Karl Marx en zijne voorgangers

Part 22

Chapter 223,560 wordsPublic domain

De waarde dezer waar, arbeidskracht, wordt eveneens bepaald door de ter harer voortbrenging en wedervoortbrenging maatschappelijk-noodwendige hoeveelheid arbeidstijd. Het bestaan van de arbeidskracht, heeft natuurlijk tot voorwaarde, het bestaan en de voortplanting van den arbeider. Dit bestaan is neêrgelegd en wordt verstoffelijkt, in een zekere som van levensmiddelen, die de arbeider daartoe noodig heeft. Deze laatste verschilt ook alweder naar tijd en oord. Maar ook kunnen hier nog bovendien allerlei geestelijke redenen in het spel zijn. "In tegenstelling tot die van andere waren," zegt Marx zeer duidelijk, "bevat (dus) de waardebepaling der arbeidskracht, een historisch en een moreel element." Het geestelijk niveau van den arbeider, de ontwikkelingshoogte van zijne organisatie enz., vormen die elementen.

Maar ook zijn onder de produktiekosten der arbeidskracht te rekenen, de kosten benoodigd voor leertijd, in eene bepaalde tak van arbeid. Deze laatsten worden natuurlijk minder, naarmate de arbeid meer en meer een machinale wordt.

Al deze gronden bewerken, dat de waarde van de arbeidskracht, van eene bepaalde arbeidersklasse, in een bepaald land levend en in een bepaald tijdstip, eene bepaalde grootte is.

Men moet nadrukkelijk in 't oog houden, dat hier sprake is van de waarde van de arbeidskracht en niet van haren prijs. De laatste toch, wordt uitgedrukt in het arbeidsloon, het reële geldloon, dat de arbeider, krachtens zijne overeenkomst met den kapitalist van dezen bekomt, na gedanen arbeid. Marx wijst erop, dat de beschouwingswijze der burgerlijke economie, krachtens welke de ondernemer den arbeider zijn loon vóórschiet, omdat hij hem betaalt, alvorens het produkt verkocht is, eene verkeerde voorstelling van zaken is, die met de werkelijke economische verhoudingen in strijd is. Onder het huidige systeem, riskeeren niet alleen de arbeiders hun loon, maar zijn zij ook gedwongen op borg te leven. En daarom zijn zij ook de grootste slachtoffers van de vervalsching en de verslechtering der levensmiddelen, die door de tusschenhandelaren, rustig kan worden bedreven.

Maar ook streng economisch gesproken is het valsch. "De eigenaardige zijde dezer specifieke waar, die der arbeidskracht, brengt het met zich mede, dat met het afsluiten van het contrakt tusschen kooper en verkooper, hare gebruikswaarde nog niet werkelijk, in de handen van den kooper is overgegaan. Hare waarde, gelijk aan die van elke andere waar, werd bepaald, alvorens zij in circulatie trad, want een bepaald kwantum van maatschappelijken arbeid, werd er tot voortbrenging aan ten koste gelegd, maar hare gebruikswaarde bestaat eerst in de achterna komende krachtsinspanning.".....

"Overal schiet hierom de arbeider, den kapitalist de gebruikswaarde der arbeidskracht voor; hij laat ze door den kooper consumeeren, alvorens zij haren prijs betaald heeft gekregen, overal crediteert daarom de arbeider den kapitalist.".....

Hieruit blijkt dus, dat kapitalist en arbeider, als ruilers van twee gelijke waren, toch niet in gelijke conditie verkeeren.

Maar ook nog in een ander voornaam opzicht is de waar arbeidskracht, eene andere als de gewone waar, gelijk wij later zullen zien. Wij moeten eerst weder terug tot de eenvoudige ruil en de funktie van het geld daarbij.

HOOFDSTUK VI.

HET GELD.

Wij zagen, dat de waardegrootte eener Waar wordt bepaald door de tot hare voortbrenging benoodigde hoeveelheid, maatschappelijk-noodzakelijken arbeidstijd. Maar daarin drukt zich de waardegrootte evenwel niet uit. Men zegt niet: deze jas is veertig arbeidsuren waard, maar hij is zoo en zooveel waard, bijv. zooveel als 20 el linnen of als 10 gram goud. De waardegrootte wordt dus wel bepaald, door de hoeveelheid van de maatschappelijk-noodzakelijken arbeid, die er aan moet worden besteed, maar zij wordt uitgedrukt in en door hare ruilverhouding. Er moet dus ook een zekere maat zijn, een zeker medium, waardoor de ruil der waren kan geschieden en die de uitdrukking der verhouding, van de waren onderling, in zich belichaamt. Marx noemt dit het aequivalent, en den vorm waarin de verhouding van de gebruikswaarden, als ruilprodukten zich wederzijds uitdrukken, de aequivalentvorm der waren.

Dit aequivalent treedt het minst naar den voorgrond in de perioden der eenvoudigen warenruil; maar hoe ingewikkelder de produktieverhoudingen worden, zooveel te minder kunnen waren als zulke aequivalentvormen voldoen, zooals dat in primitieve maatschappijen, met primitieve produktiewijzen: eenvoudige vorm van landbouw en bedrijf, eenvoudige warenhandel enz., het geval is geweest.

Hoe langer hoe meer dus de warenruil zich ontwikkelde, hoe meer arbeidsprodukten tot waren werden, des te noodzakelijker werd een algemeen aequivalent. In den aanvang van den ruil, ruilt een elk datgene wat hij niet noodig heeft, onmiddellijk tegen datgene in wat hij wèl noodig heeft. Dat wordt natuurlijk steeds moeilijker, naarmate de warenproduktie steeds meer de algemeene vorm werd van de maatschappelijke produktie. Er moest door deze ontwikkeling dus een Waar komen, die een ieder gebruiken kon, een algemeene aequivalent dus, eene onmiddellijke belichaming tevens van de waarde, die tevens a priori gebruikswaarde voor elkeen bezit. En die ontstond in den geldvorm.

In den loop der tijden zijn verschillende dingen in dezen rol opgetreden, bijv. vee, slaven, wapens enz., het laatst: edele metalen. Dat de geldvorm van goud en zilver, ten slotte de meest bruikbare werd voor eene, reeds op eene zekere hoogte van beschaving staande samenleving, met een reeds ontwikkelde warenproduktie en een vrij omvangrijk warenverkeer, vindt hare oorzaak in verschillende omstandigheden. Voor een deel mag dit hieraan te wijten zijn geweest, dat pronk en pronkvoorwerpen reeds van oudsher als gewichtige ruilvoorwerpen dienst hebben gedaan; maar hoofdzakelijk besliste hier de omstandigheid, dat goud en zilver, door de maatschappelijke funkties, die zij als algemeen waren-aequivalent bezitten, het best aan dat doel beantwoordden, door hunne natuurlijke eigenschappen. Ten eerste zijn de edele metalen steeds van gelijke kwaliteit en lossen zij zich, noch in lucht, noch in water op; zij zijn dus praktisch niet veranderlijk. Ten tweede kunnen zij naar willekeur gedeeld en samengesteld worden.

Goud en zilver, konden het monopolie van als algemeen aequivalent te dienen, slechts daardoor verkrijgen, doordien zij als waren, tegenover de andere waren, konden komen te staan. Zij konden dus alleen geld worden, omdat zij waren vertegenwoordigden. Het geld is dus, noch uitgevonden door zekere soorten van menschen, noch is het geld een bloot waardeteeken. De waarde van het geld en zijn bepaalde maatschappelijke funkties, zijn niet willekeurig in het leven geroepen. De edele metalen werden tot geldwaren, door de rol, die zij als waren in het ruilproces speelden en nog spelen.

De eerste funktie van het geld, bestaat dus hierin, als waardemaatstaf te dienen. De waren worden niet door middel van het geld aan elkander gelijk en met elkander te vergelijken; maar, doordien zij waarde-belichamingen zijn van menschelijken arbeid, kunnen zij als zoodanig, gemeenschappelijk door dezelfde bepaalde waarde worden gemeten. Het geld als waardemeter, is dus de noodzakelijke verschijningsvorm, van den in alle waren zich bevindende waardemaat, de arbeidstijd namelijk.

De uitdrukking eener waar in geldwaar, is de geldvorm der waar of haren prijs. Dit laatste, is dus de tweede funktie van het geld, n.l. de maatstaf van de prijzen te zijn. Als waardemeter zet het geld de waarde der waren om, in bepaalde, aanschouwelijke hoeveelheden gelds. Als maatstaf van de prijzen, meet het de verschillende hoeveelheden gelds aan ééne bepaalde hoeveelheid goud, die als munteenheid aangenomen wordt, bijv.: een pond goud.

Het verschil is dus, dat de prijs de geldnaam voor de waarde-grootte der waren is, maar tegelijkertijd óók de uitdrukking is van de ruilverhouding der waar met de geldwaar, het goud of het zilver. De waarde evenwel, kan nooit op zich zelf, voor zich alleen te voorschijn komen en niet van de waar geabstraheerd worden, maar zit steeds, aan de ruilverhouding met andere waren vast. Hierdoor is dus eene afwijking mogelijk geworden, tusschen den prijs van de waren en hunne waarde-grootte, gelijk die dan ook in de werkelijkheid steeds voorkomt. De balans van het verschil tusschen beiden schept de kapitalistische concurrentie. Met de volgende woorden van Engels is dit duidelijk te maken: "In de huidige kapitalistische maatschappij, produceert elke industrieele kapitalist op eigen hand, wat, hoe- en zooveel, hij wil. De maatschappelijke behoefte evenwel, blijft voor hem eene onbekende grootte, zoowel wat de kwaliteit en de soort van de benoodigde voorwerpen, als de kwantiteit daarvan aangaat. Wat heden niet snel genoeg geleverd kan worden, wordt in den tegenwoordigen tijd, wordt morgen, verre boven de vraag aangeboden. In weerwil daarvan, wordt ten slotte toch in de behoefte, hetzij slecht of goed, hoe 't ook zij voorzien, en de produktie richt zich in het algemeen genomen, ten slotte toch op de benoodigde voorwerpen. Hoe komt nu hier de verevening van die tegenspraken tot stand? Door de concurrentie. En hoe speelt de concurrentie deze oplossing klaar? Eenvoudig, doordien zij de naar soort of hoeveelheid, voor het oogenblikkelijk maatschappelijk verbruik niet benoodigde waren, ontwaardigt, d. w. z. beneden hunne arbeidswaarde doet dalen, en langs dezen omweg den producenten het voelbaar maakt, dat zij òf onbruikbare, òf op-zich-zelf bruikbare artikelen in eene onbruikbare, overtollige hoeveelheid voortgebracht hebben. Hieruit spruit dus tweeërlei voort:

"Ten eerste, dat de voortdurende afwijkingen der warenprijzen van de warenwaarde, de noodzakelijke voorwaarden zijn, waaronder en waardoor alleen, de warenwaarde haar bestaan kan erlangen. Alleen door de schommelingen van de concurrentie en hiermede die van de warenprijzen, zet zich de waardewet onder de warenproduktie door; wordt de bepaling van de waarde der waren door den maatschappelijk noodzakelijken arbeidstijd, tot werkelijkheid. Dat daarbij de vereffeningsvorm van de waar, haren prijs, in den regel iets of wat anders er uitziet, dan de waarde die zij te voorschijn brengt, is een noodlot, dat de waarde deelt met de meeste maatschappelijke verhoudingen. De koning ziet er meestendeels gansch anders uit, dan de monarchie die hij voorstelt.

"Ten tweede. Terwijl de concurrentie, in eene samenleving van met elkander ruilende warenproducenten, de waardewet der warenproduktie tot hare geldigheid doet komen, zet zij juist dáármede, de onder die omstandigheden eenig mogelijke organisatie en orde, der maatschappelijke produktie door. Alleen door middel van de waardevermindering en de opvoering ervan boven hunne waarde, worden de individueele warenproducenten er als het ware met hunnen neus voorgezet, wat en hoeveel de samenleving van hunne waren noodig heeft, of niet noodig heeft."

De waren die aan de markt komen, veranderen daar in geld, daarna weder in waren. Deze beweging is de eenvoudige warencirculatie, W-G-W. Maar de waar, aan het einde van dit gansche proces, is eene andere, dan die van aan het begin daarvan. De eerste was niet-gebruikswaarde voor haren bezitter, de laatste is gebruikswaarde voor hem geworden. De nuttigheid van de eerste Waar, bestond voor hem in hare eigenschap als waarde, als produkt van algemeen-menschelijken arbeid; in hare uitruilbaarheid met een ander produkt van algemeen menschelijken arbeid, met geld. De nuttigheid van de andere Waar, bestaat voor hem in hare lichamelijke eigenschappen, niet als produkt van algemeen menschelijken arbeid, maar van een bepaalden vorm van arbeid. De bovengenoemde formule is dus die van Waren,-Geld,-Waren: verkoopen om te koopen. Elke verkoop is een koop en omgekeerd. Marx schildert wat er nu vervolgens gebeurt aldus, onder wat hij noemt: "De methamorphose der Waren": "W-G." Eerste methamorphose der Waar of verkoop. Het overspringen van de warenwaarde uit het lijf van de waar in het lijf van het goud is,.... de salto mortale van de waar. Mislukt zij, dan is wel-is-waar de Waar niet in benauwdheid, wel echter is dat de warenbezitter. De maatschappelijke verdeeling van den arbeid, maakt zijnen arbeid evenzoo éénzijdig, als zij zijne behoeften véélzijdig maakt. Maar juist daarom, doet het produkt voor hem slechts als ruilwaarde dienst. Algemeen maatschappelijk geldige aequivalentvorm, bezit het alleen slechts in het geld en dat geld bevindt zich in eens andermans zak. Om het eruit te krijgen, moet de Waar voor alles dus gebruikswaarde voor den geldbezitter hebben, de aan haar ten koste gelegden arbeid dus in maatschappelijk-nuttigen vorm er aan besteed zijn of zich in het verband van de maatschappelijke verdeeling van den arbeid kunnen handhaven. Maar die verdeeling van den arbeid, is een uit de natuur voortkomend produktie-organisme, welker draden gesponnen worden, achter den rug van den warenproducent om, en die zich aldaar voortweven. Wellicht is de Waar, produkt van eene nieuwe arbeidsmethode, die aan eene nieuw opgekomen behoefte bevrediging zoekt te geven, of op eigen gelegenheid, deze behoefte eerst te voorschijn roepen wil. Gisteren nog een funktie, onder de vele funkties van een en dezelfde warenproducent, rukt zich eene bijzondere arbeidsverrichting heden wellicht los van deze samenhang, verzelfstandigt zich en zendt juist deswegens, haar deelprodukt als zelfstandige Waar ter markt..... "Onze warenbezitters bespeuren daaruit, dat dezelfde verdeeling van den arbeid, welke hen tot onafhankelijke particuliere voortbrengers, het maatschappelijke produktieproces en zijne verhoudingen in dit proces van hen-zelf afhankelijk maakt; dat de onafhankelijkheid der personen van elkander, zich vervolkoment, in een systeem van alzijdige zakelijke afhankelijkheid van elkander.

"De verdeeling van den arbeid verandert het arbeidsprodukt in een Waar en maakt dáármede zijne verandering in Geld tot eene noodzakelijkheid."

"Wij kennen tot dusver geenerlei economische verhouding der menschen," gaat Marx voort, "buiten dat van warenbezitters, een verhouding, waarin zij vreemde arbeidsprodukten zich toeëigenen, doordien zij eigene van zich vervreemden. De eene warenbezitter kan derhalve, den andere dan ook slechts als geldbezitter tegemoet treden, hetzij omdat zijn arbeidsprodukt van nature den geldvorm bezit, dus geldmateriaal is, goud enz., hetzij omdat zijn eigene waar reeds van huid veranderd is en haar oorspronkelijken gebruiksvorm afgestroopt heeft. Ten einde als geld te kunnen funktioneeren, moet het goud natuurlijk een zeker punt hebben, van waaruit het op de warenmarkt op kan treden. Dit punt ligt in zijne produktiebron, waar het zich, als onmiddellijk arbeidsprodukt, met een ander arbeidsprodukt van dezelfde waarde kan doen ruilen. Maar van af dit oogenblik, stelt het gedurig gerealiseerde warenprijzen voor. Afgezien van den ruil van het goud met waren, aan zijne produktiebron, is het goud in de handen van elk warenbezitter, de blootgelegde gestalte van de van hem vervreemde Waar, het produkt van den verkoop of van de eerste waren-metamorphose: W-G. Ideaal geld of waardemeter werd het goud, omdat alle waren hunne waarde in hem maten en het, aldus tot het handtastelijke tegendeel van hunne gebruiksgestalte, tot hunne waardegestalte maakten. Reëel geld werd het, doordien de waren, door hunne alzijdige vervreemding, het tot aan hem werkelijk vreemde of veranderde gebruiksgestalte en daardoor tot hunne werkelijke waardegestalte maakten. In hare waardegestalte stroopt de Waar, elk spoor van haar oorspronkelijke gebruikswaarde en van de in 't bijzonder nuttigen arbeid, waaraan zij haren oorsprong te danken heeft, af, om zich in de gelijkvormige maatschappelijke stoffelijkheid van niet te onderscheiden menschelijken arbeid, weder te ontpoppen.

"Men kan het 't Geld daarom niet aanzien, van welk slag de in hem veranderde Waar is. De eene Waar ziet in haren geldvorm precies zoo uit als de andere. Geld mag slijk zijn, hoewel slijk nog geen geld is. Wij nemen aan, dat de twee geldwolven waaraan de linnenwever bijv., zijne waar vervreemdt, de veranderde gestalten zijn van een mud tarwe. De verkoop van het linnen: W-G, is tegelijk haren koop: G-W.

"Maar als verkoop van linnen, vangt dit proces met eene beweging aan, welke in haar tegendeel eindigt, met den koop van een bijbel bijv.; als koop van het linnen, eindigt het met eene beweging die met haar tegendeel aanving, met den verkoop van de tarwe bijv. W-G (linnen-geld) deze eerste phaze van W-G-W (linnen-geld-bijbel), is tegelijk G-W (geld-linnen), de laatste phaze van eene andere beweging: W-G-W (tarwe-geld-linnen). De eerste metamorphose eener Waar, hare verandering uit den warenvorm in geld, is steeds tegelijk de tweede, haar tegenovergestelde metamorphose der andere waar; hare terugontwikkeling van uit den geldvorm in den warenvorm.

"G-W. Tweede of slot-metamorphose der waar: koop.--Dewijl het de vervreemde gestalte is, van alle andere waren of het produkt hunner algemeene ontvreemding, is geld, de absoluut vervreemde Waar. Het leest alle prijzen achterwaarts en spiegelt zich aldus, in alle warenlichamen terug, als de opofferende materie zijner eigene warenwording. Tegelijk toonen de prijzen, de lonkjesoogen waarmede hem de waren wenken, hem ook de grenzen zijner veranderingsgeschiktheid, namelijk die van zijn eigen kwantiteit. Daar de Waar in hare geldwording ondergaat, ziet men het 't geld niet aan, hoe het in de handen van zijn bezitter gekomen is, of wat er zich in omgezet heeft. Non olet, hoe ook deszelfs oorsprong moge wezen. Wanneer het aan den eenen kant, verkochte Waren vertegenwoordigt, aan den anderen kant vertegenwoordigt het, verkoopbare Waren.

"G-W, de koop is tegelijktijd verkoop: W-G; de laatste metamorphose eener Waar, is dus tegelijk de eerste metamorphose eener andere Waar. Voor onzen linnenwever sluit de levensloop van zijnen waar af met de gekochte bijbel, waarin hij de 2 pond St. terug omgezet heeft. Maar de bijbelverkooper, zet de van den linnenwever gebeurde 2 pond St., in brandewijn om.

"G-W, de slotphaze van W-G-W (linnen-geld-bijbel) is tegelijk W-G, de eerste phaze van W-G-W (bijbel-geld-brandewijn). Daar de warenproducent slechts een eenzijdig produkt levert, verkoopt hij het dikwijls in grootere hoeveelheden, terwijl zijn veelzijdige behoeften hem ertoe dwingen, den gerealiseerden prijs of de gebeurde geldsom, gestadig in talrijke koopen te versplinteren. Een verkoop mondt daarom, in vele koopen van verschillende waren, uit. De slotmetamorphose eener Waar, wordt dus door de som van eerste metamorphosen van andere waren, gevormd.

"Beschouwen wij nu de totaal-metamorphose eener Waar, bijv. van linnen, dan zien wij in de eerste plaats, dat zij uit twee elkander tegenovergestelde en elkander aanvullende bewegingen bestaat. W-G en G-W. Deze twee, tegenoverelkander staande veranderingen der Waar, voltrekken zich, in twee aan elkander tegenovergestelde maatschappelijke processen der warenbezitters, en reflekteeren zich, in twee elkander tegenovergestelde economische karakters derzelven. Als agent van den verkoop, wordt hij verkooper, als agent van den koop, kooper. Zooals echter in elke verandering der Waar, hare beide vormen, warenvorm en geldvorm gelijktijdig bestaan, alleen op elkander tegenovergestelde polen, zoo staat dezelfde warenbezitter als verkooper, tegenover een andere kooper en als kooper, tegenover een andere verkooper. Het zijn derhalve dus geen vaste, maar binnen het raam der warencirculatie, gestadig van persoonlijkheid verwisselende karakters.

"De warencirculatie is niet alleen formeel, maar ook wezenlijk verschillend van de onmiddellijke produktenruil. Men werpe slechts een terugblik op hetgeen voorgevallen is. De linnenwever heeft, zonder voorbehoud, linnen geruild tegen bijbels, eigen waren tegen eene vreemde Waar. Maar dat verschijnsel bestaat slechts voor hem. De bijbelagent, die heet aan koud de voorkeur geeft, dacht er niet aan linnen te ruilen voor bijbels, gelijk de linnenwever er niets van wist, dat er tarwe was ingeruild tegen zijn linnen enz. De Waar van B. komt in plaats van de Waar van A; maar A en B, ruilen niet wederzijdsch hunne waren tegen elkander. Het kan werkelijk voorkomen, dat A en B wisselsgewijs van elkander koopen, maar zulke bijzondere betrekkingen, zijn geenszins de voorwaarden tot de algemeene verhoudingen der warencirculatie. Aan den eenen kant ziet men hieruit, hoe de warenruil de individueele en lokale grenzen van den onmiddellijken produktenruil doorbreekt en de stofwisseling der menschelijken arbeid doet ontwikkelen. Aan den anderen kant, ontwikkelt zich hierdoor een geheele kring van door de handelende personen, niet te controleeren, maatschappelijke natuursamenhangsels. De wever kan slechts linnen verkoopen, omdat de boer tarwe verkocht; de heethoofd den bijbel, omdat de wever het linnen, de distillateur slechts gebrand water, omdat de andere, het water des eeuwigen levens verkocht had, enz. enz.

"Het circulatieproces lost zich deswegens ook niet, gelijk de onmiddellijke produktenruil, op, in de plaats- of de handsverwisseling van de gebruikswaarden. Het geld verdwijnt niet, omdat het ten slotte uit de metamorphosenreeks eener Waar uitvalt. Het slaat voortdurend weder neer, op een door de waren zelf voor hem ingeruimde circulatie-plek. Bijv. van de totaal-metamorphoze van het linnen--linnen-geld-bijbel--valt eerst het linnen buiten de circulatie, het geld komt in zijn plaats; daarna valt de bijbel buiten de circulatie en het geld treedt in zijn plaats. De vervanging van waren door waren, doet tegelijkertijd in de derde hand, de geldwaren hangen blijven. De circulatie zweet gestadig geld uit."

VERANDERING VAN GELD IN KAPITAAL.

Wij hebben de ontwikkeling van de warencirculatie uit de produktenruil nagegaan en eveneens hebben wij den kringloop dier beweging gadegeslagen. Welke is evenwel hare drijfkracht? De beweegreden der kringloop: Waar-Geld-Waar, is duidelijk; is daarentegen die van Geld-Waar-Geld niet zinneloos? Neen, zij zou zinneloos zijn, wanneer de geldsom aan het einde van de transaktie, niet eene andere was, dan die aan het begin daarvan. De kringloop G-W-G, heeft dus maar één doel: de geldsom waarmede hij eindigt grooter te doen worden, dan die, waarmede hij aanving. Deze vermeerdering is inderdaad het drijvende motief in dien kringloop.

Wij komen dus, nadat het proces zijn bekenden gang is gegaan, voor de formule:

G-W - (G + g) te staan.

Dit "g", de toegevoegde waarde die boven en uit de oorspronkelijk voorgeschoten waarde, aan het einde van den kringloop voor den dag komt, noemt Marx: de Meerwaarde. Die laatste moet met hare verschijningsvorm en winst, rente etc. evenmin verward worden, als de waarde eener waar, met haren prijs. Want evenals daar, gaat het hier om de grondslagen en niet om de uiterlijke vormen, de verschijningsvormen, waaronder de economische verhouding aan het daglicht treedt.

"De waarde wordt aldus tot processeerende waarde, processeerend geld en als zoodanig tot kapitaal. Dit komt uit de circulatie vandaan, gaat weder in haar onder en verveelvoudigt zich in haar; keert vergroot uit haar terug en begint denzelfden kringloop weder van voren af aan. G-G, geldbarend geld--"money which begets money",--zoo luidde de beschrijving van het kapitaal, in den mond van zijn eerste wegwijzers, de merkantilisten reeds, zegt Marx.

"Koopen om te verkoopen, of vollediger, koopen om duurder te verkoopen, G-W-G, schijnt wel-is-waar slechts eene vorm aan het koopmanskapitaal eigen, maar ook het industrieele kapitaal is geld, dat zich verandert in waren en door den verkoop de waren, in meer geld terug-verandert."