Karl Marx en zijne voorgangers
Part 2
Wij zullen in het nu volgend hoofdstuk nog nagaan, op welke wijze er reeds in die Revolutie-zelve, gearbeid werd aan of gedacht werd over, socialistische of communistische idealen.
EERSTE GEDEELTE.
HOOFDSTUK I.
DE FRANSCHE REVOLUTIE VAN 1789.
Toen de achttiende eeuw ten einde neigde, had de economische ontwikkeling van Engeland die van Frankrijk reeds vrijwel ingehaald niet alleen, maar was haar reeds boven het hoofd gewassen. Maar in Engeland hadden reeds in 1648, en daarna in 1688 in de z. g. n. "glorious revolution" ("glorierijke omwenteling") de burgerlijke klassen gezegevierd over den adel en het absolute koningschap.
De strijd der fransche burgerklasse richtte zich tegen alle bestaande grondslagen der maatschappij en nergens is zoo van grond uit met het oude opgeruimd, dan in Frankrijk in het Revolutietijdperk van 1789.
De fransche burgerij, die den strijd had te voeren tegen de absolute monarchie en de gepriviligeerde klassen van den adel en de groote geestelijkheid, had in dezen strijd het gansche volk achter zich. Maar dit duurde niet lang; spoedig genoeg, en wel voornamelijk toen het gold de vaststelling van ieders rechten, kwam de verdeeldheid van meening aan het licht, die reeds in den strijd om het bestaan die de Republiek had te voeren, van grooten invloed moest wezen.
Aan den eenen kant splitste de partij van den derden stand zich in die der fabrikanten, groote grondbezitters en handelskapitalisten, aan den anderen kant kwamen de arbeiders te staan en de kleine burgers.
Als vertegenwoordiger der laatste belangen, komt in het revolutie-tijdperk vooral Jean Paul Marat op, die hoewel zelve geen arbeider maar geneesheer, méér den proletarischen kant van de Revolutie zag, dan vele anderen die met hem aan haren spits stonden.
Marat werd vroegtijdig vermoord, door Charlotte Cordaij. En op aandringen van de Mirabeau, de edelman die in het voorspel tot de Revolutie eene belangrijke rol had gespeeld, zou zelfs de burgerklasse haren vrede hebben gesloten met de constitutioneele monarchie, wanneer niet én Mirabeau vroegtijdig was overleden én de gebeurtenissen aan den grenzen niet zóó geloopen waren, dat alles noodig was om den inwendigen vrede te bewaren en dus aan de eischen der kleine burgerij en der arbeiders toe te geven.
Maar na het tijdperk van den "Terreur", toen het gematigde deel der bourgeoisie weder de bovenhand had gekregen, werd er hoe langer hoe meer opgetreden tegen de communistische tendenzen, vooral tegen die van de groepen der jakobijnen. Van de laatsten verdient in de eerste plaats hier vermeld te worden
FRANÇOIS BOISSEL,
geboren te Joijeux in Vivarais in 1728, die in 1753 advokaat van het parijsche Parlement werd, later naar het eiland St. Domingo ging, maar in 1789 bij het uitbreken van de Revolutie, naar Frankrijk terugkeerde.
Hij trad in 1799 op, met een "Catechismus van het menschelijk geslacht", waarin hij zeer koene conclusies trok uit de in 1789 geproklameerde "Rechten van den Mensch" en zijne ideën bloot gaf omtrent eene hervorming van de maatschappij.
De voorwaarde om te komen tot eene maatschappij, waarin geen eigenbelang zal heerschen, en den eigendom niet eene private zaak, zag Boissel wel voornamelijk in eene sociale opvoeding. De kinderen moesten derhalve door de gemeenschap worden opgevoed meende hij.
Als overgangsmaatregel stelt Boissel, en dit is voor hem als fransch socialist van de 18e eeuw typisch, eene "progressieve inkomstenbelasting" voor, die den rijken ten-slotte zóó belasten zal, dat voor hen het privaat-bezit elke waarde verliest. Uit de opbrengst zullen pensioenen moeten worden bestreden voor ouden en invaliden. Ook sloeg Boissel het oprichten van staatsmagazijnen van agricole produkten voor, en publieke werkinrichtingen voor werkeloozen van staatswege.
Na hem, komt hier in aanmerking als maatschappelijk hervormer, Robespierre's vriend en volgeling
SAINT-JUST.
Deze, die in 1794 na Danton's val aan de regeering kwam, meende, dat zoolang er nog armen en behoeftigen waren, de zaak van de vrijheid, van de Republiek, in gevaar was. "Duldt in den Staat noch eene ongelukkige, noch eene arme: alleen tot dien prijs zult gij eene ware republiek kunnen in stand houden!" De economische gelijkstelling is de levensvoorwaarde voor de republiek; de rijkdom der "aristokratie" is voor de republiek evenzoo gevaarlijk als de ellende des volks. "Er behooren noch rijken, noch armen te bestaan.... Daar waar er te groote bezitters bestaan daar vindt men louter armen.... De rijkdom is een infamie", enz., ziedaar zijn meeningen.
De ellende, die wel het naast, volgens Saint-Just, een gevaar oplevert voor de republiek, moest in de eerste plaats dan ook uitgeroeid worden. Dit was te vinden door zeer strenge agrarische wetten: "Ten einde de zeden te hervormen en den nood te bevredigen, moest men beginnen, met een ieder wat land te geven. Het bedeldom moet worden tegengegaan door verdeeling van de nationale goederen onder de armen."
Voorál moest het volk zich op den landbouw kunnen toeleggen, daar alleen een landbouwend volk een "deugdzaam" en een vrij volk kan wezen.
De mogelijkheid om de maatschappij gelukkig te maken, zag Saint-Just, evenals zoovele hervormers uit het midden der 18e eeuw dan ook gelegen in de wetgeving en die wel uitsluitend van uit een streng gecentraliseerden Staat. Saint-Just viel echter spoedig met Robespierre, wiens handlanger en vriend bij was, en hiermede ging ook zijn plan te gronde.
Maar het eerst en het voornaamst werden communistische denkbeelden, te midden van de Fransche Revolutie verkondigd door een man, die niet aarzelde, zelfs niet onder het Schrikbewind, met zijn meeningen voor den dag te komen. Die man was:
FRANÇOIS NOËL BABEUF,
of, gelijk hij zich-zelf gaarne noemde, met eene herinnering aan de Romeinsche geschiedenis, Grachus Babeuf, werd in 1760 te Saint-Quentin uit Calvinistische ouders geboren.
Op 16-jarigen leeftijd als schrijver bij een landmeter werkzaam, werd hij daarna ambtenaar bij het kadaster in Roije (Picardië). In deze positie leerde hij den slimmen nood waarin het landvolk zich bevond van nabij kennen en het is wel daaraan te wijten, dat hij zich reeds in 1887 onledig hield met de studie van de werken van Meslier, Morelly en Mably, en met het vraagstuk van de afschaffing van den eigendom.
Na de bestorming der Bastille, waaraan hij deel had genomen, bekleedde hij verschillende ambten in dienst van den Staat. In 1794 stichtte hij het "Journal de la liberté de la presse", dat later in "Tribun du peuple" werd omgedoopt. Na den val van Robespierre en zijnen aanval op degenen welke dezen ten val hadden gebracht, de Thermidoristen, werd hij, tezamen met een aantal eveneens radikale republikeinsch-gezinden, in de gevangenis geworpen. Hier was het, dat Babeuf de gelegenheid kreeg, om met hen van gedachten te wisselen, over het beginsel van de gelijkheid en te onderzoeken of de gelijkheid, zooals die tot nog toe was verstaan, wel eene grondstelling voor het maatschappelijk leven kon heeten van genoegzame waarde, om het geluk en het leven daarvoor te wagen. Zij werden tot twijfel daaraan gedreven, door de gebeurtenissen van den laatsten tijd, en kwamen tot de slotsom, dat het simpele politieke axioma van de gelijkheid alléén, geen ideaal kon zijn waarmede de menschheid gelukkig te maken was. Zij trokken uit de theorieën van Jean Jacques Rousseau, die in die dagen, wel de bron waren van alle hervormers van voor en in 1789, de verdere consekwenties en de conclusie, dat ook het onderscheid in bezit moet worden weggenomen, wil de politieke gelijkheid geen chimère, geen denkbeeldig iets blijken te zijn.
In October 1795 weder vrijgelaten, ging Babeuf dadelijk aan het agiteeren voor zijne denkbeelden, die communistisch waren en de natuurrechtelijke politieke gelijkheids-ideën van Rousseau ten grondslag hadden. "De mensch is van nature goed" gelijk Rousseau leerde; "deze goede en onbedorven mensch werd eigenlijk nog maar vertegenwoordigd door die uit de onderste standen der samenleving, die van de weelde en de verdorvenheid daarmede gepaard gaande, bevrijd waren gebleven. Daarom moest door de toekenning van alle politieke rechten het volk tot de regeering brengen," omdat, gelijk men in 1793 zeide: "le but de la société est le bonheur commun" (het doel van de maatschappij is het gemeenschappelijk geluk.) Robespierre verklaarde: "Nous voulons un ordre des choses, où toutes les passions basses et cruelles soient enchainées, toutes les passions bienfaisantes et généreuses éveillées par les lois.... Nous voulons substituer dans notre pays, la morale à l'égoïsme, la probité à l'honneur, les devoirs aux bienséances, le mépris du vice au mépris du malheur." (Wij willen een orde van zaken, waarin alle lage en slechte hartstochten zullen worden vastgelegd, alle edele en weldadige hartstochten zullen worden opgewekt door de wetten... Wij willen in ons land de moraal stellen in de plaats van de zelfzucht, de braafheid voor de eer, de plichten voor de zeden, de smaad van de gebreken voor die van het ongeluk). Babeuf wilde uitgaande van deze gedachten, als grondstellingen voor een ideale maatschappij, de arbeidsplicht van allen, wettelijke vaststelling van het getal arbeidsuren; leiding van de produktie door eene, door het volk direkt gekozen opperste macht; verdeeling van den noodzakelijken arbeid onder de burgers onderling; afdoening van den onaangenamen arbeid door de burgers naar de rij af; het recht van alle burgers op gezamenlijk genot, en diensvolgens gezamenlijke verdeeling der gebruiksgoederen--welker voortbrenging, door de algemeene deelname daaraan natuurlijk zeer zoude stijgen--onder de individuen, naar de mate hunner behoeften.
Dit communistisch stelsel verkreeg eene hoogere wijding bij Babeuf, dewijl hij het verdedigde, niet zoozeer met wetenschappelijke, als wel met godsdienstig-bijbelsche uitspraken en stellingen. Het communisme zou daarnaar een wil van God, de aardsche gelukzaligheid en de voorbereiding zijn tot de hemelsche; en de eenige drijfveer tot dat alles, zal de "deugd" zijn.
Maar daar deze phantazie niet zoo dadelijk te verwerkelijken was, gelijk ook Babeuf wel begreep, zoo waren er een aantal maatregelen noodig voor het tegenwoordige, opdat in de toekomst de menschheid dit ideaal bereiken kon. In de eerste plaats dan moest er worden ingesteld eene "groote nationale gemeenschap van goederen", waartoe zullen moeten behooren alle staatseigendommen, al het vermogen van de "vijanden der volkszaak" zoowel als alle goederen, welker aanbouw door de eigenaren derzelven, niet werd uitgevoerd. Elke franschman zal tot deze gemeenschap kunnen toetreden, doordien hij zijn vermogen ten haren dienste stelt en haar zijne arbeidskracht aanbiedt. Dan zal de gemeenschap de erfgename moeten zijn van elke private erfenis. De medeleden arbeiden gezamenlijk en krijgen daarvoor voedingsmiddelen in ruil, zooals eene "matige en sobere keuken, die plegen op te leveren"; zoowel alles wat noodig is voor het leven. Wie met schulden de gemeenschap bijtreedt, wordt van alle zijne verplichtingen ontheven.
Dit zijn in 't kort, de denkbeelden waarvoor Babeuf in 1795 de agitatie in zijn "Tribun du peuple" ondernam; die hij predikte in stad en land en daar hij een meester van het woord was in alle opzichten, zoowel door zeggingskracht als door woordenkeus zijn gehoor wist mede te sleepen, maakte zijne propaganda een geweldigen indruk. Vooral na den val der Jacobijnen, richtte hij er al zijne krachten op, dezen weder uit hunne verstrooidheid en tot hereeniging te brengen. Hij richtte weder een dier geheime genootschappen op--in de dagen van de 1789 eene zoo geweldige kracht,--die hij het genootschap van de "Gelijken" noemde. Daarnevens werden een aantal kleine "clubs" gesticht over het geheele land; zoodat naar men meende in vrij korten tijd Babeuf méér dan 17.000 aanhangers van zijne sociale theorieën om zich heen had verzameld.
Alsnu trad de regeering handelend op. De poging die er zoude worden gedaan om zich meester te maken van de macht in den staat, teneinde eene andere sociale orde van zaken in te stellen, was namelijk verraden geworden. In het begin van Mei 1796, werd Babeuf zelf in hechtenis genomen, nadat zijne vrienden reeds eerder gevat waren en terecht waren gesteld. De rechtbank veroordeelde hem wegens samenzwering tegen den staat ter dood, welk vonnis hij heldhaftig den 8ste prairial 1797, op de place de la Vendôme onderging met zijn vriend Darthé. Van zijn medestanders waren er enkelen gevlucht, anderen tot deportatie veroordeeld.
Dit was het einde van een man die in armoede geboren en in armoede geleefd heeft, en meende, dat het aan den goeden wil van een betrekkelijk klein aantal menschen lag, om de leuzen, die in de Revolutie van 1789, eene zoo geweldigen dienst hadden gedaan, tot werkelijkheid te maken. En hiermede hadden de socialistische pogingen in de Fransche Revolutie geboren, en die welke ten doel hadden deze hervorming tot eene radikale te doen zijn, voor goed schipbreuk geleden.
De geheele Revolutie verliep verder in het Keizerrijk van Napoleon Bonaparte, die van eersten Consul der Republiek, weldra Keizer werd. En onder diens regeering had Frankrijk te veel oorlogen te voeren en genoot te veel eene betrekkelijken voorspoed, dan dat er aan de verwerkelijking der leuzen van 1789 kon worden gedacht.
Eerst in de periode van het herstel, die der "Restauratie", doken er weder plannen op, die er op doelden eene grondige sociale vervorming van de maatschappij, van eene kapitalistische in eene socialistische, in het leven te roepen.
De moderne socialistische Utopisten, of gelijk men ze noemt de "groote Utopisten" kwamen als nu ten tooneele. De aanvang van de negentiende eeuw zag de socialistische denkers opstaan; zag den graaf de Saint-Simon en Charles Fourier in Frankrijk en Robert Owen in Engeland aan den arbeid gaan, ten einde het menschelijk ideaal, de algemeene welvaart en de grootste som van menschelijk geluk, te trachten tot werkelijkheid te maken.
HOOFDSTUK II.
DE SOCIALISTISCHE UTOPISTEN.
In alle kampen en verwarringen der Revolutie, als eenerzijds de hartstochten den hoogsten graad hadden bereikt, anderzijds de begeestering gloeide en zich in woorden en daden omzette, bleef er evenwel iets, dat de menschen, in weerwil van al hun peinzen en hunne inspanning niet begrijpen konden. De Revolutie had ontzaggelijke menschenoffers gekost, maar met het guillotineeren van menschen, bleef evenwel die toestand bestaan.
Die toestand, een economische toestand, was het kapitalisme, dat juist door de revolutie in Frankrijk zich eerst recht ontplooien kon.
Het kapitalisme had uit alle inwendige, zoowel als buitenlandsche verlegenheden der Republiek nut getrokken. Het had uit de confiscatie der goederen, het had uit de assignatenzwendel, uit de instelling van het wettelijk maximum, uit de rationeeringen, uit de veldtochten met hunne wapen-, kleeding- en voedingsleveranties; uit het continentale stelsel tegen Engeland; kortom, uit alle maatregelen, welke de Constiuante, de Conventie en het "Comité voor publiek welzijn", nam, door het Directoire het Consulaat en Keizerrijk heen zijn nut getrokken en er baten voor zich weten uit te slaan.
De groote vermogens kwamen als paddestoelen uit den grond; de speculatie- en handelsgeest greep meer dan ooit om zich heen en alom maakte zich de kapitalistische geest meester van alle private verhoudingen van de menschen onder-elkander. De theorieën van Adam Smith, die het individualisme tot den grondleer van de Staathuishoudkunde had verheven, kwamen van Engeland naar Frankrijk over en vonden daar geheel spontaan, ook hunne verwerkelijking.
En onder het regime van Napoleon I was de oude orde van zaken weder teruggekeerd. De begeestering voor de "gelijkheid der menschen" verdween en na Napoleon's val kwam het "ancien regime" ("de oude regeeringsorde") terug en alles scheen te gaan gelijken op de toestanden van vóór 1789.
Dat de geest van onderzoek echter nog bestond, bewezen wel op verrassende wijze twee mannen, die tegelijk, en onafhankelijk van elkander, opstonden in Frankrijk. De eerste, die wij hier zullen doen kennen, was de graaf de Saint-Simon.
CLAUDE HENRY DE ROUVRAIJ, graaf de Saint-Simon,
werd den 17en October 1760 geboren. Hij was een achterneef van den groothertog en pair van dien naam, die in zijne kroniek van het hof-leven onder Lodewijk XIV, eene der beroemdste memoire-werken geleverd heeft uit die dagen.
Deze "voorvaderen" spelen dan ook in de Saint-Simon's leven geen geringe rol. Inderdaad stamde het geslacht in rechten lijn af van den lageren adel uit het graafschap Vermandois, waarvan onder de regeering van Lodewijk XIII, een medelid tot den rang van hertog werd verheven. Deze Vermandois nu, leidden hun geslacht af van Karel de Groote. In den droom, vertelt de Saint-Simon ons, was hem eenmaal Karel de Groote verschenen, om hem te profeteeren, dat hij éénmaal als philosoof, het geslacht tot eene even groote eer zou wezen, als dezen dit als Vorst geweest was.
Saint-Simon geloofde inderdaad dat hij, als 't ware gepredestineerd was tot den rol van wereldbeheerschend philosoof. Zijne overspannen phantazie en zijne overigens levendige verbeeldingskracht, deden hem dingen gelooven, die zich in de werkelijkheid niet zoo hebben toegedragen als hij-zelf ze ons mededeelt.
De Saint-Simon was een leerling van de groote d'Alembert, de man die met Diderot en anderen medewerker was aan de beroemde Encyclopedie der 18e eeuwsche materialistische wijsgeeren in Frankrijk, vóór de groote Revolutie. Zijn jeugd verliep in onvaste bezigheden. Wij vinden hem dan als officier in Frankrijk, dan als medestrijder van Washington bij de vrijheidsoorlog van de staten van N.-Amerika tegen Engeland; als diplomatiek agent op eigen gelegenheid in Nederland of als raadgever van ministeries in Spanje en Mexiko, in welk laatste land hij omvangrijke irrigatiewerken op touw zette.
In de Revolutie verloor de Saint-Simon, evenals zoovelen, zijn gansche vermogen en aldus werd hij gedwongen te gaan werken voor zijn levensonderhoud. Dit deed hij zóó, dat hij, door middel van den koophandel, waarop hij zich toelegde, alras een nieuw vermogen had weten bijeen te krijgen. Maar ook dit was weder spoedig door een groote luxe en verkwisting verdwenen. De Saint-Simon zegt opzettelijk zich aan zoo groote verkwisting te hebben overgegeven, teneinde daardoor zijne kennis van het leven te vervolmaken en al het menschelijke, zelfs het méér dan menschelijke, bij de plannen die hij had voor de toekomst van het menschelijk geslacht, daarbij in oogenschouw te kunnen blijven houden. Dat hij ook lang genoeg gelegenheid heeft gehad de psychologie van de armoede te bestudeeren, en dat eveneens aan zijn eigen lijf, hinderde hem dan ook geenszins. Het is dan ook uit deze laatste periode zijns levens, dat zijn werkzaamheid als publicist, als denker en als hervormer dagteekent.
Het uitgangspunt van de Saint-Simon's denken, was de erkenning van het armzalige van al het bestaande, van de gansche materieele, politieke en religieuze nood van zijnen tijd. Zijne critische blik, kon zich niet laten verblinden, door den glansrijken pronk van de weelde, die het nieuw-geschapen keizerrijk van Napoleon I ten toon spreidde; hij zag zeer goed daarachter, de ellende van dat bloeiend kapitalisme en zijn hart werd ten volle aangegrepen door der menschheid ganschen jammer. Over het algemeen genomen, was de Saint-Simon een Faustnatuur. Geniaal en vol van de hem verteerende weetgierigheid, dreef hem dit alles rusteloos voort naar eene allesomvattende kennis en tot een door niets in te toomen hartstocht, der menschheid gelukkig te willen maken. Dat hij bij dit onbeperkt streven, meer dan eens de reële feiten niet goed heeft kunnen zien, doet niets af aan dit groote feit, dat hij dingen heeft gezien in een tijd, toen nog door de geringe ontwikkeling van de kapitalistische maatschappij, geen mensch heeft kunnen zien wat hij zag.
De Saint-Simon was 43 jaren oud, toen hij zijn eerste publieke geschrift schreef, genaamd: "Lettres d'un habitant de Genève à ses contemporains." ("Brieven van een inwoner van Genève aan zijne tijdgenooten.") Het kwam uit in 1803, maar werd vergeten, totdat het in 1823 door zijne leerlingen aan deze vergetelheid ontrukt was geworden.
In deze "Brieven" toonde de Saint-Simon reeds zijn denkbeelden aan, van der menschheid eene leiding te willen geven. Gelijk de maatschappij in de middeneeuwen door de geestelijkheid was geleid, zoo moest dit ook nu weder geschieden, thans door het denkend gedeelte van de samenleving.
De hier door de Saint-Simon gedachte heerschappij van den geest, moest in waarheid die van het genie zijn. Deze genieën moesten onafhankelijk zijn; geen posten van de regeering behoeven aan te nemen en daardoor niet verplicht zijn "secondairement" te denken. Zij moesten zich niet verlamd gevoelen, en met stoutheid zouden zij de wieken van hunne geestelijke meerderheid kunnen uitspreiden en daardoor de menschelijke maatschappij steeds ten zegen kunnen verstrekken. "Ruimte voor de Archimedessen!" was zijn uitroep--"geen hulde meer aan de Alexanders!" Met andere woorden: de tijd die aangebroken was beteekende volgens hem, een ten troon stijgen van de wetenschap, die de plaats innam van de studie van den oorlog.
Bij zijn plan tot organisatie van de maatschappij, verdeelde hij de menschen in drie klassen. De eerste klasse was die van de vooruitgang; zij was samengesteld uit de geleerden, de mannen van de kunst, en allen, die liberale denkbeelden ten beste van de samenleving te geven hadden. De tweede was die van het behoud, zij bestond uit de eigenaars van den grond. De derde klasse was die van de gelijkheid. Zij bevatte dat deel van de menschheid dat niets bezat, geen eigendom, ook niet een geestelijk.
Tot de eerste klasse zeide hij: "Gij geleerden en kunstenaars, gij hebt den scepter der publieke opinie in uwen hand, grijpt dien aan met moed. Overwint slecht der inertie van uwen stand. Mathematici maakt een aanvang!"
Tot de tweede klasse richtte zich de Saint-Simon met deze woorden: "Aanvaardt mijn plan, doet het uit vrijen wil, want anders zoudt gij er door de geleerden toe gedwongen kunnen worden en zou de geschiedenis van 1789 zich voor u kunnen herhalen. Gij kunt de crisis nog beletten, en taak van den overgangstoestand kunt gij helpen verlichten. Gij kunt de "regulateurs" der beweging worden en op die wijze uwe plaatsen blijven innemen!"
En tot de derde klasse eindelijk zeide hij: "Vrienden maakt dat de rijken, die tot nu toe geen andere bezigheid gehad hebben dan u bevelen te geven, gedwongen worden u onderwijs te geven. Wie kunnen u anders voorthelpen dan de geleerden? Een geleerde is iemand die voorziet, iemand die voorspelt.
"Bedenkt wel dat gij dáárom alleen, staat onder de heerschappij van de klasse van de eigenaars,--die tien- en twintigmaal geringer in aantal zijn dan gij--omdat de eigenaars u in verstand verre de meerdere zijn. Zoekt met hen op gelijken trap van ontwikkeling te komen. Zoowel geleerden, als kunstenaars moeten u daarbij ter hulpe komen. Door mijn ontwerp heb ik getracht alle plannen ter uwer ontwikkeling tot ééne straal te leiden. Helpt dus! Schrijft in zoo gij kunt. Bij de keuze der benoemingen zal ik u helpen!"
Het plan beoogde eene algemeene organisatie der maatschappij, op deze grondslagen: "de geestelijke macht in handen van de geleerden; de wereldlijke macht in hadden der eigenaars; de macht om hén te benoemen, die de taak zouden te vervullen hebben van leiders der menschheid te zijn, in handen van een ieder. Het loon der regeerders moest bestaan in de algemeene achting en de eerbied die men hen zou toedragen."