Karl Marx en zijne voorgangers
Part 23
Wij zien hieruit en ook uit hetgeen voorafging, dat dus niet alle geld, niet elke Waar kapitaal is; dat deze dingen alleen dan tot kapitaal worden, wanneer zij een bepaalde beweging doormaken; wanneer zij dienen om een méér-produkt in het leven te roepen: méér-waarde geboren te doen worden. Deze beweging heeft ook op haren beurt, weder bepaalde historische voorwaarden.
Wat Marx ons hier ook heeft doen zien, dat is, dat het niet waar is, gelijk het in den gewonen akademisch-staathuishoudkundigen vorm luidt, dat opgehoopte arbeid en produktiemiddelen, kapitaal zijn tout court, maar dat dezen dan eerst tot kapitaal worden, als zij voldoen aan zekere voorwaarden van historische en van maatschappelijken aard, waaronder de voornaamste deze is: dat zij in beweging worden gezet, om méérwaarde voort te brengen.
Uit welken bron ontspringt nu deze méérwaarde? Men zou zoo oppervlakkig zeggen, doordien de een van zijn macht (slimheid, ervaring enz.), gebruik maakt om zijn tegenpartij te misleiden; overmacht van welken aard ook. Zulk eene verklaring, die op zich-zelf al zeer weinig bewijst, is bovendien economisch van niet de minste beteekenis, daar een ieder, gelijk wij gezien hebben, bij afwisseling kooper en verkooper is. Bovendien kan toepassing van overmacht enz. wel de een voor een oogenblik zich-zelve doen verrijken, maar zij is absoluut niet in staat de door beiden bezeten totaal-som, alzoo de som van de circuleerende waarden, te doen vermeerderen. Wij verklaren er dus niet anders mede, dan eene verplaatsing van de te deelen som aan waarden, zonder meer. "De verandering van geld in kapitaal," concludeert Marx, "moet worden verklaard, op den grondslag van de in den warenruil zich bevindende immanente wetten, zóó, dat de ruil van aequivalenten, ons daarbij steeds als uitgangspunt dient. Onze, nog slechts als kapitalistenrups aanwezig zijnde geldbezitter, moet de waren tegen hunne waarde koopen, tegen hunne waarde verkoopen en desniettegenstaande moet hij aan het einde van dit proces, méér waarde eruit halen, dan dat hij erin wierp."......
De oplossing dier vraag, is nevens die der waardetheorie, de spil van het systeem van analyse, dat Marx toegepast heeft bij het onderzoek van de kapitalistische produktiewijze. Zij bevat de ontdekking van een faktor, die de waarde voortdurend vergroot; bron van waarde is, terwijl zij zelve tegen hare waarde wordt gekocht door den kapitalistischen ondernemer, die op de warenmarkt komt, om deze eigenaardige Waar op te doen, alwaar hij den verkooper van die Waar te ontmoeten weet, die dezen aan niemand anders, dan aan hem slijten kan. Deze Waar is die der arbeidskracht namelijk, die wij vroeger reeds hebben leeren kennen.
De bron der meerwaarde nu is te vinden, in den arbeidstijd, welke de ondernemer, de kapitalist, den arbeider voor zich laat arbeiden, boven den tijd welke noodig is om de waarde voort te brengen, die hij zelf kostte.
"Het kapitaal", zegt Marx "heeft de meerarbeid niet uitgevonden. Overal, waar een deel der samenleving het monopolie der produktiemiddelen bezit, moet de arbeider, vrij of onvrij, aan de tot zijn onderhoud noodzakelijke arbeidstijd een overschot van arbeidstijd toevoegen, ten einde de levensmiddelen voor de eigenaars der produktiemiddelen voort te brengen."
"Méérarbeid, arbeid boven den tot zelfbehoud van den arbeider noodzakelijken tijd, en toeëigening van het produkt dezer méérarbeid door anderen, uitbuiting van den arbeid dus, is aan alle tot nu bestaan hebbende maatschappelijke vormen, voor zoover zij zich in klassetegenstellingen bewogen hebben, gemeenzaam geweest. Maar eerst wanneer het produkt dezer meerarbeid, de vorm van meerwaarde aanneemt, wanneer de eigenaar der produktiemiddelen, den vrijen arbeider--vrij van sociale banden en vrij van eigen bezit!--als voorwerp van uitbuiting tegenover zich vindt en hem uitbuit, tot het doel van de produktie van waren, eerst dàn neemt dit produktiemiddel, het specifieke karakter van kapitaal aan. En dit is op groote schaal eerst geschied, aan het einde van de 15e, en aan het begin van de 16e eeuw."
DE VOORTBRENGING DER MEERWAARDE.
Nemen wij, om de produktie van de meerwaarde met een voorbeeld aanschouwelijk te maken, eens het volgende geval. De heer Jansen, industrieel, richt zich in. Zijn vader stelt een groot kapitaal ter zijner beschikking. Hij richt een katoenspinnerij op, neemt een technisch- en een handelsdirekteur aan, die het gansche bedrijf inrichten en leiden en de inkoop van katoen, de aanschaffing van machines, de aanstelling van arbeiders enz. bezorgen. De katoen wordt in de fabriek versponnen tot garen en deze wordt, door middel van reizigers etc., van de hand gezet.
De heer Jansen nu, men lette er wel op, heeft daarmede niet waren tegen waren geruild, door middel van de waar geld, maar hij had oorspronkelijk geld, hij heeft dit uitgegeven om waren te koopen (fabriek, inrichting, ruwprodukten, arbeidskrachten), en dan verkoopt hij weder zijn waren, om ze wederom tot geld te doen worden. De ruilformule is hier niet: W-G-W, maar is hier:
Geld-Waar-Geld. (G-W-G.)
Hij heeft zijn geld in waren omgezet en hij zet zijn waren weder in geld om. Waarom doet hij dat? Dat doet hij om winst te maken; het geld dat in des heeren Jansen's brandkast terugkomt, moet méér zijn dan dat wat er uit ging. Anders zou de heer Jansen een gek geweest zijn, om zijn geld in de circulatie te zenden. Maar het was des heeren Jansen's doel niet, om het als een schat enkel te laten liggen, maar om het als kapitaal te laten fungeeren, het te laten broeden dus.
Alle waren die hij evenwel koopt (ruwprodukten, machines enz.), moet hij naar hunne waarde betalen, bijgevolg zijn winst zal daardoor niet vermeerderen. Maar de arbeidskracht der arbeiders die in zijnen dienst zijn, betaalt hij niet naar hare waarde. Nemen wij daartoe, nog eens het voorbeeld op en werken wij het verder uit. Een arbeider verspint in 6 uren, 10 pond ruw-katoen tot garen. In deze 10 pond garen steekt, nevens den zesurigen arbeid, ook een deel van de arbeidsmiddelen, welke daarbij worden afgebruikt, vervat in de spindels. Het pond katoen komt hem te staan op f 0.60, het pond garen brengt f 0.90 op. Aan spinsel wordt 10 pond katoen ingewerkt, dus voor f 1.20. Het arbeidsloon bedraagt f 1.80. Dus:
Uitgaven:
10 pond ruwkatoen f 6. Spinsel - 1.20. Arbeidsloon - 1.80.
te zamen f 9.00.
Inkomsten:
10 pond katoengaren à f 0.90 = f 9.00
Inkomsten en uitgaven zijn gelijk. Maar het doel van den fabrikant is anders. Zijn toch zes uren arbeidsloon voldoende, om de waarde der waar arbeidskracht te voldoen, dan zou de arbeider daarna moeten ophouden met arbeiden. Maar zóó zijn fabrikant en arbeider niet samen getrouwd! De arbeider is gehuurd voor een zekeren tijd, die de fabrikant goedvindt te bepalen, subsidiair zooals zij dien tezamen overeengekomen zijn. Bijvoorbeeld: een arbeidsdag van 12 uren. Wij nemen nu ons voorbeeld weêr op:
Uitgaven:
voor de eerste zes uren van den dag:
gelijk boven: 10 pond ruwkatoen f 6. Spinsel - 1.20. Arbeidsloon - 1.80.
totaal f 9.00.
voor de verdere arbeidsuren:
10 pond ruwkatoen f 6. Spinsel - 1.20. Arbeidsloon--
f 7.20 + f 9 = f 16.20.
Inkomsten:
20 pond garen à f 0.90 = f 18.00.
Hij wint dus dagelijks aan een arbeider: f 1.80, juist zooveel als het arbeidsloon van de zes uren bedraagt, die hij hem meer laat arbeiden. In die méér-arbeid, ligt de meer-waarde. Der waardewet is hier geen haartje gekrenkt en de kapitalist heeft tòch winst gemaakt. Van andere waren, is de ruilwaarde namelijk vervlogen, zoodra hun verbruik is afgeloopen; de waar arbeidskracht daarentegen, is, nadat het proces afgeloopen is, nog bruikbaar, ook wanneer zooveel van haar is verbruikt, als hare ruilwaarde bedraagt. Daar de waarde van de waar arbeidskracht elastisch of variabel is, d. w. z. met de voortschrijdende beschavingstoestanden steeds geringer wordt, terwijl de voortbrengingsgeschiktheid van de arbeidskracht niet inkrimpt,--d. w. z. de arbeider zou 12 en meer uren kunnen arbeiden, ook wanneer tot reproduktie van zijne dagelijksche arbeidskracht slechts 6 uren arbeids en minder noodig zouden zijn,--zoo kan de kooper der arbeidskracht, in ons voorbeeld de heer Jansen dus, de warenwaarde derzelve ten volle betalen en desniettemin méér-waarde overhouden. In enkele woorden dus: het verschil tusschen de gebruikswaarde en de ruilwaarde van de waar arbeidskracht, vormt de meerwaarde.
Het historisch toeëigenen van de meerwaarde, geschiedde zonder twijfel door het zich toeëigenen van vreemde waarde; hetzij door middel der waren-cirkulatie van het koopmanskapitaal, of, geheel onverbloemd, door het woekerkapitaal. Maar deze beide soorten van kapitaal-formaties, konden alleen in de samenleving ontstaan, door schennis van de wetten der warencirkulatie, door grove schennis van haar grondwet, dat waarden, alleen tegen gelijke waarden geruild kunnen worden. Het kapitaal stond daarvandaan, zoolang het handels- en woekerkapitaal was, in eene tegenstelling tot de economische organisatie van zijn tijd, en daarmede ook in tegenstelling, tot de moreele inzichten van zijn tijd. In de Oudheid, evenals in de Middeleeuwen stonden handel en woeker in een slechten reuk; zij werden op gelijke wijze gebrandmerkt, zoowel door de antieke Philosophen, door de heilige Kerkvaders, als door de Pausen. Met uitzondering van Calvijn, hebben ook de Hervormers--Luther niet voor 't minst--handel en woeker scherp veroordeeld.
Wij moeten dan ook, om het kapitaal te onderkennen, tot deze zijne voorwereldsche vormen teruggaan. Eerst nadat hoogere vormen van kapitaal zich hadden ontwikkeld, konden zich ook tusschenvormen ontwikkelen, die de funkties van het handelskapitaal en het rentegevend kapitaal, in overeenstemming konden brengen, met de wetten van de thans heerschende warenproduktie. Maar eerst ook van dat oogenblik af, hebben zij opgehouden het karakter van eenvoudige afzetterij of van direkten roof te dragen, zegt Marx.
Marx heeft deze soorten van kapitaal, in de beide eerste deelen van "Das Kapital", dan ook niet behandeld, omdat zij bij de navorsching van het kapitalisme, als vorm van eene produktiewijze, als maatschappelijk verschijnsel, rechtstreeks niet betrokken zijn.
Men begrijpt evenwel nu, in het gansche proces van de voortbrenging der meerwaarde, ook het groote gewicht, dat daarin
DE ARBEIDSDAG
bekleedt, waaraan bij Marx een zevental beschrijvende hoofdstukken zijn gewijd, die historisch en economisch zeker behooren, tot het grootste wat op dit gebied is verricht. Zijne onderzoekingen daaromtrent, benevens die omtrent de verdeeling van den arbeid, haar ontstaan en hare ontwikkeling in de periode der Manufaktuur, de machinerie en de groot-industrie, vormen de klassieke gedeelten uit het eerste deel van "Das Kapital". Hunne economische en historische waarde, wordt door geen staathuishoudkundige van eenig gezag meer ontkend. In dat opzicht, is zijn groote werk dan ook eene voortzetting geweest, van Adam Smith's beroemde "Wealth of the Nations" (Rijkdom der volkeren).
"De kapitalist,"--zegt Marx, aan den aanvang van de behandeling der "Arbeidsdag",--"heeft de arbeidskracht tot hare dagwaarde gekocht. Hem behoort dus hare gebruikswaarde toe, gedurende een arbeidsdag. Hij heeft dus óók het recht verkregen den arbeider, gedurende dien dag, voor zich te laten arbeiden. Maar wat is een arbeidsdag? In elk geval minder dan een natuurlijken levensdag. En hoeveel minder? De kapitalist (natuurlijk is hier sprake van den ondernemer in het algemeen), heeft zijn eigen inzichten omtrent dit ultima thule, de noodzakelijke grenzen van den arbeidsdag. Als kapitalist is hij slechts gepersonifieerd kapitaal. Zijn ziel is de kapitalistenziel. Het kapitaal kent slechts één levensaandrift, de aandrift zich in waarden om te zetten; méérwaarde voort te brengen, en met zijn konstant gedeelte, de produktiemiddelen, de grootst mogelijke massa meerarbeid in zich op te zuigen. Kapitaal is gestorven arbeid, die op vampyr-achtige wijze opleeft, door opzuiging van levenden arbeid en er zoo veel te meer van leeft, naarmate het meer daarvan in zich opzuigt. De tijd waarin de arbeider werkt, is de tijd waarin, door den kapitalist de van hem gekochte arbeidskracht, wordt verbruikt"....
..."Van zeer elastische grenzen hier afgezien, worden er door den aard der warenruil zelf, geen grenzen van den arbeidsdag, dus ook geen grenzen van de meerwaarde getrokken. De kapitalist staat op zijn recht als kooper, wanneer hij den arbeidsdag zoo lang als mogelijk is maakt, en, zoo mogelijk uit eenen arbeidsdag, er twee tracht te maken. Aan den anderen kant, houdt de specifieken aard van de verkochte waar (arbeidskracht) een grens van haar verbruik door den kooper in, terwijl de arbeider op zijn recht staat als verkooper, wanneer hij den arbeidsdag tot op eene bepaalde minimum-grootte tracht te beperken. Hier is dus een antimonie voorhanden; recht tegenover recht, beiden gelijkmatig bezegeld door de wet van den warenruil. En zoo is dan ook in de geschiedenis der kapitalistische produktiewijze, de normeering van den arbeidsdag, tot een strijd om de grenzen van den arbeidsdag geworden; een strijd tusschen de gezamenlijke kapitalisten, d. w. z. tusschen de klasse der kapitalisten en de gezamenlijke arbeiders of de arbeidersklasse."
Voor het eerst is men in Engeland, en wel in 1843, begonnen den arbeidsdag wettelijk vast te stellen, nadat bijna een halve eeuw lang de arbeiders in dat land daarvoor gestreden hadden en het bitterst daarin door de economen zijn tegengewerkt geworden.
"Desniettemin," zegt Marx, "heeft het principe gezegevierd en in de groot-industrietakken, die zelve de schepping zijn der moderne produktiewijze, was zijne wondervolle ontwikkeling, die hand aan hand is gegaan, met de moreele wedergeboorte der fabrieksarbeiders, zelfs voor blinden te zien."
De economische beteekenis van den arbeidsdag voert ons tot eene beschouwing van
DE RELATIEVE MEERWAARDE.
Tot nu toe, hebben wij gezien hoe de kapitalist zijn meerwaarde vormt: uit onbetaalden arbeidstijd. Deze nu noemt Marx de: absolute méérwaarde. Maar het spreekt van zelf, dat er nog een andere soort moet bestaan; dit bleek ons reeds uit het exposé van de gansche warencirculatie. Wij hebben gezien, dat de meerwaarde voortkomt uit den onbetaalden arbeidstijd. Hare bron zit in den arbeidsdag. De arbeidsdag kan echter niet tot in het oneindige verlengd worden. Aan het streven der kapitalisten, hem te verlengen, worden grenzen gelegd, zoowel van moreelen, als van politieken aard. "De door verlenging van den arbeidsdag voortgebrachte meerwaarde noem ik," zegt Marx, "absolute meerwaarde; de meerwaarde daarentegen, die uit de verkorting van den noodwendigen arbeidstijd en de daarmede overeenstemmende verandering, in de hoegrootheidsverhouding der beide bestanddeelen van den arbeidsdag voortkomt: relatieve meerwaarde.
"Om de waarde van de arbeidskracht te doen dalen, moet de stijging der produktiekrachten die industrietakken aangrijpen, welker produkten de waarde der arbeidskracht bepalen; die dus noch tot den kring van de door de gewoonte vastgestelde levensmiddelen behooren, noch daarvoor in de plaats kunnen treden. De waarde eener waar, wordt echter niet alléén bepaald door het kwantum arbeid, hetwelk haar den laatsten vorm doet verkrijgen, maar evenzoogoed, door de massa der produktiemiddelen, die zij in zich bevat. Bijv. de waarde van een paar schoenen, wordt niet alleen door den arbeid des schoenmakers, maar ook door de waarde van het leder, het pek, draad enz. bepaald. Stijging van de produktiekracht en de daarmede gepaard gaande goedkoopermaking der waren, in de industrieën welke de stoffelijke elementen van het constant-kapitaal, de arbeidsmiddelen en het arbeidsmateriaal, tot voortbrenging der noodzakelijke levensmiddelen leveren, doen dus eveneens de waarde van de arbeidskracht dalen."....
"De goedkooper geworden waar, doet natuurlijk de waarde der arbeidskracht, slechts pro tanto, d. w. z. alleen maar in die verhouding, waarin zij in de reproduktie van de arbeidskracht overgaat, dalen. Hemden bijv., zijn een noodzakelijk levensmiddel, maar een van de velen. Hunne goedkoopermaking, vermindert alleen de uitgaven der arbeiders voor hemden. De totaalsom van de noodzakelijke levensmiddelen bestaat echter uit verschillende waren, louter produkten van de bijzondere industrieën, en de waarde van ieder dier waren, vormt steeds een zich gelijkverdeelend deel, van de waarde der arbeidskracht. Deze waarde neemt af, met de tot hare reproduktie noodzakelijken arbeidstijd, welker totaalverkorting gelijk is aan de som van hare verkortingen, in alle bijzondere takken van voortbrenging."....
"De waarde der waren, staat in omgekeerde verhouding tot de produktiekracht van den arbeid. Evenzoo,--omdat zij door de waarde der waren bepaald wordt,--de waarde der arbeidskracht. Daarentegen staat de relatieve meerwaarde, in direkte verhouding tot de produktiekracht van den arbeid. Zij stijgt met stijgende- en daalt, met dalende produktiekracht. Een maatschappelijke doorsneê-arbeidsdag van 12 uren, geldswaarde als gelijkblijvend verondersteld, produceert steeds hetzelfde waardeprodukt van 6 Shilling, hoe deze som van waarden zich ook immer moge verdeelen, tusschen het aequivalent voor de waarde der arbeidskracht en de meerwaarde. Dalen evenwel, ten gevolge van de gestegen produktiekracht der waarden, de dagelijksche levensmiddelen en dientengevolge, de dagelijksche waarde der arbeidskracht van 5 shilling op 3 sh., dan rijst de meerwaarde van 1 sh. op 3 sh. Ten einde de waarde der arbeidskracht te reproduceeren, waren er 10 en zijn er thans nog slechts 6 arbeidsuren vrij gekomen en kunnen deze bij de domeinen van den meerarbeid worden ingelijfd. Het is daarom de immanente drijfveer en de gestadige tendens van het kapitaal, de produktiekracht der arbeid te doen stijgen, en te dien einde de waar, en door de goedkoopermaking van de waar, den arbeider-zelve goedkooper te maken."
Een verhooging van de produktiekracht van den arbeid, die van verkorting van den arbeidsdag het noodwendige gevolg moet zijn, is echter alleen mogelijk, door eene verandering van de produktiewijze, door verbetering van de arbeidsmiddelen en van de arbeidsmethoden. Produktie van relatieve meerwaarde, heeft dus tot voorwaarde, eene revolutie van het arbeidsproces.
"De produktie van de absolute meerwaarde," zegt Marx verder, "draait zich slechts om de lengte van den arbeidsdag; de produktie van de relatieve meerwaarde, revolutioneert door en door de technische processen van den arbeid en de maatschappelijke groepeeringen.
"Zij veronderstelt dus eene specifiek-kapitalistische produktiewijze, die, met hare methoden, middelen en voorwaarden zelven eerst op den grondslag van de formeele subsumtie van den arbeid onder het kapitaal, op natuurlijke wijze ontstaat en verder ontwikkeld wordt"....
"Wij zien dan ook bij stijgende produktiekracht van den arbeid, het percentage van de meerwaarde aanhoudend stijgen, terwijl de waarde van het produkt daalt. Zoo zien wij in de kapitalistische produktiewijze, in hare specifiek groot-industrieele uiting, den oogenschijnlijken tegenspraak zich ontwikkelen, dat de kapitalisten onophoudelijk zich moeite geven, steeds goedkooper te produceeren, d. w. z. de waarde der waren steeds te doen dalen, terwijl zij daarbij steeds meer waarde, zich toe-eigenen kunnen. Wij zien ook dat, hoe grooter de produktiekracht van den arbeid, des te grooter wordt de meerwaarde, de overschietende arbeidstijd van den arbeider. De kapitalistische produktiewijze streeft er naar, de produktiekracht van den arbeider reusachtig te doen stijgen, den noodwendigen arbeidstijd tot op een minimum te reduceeren, maar gelijktijdig evenwel, den arbeidsdag zoo veel als mogelijk is te verlengen."
HOOFDSTUK VII.
MACHINERIE EN GROOT-INDUSTRIE.
In een belangrijk hoofdstuk, onderzoekt Marx vervolgens de omwenteling, die de machine heeft doen ontstaan in de industrie uit de Manufaktuur gesproten, en welke deze, op zijne beurt, tot groot-industrie heeft doen worden. Die omwenteling zelf draagt mede een ander karakter.
"De omwenteling der produktiewijze heeft in Manufaktuur de arbeidskracht tot uitgangspunt genomen en in de groot-industrie de arbeidsmiddelen." Marx wijst vervolgens, op de absoluut onvoldoende verklaring, die de mathematici en de mechanici van de machine gegeven hebben, waar zij het werktuig voor een enkelvoudig en de machine voor een samengesteld werktuig hebben verklaard. "Van economisch standpunt, deugt deze verklaring niet, omdat bij haar het historisch element wordt gemist." Ook is de verklaring, door het verschil dat men maakt tusschen werktuig en machine en die welke hierin gezocht wordt, dat bij het werktuig de mensch de bewegende kracht is en bij de machine, eene van den mensch afgescheiden natuurkracht, zooals die van het dier, het water, de wind enz., historisch even onjuist. Dewijl de toepassing van de dierlijke kracht, eene der oudste uitvindingen is van de menschheid, zoo zou aldus geredeneerd, de machinale produktie, vooraf hebben moeten gegaan aan die van het Handwerk!......
"De machine waarvan de industrieele revolutie haar uitgangspunt neemt, vervangt den arbeider, die een ènkelvoudig werktuig hanteert, door een mechanisme, dat met eene massa van dezelfde of gelijksoortige werktuigen tegelijk opereert en door een enkele drijfkracht, hoe ook steeds haren vorm moge zijn, voortbewogen wordt. Hier hebben wij de machine voor ons, maar eerst als een eenvoudig element van de machinale produktie.
"De uitbreiding van den omvang der arbeidsmachine en het getal harer gelijktijdig opereerende werktuigen, vorderde een meer massaal bewegingsmechanisme en dit mechanisme, tot overweldiging van zijnen eigenen weêrstand, een machtiger drijfkracht dan de menschelijke. Afgezien nog hiervan, dat de mensch een zeer onvolkomen produktieinstrument van gelijkvormige en continueerende beweging is, gegeven, dat hij nog slechts als eenvoudige drijfkracht werkt, dus in de plaats van zijn werktuig een werktuigmachine gekomen is en de natuurkrachten hem thans ook als drijfkracht kunnen vervangen. Van alle uit de Manufaktuurperiode ons overgeleverde, groote bewegingskrachten, was de paardenkracht de slechtste; eensdeels, omdat een paard zijn eigen zin heeft, anderdeels, wegens zijne kostbaarheid en den beperkten omvang, waarmede zij in de fabrieken alleen toe te passen was.".....
Eerst met James Watt's uitvinding van de z. g. n. dubbelwerkende stoommachine, was de motor geschapen, die zijne beweegkracht zelf voortbrengt en uit de voedering met kolen en water, wier krachtpotentie geheel onder menschelijke contrôle, onafhankelijk van natuurkrachten van lokalen aard staat, en aldus de toepassing van de machinale industrie op elke, willekeurige plaats mogelijk maakte.
"Nadat eerst de werktuigen, van werktuigen van het menschelijk organisme, tot werktuigen van een mechanisch apparaat, tot werktuig-machines konden worden, verkreeg dan ook de bewegings-machine een zelfstandige, van de grenzen van menschelijke kracht, volkomen geëmancipeerden vorm. Daarmede zonk de enkelvoudige werktuigmachine, zooals wij tot nu toe die hebben beschouwd, tot een bloot element van de machine-produktie. Eéne bewegingsmachine was thans in staat, véle arbeidsmachines gelijktijdig te drijven. Met het aantal van de gelijktijdig voortbewogen arbeidsmachines, groeide de bewegingsmachine en breidde zich het transmissie-mechanisme, tot een wijdloopig apparaat uit." ....
Dan zet Marx het verschil uiteen, tusschen het karakter der machine in de Manufaktuurperiode en in die van de fabrieksmatige industrie. Hij zegt: