Karl Marx en zijne voorgangers
Part 25
De machine maakt den arbeider overbodig, dat is met de kapitalistische produktiewijze, tot een onloochenbaar feit geworden. "Een groote reeks van burgerlijke economen," zegt Marx, "neemt aan, dat alle machinerie die arbeiders verdringt, steeds tegelijkertijd en noodwendig een, daaraan gelijkblijvend kapitaal, tot werkverschaffing van aan hetzelve identieken arbeid vrij doet komen. Dit kapitaal, althans opgevat in den zin van levensmiddelen, welke de arbeiders verteerd zouden hebben, wanneer zij aan den arbeid gebleven waren, en dat nu de behoefte heeft arbeid voor deze vrijgekomen groepen van arbeiders in het leven te roepen, ten einde daarna door hen te worden geconsumeerd". Deze theorie die van de "compensatie", gelijk zij in de engelsche economie van Mc. Culloch, Torrens, Senior, John Stuart Mill e. a. wordt geheten, wordt door Marx scherp gecritiseerd. Het werkelijke, door het economisch optimisme, geparodieerde feit zegt Marx, is dit: de door de machinerie verdrongen arbeiders, worden uit de werkplaats op de arbeidsmarkt geworpen en vermeerderen aldaar, het getal der reeds voor kapitalistische uitbuiting disponibele arbeidskrachten".... "De uit de eene tak van industrie geworpen arbeiders, kunnen gewis in een andere werk vinden! Vinden zij dat, en wordt daardoor den band tusschen hen en de met hen vrijgekomen levensmiddelen weder aangeknoopt, dan geschiedt dit door middel van een nieuw, er aan toegevoegd kapitaal dat naar belegging haakt, geenszins echter door middel van een reeds vroeger gefunktioneerd hebbend en thans in machinerie veranderd kapitaal"...
"Verder trekt elke tak van industrie jaarlijksch een nieuwe menschenstroom aan, die haar zijn contingent, ter regelmatige vervanging en wasdom, levert. Zoodra de machinerie, een deel van de tot dusver in eene bepaalde tak van industrie werkende arbeiders, vrij doet komen, wordt ook het plaatsvervangingscontingent op nieuw verdeeld en in andere takken van arbeid geabsorbeerd, terwijl de oorspronkelijke slachtoffers in het overgangstijdperk, grootendeels verworden en omkomen"....
"Dat de machinerie, waar zij noodzakelijkerwijs arbeiders uit een tak van produktie verdringt, eene toename van arbeidskrachten in een andere tak te voorschijn kan roepen, is een werking, zegt Marx, die met de "compensatie-theorie" niets van doen heeft. De machine schept een nieuwe soort van arbeid, niet alleen door het bouwen van machines; maar met de uitbreiding van het machinebedrijf in een tak van industrie, wordt ook dadelijk de produktie in andere takken van het bedrijf opgevoerd, die welke er de produktiemiddelen voor moeten leveren."....
"Het onmiddellijke resultaat der machinerie is, de méérwaarde en tegelijk daarmede de produktenmassa waarin zij zich vertoont, dus met de substantie waarop de kapitalistenklasse benevens haren aanhang teert, die maatschappelijke groepen zelven, te vergrooten. Haren groeienden rijkdom en het relatief gestadig verminderend getal van, voor de produktie der eerste levensbehoeften benoodigde arbeiders, brengen met nieuwe weeldebehoeften, tegelijk nieuwe middelen ter hunner bevrediging voort. Een grooter deel van het maatschappelijk produkt, verandert zich in surplus-produkt en een grooter deel van dat surplus-produkt, wordt in verfijnder en vermenigvuldigder vormen, gereproduceerd en verteerd. Met andere woorden dus: de produktie van de weelde neemt toe."
"De vermeerdering van produktie- en levensmiddelen, bij relatief afnemend getal arbeiders, drijft weder tot uitbreiding van den arbeid in industrietakken, welker produkten als kanalen, warendokken, tunnels, bruggen etc., slechts in den verren toekomst vruchten dragen. Er vormen zich, hetzij direkt op den grondslag der machinerie, hetzij op een daarmede gelijkstaand, algemeen stadium van industrieele omwenteling, geheel nieuwe takken van produktie en dus nieuwe terreinen voor den arbeid."
"Ten slotte veroorlooft de buitengewoon verhoogde produktiekracht, in de spheren van de groot-industrie, vergezeld als zij gaat van intensief en extensief verhoogde uitbuiting van de arbeidskracht in alle overige produktiespheren, een steeds grooter deel van de arbeidersklasse, als onproduktief in gebruik te nemen en aldus de oude huisslaven, onder den naam van "dienstbare klasse", zooals lakeien, dienstboden, livreiknechts enz., op steeds massaler wijze te reproduceeren."
Marx critiseert ook vervolgens de theorie, dat de machinerie, nadat de schriktijd van hare invoering en hare ontwikkeling afgeloopen was, ten slotte bewezen heeft, het aantal arbeiders te vermeerderen in plaats van te verminderen. Dat is, zegt hij, zeker waar maar die toename, was niet minder eene toename van grooter en steeds aangroeiender levensonzekerheid bij de arbeidende klasse!
De ongehoorde, stootenderwijs verkregen rekbaarheid van het fabriekswezen en zijne afhankelijkheid van de wereldmarkt, brengen noodwendig koortsachtige produktie voort, waarmede dan eene volgende overvulling van de markten, met de daarop contrakteerende verlamming intreedt. Het leven der industrie, zet zich om in een elkander opeenvolgende reeks tijdperken, van middelmatige levendigheid, prosperiteit, overproductie, crisissen en stagnaties. Voor den arbeider beteekent deze kringloop, het gestadig zweven tusschen overarbeid en werkeloosheid, volkomen onzekerheid van den arbeid en de loonshoogte, kortom van zijn gansche levenspositie in het algemeen.
Het groot-industrieele bedrijf heeft de oude verhoudingen der huisindustrie gerevolutioneerd. Deze revolutie wordt nog bespoedigd door de, met de algemeene invoering en ontwikkeling van de fabriek noodzakelijk geworden, fabrieks- en arbeidswetgeving. "De arbeidswetgeving," zegt Marx, "deze eerste bewuste en planmatige terugwerking van de maatschappij op de natuurlijke gestalte van haar produktieproces, is, zooals wij hebben gezien, evenzoo een noodzakelijk produkt der groot-industrie, als katoenen garens, self-actors en de electrische telegraaf dat zijn."
Marx gaat hier verder, historisch de werking na van de arbeidswetgeving en komt tot deze conclusie:
"Daar waar de veralgemeening van de fabriekswetgeving, als physiek en geestelijk beschuttingsmiddel der arbeidersklasse, onvermijdelijk geworden is, bespoedigt zij aan den anderen kant.... de verandering van verstrooide in arbeidsprocessen op grooter, maatschappelijker schaal, dus de concentratie van kapitaal en de alleenheerschappij van het fabrieksregiment. Zij verstoort alle traditioneele en overgangsvormen, waarachter zich de heerschappij van het kapitaal nog gedeeltelijk heeft kunnen verstoppen en zet er voor in de plaats, zijn direkte, onverkapte heerschappij."....
"Met de spheren van het kleinbedrijf en der huisarbeid vernietigt zij de laatste toevluchtsoorden "der overtolligen", en daarmede de bestaande veiligheidsklep van het gansche mechanisme der samenleving. Door de materieele voorwaarden en met de maatschappelijke combinatie van het produktieproces, doet zij de tegenspraken en antagonismen van zijn kapitalistischen vorm rijpen, en daarmede ook gelijktijdig, de elementen tot vorming eener nieuwe en de omwentelingsmomenten, ter verstoring der oude samenleving geboren worden."
HOOFDSTUK VIII.
HET ARBEIDSLOON.
Het zesde gedeelte (zeventiende hoofdstuk) van "Das Kapital" behandelt het arbeidsloon. Marx werkt hierin breeder uit, zijn beschouwingen over het arbeidsloon, zooals die reeds door hem in groote trekken zijn weêrgegeven in het te voren vermelde geschrift "Lohnarbeit und Kapital" uit het jaar 1847.
Alleen is Marx hier het onderscheid tusschen hetgeen de officieele economie betitelde met de prijs van den arbeid en die van de arbeidskracht, dat beiden zeer verschillende dingen zijn, geheel op het spoor gekomen. Marx bewees dan ook, dat de arbeid geen waar kan zijn, in eene maatschappij als de kapitalistische, welker voortbrengingswijze juist tot voorwaarde heeft, de bezitloosheid aan arbeidsmiddelen (grondstoffen, machines, vervoermiddelen enz.) bij den arbeider.
"Wat de geldbezitter op de warenmarkt direkt tegenover zich vindt, is inderdaad niet den arbeid, maar het is den arbeider. Wat de laatste verkoopt, is zijn arbeidskracht. Zoodra zijn arbeid werkelijk begint, heeft hij reeds opgehouden hem toe te behooren, kan deze dus niet meer door hem verkocht worden. De arbeid is de substantie en de immanente maat van de waarde, maar hij zelf heeft geen waarde."
Wij hebben vroeger gezien, dat de prijs eener waar, is, de in geld uitgedrukte waarde der waar. Wij wezen er evenwel reeds toen op, dat volgens Marx, deze beide vormen: waarde en prijs, door verschillende faktoren worden bepaald en niet met elkander verward mogen worden.
Hetgeen zich als de waarde van de arbeidskracht, in haren geldvorm uitdrukt, is het arbeidsloon. Marx onderscheidt dit in: tijd- en stukloon.
"De geldsom die de arbeider voor zijn dagarbeid, weekarbeid enz. bekomt, vormt het bedrag van zijn nominaal, of naar de waarde geschat arbeidsloon. Het is echter duidelijk, dat al naar de lengte van den arbeidsdag, alzoo naar mate der dagelijks door hem geleverde hoeveelheid arbeids, hetzelfde dagloon, weekloon enz. een zeer verschillende prijs van den arbeid, d. w. z., zeer verschillende geldsommen, voor hetzelfde kwantum arbeid, vertegenwoordigen kan. Men moet dus bij het tijdloon weder onderscheid maken, tusschen het totaal-bedrag van het arbeidsloon,--dagloon, weekloon enz.,--en den prijs van arbeid."
De gemiddelde prijs van een arbeids-uur dient hier tot maatéénheid van den prijs der arbeidskracht.
"Daaruit volgt," zegt Marx vervolgens, "dat het dagloon of weekloon enz. hetzelfde kan blijven, hoewel de prijs van de arbeidskracht voortdurend dalen kan. Omgekeerd, kunnen dag- en weekloon stijgen, hoewel de prijs van den arbeid, constant blijft of zelfs daalt. Het rijzen van de nominale dag- of weekloonen, kan daarom begeleid zijn van een gelijkblijvenden, of een zinkenden prijs van de arbeidskracht."
Marx onderzoekt dit verschil nader en ook de juiste rol, die de lengte van den arbeidsdag hierbij speelt.
"Het is een algemeen bekend feit, dat hoe langer de arbeidsdag in een tak van industrie, zooveel te lager is het arbeidsloon.... In de eerste plaats volgt uit de wet: "bij eene bepaalden prijs van den arbeid, hangt het dag- of weekloon van de kwantiteit der geleverden arbeid af", dat, hoe lager de prijs van den arbeid is, des te grooter het kwantum arbeids zijn moet of des te langer de arbeidsdag, opdat de arbeider van een, al is het dan ook maar kommervol doorsneêloon, verzekerd kan zijn. Het lage peil van den arbeidsprijs, werkt hier als een aansporing, tot verlenging van den arbeidstijd. Omgekeerd evenwel, produceert harerzijds de verlenging van den arbeidstijd, een daling van de arbeidsprijzen en daarmede ook eene in dag- en weekloonen.
"Het stukloon, is niets dan een veranderden vorm van het tijdloon, zooals het tijdloon de veranderde vorm is, van de waarde, of van den prijs der arbeidskracht.
"Bij het stukloon, ziet het er op 't eerste gezicht uit, alsof de door den arbeider verkochte gebruikswaarde, niet de funktie van zijn arbeidskracht is, de levende arbeid, maar de reeds in het produkt belichaamde arbeid, en alsof de prijs van dezen arbeid niet, gelijk bij het tijdloon, door de breuk:
Dagwaarde der arbeidskracht. -------------------------------------- Arbeidsdag van een bepaald getal uren,
maar door de voortbrengingsgeschiktheid van den producent wordt bepaald.
"Reeds aanstonds moet het geloof, dat zich aan dezen schijn vastklampt, sterk aan het wankelen worden gebracht, door het feit, dat beide vormen van het arbeidsloon ter zelfder tijd, in denzelfden tak van het bedrijf, nevens elkander kunnen bestaan"....
"Op zich-zelf is het echter reeds duidelijk, dat het verschil van vorm in de uitbetaling van het arbeidsloon, aan zijn wezen niets verandert, hoewel de eene vorm, voor de ontwikkeling van het kapitalisme ook gunstiger kan zijn, dan de andere".
Marx beschouwt vervolgens, de karakteristieke eigenschappen van het stukloon nader.
"De kwaliteit van den arbeid, wordt hier door het werk-zelf gecontrôleerd, dat de gemiddelde deugdzaamheid moet bezitten, wil de stukprijs ervan ten volle worden behaald. Het stukloon wordt dus naar deze zijde, tot eene der verschrikkelijkste bronnen van loonaftrek en van kapitalistische knevelarij.
"Het biedt den kapitalist, een geheel bepaalden maat aan, voor de intensiteit van den arbeid. Slechts arbeidstijd, die zich in een van-te-voren bepaalde en langs den weg der ervaring vastgestelde hoeveelheid waren belichaamt, geldt hier als maatschappelijk noodwendigen arbeidstijd en wordt als zoodanig betaald. In de grootere kleêrmakerswerkplaatsen van Londen, wordt daarvandaan een zeker stuk arbeid, bijv. een vest, herleid tot een uur, een half uur etc.; het uur op 6 d. geraamd. Uit de praktijk is het daar bekend, hoe groot het gemiddelde produkt van een uur is. Bij nieuwe modes, reparaties etc., ontstaat dan kwestie tusschen ondernemer en arbeider, of een bepaald stuk arbeids = een uur etc. is, totdat ook hier de ervaring weder heeft beslist" ... "Daar kwaliteit en intensiteit van den arbeid, hier dus door den vorm van het loon zelve worden gecontrôleerd, wordt een groot deel van het arbeidstoezicht hiermede overbodig. Het vormt daarvandaan, zoowel de grondslag van het, vroeger geschilderde systeem der moderne huisarbeid, als een hiërarchisch geledend systeem van exploitatie en onderdrukking.... "Het stukloon vergemakkelijkt eenerzijds het tusschenschuiven van parasieten, tusschen kapitalisten en loonarbeiders; anderzijds onder-verhuring van den arbeid (subletting of labour). De winst van de tusschenpersonen, vloeit uitsluitend voort uit het verschil tusschen den arbeidsprijs, die de kapitalist betaalt en dat deel van dien prijs, dat aan den arbeider werkelijk ten goede komt. Dit systeem heet in Engeland karakteristiek "Zweetsysteem" ("Sweating system"). Aan den anderen kant, veroorlooft het stukloon den kapitalist om met den hoofdarbeider,--in de manufaktuur met den chef van de groep, in de mijnen met den uitbreker der kolen etc., in de fabriek met den eigenlijken machinearbeider,--een contrakt voor zoo en zooveel per stuk af te sluiten; tegen een prijs, waarvoor die hoofdarbeider-zelf de aanwerving en de betaling van zijn hulparbeiders voor zijne rekening moet nemen. De exploitatie van den arbeider door het kapitaal, verwerkelijkt zich hier, door middel van de exploitatie van den arbeider door den arbeider".... "Bij het tijdloon, heerscht op enkele uitzonderingen na, gelijk arbeidsloon voor dezelfde funkties, terwijl bij het stukloon de prijs van den arbeidstijd, als het ware door een bepaald kwantum van produkten gemeten wordt; het dag- of weekloon daarentegen wisselt af, met de individueele verschillen der arbeiders, waarvan de een slechts het minimum van een produkt in een bepaalden tijd levert, de ander het gemiddelde, de derde weder meer dan het gemiddelde. Met betrekking tot de werkelijke inkomsten (der arbeiders), springen hier dus groote verschillen in het oog, al naar de verschillen van geschiktheid, kracht, energie, uithoudingsvermogen etc. van den individueelen arbeider. Dit verandert natuurlijk niets, aan de algemeene verhouding tusschen kapitaal en loonarbeid. Eerstens, houden zich die individueele verschillen, voor de werkplaats in haar geheel, tegenover elkander in evenwicht, zoodat zij in een bepaalde arbeidstijd het gemiddelde produkt oplevert en het betaalde totaalloon, het gemiddelde loon voor de tak van bedrijf wordt. Tweedens, blijft de proportie tusschen arbeidsloon en méérwaarde onveranderd, omdat het individueele loon van den individueelen arbeider, in overeenstemming is met de door hem individueel geleverde hoeveelheid méérwaarde. Maar de grootere speelruimte, die het stukloon der individualiteit aanbiedt, streeft eenerzijds dáárheen, die individualiteit en daarmede het vrijheidsgevoel, de zelfstandigheid en de zelfcontrôle van den arbeider te ontwikkelen, anderzijds hunne concurrentie onder en tegenover elkander, te bevorderen. Het heeft daarvandaan de tendens, om, met de verheffing van de individueele arbeidsloonen boven het gemiddelde niveau, dit niveau-zelf te doen dalen. Waar een beproefd stukloon, zich sedert lang en traditioneel ingeburgerd heeft, en zijne naar-beneden-drukking bijzondere moeielijkheden opleverde, namen de werkmeesters dan ook maar zelden hunnen toevlucht, tot zijne gewelddadige verandering in tijdloon."
"In elk land geldt een zekere gemiddelde intensiteit van den arbeid, beneden waarvan de arbeid, die bij de produktie eener waar méér dan den maatschappelijk-noodwendigen tijd verbruikt, er daarvandaan, niet als arbeid van normale kwaliteit kan gelden. Slechts een, boven de nationale doorsnede zich verheffende graad van intensiteit, verandert in een bepaald land de maat van de waarde, door den enkelen duur van den arbeidstijd. De middengraad van intensiteit van den arbeid, wisselt af van land tot land; zij is hier grooter, daar kleiner. Deze nationale doorsneden, vormen daarvandaan eene ontwikkelingstrap, welker maat-éénheid, de doorsneê-éénheid van den universeelen arbeid is. Vergeleken met de minder intensieve, produceert alzoo de meer intensieve nationale arbeid, in denzelfden tijd méér waarde, die zich dus in méér geld uitdrukt.".....
"In de mate waarin in een land de kapitalistische produktiewijze ontwikkeld is, in diezelfde mate, verheffen zich daar ook de nationale intensiteit en produktiviteit van den arbeid, boven het internationale niveau. De verschillende quanta waren van denzelfden soort, die in de verschillende landen, onder gelijken arbeidstijd voortgebracht worden, hebben aldus ongelijke internationale waarde, die zich in verschillende prijzen uitdrukt, d. w. z. elk naar de internationale waarde van de verschillende geldsommen. De relatieve waarde van het geld, zal dus kleiner zijn, bij de natie met een ontwikkelde kapitalistische produktiewijze, dan bij die met een minder ontwikkelde. Hieruit volgt dus, dat het nominale arbeidsloon, het aequivalent van de arbeidskracht uitgedrukt in geld, eveneens hooger zal zijn bij de eerste natie, dan bij de laatste; wat geensdeels nog zeggen wil, dat dit als werkelijk loon geldt, d. w. z. als de, voor den arbeider ter beschikking gestelde hoeveelheid levensmiddelen."
HOOFDSTUK IX.
HET AKKUMULATIEPROCES VAN HET KAPITAAL.
Wij hebben gezien, hoe geld tot kapitaal wordt en de loonarbeider voor zijnen arbeid, niet alleen niet de waarde van het voor de noodige produktiemiddelen uitgelegde deel van het kapitaal bekomt, maar ook nieuwe waarde voortbrengt, die gelijk is aan de waarde zijner arbeidskracht, plus de méérwaarde daarvan.
Maar met de verschijning van de méérwaarde, is de beweging van het kapitaal nog niet afgesloten. Zooals de waarde zich moet omzetten in geld, zoo moet ook de méérwaarde, op hare beurt, weder gerealiseerd worden in geld. Dit proces nu, gaat steeds voort, telkens evenwel, met eene waardevermeerdering, van de in de spheer der circulatie geworpen hoeveelheid waren.
"De kapitalist die de méérwaarde produceert, d. w. z. onbetaalden arbeid onmiddellijk uit de arbeiders pompt en in waren fixeert, is wel-is-waar, de eerste toe-eigenaar, maar geenszins de laatste bezitter dezer méérwaarde. Hij heeft haar achteraf steeds te deelen gehad, met kapitalisten, die in 't algemeen genomen, andere funkties van de maatschappelijke produktie te vervullen hebben, met de grondeigenaren, enz. De méérwaarde splitst zich daarvandaan in verschillende deelen. Zijne onderdeelen komen aan verschillende categorieën van personen ten goede en verkrijgen verschillende, tegenover elkander, zelfstandig opgroeiende vormen, zooals winst, rente, handelswinst, grondrente etc." Deze veranderde vormen van de méérwaarde, worden door Marx in het derde boek van "Das Kapital", elk op zich zelf behandeld en geanalyseerd; het eerste Boek behandelt enkel maar eene kant van het totaalproces, n.l. het "onmiddellijke produktieproces van de méérwaarde."
Dit produktieproces is ook, evenals het maatschappelijk proces, tegelijk een reproduktieproces. De maatschappij moet, onder welke voortbrengingsvorm dan ook, niet alleen consumptiemiddelen, maar ook produktiemiddelen voortbrengen. Is dus de produktie kapitalistisch van vorm, de reproduktie moet dit natuurlijk óók wezen. Brengt de maatschappelijke produktie méérwaarde voort, zoo ook de reproduktie. Wij houden ons dus op dit oogenblik met deze "eenvoudige reproduktie" gelijk Marx haar noemt, bezig.
"Het produktieproces wordt ingeleid, met den koop van de arbeidskracht voor een bepaalden tijd, en deze inleiding vernieuwt zich bestendig, zoodra de verkoopstermijn van den arbeid komt te vervallen en daarmede eene bepaalde produktie-periode, week, maand enz. afgeloopen is. Betaald wordt den arbeider echter eerst, nadat zijn arbeidskracht gewerkt heeft en zoowel hare eigene waarde, als de méérwaarde, daardoor in waren gerealiseerd zijn. Hij heeft aldus evenals de méérwaarde,--die wij voorshands slechts zullen beschouwen als het consumptiefonds der kapitalisten,--ook het fonds voor zijn eigene betaling, het variabel kapitaal voortgebracht, alvorens het in den vorm van arbeidsloon terugvloeit, en hij wordt slechts zoolang aan den arbeid gehouden, als hij dit gestadig op nieuw voortbrengt" ... "Het is een deel, van het door den arbeider-zelf gestadig gereproduceerde product, hetwelk in den vorm van arbeidsloon, voortdurend tot hem terugvloeit. De kapitalist betaalt hem de warenwaarde, zeer zeker in geld uit. Dit geld is evenwel de veranderde vorm van het arbeidsprodukt. Terwijl de arbeider, een deel van de produktiemiddelen in produkten verandert, zet zich een deel van zijn vroeger produkt terug om, in geld. Het is een arbeid van de vorige week, misschien een van het laatste half jaar, waarmede zijnen arbeid van heden, of die van het volgende half jaar, wordt betaald. De illusie welke de geldvorm hier teweeg brengt, verdwijnt dan ook dadelijk, zoodra in plaats van den individueelen kapitalist en den individueelen arbeider, de beschouwing treedt van: kapitalistenklasse en van arbeidersklasse. De kapitalistenklasse geeft der arbeidersklasse gedurig, aanwijzingen in geldvorm, op een deel van het door de laatste voortgebrachte en het door de eerste zich toe-geëigende produkt. Deze aanwijzingen geeft de arbeidersklasse, der kapitalistenklasse evenzoo gestadig weder terug en zij onttrekt haar daarmede, het haarzelve toevallend gedeelte van haar eigen produkt. De warenvorm van het produkt en de geldvorm van de waar, omsluieren slechts deze transaktie.
"Het variabel kapitaal, is aldus slechts eene bepaalde historische verschijningsvorm van het fonds voor levensmiddelen of het arbeidsfonds, dat de arbeider voor zijn zelfbehoud en reproduktie behoeft, en dat hij, onder alle systemen van maatschappelijke produktie, steeds zelf produceeren en zelf reproduceeren moet. Dit arbeidsfonds, vloeit hem gedurig daarom in den vorm van betalingsmiddelen van zijn eigen arbeid toe, omdat zijn eigen produkt gedurig, in den vorm van kapitaal, van hem vervreemd wordt."...
Om geld te veranderen in kapitaal, was het aanwezig zijn van eene waardeproduktie en eene warencirculatie, niet voldoende. Er moesten daartoe eerst, hier bezitters van waarde en ginds bezitters van waardescheppende substantie; hier bezitters van productie- en levensmiddelen, daar bezitters van niets dan arbeidskracht, tegen over elkander komen te staan, als koopers en verkoopers. Scheiding tusschen het arbeidsproduct en den arbeid-zelf, tusschen de objectieve arbeidsvoorwaarden en de subjektieve arbeidskrachten, was dus de feitelijk gegeven grondslag, was het uitgangspunt van het kapitalistisch produktie-proces.