentelingsproces usurpeeren en monopoliseeren, groeien de massa van ellende en van verdrukking, de knechtschap, de ontaarding en de uitbuiting aan, maar óók de opstand daartegen, van de steeds aanzwellende en door het mechanisme van het kapitalistisch produktieproces-zelf, geschoolde, vereenigde en georganiseerde arbeidersklasse. Het kapitaal-monopolie wordt tot een band voor de produktiewijze, die met en onder haar is opgebloeid. De centralisatie der produktiemiddelen en de socialiseering van den arbeid, bereiken een punt, waarop zij onverdragelijk worden met dit hun kapitalistisch omhulsel. Dat springt dan uiteen. Het uur der kapitalistische productiewijze heeft dan geslagen. De onteigenaars worden onteigend.

"De, uit de kapitalistische produktiewijze voortkomende kapitalistische toeeigeningswijze, de kapitalistische eigendom dus, is de eerste negatie van het individueele, op eigen-arbeid gebaseerde, privaat-eigendom. Maar de kapitalistische produktiewijze, brengt met de noodzakelijkheid van een natuurproces, hare eigene negatie voort. Er is dus hier negatie van de negatie. Deze herstelt niet het privaat-eigendom, maar wel het individueele eigendom weder, op den grondslag van het door de kapitalistische aera veroverde: de coöperatieve arbeid en het gemeenschappelijk bezit van de aarde benevens de door den arbeid zelve geproduceerde produktiemiddelen.

"De revolutioneering van het, op eigen arbeid der individuen berustende, versplinterde privaat-eigendom in den kapitalistischen, is natuurlijk een proces, onevenredig langdurig, hard en moeielijk, aan de revolutioneering van den feitelijk reeds op maatschappelijken grondslag berustenden, kapitalistischen eigendom, in maatschappelijken. Dáár was het te doen, om de expropriatie van de geheele volksmassa door enkele overweldigers, hier zal het te doen zijn, om de onteigening van enkele overweldigers door de gezamenlijke volksmassa."

SLOT.

Met deze uiteenzetting van de kritiek, door Marx geoefend op het kapitalisme, is het belangrijkste, uit het Eerste deel van "Das Kapital" in hoofdtrekken weêrgegeven. De inhoud der volgende deelen, die tot nog toe verschenen zijn, hier weer te geven, zou een dubbel zoo dik boek als dit is, noodzakelijk maken. Marx behandelt in de andere deelen, den zoo belangrijken détailarbeid, die voortsproot uit de algemeene wedergave van zijn critiek en van zijne analyse van het kapitalistisch produktieproces. Deze volgende deelen, zijn dan ook in hooge mate interessant voor den vak-geleerde, maar eigenen zich uiteraard niet, tot een eenigszins populaire verkorting.

Wat het hier weêrgegevene betreft, verklaren wij,--en dit is om alle misverstand op te heffen,--slechts op de belangrijkste gedeelten uit Marx de aandacht te hebben gevestigd. Uit den aard van de zaak moet dit dus wel onvolledig werk zijn.

De ruimte waaraan wij gebonden waren, heeft ons overal zeer groote beperkingen opgelegd.

Waar het vervolgens mogelijk en doenbaar was, lieten wij Marx met zijn eigen woorden en in zijn eigen taal aan het woord. Het noodige verband is er door ons,--hier en daar door middel van de populaire uiteenzetting van Karel Kautsky daarbij te gebruiken,--aan de brokstukken toegevoegd. Maar wij vleien ons, den gemiddelden lezer, een goed begrip te hebben gegeven van Marx' denkbeelden. Zoo ook van zijn levenswerk "Das Kapital" voor een belangrijk gedeelte, duidelijk te hebben ontwikkeld, datgene, wat er, naar men zou kunnen zeggen, de grondpijlers van vormt.

INHOUD.

Voorwoord Bladz. I.

Inleiding. Bladz. VII.

Beteekenis van het socialisme, bladz. VI. Communisme der Evangelieën en Middeneeuwen, bladz. VII. Wortels van de moderne sociaal-demokratie: Plato, Thomas Morus, Sekten vóór de Hervorming, bladz. VIII. Sekte der Kwakers: John Bellers;--Staatsromans van Thomas Hobbes en in de 18e eeuw--"Testament van Jean Meslier", bladz. X. Utopieën der 18e eeuw: Morelly, de Mably, Brissot de Warville, bladz. XI.

Eerste Gedeelte Bladz. 13.

Hoofdstuk I.

De Fransche Revolutie van 1789, bladz. 13. Jean Paul Marat, François Boissel, bladz. 14. Saint-Just en Babeuf, bladz. 15. Het Eerste fransche Keizerrijk, bladz. 18.

Hoofdstuk II Bladz. 20.

De Socialistische Utopisten. Graaf de Saint-Simon, bladz. 21. Brieven uit Genève, bladz. 22. "Inleiding tot een wetenschappelijken arbeid der 19e eeuw", bladz. 24. Saint-Simon's ethiek, bladz. 25. Over de hervorming van de europeesche samenleving, bladz. 27. "Over de Industrie", bladz. 28. Verhandelingen over de politiek,--Scheiding van Saint-Simon en A. Thierry, bladz. 31. Verschijning van L'organisateur; le "Parabole" (de gelijkenissen), bladz. 32. "Het nieuwe Christendom," bladz. 35. Saint-Simon's einde, bladz. 39.