Karl Marx en zijne voorgangers

Part 21

Chapter 213,508 wordsPublic domain

De eene is getiteld "Over Loonarbeid en Kapitaal" en is gehouden in de "Deutsche Arbeiterverein" aldaar. Zij is een begin, dat geheel en al tehuis behoort bij Marx' critisch-economische beschouwingen en behoeft dus hier niet opzichzelf te worden behandeld.

Het andere is de in 1847 in de "Demokratische Gesellschaft" te dier plaatse gehouden voordracht "Over Vrije-handel."

Het was in het agitatietijdperk der graanrechtwetten in Engeland. Marx komt hierin tot deze conclusies: "wat beteekent onder den huidigen toestand der samenleving de vrije handel? Niet anders, dan de vrijheid van het kapitaal..... Zoolang gij de verhouding van loonarbeid tot kapitaal laat voortbestaan, moge de ruil der waren, zich ook voortdurend voltrekken onder de gunstigste verhoudingen, zal er steeds een klasse wezen die uitbuit, en eene die uitgebuit wordt...... Niettemin, gelooft niet Mijne heeren, dat wanneer wij den vrijen handel critiseeren, wij dan vrienden zijn van beschermende rechten." Integendeel! "Men kan het constitutionalisme bestrijden zonder een vriend van het absolutisme te wezen. Overigens zijn beschermende rechten slechts een middel, om in een land de groot-industrie op te voeden, d. w. z. haar van de wereldmarkt afhankelijk te maken en van het oogenblik af waarop men van de wereldmarkt afhankelijk begint te worden, hangt men in meerdere of mindere mate reeds van den vrijen handel af. Bovendien ontwikkelt bescherming de vrije concurrentie in het land zelf. Derhalve zien wij het, dat in de landen waar de bourgeoisie begint zich als klasse te doen gelden, zooals bijv. in Duitschland, zij reeds groote moeite doet om bescherming te verkrijgen."..... "In 't algemeen echter is tegenwoordig het systeem der beschermende rechten conservatief, terwijl de vrije handel verstorend werkt. Het ontwricht de vroegere nationaliteiten en drijft de tegenstelling tusschen proletariaat en bourgeoisie op hunnen spits. In één woord: het systeem van den vrijen handel bespoedigt de sociale revolutie." "En slechts in dezen, revolutionairen zin Mijne Heeren," zoo eindigde Marx zijn rede, "stem ik vóór den vrijen handel."

DERDE GEDEELTE.

HOOFDSTUK V.

DE KRITIEK OP HET KAPITALISME.

Zooals in de philosophie en in de wereldbeschouwing Marx' wetenschappelijke inzichten aanknoopten aan Kant, Fichte, Hegel en Feuerbach; in de geschiedenisbeschouwing aan Augustin Thierry en Michelet, zoo knoopten zijne staathuishoudkundige inzichten aan die van de, eveneens klassieke vertegenwoordigers der burgerlijke staathuishoudkunde aan. Adam Smith en David Ricardo, beiden engelsche economen waren zijne voorgangers.

Voornamelijk was het kernpunt van elke principieele economie, het concipieeren eener waarde-theorie. Deze is ook bij Marx, gelijk bij elken econoom die een zeker tijdvak in zijn werk vertegenwoordigt, de spil waarom alles draait. Maar bij Marx bovendien, de bron waaruit de door hem geformuleerde theorie van de méérwaarde,--de polsader in de kapitalistische produktiewijze,--wetenschappelijk door hem kon worden vastgesteld.

Tusschen de "Critiek op de staathuishoudkunde" en "Das Kapital", het begin en de voortzetting, liggen negen jaren. Het eerste deel van: "Das Kapital, zur Kritik der politischen Ökonomie" verscheen in 1867; het tweede deel eerst in 1885, twee jaren na Marx' dood, zoo ook het derde deel, beiden door Friedrich Engels uitgegeven. De jaren die er liggen tusschen de "Critiek" en het groote dikke boek "Das Kapital", waren voor Marx, die van een langdurig, steeds terugkeerend lichamelijk lijden en van groote finantieele zorgen. Maar dat niet alleen. In die periode viel ook de persoonlijke aktie van Karel Marx, de oprichting van en de enorme werkzaamheden verbonden aan de "Internationale", de stichting die in 1864 te Londen tot stand kwam, ten doel hebbend de arbeidersbeweging van toenmaals in de verschillende landen, een internationale band te geven. Marx was hare secretaris en tevens hare ziel. De noodzakelijkheid om beknopt te zijn, waardoor ook alleen maar de hoofdpunten van Marx' levenswerk kunnen worden weergegeven, noopt ons van de "Internationale" en wat Marx er in deed, met een enkel woord gewag te maken en er niet langer bij stil te staan.

Wij behandelen vervolgens al het economische werk van Marx tezamen. Een voornaam ding dient hierbij wèl te worden in 't oog gevat.

Marx heeft geen bepaald nieuw nationaal-economisch systeem op gesteld; hijzelf betitelde zijn werk als "critiek". En iets anders zou dan ook met Marx' overtuiging en opvatting van de evolutie die de samenleving doormaakt in de kapitalistische produktieperiode en de, aan die produktiewijze immanente wetten die haar voortbewegen en tot oplossing brengen, welker oplossing niet anders kan zijn dan hare eigene negatie, niet te rijmen zijn geweest.

"Voor Marx," zoo luidt het oordeel van een Russisch critikus, afgedrukt in den tweeden druk van het eerste deel van "Das Kapital,".... "is slechts één ding van gewicht: de wet der phenomenen te vinden met welker onderzoek hij zich bezig houdt. En voor hem is niet alleen de wet van gewicht die ze beheerscht, voor zoover zij hunnen ontwikkelden vorm hebben en in samenhang met elkander staan en zooals zij in een gegeven tijdperk kan worden waargenomen. Voor hem is het ook vóór alles van gewicht, de wet harer verandering, harer ontwikkeling, d. w. z. de overgang uit de eene vorm in de andere, uit de eene orde van samenhang in de andere te vinden. Zoodra hij eenmaal eene wet heeft ontdekt, onderzoekt hij in détails de gevolgen waarin zij zich in het maatschappelijk leven demonstreert".... "Dientengevolge geeft Marx zich slechts moeite voor één ding: door nauwkeurige wetenschappelijke onderzoekingen, de noodzakelijkheid van bepaalde orden van maatschappelijke verhoudingen aan te toonen en zooveel mogelijk onkreukbaar de feiten te constateeren, die hem tot uitgangs- en steunpunten dienen. Hiertoe is het volmaakt voldoende, wanneer hij met de noodzakelijkheid van de tegenwoordige orde van zaken, tegelijk de noodzakelijkheid van eene andere aantoont, waarin de eerste onvermijdelijk moet overgaan, gansch onverschillig of de menschen dat gelooven of niet gelooven, of zij zich hetzelve bewust zijn of niet. Marx beschouwt de maatschappelijke beweging als een natuurhistorisch proces, dat door wetten geleid wordt, die niet alleen niet van den wil, het bewustzijn en doel van de menschen afhankelijk zijn, maar veeleer omgekeerd, welker willen, bewustzijn en doel er door bepaald wordt".... "Wanneer het bewuste element in de beschavingsgeschiedenis een zoo ondergeschikte rol speelt, dan spreekt het vanzelf, dat de critiek welker objekt de beschaving zelf is, minder dan ergens anders, den een of anderen vorm of het een of andere resultaat van het bewustzijn tot grondslag kan hebben. Dat wil zeggen: niet de idee, maar het uitwendige verschijnsel alleen kan dan als haar uitgangspunt dienen. De critiek zal zich beperken tot de vergelijking en de confronteering van een feit, niet met de idee, maar met het andere feit. Voor haar is het slechts van gewicht, dat de beide feiten zooveel mogelijk nauwkeurig onderzocht worden en werkelijk de een tegenover den ander verschillende ontwikkelingsmomenten vormen, voor alles is 't voor haar evenwel van gewicht, dat niet minder nauwkeurig de serie der orden opgespoord wordt, de opvolging en de verbinding, waarin de trappen van ontwikkeling zich aan ons voordoen. Maar, zoo zal men daartegen aanvoeren, de algemeene wetten van het economische leven zijn een en hetzelfde; geheel onverschillig, of men ze toepast op het tegenwoordige of op het verleden! Juist dàt loochent Marx. Volgens hem bestaan zulke abstrakte wetten niet... Volgens zijn meening bezit integendeel elke historische periode hare eigen wetten.... Zoodra het leven eener maatschappij een zekere ontwikkelingsperiode overleefd heeft, uit een bepaald stadium in een ander overgaat, vangt het ook aan door andere wetten te worden geleid. In één woord het economische leven biedt ons een, aan de ontwikkelingsgeschiedenis op het andere gebied dat der biologie, analoog verschijnsel aan...... De oude economen miskenden den aard van de economische wetten, toen zij dezelven vergeleken met de wetten der physiek en der chemie..... Een diepere analyse der verschijnselen bewees, dat sociale organismen zich van elkander evenzoo grondig onderscheiden als planten en dierlijke organismen. Ja een en hetzelfde verschijnsel is aan geheel en al verschillende wetten onderworpen, tengevolge van de verschillende totaal-struktuur dier organismen, der afwijking van hunne onderlinge organen, van het verschil der voorwaarden, waaronder zij funktioneeren..... Met de verschillende ontwikkeling der produktiekrachten wijzigen zich de verhoudingen en de hen regelende wetten. Daardien Marx zich ten doel stelt, van uit dit gezichtspunt de kapitalistische maatschappij na te vorschen en te verklaren, formuleert hij slechts streng wetenschappelijk het doel, hetwelk ieder nauwgezet onderzoek van het economisch leven hebben kan.

"..... De wetenschappelijke waarde van zulk onderzoek is te vinden in de opheldering van de bijzondere wetten, welke ontstaan, leven, ontwikkeling en dood van een bepaald maatschappelijke organisme en zijn opvolging door een ander en hooger, regelen."

DE ANALYSE VAN DE WAAR.

De rijkdom der maatschappijen, in welke de kapitalistische produktiewijze heerscht, doet zich aan ons voor, als eene ongehoorde verzameling van waren, de individueele waar als zijn elementairen vorm. Marx begin daarom "Das Kapital" met de analyse van de Waar.

Een Waar is een arbeidsprodukt, dat niet voor het eigen gebruik, hetzij van den producent of van met hem verbonden menschen, maar voor den ruil tegen andere produkten, wordt voortgebracht. Het zijn dus geen natuurlijke, maar maatschappelijke eigenaardigheden die een zeker produkt tot waar maken. Aan de maatschappelijke rol, de maatschappelijke funktie kan men 't zien of een produkt Waar is of niet.

In de kapitalistische maatschappij nu, nemen in steeds stijgender mate de arbeidsprodukten de vorm van Waren aan. Wanneer heden ten dage nog niet alle arbeidsprodukten bij ons tot Waren zijn geworden, dan is dit deswegens omdat nog resten van vroegere produktiewijzen door de tegenwoordige heenloopen. Ziet men nu hiervan af, dan kan men zeggen dat tegenwoordig alle arbeidsprodukten, de vorm van Waren aannemen.

Wij kunnen de tegenwoordige produktiewijze niet begrijpen, wanneer ons niet helder voor oogen staat, hoe het karakter van de Waar is in de huidige produktiewijze.

"In de produktie betrekken de menschen zich niet alleen op de natuur. Zij produceeren, doordien zij op eene bepaalde manier tezamenwerken en de resultaten daarvan, tegen elkander ruilen. Om te produceeren, komen zij in bepaalde verhoudingen en betrekkingen tegenover elkander te staan en alleen binnen het raam van deze maatschappelijke betrekkingen en verhoudingen, vinden hunne betrekkingen tot de natuur, heeft de produktie plaats."

Al naar het karakter der produktiemiddelen, kunnen natuurlijk deze maatschappelijke verhoudingen waarin de producenten tegenover elkander komen te staan; de voorwaarden waaronder zij hunne produkten ruilen en aan de totaal-handeling der produktie deelnemen, verschillend zijn. Met de uitvinding van een nieuw oorlogsinstrument, het geweer, veranderde ook noodwendig de gansche inwendige organisatie van het leger; veranderden de verhoudingen, waarin de individuen een leger vormden en als leger werken konden; wijzigde zich ook de verhouding van de verschillende legers tot elkander.

De maatschappelijke verhoudingen waarin de individuen produceeren, de maatschappelijke produktieverhoudingen wijzigen zich alzoo; veranderen, naarmate dat er verandering en ontwikkeling komt in de produktiemiddelen, de produktiekrachten in het algemeen. De produktieverhoudingen als geheel, vormen datgene wat men de maatschappelijke verhoudingen, de maatschappij noemt en wel een maatschappij op eene bepaalde, historische hoogte van ontwikkeling; een maatschappij met een eigenaardig, verschillend karakter.

In de kapitalistische maatschappij, met hare privaat-produktiewijze, hare voortbrenging door elken ondernemer afzonderlijk en de daaruit noodwendigerwijs voortvloeiende private verhouding, waarin de ruilers tegenover elkander zijn komen te staan; de produktie vervolgens, niet ten eigen behoeve, niet om het produkt zelf, maar om den winst, heeft de Waar noodwendigerwijs een ander karakter en een andere beteekenis, dan in eene voorafgaande, eene andere samenleving, met andere produktie-verhoudingen en krachten en een andere, maatschappelijke wijze van ruilen.

In de private produktiewijze, gelijk het kapitalisme van onzen tijd haar heeft geschapen, arbeidt elk, oogenschijnlijk voor zichzelve, en de manier waarop ieder aan het produkt van den ander komt schijnt niet geweten te kunnen worden aan het karakter van hunnen arbeid, maar aan de eigenaardigheden van het produkt-zelf.

De verhoudingen dier personen onder elkander, gelijk zij door het maatschappelijk karakter van den arbeid worden bepaald, verkrijgen, onder de heerschappij van de warenproduktie den schijn van verhoudingen van dingen, namelijk: van produkten onder elkander. Zoolang de produktie een direkt maatschappelijke was, was zij onderworpen aan de bepaling en aan de leiding van de maatschappij en lagen de verhoudingen der producenten, onder elkander, duidelijk voor de hand. Zoodra evenwel de arbeid tot privaat-arbeid werd, die onafhankelijk werd bedreven; zoodra de produktie daardoor tot een planlooze werd, verschenen de verhoudingen der producenten tot elkander, als verhoudingen van produkten. Van nu af lag de bepaling van de verhouding der producenten onderling, niet meer bij hen zelf. Deze verhoudingen ontwikkelden zich, onafhankelijk van den wil der menschen, de maatschappelijke machten groeiden hen over het hoofd, zij verschenen voor de naïeve beschouwingswijze uit vroegere eeuwen, als goddelijke machten, zooals zij later voor klaardere koppen, machten der "natuur" geworden waren. Aan de natuurvorm der Waren, werden nu eigenschappen toegeschreven, van een mystiek karakter, omdat zij niet uit de verhoudingen der producenten onderling konden worden verklaard. Marx noemt dit verschijnsel, de erkenning van het "fetichisme dat den arbeidsprodukten aankleeft, zoodra zij als Waren worden geproduceerd en dat daarom van de Waar onafscheidelijk is. Dit fetichistisch karakter van de Waren-wereld ontspruit... uit het eigenaardig maatschappelijk karakter van den arbeid, die Waren voortbrengt.

"Gebruiksgoederen worden in het algemeen slechts Waren, omdat zij produkten der van elkander onafhankelijk gedreven privaat-arbeid zijn. Het complex van deze privaat-arbeid vormt den maatschappelijken totaal-arbeid. Daar de producenten eerst weder met elkander in een maatschappelijk contakt komen door middel van den ruil hunner arbeidsprodukten, komt ook het specifiek maatschappelijk karakter van hunnen privaat-arbeid, eerst weder in dezen ruil aan den dag."

WAARDE DER WAREN.

Gelijk wij zagen, heeft de Waar ten doel te worden geruild tegen een andere. Zij kan slechts aan dit doel beantwoorden onder de voorwaarde, dat door haar eene menschelijke behoefte, van welken aard ook, bevredigd wordt. Voor Marx maakt het geen verschil, of die behoefte, eene werkelijke of een ingebeelde is; of het brood is of katoen of een behoefte naar luxe. Deze onderscheidingen, door sommige spitsvondige economen wel eens gemaakt, gelden in de werkelijkheid dan ook inderdaad niet.

De Waar moet dus een nuttig ding zijn: zij moet gebruikswaarde bezitten. Deze laatste eigenschap, die de Waar noodzakelijk hebben moet, wordt bepaald door de physieke eigenschappen van het lichaam van de Waar. Gebruiksnuttigheid vormt de stoffelijke inhoud van den rijkdom, hoedanig zijne maatschappelijke vorm ook zijn mag. Gebruikswaarde is dus geene, der waren alléén aanklevende eigenschap. Er zijn gebruiksnuttigheden die géén waren zijn, bijv. produkten van een op communistischen grondslag ingericht gemeenschapswezen, zooals die der oude indische dorpsgemeenten. Ja, er zijn gebruikswaarden die niet eens arbeidsprodukten zijn, zooals bijv. de vruchten van een oerwoud, water van een vloed enz. enz. Maar, er kan geen Waar bestaan die niet gebruikswaarde heeft.

Doordien de Waren worden wat zij zijn en waartoe zij bestemd zijn, verkrijgen zij een tweede eigenschap, die van te worden geruild: hunne ruilwaarde dus. De verhouding waarin zich de Waren tegen elkander doen ruilen, wordt door hunne waarde bepaald.

Wij hebben hier niet met abstrakte begrippen van waarde van een of ander te doen. Wij hebben hier de Waar als maatschappelijk ding, wier produktie aan bepaalde maatschappelijke verhoudingen en voorwaarden en aan de aanwezigheid van bepaalde maatschappelijke krachten is gebonden.

Wat bepaalt dus de waarde dier Waar? De waarde der Waar is niet gelijk aan haren prijs. De laatste is alleen maar hare ruilwaarde in geld uitgedrukt. Daardoor kan dus, als gezamenlijke produkten van menschelijken arbeid, hunne waarde niet worden uitgemaakt. Als gebruikswaarden worden zij slechts daarom tegen elkander geruild, omdat zij juist verschillende, niet-gemeenschappelijke, natuurlijke eigenschappen hebben, die wel de beweegredenen tot hunnen ruil, maar in geen geval de verhouding van dien ruil, bepalen kunnen.

Het raadsel laat zich slechts oplossen, zegt Marx, wanneer men de algemeene eigenschap der Waren heeft ontdekt, n.l. deze, dat zij arbeidsprodukten, d. w. z. produkten van menschelijken arbeid überhaupt zijn.

Een Waar heeft dus daardoor waarde, omdat in haar, menschelijke arbeid überhaupt, is neêrgelegd.

Die waarde-grootte van de Waren, hoe is die nu te meten? De waarde-meter daarvan, is de hoeveelheid van de waarde-vorming die zij in zich bevatten, van den menschelijken arbeid die in haar is gekristalliseerd. En deze hoeveelheid kan op haren beurt, door niets anders gemeten worden, dan door den arbeidstijd die er noodig was, om de Waar voort te brengen.

Maar niet den individueelen arbeidstijd. Immers dan zou, hoe luier een arbeider was, zooveel te meer waarde zijnen arbeid hebben. Deze arbeidstijd laat zich, volgens Marx, niet anders opvatten dan als eene maatschappelijke faktor van de voortbrenging. In eene bepaalde samenleving zijn deze voorwaarden eveneens gegevene en bepaalde; blijven zij aan elkander gelijk, dan blijft ook de in de produktie eener Waar neêrgelegde hoeveelheid arbeids gelijk; wijzigen zich deze, dan veranderen gene eveneens. Want het totaal van de maatschappelijke verhoudingen, waaronder de produktie plaats vindt, is van de produktiviteit van den arbeid afhankelijk. Onder deze is mede te rekenen, de oogenblikkelijke vorming der arbeiders, de hoogte die de techniek bereikt heeft, de manier van samenwerking van de organen der produktie, de natuurverhoudingen van menigvuldigen soort, zooals daar zijn: rijkdom van den bodem, meteorologische invloeden etc. Al deze omstandigheden zijn aan wisseling onderhevig en daarmede ook de produktiviteit van de maatschappelijke arbeidsopbrengst in een bepaald tijdperk.

Tegelijk hiermede veranderen ook de arbeidshoeveelheden, die noodig zijn om het gelijke produkt voort te brengen, en mede ook deszelfs waarde-grootte.

De waarde-grootte van tweeërlei waren staan dientengevolge in de verhouding van kwantiteiten van den maatschappelijk noodzakelijken arbeid, die tot hunne produktie gevorderd worden. Kan dus de hoeveelheid arbeid, noodig tot de voortbrenging van een warensoort, ingekrompen worden tot op de helft, door opvoering van de produktiviteit van den arbeid, invoering van machinerie ter vervanging van handenarbeid, volkomener maken van de machinerie enz., dan daalt ook de waarde van die waren tot op de helft. Zoo is de waarde van stalen veren bijv., binnen 60 à 70 jaren, gedaald tot op nog minder dan het honderdste gedeelte harer oorspronkelijke waarde.

Dit is dus het begrip maatschappelijk-noodwendige arbeidstijd, gelijk dit bij Marx geldt.

Reeds was die algemeene waardewet der arbeidsprodukten, hunne bepaling door den arbeid, oorspronkelijk eene ontdekking van de klassieke engelsche economie en in embryonalen vorm was zij reeds bij den engelschen econoom Sir William Petty te vinden. Zij is later door Adam Smith overgenomen en ten slotte op de kapitalistische, half nog manufaktuurlijke, half groot-industrieele produktiewijze, gelijk zij in het Engeland dier dagen (1772-1823) te vinden was, toegepast door den staathuishoudkundige David Ricardo.

Alleen, wat nòch Adam Smith nòch Ricardo zagen en doorschouwen konden, dat doorzag Marx, die als econoom eene latere periode toebehoort, n.l. die der groot-industrie met de stoom en de maatschappelijke massa-produktie. Marx was het gegeven om het maatschappelijk karakter van den arbeid-zelve te doorzien.

Men moet bij de beoordeeling van deze waarde-theorie zich hoeden voor vergissingen. Marx zelf wees hierop reeds. Een dier voornaamste is wel de verwisseling van waarde met rijkdom. De waarde, zegt Marx duidelijk, is eene historische categorie, slechts geldig voor de periode van de warenproduktie; zij is eene maatschappelijke verhouding. De rijkdom daarentegen, is iets stoffelijks en wordt samengesteld uit gebruikswaarden. "Arbeid", zegt Marx, "is niet de eenige bron der door hem voortgebrachte gebruikswaarden voor den stoffelijken rijkdom. De arbeid is zijn vader, gelijk William Petty zegt de aarde zijn moeder is!"

DE WAAR: ARBEIDSKRACHT.

Zooals de voortbrenging der waren verschilt in de eene maatschappelijke periode met die van de andere, zoo zal ook die van den voortbrenger daarvan verschillend moeten zijn in de verschillende produktietijdvakken.

Zoo was de positie van den voortbrenger, den arbeider, een geheel andere in de periode van de oorspronkelijke naturalwirthschaft, dan in die van het feodale Handwerk voor den engeren markt; in die van de Manufaktuur anders dan onder die van de heerschappij der op kapitalistische leest geschoeide fabriek of der kapitalistische huis-industrie.

Onder dit kapitalistisch systeem nu, dat waarin den arbeider gescheiden is van het produkt, dat noch hem toebehoort, noch hem ten goede komt, maar den ondernemer, den bezitter, kan men ten zijnen opzichte niet spreken van zijn arbeid, maar van de geschiktheid die hem eigen is om te arbeiden. Hij is niet de man van den arbeid, die behoort zijnen meester, maar alleen de bezitter van de arbeidskracht. "Onder arbeidskracht of arbeidsvermogen", zegt Marx, "verstaan wij, het totaal physieke en geestelijke geschiktheid, dat in de lichamelijkheid van de levende persoonlijkheid eens menschen bestaat en dat hij in beweging brengt zoodra hij gebruiksnuttigheden van welken soort vervaardigt."....

Deze arbeidskracht komt als een zuivere Waar aan de markt. Wat beteekent dat? De ruil der waren in het algemeen heeft tot voorwaarde, dat de bezitters tegenover elkander komen te staan als vrije menschen. Datzelfde moet dus óók kunnen gelden voor den bezitter van die waar welke arbeidskracht heet.

De bezitter dezer waar moet dus ook een vrij man zijn, die zijn waar niet voor eeuwig maar voor een bepaalden tijd verkoopt, anders wordt hij een slaaf en wordt hij, van een warenbezitter zelve een waar, gelijk de arbeiders, in de samenleving van de grieksche en romeinsche oudheid dat waren.

Nog een andere voorwaarde moet vervuld zijn. Een gebruiksnuttigheid, moet geen gebruikswaarde hebben voor zijnen bezitter. De arbeider die de beschikking heeft over de produktiemiddelen, verkoopt niet zijn arbeidskracht, maar zijn arbeidsprodukt. De van zijn productiemiddelen, van grond en den bodem gescheidene arbeider evenwel, heeft alleen zijn arbeidskracht om ter markt te brengen. Daar vindt hij den ondernemer, die haar koopt of huurt.