Karl Marx en zijne voorgangers
Part 26
"Wat echter in den aanvang het uitgangspunt was, dat wordt door middel van de enkele continuïteit van het proces, de eenvoudige reproduktie, steeds op nieuw geproduceerd en vereeuwigd, als het eigen resultaat van de kapitalistische produktie. Eenerzijds verandert het produktie-proces voortdurend den stoffelijken rijkdom in kapitaal, in waarde- en genotmiddelen voor de kapitalisten. Anderzijds komt de arbeider gestadig uit het proces, zooals hij er intrad,--persoonlijke bron van rijkdom, maar ontbloot van alle middelen om dezen rijkdom voor zich te verwerkelijken. Daar vóór zijn intrede in het proces, zijn eigen arbeid hem zelf ontvreemd wordt, dezen, door de kapitalisten zich wordt toegeëigend en bij het kapitaal wordt ingelijfd, belichaamt hij zich gedurende het proces, gestadig, in het produkt van vreemden. Daar het produktieproces, tegelijk het consumptieproces van de arbeidskracht door de kapitalisten is, verandert het produkt des arbeiders, niet alleen voortdurend in waren, maar in kapitaal; waarde, die de waardescheppende kracht uitzuigt, en levensmiddelen die personen koopen; produktiemiddelen, die den producenten tewerk zetten. De arbeider zelf, produceert daarvandaan gestadig den objektieven rijkdom als kapitaal, de hem vreemde, hem beheerschende en hem uitbuitende macht; en de kapitalist produceert even zoo gestadig, de arbeidskracht als subjektieve, van haar eigen belichamings- en verwerkelijkingsmiddelen gescheiden, abstrakte, een in de bloote lichamelijkheid van den arbeider bestaanden, bron van rijkdom, kortom den arbeider als loonarbeider. Deze gestadige reproduktie, of de vereeuwiging van den arbeider, is het sine-qua-non der kapitalistische produktiewijze."....
"Van maatschappelijk standpunt beschouwd, is dus de arbeidersklasse, ook buiten het onmiddellijk arbeidsproces, even zoozeer het eigendom van het kapitaal, als het doode arbeidsinstrument. Zelfs hare individueele consumptie, is binnen zekere grenzen, niets dan een moment in het reproduktieproces van het kapitaal. Dit proces zelf, zorgt er wel voor, dat die zelfbewuste produktieinstrumenten niet wegloopen; terwijl het hun produkt, gestadig van pool naar tegenpool van het kapitaal verwijdert. De individueele consumptie zorgt eenerzijds, voor hare eigen instandhouding en reproduktie, anderzijds,--door vernietiging van levensmiddelen,--voor hare gestadige wederverschijning op de arbeidsmarkt. De romeinsche slaven waren door ketens, de loonarbeiders zijn door onzichtbare draden, aan hunne eigenaren gebonden. De schijn van hunne onafhankelijkheid, wordt hier echter, door de gestadige verwisseling der individueele loonheeren en door de fictio juris van het contrakt, gehandhaafd."....
"Het kapitalistisch produktie-proces reproduceert alzoo, door zijn eigene voltrekking, de scheiding tusschen arbeidskracht en arbeidsvoorwaarden. Het reproduceert en vereeuwigt daarmede, de exploitatievoorwaarden van den arbeider. Het dwingt den arbeider gestadig tot verkoop van zijn arbeidskracht, om daarvan te leven en maakt telkens de kapitalisten geschikter tot dien koop, om er zich door te verrijken. Het is nu niet meer het toeval, hetwelk kapitalist en arbeider, als kooper en verkooper, tegenover elkander op de arbeidsmarkt brengt. Het is het alternatief van het proces-zelf, dat den een steeds als verkooper zijner arbeidskracht op de waren-markt terugslingert en zijn eigen produkt steeds in het koopmiddel van den ander doet veranderen. Inderdaad behoort de arbeider aan het kapitaal toe alvorens hij zich aan den kapitalist verkoopt. Zijne economische onderhoorigheid, wordt tegelijk tot een middel, en tegelijk omhuld door de periodieke vernieuwing van zijn zelf-verkoop, door de verwisseling zijner individueele loonheeren en de oscillatie (slingering), in den marktprijs van den arbeid.
"Het kapitalistisch produktieproces, in zijnen samenhang beschouwd of als reproduktieproces genomen, produceert dus niet alleen méérwaarde, het produceert en reproduceert de kapitaalsverhouding zelf; aan de eene zijde dus kapitalisten, aan de andere zijde loonarbeiders."
HOE MÉÉRWAARDE KAPITAAL WORDT.
Het geval dat de méérwaarde, in haar geheel, door den kapitalist individueel wordt geconsumeerd, is uitzondering. De meerwaarde verandert, minstens voor een deel, weder in kapitaal. "Aanwending van méérwaarde of terugverandering van méérwaarde in kapitaal, is: akkumulatie van kapitaal.
"Beschouwen wij dit proces, in de eerste plaats van het standpunt van den individueelen kapitalist. Een spinner heeft bijv. een kapitaal van 10,000 pd. St. uitgelegd, waarvan 4/5 in katoen, machines etc., het laatste vijfde in arbeidsloon. Hij produceert jaarlijks 240,000 pond garen, ter waarde van 12,000 pd. St. Bij een percentage van méérwaarde van 100 proc., steekt de méérwaarde in het meerprodukt of nettoprodukt van 40,000 pond garen, een zesde gedeelte van het brutoprodukt, tot een waarde van 2000 pd. St., dat door den verkoop gerealiseerd moet worden. Een waardesom van 2000 pd. St., is gelijk een waardesom van 2000 pd. St. Men kan het echter, noch dat geld aanzien noch kan men het eraan ruiken, dat het méérwaarde is. Het karakter van een waarde als méérwaarde toont aan, hoe het tot zijn eigenaar kwam, maar het verandert daardoor niets, aan den aard van die waarde of van het geld.
"Om nu de nieuw gewonnen som van 2000 pd. St., in kapitaal om te zetten, zal dus de spinner,--alle andere omstandigheden gelijkblijvend,--vier-vijfde daarvan uitleggen in den aankoop van katoen etc. en een vijfde in den aankoop van nieuwe spinners, die op de markt, de levensmiddelen vinden zullen, welker waarde hij hen voorgeschoten heeft. Dan fungeert dat nieuwe kapitaal van 2000 pd. St. in de spinnerij, en brengt zijnerzijds weder een méérwaarde van 400 pd. St. voort."...
"Het is dus de oude geschiedenis: Abraham gewan Izaäk, Izaäk gewan Jakob enz. Het oorspronkelijke kapitaal van 10,000 pd. St., brengt een méérwaarde van 400 pd. St. voort, deze, wederom gekapitaliseerd, aldus in een tweede toegevoegd kapitaal veranderd, brengt een nieuwe méérwaarde van 80 pd. St. voort, enz."
"De oorspronkelijke verandering van geld in kapitaal, voltrekt zich alzoo in de nauwkeurigste overeenstemming, met de economische wetten van de warenproduktie en met het uit hen afgeleid eigendomsrecht. In weerwil daarvan, leidt zij tot het volgende resultaat:
"1) Dat het produkt den kapitalist toebehoort en niet den arbeider;
"2) Dat de waarde van dit produkt, buiten de waarde van het uitgelegde kapitaal, eene méérwaarde bevat die den arbeider arbeid, maar den kapitalist niets gekost heeft en die, desniettegenstaande het eigendom van den kapitalist wordt;
"3) Dat de arbeider zijn arbeidskracht behouden heeft en ze opnieuw verkoopen kan, zoodra hij daarvoor een kooper vindt."....
"Dit resultaat wordt onvermijdelijk, zoodra de arbeidskracht door den arbeider-zelf, als waar, dus vrij wordt verkocht. Maar ook van deze stonde af aan, wordt de warenproduktie de algemeene--en wordt zij de typische produktievorm; eerst van hier af aan, wordt elk produkt a priori voor den verkoop geproduceerd, en gaat alle geproduceerde rijkdom door de circulatie heen. Eerst van daar, waar de loonarbeid haren basis is, dwingt de warenproduktie zich aan de geheele samenleving op. Maar ook eerst daar is het, dat zij al hare verborgene krachten ontvouwt. Te zeggen, dat de tusschenkomst van den loonarbeid de warenproduktie vervalscht, wil zeggen, dat de warenproduktie wil zij onvervalscht blijven, zich niet ontwikkelen mag. In dezelfde mate, zooals zij zich volgens hare eigene, immanente wetten voortontwikkelt tot kapitalistische produktie, in diezelfde mate slaan de eigendomswetten der warenproduktie om in wetten der kapitalistische toe-eigening."
Marx keert zich vervolgens tegen die economisten, welke de akkumulatie van het kapitaal verklaarden uit de "onthouding" of de "spaarzaamheid" der kapitalisten; de z.g.n.: abstinentie- of onthoudingstheorie van de officieele economie, door den Engelschen econoom W. Nassau Senior het eerst geformuleerd. Deze laatste verklaarde, zegt Marx, "ik vertaal het woord kapitaal, als produktie-instrument beschouwd, door het woord onthouding!"
"Een deel der meerwaarde," zegt Marx, "wordt door de kapitalisten als revenue verteerd, een ander deel als kapitaal aangewend of geakkumuleerd.
"Bij een bepaalde hoeveelheid méérwaarde, zal een dezer deelen zooveel te grooter zijn, naar mate het andere kleiner is. Alle andere omstandigheden, als gelijkblijvend vooropgesteld, bepaalt de verhouding waaronder deze verdeeling zich voltrekt, de grootte der akkumulatie. Wie evenwel deze verdeeling onderneemt, dat is de kapitalist. Zij is dus de handeling van zijnen wil. Van dat deel van de door hem geheven schatting, dat hij akkumuleert, zegt men, hij bespaart het, omdat hij het niet opeet, d. w. z. omdat hij zijne funktie als kapitalist ermede uitoefent, n.l. de funktie om zich te verrijken, die hem is opgelegd.
"Slechts in zooverre, als de kapitalist gepersonifieerd kapitaal is, heeft hij eene historische waarde, en dat historische recht van bestaan, als waarvan de geestige Lichnowsky zegt: "er geen datum van bestaat". Slechts in zooverre, steekt zijn eigene transitive noodzakelijkheid, in de transitive noodzakelijkheid der kapitalistische produktiewijze. Maar in zooverre zijn dan ook, niet de gebruikswaarde en het genot, maar de ruilwaarde en derzelver vermeerdering, de hem voortstuwende motieven. Als fanatikus van de tot-waarde-making der waarden, dwingt hij onbarmhartig de menschheid tot produktie, om der produktie wille; daarvandaan dus, tot eene ontwikkeling van de maatschappelijke produktiekrachten en tot de voortbrenging van materieele produktievoorwaarden, welke alleen de reale basis voor eene hoogere ontwikkelingsvorm kunnen vormen, wier grondslag de volle en de vrije ontwikkeling van elk individu is. Slechts als personifikatie van het kapitaal, is de kapitalist respectabel. Als zoodanig, deelt hij met den schattenverzamelaar, de absolute tendens naar verrijking. Wat evenwel bij dezen, eene individueele manie schijnt te zijn, is bij den kapitalist, de werking van het maatschappelijk mechanisme, waarin hij niets dan een drijfrad is. Buitendien maakt de ontwikkeling der kapitalistische produktie, eene voortdurende verhooging, van het in eene industrieele onderneming vastgelegd kapitaal, tot eene noodzakelijkheid, en de concurrentie legt aan elken individueelen kapitalist, de immanente wetten van de kapitalistische produktiewijze, als uitwendige dwangwetten op de schouders. Zij dwingt hem voortdurend, zijn kapitaal uit te breiden, ten einde het te behouden en uitbreiden kan hij dit alleen, door middel van eene progressieve akkumulatie.
"In zooverre als zijn doen-en-laten, slechts funkties zijn van het in hem levend, met een wil en bewustzijn begaafd zijnd kapitaal, geldt voor hem, zijn eigen private consumptie als een roof aan de akkumulatie van zijn kapitaal, gelijk in de italiaansche boekhouding, privaat-uitgaven op de débetzijde van den kapitalist tegenover het kapitaal figureeren. De akkumulatie, beteekent de verovering van de wereld, door den maatschappelijken rijkdom. Zij breidt met de massa van het geëxploiteerde menschen-materiaal, tegelijk, de direkte en de indirekte heerschappij van het kapitaal uit.
"Maar deze erfzonde werkt overal door. Met de ontwikkeling der kapitalistische produktiewijze, van de akkumulatie en van den maatschappelijken rijkdom, houdt de kapitalist op eene bloote incarnatie van het kapitaal te wezen."
Hij voelt een "menschelijk roeren" voor zijn eigene Adam en wordt er zoodoende toe gestemd, de dweperij voor ascese, als een vooroordeel van den ouderwetschen schattenverzamelaar te belachen. Terwijl de klassieke kapitalist, de individueele consumptie als een zonde aan zijne funktie en tegen de "onthouding" van de akkumulatie brandmerkt, is de meer moderne kapitalist in staat, de akkumulatie als een "ontzeggen" van het drijven naar genot, op te vatten. "Twee zielen wonen er, ach! in zijn borst, de eene wil zich van de andere scheiden!"
"In het historische begin van de kapitalistische produktiewijze,--en ieder kapitalistisch parvenu maakt zulk een historisch stadium, individueel door,--zijn de drang naar verrijking en de gierigheid, als absolute hartstochten overheerschend. Maar de vooruitgang van de kapitalistische produktie, schept niet alleen een wereld van genot, zij opent met de speculatie, benevens het credietwezen, duizenderlei bronnen voor plotselinge verrijking. Op een bepaalde hoogte van ontwikkeling, wordt eene conventioneele graad van verkwisting, die tevens te-pronk-stelling van rijkdom en daarvandaan credietmiddel is, zelfs tot eene noodzakelijkheid voor de affaire van den "ongelukkigen" kapitalist. De weelde wordt een onderdeel, dat in de representatiekosten van het kapitaal opgaat. Buitendien verrijkt de kapitalist zich niet, gelijk de gierigaard, naar verhouding van zijnen persoonlijken arbeid en zijne persoonlijke niet-consumptie, maar in die mate, waarin hij vreemde arbeidskracht uitzuigt en den arbeider onthouding van levensgenot opdwingt. Alhoewel daarom de verkwisting van den kapitalist, niet het bona fide karakter van de verkwisting der feodale heeren bezit, maar in haren achtergrond, veel meer smerige gierigheid en angstiger berekening op den loer liggen, groeit desniettegenstaande zijne verkwisting met zijne akkumulatie aan, zonder dat de een den ander afbreuk behoeft te doen. Daardoor ontwikkelt zich gelijktijdig in den trotschen borst van het kapitalistisch individu, een faust-achtig conflikt, tusschen den drang naar akkumulatie en den drang naar genot."
Marx stelt in het licht, hoe tal van omstandigheden de akkumulatie in de hand kunnen werken en doen toenemen, door de expansiekracht van het kapitaal te doen vergrooten, zooals de exploitatie van mijnwerken, die van den bodem etc.
Algemeen resultaat: Terwijl het kapitaal de beide oer-vormen van den rijkdom,--arbeidskracht en bodem--bij zich inlijft, verwijdt het zijne expansiekracht, die hem veroorlooft de elementen zijner akkumulatie uit te breiden ook naar de overzijde van de, schijnbaar door zijn eigen grootte getrokken grenzen, getrokken door de waarde en de massa der reeds geproduceerde produktiemiddelen, uit welke het zijn bestaan put.
Een andere gewichtige faktor in de akkumulatie van het kapitaal, is de produktiegraad van den maatschappelijken arbeid.
"Met de produktiekracht van den arbeid groeit de produktenmassa aan, waarin zich eene bepaalde waarde, alzoo ook de méérwaarde van eene gegeven grootte, vertoont. Bij gelijkblijvende en zelfs bij dalende voet van de méérwaarde,--in zooverre zij slechts langzamer daalt, als de produktiekracht van den arbeid stijgt,--groeit de massa van het meerprodukt aan. Bij gelijkblijvende verdeeling derzelve, in revenue en toeslagkapitaal, kan daarvandaan de consumptie aangroeien, zonder afname van het akkumulatiefonds. De proportioneele grootte van het akkumulatiefonds kan zelfs op kosten van het consumptiefonds aangroeien, terwijl de goedkoopermaking der waren, voor de kapitalisten even zoo vele of meer genotmiddelen als voorheen, ter beschikking stelt. Maar met de aangroeiende produktiviteit van den arbeid, gaat, zooals men gezien heeft, de goedkoopermaking van den arbeider, alzoo een aangroeiend percentage van de méérwaarde hand aan hand, zelfs wanneer het reële arbeidsloon ook stijgt. Dit stijgt niet in verhouding tot de produktiviteit van den arbeid. Hetzelfde variabel kapitaal, zet alzoo meer arbeidskracht en daardoor meer arbeid in beweging. Dezelfde constante kapitaalwaarde, belichaamt zich in méér produktiemiddelen, d. w. z. in meer arbeidsmiddelen, arbeidsmateriaal en hulpstoffen, levert dus zoowel meer produkten vormers, als meer waardevormers of arbeidsopslurpers. Bij gelijkblijvende en zelfs afnemende waarde van het toegezet kapitaal, vindt daarom bespoedigde akkumulatie plaats. Niet alleen breidt zich de ontwikkelingstrap van de reproduktie stoffelijk uit, maar de produktie van de méérwaarde groeit ook sneller aan dan de waarde van het toegezet kapitaal."....
"Bij een bepaalde exploitatiegraad van de arbeidskracht"--zoo eindigt Marx deze beschouwing--"wordt de hoeveelheid van de méérwaarde bepaald door het getal van de gelijktijdig uitgebuite arbeiders en dit beantwoordt, hoewel in afwisselende verhouding, aan de hoegrootheid van het kapitaal. Hoe meer het kapitaal dus door middel van de successievelijke akkumulatie aangroeit, des te meer groeit ook de som van waarden aan, die zich in consumptiefonds en akkumulatiefonds splitst. De kapitalist kan daarom flinker leven en tegelijkertijd zich meer "ontzeggen". En tenslotte werken alle springveeren van de produktie zooveel te energieker, naarmate hare ontwikkelingshoogte zich, met de hoeveelheid van het voorgeschoten kapitaal, meer en meer verwijdt."
Men zal uit deze beschouwingen bemerkt hebben, dat bij Marx, het kapitaal geen vaste grootte heeft, maar integendeel zéér elastisch is. Dit, in tegenoverstelling met de klassieke staathuishoudkunde die van oudsher ervan hield om het maatschappelijk kapitaal op te vatten als zijnde van een vaste grootte en van eene vaste werkingsgraad.
Als de typische vertegenwoordigers van die opvatting, noemt Marx in de eerste plaats, de staathuishoudkundige Jeremias Bentham. Maar zoowel Robert Malthus als James Mill, (de vader van John Stuart Mill) en MacCulloch, hielden aan dit dogma van de staathuishoudkunde vast. Zoodoende kwam de officieele economie na Adam Smith, tot de theorie van het "arbeidsfonds". "Tot welke tautologie het voeren moet", zegt Marx, "om de kapitalistische grenzen van het arbeidsfonds, om te dichten in zijn maatschappelijke natuurgrenzen," leert ons Prof. Fawcett: "Het circuleerende kapitaal van een land is zijn arbeidsfonds. Om daarom het doorsneê-geldloon dat elke arbeider bekomt te berekenen, hebben wij slechts eenvoudig dit kapitaal te deelen door het getal dat de arbeidersbevolking groot is", zoo zegt deze professor.
Van den grootsten invloed was deze theorie van het "arbeidsfonds" zeer zeker op de stelsels die men er op heeft gebouwd. Als het variabel kapitaal van een vaste grootte is, dan is het begrijpelijk, dat er maar een zekere hoeveelheid levensmiddelen enz. onder de twee klassen, onder kapitalisten en arbeiders te verdeelen valt. Theoretiseert men nu nog verder, dat van die hoeveelheid er een gedeelte afgaat, bestemd voor het loon van de arbeiders, dat eveneens zijn vaste grootte heeft, dan spreekt het van zelve, dat men tot conclusies kan komen gelijk Robert Malthus er als volgt trok:
"Het getal arbeiders, dat in een land aan den arbeid kan worden gesteld, en de hoogte van hun loon, hangen af van de hoeveelheid der voorradige levensmiddelen. Is het loon te laag of kunnen vele arbeiders werk vinden, dan zal dit alleenlijk daarheen leiden, dat het getal der arbeiders zich sneller vermeerdert, dan de voorraad levensmiddelen. Het is de natuur, niet de produktiewijze, waaraan de ellende der arbeidersklasse moet worden geweten."
Uit deze theorie, is de z. g. n. "bevolkingswet van Malthus" geboren, die nagenoeg door de gansche economische wetenschap echter sedert jaren is opgegeven. In den tijd waarin Marx evenwel schreef, was zij een dogma van de officieele staathuishoudkunde, waaraan niet mocht worden getwijfeld. Marx is haar het eerst, en wel zoo grondig te lijf gegaan, dat men kan zeggen, dat al wat nà hem over die "wet van Malthus" in kritischen zin is geschreven, slechts min of meer bedekt plagiaat is geweest, van de wijze waarop Marx aantoonde, hoe élke produktiewijze haar eigen bevolkingsleer heeft en hoe élke phaze in de kapitalistische produktiewijze, hare bevolkingstoestand met zich mede brengt zoo dat aldus van "natuurlijke bevolkingswetten" geen sprake kan zijn.
In het drie-en-twintigste hoofdstuk van "Das Kapital" gaat Marx de invloed na, die de aangroeiende akkumulatie van het maatschappelijk kapitaal op de arbeidersklasse heeft.
"Wasdom van kapitaal," zegt hij, "sluit wasdom van zijn variabel, of in arbeidskracht omgezet bestanddeel, in zich. Een deel van de in het toeslagkapitaal omgezette méérwaarde, moet steeds terug-veranderd worden, in variabel kapitaal of in het voorgeschoten arbeidsfonds. Veronderstellen wij dat, nevens overigens gelijk gebleven omstandigheden, de samenstelling van het kapitaal onveranderd blijft, d. w. z. eene bepaalde massa productiemiddelen of constant kapitaal, steeds dezelfde massa productiemiddelen vereischen om in beweging te worden gezet, dan groeit klaarblijkelijk de vraag naar arbeid en het substitutiefonds der arbeiders, in verhouding tot het kapitaal zooveel te sneller aan, als het kapitaal te sneller aangroeit. Dewijl het kapitaal jaarlijks eene méérwaarde produceert, waarvan een deel jaarlijks tot origineel kapitaal geslagen wordt; daar dit inkrement [aanwas] zelf jaarlijks aangroeit met den toenemenden omvang van het bereids in funktie gestelde kapitaal, en daar eindelijk, onder de bijzondere spoorslag van den drang naar verrijking, zooals bijv. het openen van nieuwe markten, nieuwe spheren van kapitaalbelegging--als gevolg van nieuw-ontwikkelde maatschappelijke behoeften enz.--de ontwikkelingshoogte van de akkumulatie plotseling uitzetbaar kan worden, door enkel veranderde verdeeling van de méérwaarde of het meerprodukt in kapitaal en revenue; kunnen de akkumulatie-behoeften van het kapitaal, de aangroeing van de arbeidskrachten of van het aantal arbeiders, de vraag naar arbeiders hunnen toevoer overvleugelen, en zullen daarvandaan de arbeidsloonen stijgen.... "De meer of minder gunstige omstandigheden, waarin de loonarbeiders zich in het leven houden en vermeerderen, veranderen niets, aan het grondkarakter van de kapitalistische produktiewijze. Zooals de eenvoudige reproductie, voortdurend de kapitaalsverhoudingen zelven reproduceert,--kapitalisten aan den eenen kant, loonarbeiders aan den anderen,--zoo reproduceert de reproductie op uitgebreider schaal of de akkumulatie, de kapitaalsverhoudingen op uitgebreider schaal, in meer kapitalisten, of grootere kapitalisten aan de ééne pool, meer loonarbeiders aan de andere. De reproduktie van de arbeidskracht, die zich bij het kapitaal onophoudelijk als een middel tot waardevorming moet doen inlijven, die niet van hem loskomen kan, en welker onderhoorigheid aan het kapitaal alleen verduisterd wordt, door de verwisseling van den individueelen kapitalist waaraan zij zich verkoopt,--vormt inderdaad maar een moment in de reproduktie van het kapitaal-zelf. Akkumulatie van kapitaal is dus tevens vermeerdering van het proletariaat"....