Karl Marx en zijne voorgangers
Part 20
"In dezelfde mate waarin de bourgeoisie, d. w. z. het kapitaal zich ontwikkelt, in diezelfde mate ontwikkelt zich óók het proletariaat; die klasse van moderne arbeiders, die slechts zoo lang te leven hebben, als zij arbeid kunnen vinden en die slechts zoo lang arbeid vinden, als hunnen arbeid het kapitaal vermeerdert. Deze arbeiders die zich stuksgewijs verkoopen moeten, zijn een waar, zooals elk handelsartikel dat is en daarvandaan gelijkmatig aan alle wisselingen van de concurrentie, aan alle schommelingen van de markt onderworpen.
"De arbeid van de proletariërs heeft door de uitbreiding van de machinerie en de verdeeling van den arbeid, elk zelfstandig karakter en daarmede alle bekoorlijkheid voor den arbeider verloren. Hij is een gewoon aanhangsel van de machine geworden, van wien slechts de eenvoudigste, eentonigste en gemakkelijk aan te leeren handgrepen worden verlangd. De kosten die de arbeider veroorzaakt, bepalen zich daarvandaan tot die van de bloote levensmiddelen-hoeveelheid die hij noodig heeft tot zijn onderhoud en tot voortplanting van zijn geslacht. De prijs eener waar, ook die van den arbeid, is echter gelijk aan die harer produktiekosten. In dezelfde mate, waarin de walgelijkheid van den arbeid toeneemt, in diezelfde mate neemt het loon àf. Meer nog, in dezelfde mate waarin de machinerie en de verdeeling van den arbeid toenemen, in diezelfde mate neemt ook de massa van den te verrichten arbeid toe, hetzij door vermeerdering van de arbeidsuren, hetzij door vermeerdering van de in een bepaalden tijd te leveren hoeveelheid arbeids, versnelde loop der machines enz.
"De moderne industrie heeft de kleine werkplaats van den patriarchalen meester doen veranderen in de groote fabriek van den kapitalistischen ondernemer. Arbeidersmassa's tezamengedrongen in de fabriek, worden aldaar op militaire wijze georganiseerd. Zij worden als ordinaire industrie-soldaten, onder het toezicht van een volledige hiërarchie van onder-officieren en officieren geplaatst. Zij zijn niet alleen knechten der bourgeoisklasse, maar zij worden dagelijks en op elk uur van dien dag geknecht door de machine, door den opzichter en voor alles, door den individueelen bourgeois zelf, die fabrikant heet. Dit despotisme is zooveel te kleiner, zooveel te hatelijker, zooveel te verbitterender, naar mate het te openlijker de uitbuiting als zijn doel proklameert.
"Hoe minder de handenarbeid geschiktheid, en krachtsuiting gaat vereischen, d. w. z. hoe meer de moderne industrie zich ontwikkelt, des te meer wordt de arbeid der mannen verdrongen door die van de vrouwen. Geslachts- en ouderdomsverschillen zijn niet meer maatschappelijk-geldig voor de arbeidersklasse. Er zijn slechts arbeidsinstrumenten van hen over, die naar gelang van ouderdom en van geslacht, verschillende kosten opleveren.
"Is de uitbuiting van den arbeider door de fabrikanten eenmaal in zooverre gedaan, dat hij zijn arbeidsloon in gereed geld uitbetaald krijgt, dan vallen de andere deelen van de bourgeoisie hem op het lijf, in den vorm van den huisheer, den winkelier, den pandjeshuishouder, enz.
"De tot dusver bestaan hebbende kleine middenstand, de kleine industrieelen, kooplieden en renteniers, de handwerker en de boer, alle deze klassen zinken tot het proletariaat af; deels hierdoor, omdat hun klein kapitaal voor het bedrijf van de groote industrie niet toereikend is, deels daardoor, omdat hunne geschiktheid door de nieuwe produktiewijze van hare waarde wordt beroofd. Zoo wordt het proletariaat gerecruteerd uit alle klassen der bevolking."
Na een schildering van het ontstaan en het verloop van den strijd van het proletariaat, ongeveer gelijk aan die welke in het geschrift tegen Proudhon voorkwam, gaat het "Manifest" verder ons den klassenstrijd schilderend.
"Van alle klassen die heden ten dage tegenover de bourgeoisie zich geplaatst zien, is alléén het proletariaat de werkelijk revolutionaire klasse. De overige klassen komen om, en gaan onder met de groot-industrie; het proletariaat is haar eigen produkt.
"De middenstanden, de kleine industrie, de kleine koopman, de handwerker, de boer, zij allen bestrijden de bourgeoisie, om hun bestaan als middenstand voor den ondergang te vrijwaren. Zij zijn aldus beschouwd, niet revolutionair, zij zijn conservatief. Sterker nog, zij zijn reaktionair, zij zoeken het rad van de vooruitgang terug te draaien. Als zij revolutionair zijn, dan zijn zij het met betrekking tot hun aanstaande overgang tot het proletariaat, maar alsdan verdedigen zij niet hunne tegenwoordige, maar hunne toekomstige belangen; dan verlaten zij hun eigen standpunt, om zich op dat van het proletariaat te stellen".........
"Elke samenleving die tot nog toe bestond, berustte gelijk wij gezien hebben, op de tegenstelling van onderdrukkende en onderdrukte klassen. Om evenwel een klasse te kunnen onderdrukken, moeten haar de voorwaarden verzekerd zijn, waarop zij, minst genomen haar geknecht bestaan kan voeren. De lijfeigene heeft zich in de lijfeigenschap tot medelid van de commune opgewerkt, zooals de kleine burger tot bourgeois onder het juk van het feodale absolutisme. De moderne arbeider daarentegen, in plaats van zich met de vooruitgang van de industrie te kunnen verheffen, zinkt steeds dieper onder de bestaansvoorwaarden zijner eigene klasse. De arbeider wordt een pauper en het pauperisme ontwikkelt zich nog sneller, dan de bevolking en dan de rijkdom. Het wordt hiermede klaar en duidelijk, dat de bourgeoisie ongeschikt is nog langer de heerschende klasse der samenleving te blijven en de levensvoorwaarden harer klasse, der samenleving als eene regelende wet op te dwingen. Zij is ongeschikt tot heerschen, omdat zij ongeschikt is hare slaven, het bestaan, zelfs binnen het raam hunner slavernij te verzekeren; omdat zij gedwongen is hun te laten neerzinken tot eene positie, waarin zij hen voeden moet, in plaats van door hen gevoed te worden. De maatschappij kan niet meer onder haar leven, d. w. z. haar leven, laat zich niet meer vereenigen met dat der samenleving.
"De wezenlijke voorwaarde tot het bestaan en de heerschappij der bourgeoisklasse, is de ophoping van den rijkdom in de handen van privaat-personen, de vorming en vermeerdering van het kapitaal; de voorwaarde van het kapitaal is: de loonarbeid. De loonarbeid berust uitsluitend op de concurrentie der arbeiders onderling. De vooruitgang van de industrie, welker willooze en weêrstandslooze draagster de bourgeoisie is, stelt echter in plaats van het isolement van den arbeider door de concurrentie, hunne revolutionaire aaneensluiting door de vereeniging. Met de ontwikkeling der groot-industrie wordt aldus ook de grondslag onder de voeten der bourgeoisie weggerukt, die waarop zij produceert en de produkten zich toeëigent. Hare ondergang en de zegepraal van het proletariaat zijn beiden gelijkelijk onvermijdelijk."
Het tweede gedeelte van het "Manifest" behandelt den "proletariër en den communist" en de verhouding waarin beiden tot elkander staan, benevens eene uiteenzetting van wat de communisten willen:
"De theoretische stellingen der communisten berusten geensdeels op ideën, op principes die door dezen of genen wereldverbeteraar zijn uitgedacht.
"Zij zijn de algemeene uitdrukkingen van feitelijke verhoudingen, van een bestaanden klassenstrijd, eene, zich onder onze oogen afspelende historische beweging. De afschaffing van de tot nu toe bestaande eigendomsverhoudingen, is niet iets dat aan het communisme in het bijzonder eigen is.
"Alle eigendomsverhoudingen waren aan een gedurige historische wisseling, aan eene gestadige historische verandering onderworpen. De fransche revolutie bijv., schafte den feodalen eigendom, ten gunste van den burgerlijken af.
"Wat het communisme karakteriseert, dat is niet de afschaffing van den eigendom in het algemeen, maar de afschaffing van den burgerlijken eigendom."
De moderne burgerlijke privaat-eigendom is echter de laatste en meest volkomene uitdrukking van de voortbrenging en de toeëigening der produkten, welke op klassetegenstellingen, op de uitbuiting van den een door den ander berusten.
In dezen zin kunnen de communisten hunne theorie in deze eene uitdrukking: "opheffing van het privaat-bezit" samenvatten.
Vervolgens weêrlegt het "Manifest" alle tegenwerpingen, die er gemaakt zijn geworden tegen de doeleinden der communisten. In de eerste plaats, dat zij "den eigendom" willen afschaffen. Het antwoordt hierop: "dat de communisten niet den eigendom als zoodanig willen afschaffen, om die reden, dat zij dat niet zouden kunnen. Iets anders is het, dat zij den privaat-eigendom willen doen vervangen door de gemeenschappelijke. Die privaten eigendom namelijk, welke zich beweegt in de tegenstelling, tusschen kapitaal en loonarbeid. Het kapitaal is geen persoonlijke maar eene maatschappelijke macht. Het is een produkt van gemeenschappelijken arbeid en kan slechts door eene gemeenschappelijke werkzaamheid van vele leden, in laatste instantie van die van alle leden der gemeenschap, in beweging worden gezet. Wordt het in gemeenschappelijk, aan alle leden der samenleving toebehoorend eigendom veranderd, dan verandert niet de persoonlijke eigendom in gemeenschappelijk, maar het maatschappelijk karakter van den eigendom verandert, doordien dit zijn klasse-karakter verliest."
"In de burgerlijke maatschappij is de levende arbeid slechts een middel om den opgehoopten arbeid te doen vermeerderen. In de communistische samenleving, zal de opgehoopte arbeid slechts een middel zijn om het levensproces van den arbeider te verruimen, te verrijken en te bevorderen.
"In de burgerlijke samenleving heerscht dus het verleden over het heden, in het communisme zal het heden over het verleden heerschen. In de burgerlijke samenleving is het kapitaal zelfstandig en persoonlijk, terwijl het werkende individu ònzelfstandig en ònpersoonlijk is."....
"Gij werpt ons voor," zoo roept het Manifest den tegenstanders toe, "dat wij uw eigendom willen afschaffen! Zeker, dat is zoo!"
"Van af het oogenblik, waarin de arbeid niet meer kan worden omgezet in kapitaal, geld of grondrente, in 't kort tot een monopoliseerbaar iets kan worden gemaakt.... van dat oogenblik af, verklaart gij den persoon voor opgeheven."
"Gij stemt aldus toe, dat gij onder den persoon, niemand anders verstaat dan den bourgeois, den burgerlijken bezitter. En deze persoon nu, zal zeer zeker moeten ophouden te bestaan!
"Het communisme beneemt niemand de macht zich maatschappelijke produkten toe te eigenen, het beneemt alleen hem de macht, door middel van vreemden arbeid anderen te onderdrukken."
"Men wierp ons voor, met de opheffing van het privaatbezit zal alle werkzaamheid ophouden te bestaan en eene algemeene luiheid zal er heerschen.
"Ware dat zoo, dan moest de burgerlijke maatschappij reeds sinds lang aan luiheid te gronde gegaan zijn; want die in haar arbeiden, worden niet rijker en die in haar rijker worden, arbeiden niet. De gansche bedenking loopt uit op de tautologie, dat er geen loonarbeid meer bestaat, zoodra er geen kapitaal meer bestaat."
Het "Manifest" weerlegt vervolgens alle aanklachten, die van ideologisch, philosophisch en religieus standpunt gemaakt zijn tegen het Communisme. "Met de levensverhoudingen der menschen," zegt het, "met het maatschappelijk bestaan, veranderen ook hunne voorstellingen, beschouwingen en begrippen, in één woord verandert hun bewustzijn. Wat bewijst de geschiedenis anders, dan dat de geestelijke voortbrenging, verandert met de materieele? De heerschende ideën van een zekeren tijd, waren altijd maar de ideën van de in dien tijd heerschende klasse.
"Men spreekt van ideën welke eene gansche samenleving revolutioneeren; men constateert daarmede het feit, dat zich binnen het raam van de oude samenleving de elementen tot eene nieuwe gevormd hebben dat met de oplossing der oude levensverhoudingen; de oplossing der oude ideën gelijken tred houdt.
"Toen de oude wereld aan het òndergaan was, werden de oude godsdiensten overwonnen door de christelijke religie. Toen de christelijke ideën in de 18e eeuw het aflegden tegen de verlichtings-ideën, streed de feodale maatschappij haren doodstrijd met de toenmalige revolutionaire bourgeoisie. De ideën van de gewetens- en religievrijheid, waren slechts de weerklank van de heerschappij der vrije concurrentie, op het gebied van de wetenschap".....
De tegenwerping, dat er toch "eeuwige waarheden" zooals vrijheid, gerechtigheid enz., zijn, die aan alle maatschappelijke toestanden gemeen zijn, weêrlegt het Manifest met te zeggen:
"Onder vrijheid verstaat men in de tegenwoordige burgerlijke produktieverhoudingen, den vrijen handel, den vrijen koop en verkoop.
"Vervalt evenwel den schagger, dan vervalt ook den vrijen schagger. De tirades over den vrijen handel, gelijk alle overige vrijheidsredevoeringen van onze bourgeoisie, hebben over het algemeen maar eenigen zin tegenover den gebonden schagger, tegenover den geknechten burger van uit de Middeneeuwen, niet echter, tegenover de communistische opheffing van den schagger, der burgerlijke produktieverhoudingen en der bourgeoisie zelf."
"Gij zijt er verontrust over dat wij den privaat-eigendom willen opheffen. Maar in uwe bestaande maatschappij, is het privaat-bezit voor negen tiende harer leden reeds opgeheven; bestaat het juist dáárdoor dat het voor 9/10 niet bestaat! Gij werpt ons dus voor, dat wij een eigendom wenschen op te heffen, hetwelk de eigendomloosheid van de overgroote massa, als eene noodzakelijke voorwaarde voorop stelt.".....
"En de opheffing der familie" dan, welke men den communisten verwijt!
"Waarop", vraagt het Manifest, "berust de tegenwoordige burgerlijke familie? Op het kapitaal, op den privaten winst. Volkomen ontwikkeld bestaat zij slechts bij de bourgeoisie; maar zij verkrijgt hare aanvulling in de gedwongen familieloosheid van de proletariërs en de publieke prostitutie.
"De familie der bourgeois valt natuurlijk weg met het wegvallen van deze hare aanvulling, en beiden verdwijnen met het verdwijnen van het kapitaal.
"Werpt gij ons nu voor, dat wij de uitbuiting van de kinderen door hunne ouders opheffen willen? Dan stemmen wij met dat verwijt volkomen in.
"Maar, zegt gij, wij heffen de intiemste verhoudingen op, doordien wij in de plaats van de huiselijke opvoeding die van de samenleving willen plaatsen!
"Maar wordt niet uwe opvoeding door de samenleving bepaald? Door de maatschappelijke verhoudingen, binnen welke gij opvoedt, door de direktere of indirektere inmenging van de maatschappij, door middel van de scholen enz. De communisten hebben de inwerking van de samenleving op de opvoeding niet uitgevonden: zij veranderen haar karakter alleen, zij ontrukken alleen de opvoeding aan den invloed van de heerschende klasse.
"De burgerlijke tirades over familie en over opvoeding, over de intieme verhoudingen van ouders tot kinderen, zijn evenwel te ellendiger, naarmate te meer door en ten gevolge van de groot-industrie, alle familiebanden van den proletariër zijn vaneengereten en zijne kinderen tot eenvoudige handelsartikelen en produktie-instrumenten zijn geworden."
Het "Manifest" wijst er dan vervolgens op, dat de communistische revolutie de radikaalste zal zijn, omdat zij zal breken met de traditioneele eigendomsverhoudingen, geen "wonder dat in hare ontwikkelingsgang op het radikaalst gebroken wordt met de traditioneele ideën."
Als eerste schrede van de arbeiders om tot de verheffing van het proletariaat te geraken, wijst het "Manifest" de "verovering van de demokratie aan." "Het proletariaat," zegt het verder, "zal zijne politieke heerschappij daartoe aanwenden, der bourgeoisie voor en na al het kapitaal te ontrukken, alle produktiemiddelen in handen van den Staat, d. w. z. van het als heerschende klasse georganiseerde proletariaat te centraliseeren en de massa der produktiekrachten, zoo snel mogelijk te doen vermeerderen.".......
"Zijn in den loop van de ontwikkeling de klasseverschillen verdwenen en is alle produktie in handen van de geassocieerde individuen samengetrokken, dan heeft de Staat zijn politiek karakter verloren. De politieke macht in den eigenlijken zin, is de georganiseerde macht van de eene klasse, tot onderdrukking van de andere. Wanneer het proletariaat in den strijd tegen de bourgeoisie, zich noodzakelijk tot klasse vereenigt; door een revolutie zich tot heerschende klasse maakt en als heerschende klasse, gewelddadig de oude produktieverhoudingen opheft, dan heft het met deze produktieverhoudingen, de bestaansvoorwaarden van de klassetegenstellingen, der klassen over het algemeen op, en daarmee tegelijk: zijne eigene heerschappij als klasse.
"In de plaats van de oude burgerlijke samenleving met hare klassen en klassetegenstellingen treedt dan eene associatie, waarin de vrije ontwikkeling van een ieder, de voorwaarde voor de vrije ontwikkeling van allen is."
Het "Manifest" behandelt in zijn derde gedeelte achtereenvolgens, de vormen van socialisme, gelijk men die in de dagen vóór 1848 in West-Europa aantrof: 1e. Het Reaktionaire socialisme, waaronder a. "feudale socialisme", b. het "klein burgerlijk socialisme" en c. het "duitsche" of het "ware socialisme" gerekend werden. Dan 2e. het "Conservatieve of het bourgeois-socialisme" en ten 3e. het "Critisch-utopistische socialisme".
In het vierde gedeelte stelt het "Manifest" de positie in het licht, die de Communisten tegenover de verschillende oppositioneele partijen innemen.
"De communisten", zegt het, "strijden voor de bereiking van de onmiddellijk voor de hand liggende doeleinden en belangen der arbeidersklasse, maar zij vertegenwoordigen in de tegenwoordige beweging de toekomst dier beweging".... "Zij laten geen oogenblik verloren gaan om bij den arbeider een zoo mogelijk klaar bewustzijn, over de vijandige tegenstelling tusschen bourgeoisie en proletariaat te voorschijn te roepen".... "In één woord de communisten ondersteunen overàl elke revolutionaire beweging, tegen de bestaande maatschappelijke en de politieke toestanden gericht.
"In alle deze bewegingen verheffen zij de eigendomskwestie, welke meer of minder ontwikkelde vorm deze ook mag hebben aangenomen, tot de principieele kwestie van de beweging.
"De communisten arbeiden voorts overal aan de verbinding en de verstandhouding der demokratische partijen van alle landen".
"De communisten versmaden het hunne inzichten en doeleinden te bemantelen. Zij verklaren het ronduit, dat hun doel alleen kan worden bereikt door de gewelddadige omverwerping van de tot nu toe bestaande maatschappelijke orde. Mogen de heerschende klassen, sidderen voor eene communistische revolutie! De proletariërs hebben niets te verliezen dan hunne ketenen! Zij hebben daarentegen een wereld te winnen!"
"Proletariërs aller landen vereenigt U!"
Aldus eindigt dit klassieke dokument van het wetenschappelijke socialisme. Van af zijnen tijd dagteekent de eigenlijke sociaal-demokratie.
Wij moeten verder Marx' kleineren arbeid, na hem vluchtig te hebben aangestipt laten rusten, om ons met zijn hoofdwerk de "Critiek op de staathuishoudkunde" die later volkomener is gemaakt door "Das Kapital", bezig te houden.
Na de Revolutie van 1848 in Duitschland, door de verandering van de toestanden, welke Marx e. d. weder de gelegenheid verschaften naar Duitschland terug te keeren, richtte hij met medewerking van vrienden waaronder ook Engels in Keulen de "Neue Rheinische Zeitung" op. Het eerste nummer van dit blad, dat zich onmiddellijk in de politiek op streng demokratischen en in sociale dingen op communistischen grondslag plaatste, verscheen 1 Juni 1848. Onder zijne tijdelijke medewerkers telde het blad o. a. de jonge Ferdinand Lasalle, die eenige jaren later in Duitschland als pionier der socialistische beweging zulk een groote rol zou spelen.
Maar de reaktie had in Duitschland en vooral in Pruissen, spoedig weder gezegevierd en met meer dan twee dozijn processen beladen wegens wederspannigheid, en voornamelijk om haar aansporen tot het weigeren van belastingbetalen aan eene regeering, die de pas verworven rechten der burgerij met voeten trad, moest de "Neue Rheinische Zeitung" den 19e Mei 1849 ophouden te verschijnen.
Freiligrath de dichter had voor dit laatste nummer de volgende dichtregelen geschreven:
"Kein offner Hieb in offner Schlacht-- Es fällen die Nücken und Tücken, Es fällt mich die schleichende Niedetracht Der schmutzigen Westkalmücken! Aus dem Dunkel flog der tötende Schaft, Aus dem Hinterhalt fielen die Streiche-- Und so lieg' ich nun da, in meiner Kraft, Eine stolze Rebellenleiche!"
Marx toog weder naar Parijs, waar hij de later beroemd geworden historische schets van de fransche Revolutie van 1848 schreef, die de eerste toepassing van zijn geschiedschrijvingsmethode op de gebeurtenissen van den dag was.
Deze artikelen-reeks later uitgegeven onder den titel: "de Burgeroorlog in Frankrijk," is later aangevuld met een niet minder prachtige historische analyse van de overwinning der reaktie in Frankrijk onder Napoleon III, door Marx betiteld met "Der 18e Brumaire des Louis Bonaparte." Ook over de duitsche Revolutie van 1848 zijn toen door Marx artikelen geschreven, die voor eenige jaren geleden uitgegeven zijn onder den titel: "Revolutie en Contra-Revolutie in Duitschland in 1848."
Volledigheidshalve moet hier nog melding worden gemaakt, dat na een proces, dat men den leden van den "Communistenbond" in Duitschland aandeed wegens hoogverraad en waarbij een aantal hunner veroordeeld werden, dezen Bond opgeheven moest worden. Marx heeft de gansche historie van dien Bond, benevens zijn karakter en ook dat van de op de revolutie gevolgde reaktie, terneergeschreven in een boekje: "Het Keulsche Communisten-proces" genaamd.
Marx toog, nadat ook Parijs hem voor de tweede maal als woonplaats ontzegd was, naar Londen, om zich daar voor goed te vestigen. Aldaar moest hij werken om zijn brood, door journalistieken arbeid te verrichten en had hij inmiddels ook eenige kinderen gekregen. Maar wat hem het meest in Londen bleef aantrekken, dat was de gelegenheid die hij aldaar vond, om zijne economische studiën voort te zetten. Eerstens, omdat Engeland het groote proefveld was voor iemand, die in die dagen de groot-industrie met al hare voor- en nadeelen, licht- en schaduwzijden wilde leeren kennen. Tweedens, omdat er in het "British Museum" een ongekende hoeveelheid materiaal was te vinden voor politiek-economische studiën. Derdens omdat Londen zelf, de interessantste plaats was tot waarneming van het burgerlijk leven; en ten laatste, door het nieuwe ontwikkelingsstadium waarin de burgerlijke samenleving gekomen was door de ontdekking van de Californische en Australische goudmijnen. Marx zelf verklaarde hieromtrent:
"De physikus beschouwt natuurprocessen, of daar waar zij in hunnen scherpst afgeteekenden vorm en van storenden invloeden onberoerd zijn waar te nemen; of zoo mogelijk, maakt hij experimenten onder voorwaarden, welke hem eene zuivere ontwikkeling van het proces kunnen verzekeren. Wat ik in dit werk trachtte na te vorschen (in "Das Kapital" n. l.) is de kapitalistische produktiewijze en de aan haar beantwoordende produktie- en verkeersverhoudingen. Hunne klassieke verblijfplaats is tot nu toe nog Engeland. Dit is de reden, waarom dit land als hoofd-illustratie mijner theoretische ontwikkeling dienst doet." Aldus luidt het in de "Voorrede" van het eerste deel van "Das Kapital".
MARX OVER VRIJ-HANDEL.
Wij hebben nog melding te maken van een tweetal studiën van staathuishoudkundigen aard, welke beiden dateeren uit de periode der Brusselsche ballingschap van 1847. Het zijn Voordrachten, door Marx in openbare vergaderingen gehouden. Zijne groote kennis van economische toestanden en de proeven zijner critische gaven op dit gebied blijken reeds uit beiden.