Karl Marx en zijne voorgangers
Part 18
"Een anderen kant welke in de geschiedenis van de Manufaktuurindustrie nog niet genoegzaam naar waarde is beoordeeld, is de afdanking van de talrijke gevolgschappen door de feodale Heeren, welker onderhoorigen landloopers werden, alvorens zij in de werkplaats kwamen. De schepping van de in de fabriek overgaande werkplaats, werd in de 15e en 16e eeuw, door een bijna universeel landloopersdom voorafgegaan. De werkplaats vond verder, een machtigen ruggesteun in de talrijke landlieden, die tengevolge van de verandering van akkers in weiden en tengevolge der vooruitgang in de landbouw, die minder arbeiders voor de bewerking van akkers noodig maakten, voortdurend uit den dienst ontslagen werden en gansche eeuwen achtereen, naar de steden stroomden.
"Het groeien van de markt, de akkumulatie van kapitalen, de in de sociale positie der klassen ingetreden veranderingen en het groote getal van personen, die zich van hunne bronnen van inkomsten zagen beroofd, dat zijn even zoovele historische voorwaarden voor het ontstaan van de Manufaktuur geweest.".....
"De akkumulatie, benevens de concentratie van werktuigen en arbeiders, werden voorafgegaan door de ontwikkeling van de arbeidsverdeeling in het inwendige van het atelier. Een Manufaktuur bestond meer in de vereeniging van vele arbeiders en vele handwerkers in een en hetzelfde lokaal, in eene zaal, onder het commando van een kapitaal, dan in de oplossing van de werkzaamheden en in de aanpassing van een specialen arbeider aan een zeer eenvoudigen taak.
"Het nut van een fabriekswerkplaats bestond veel minder in de eigenlijke arbeidsverdeeling, dan wel in de omstandigheid, dat men op uitgebreider voet kon arbeiden, vele nuttelooze onkosten besparen kon, enz. Aan het einde der 16e en aan het begin van de 17e eeuw, kende de hollandsche Manufaktuur nog maar nauwelijks de verdeeling van den arbeid.
"De ontwikkeling van de arbeidsverdeeling, heeft ook tot voorwaarde de vereeniging van de véle arbeiders in ééne werkplaats. Er is zelfs niet een enkel voorbeeld aan te halen, noch in de 16e noch in de 17e eeuw, dat de verschillende takken van een en hetzelfde handwerk, in die mate gescheiden werden beoefend, dat het noodig zou geweest zijn ze op eene plaats te vereenigen en daarmede de fabriekswerkplaats kant en klaar in het leven te roepen. Maar toen eenmaal èn menschen èn werktuigen vereenigd waren, reproduceerde zich de arbeidsverdeeling zooals zij ten tijde van de Gilden heeft bestaan en spiegelde zij zich noodwendig terug in het inwendige van de fabriekswerkplaats.".....
"De eigenlijke machines dateeren van het einde der 18e eeuw. Niets is dommer dan in de machine de anti-thesis der arbeidsverdeeling te willen zien; de synthesis die de eenheid in den verbrokkelden arbeid weder terugbrengt. De machine is eene vereeniging van arbeidswerktuigen en geensdeels eene verbinding van den arbeid voor den arbeider zelve"..... "Eenvoudige werktuigen; akkumulatie van werktuigen; samengestelde werktuigen; in beweging brengen van een samengesteld werktuig, door een enkelen handmotor, den mensch; in beweging brengen dezer instrumenten door natuurkrachten; machines; systeem van machines, die slechts één motor hebben; systeem van machines, die een automatische motor hebben, aldus is de ontwikkelingsgang van de machine geweest.".....
"Toen in Engeland de markt een zoodanige ontwikkeling had verkregen, dat de handenarbeid voor haar niet meer toereikend was, gevoelde men de behoefte aan machines. Men zon toen op de toepassing van de mechanische wetenschap, die reeds in de 18e eeuw klaar was. Het eerste optreden van de fabriek met krachtbedrijf, wordt gekenmerkt door handelingen, die alles-behalve philantropisch waren. Kinderen werden met de zweep tot den arbeid aangezet; zij werden een voorwerp van schagger, men sloot contrakten met de Weeshuizen om hen. Men schafte alle wetten omtrent den leertijd van den arbeiders af.... Ten slotte, waren sedert 1825 bijna alle nieuwe uitvindingen, het gevolg van wrijvingen tusschen arbeiders en ondernemers, die tot elken prijs de vakontwikkeling van den arbeid van hare waarde wilden berooven. Na elke, eenigszins beduidende werkstaking, werd er eene nieuwe machine ingevoerd. Zoo weinig zag de arbeider, in de toepassing van machines een soort rehabilitatie, een soort wederherstelling, dat hij in de 18e eeuw, zéér lang weêrstand heeft geboden aan de ontstane heerschappij van deze krachtautomaten."
"Alles tezamen genomen, heeft de invoering van machines de verdeeling van den arbeid in de samenleving doorgevoerd, het werk van den arbeider in de werkplaats vereenvoudigd, het kapitaal geconcentreerd en de menschen verbrokkeld.... Wat de verdeeling van den arbeid in de mechanische fabrieken kenteekent, dat is, dat zij elk speciaal karakter verloren heeft. Maar van het oogenblik af, waarin elke bijzondere ontwikkeling ophoudt, wordt de behoefte aan universaliteit, het streven naar eene alzijdige ontwikkeling van de individu, meer voelbaar. De automatische fabriek doet de specialisten en het vak-idiotisme verdwijnen.
"De heer Proudhon, die niet eens deze revolutionaire zijde begrepen heeft, doet eene schrede terug en slaat den arbeider voor, niet alleen het twaalfde gedeelte van een speld, maar voor en na, alle twaalf deelen van den speld te vervaardigen. De arbeider zou dan aldus tot de wetenschap en tot het bewustzijn van den speld kunnen komen.... Alles bij elkander genomen, komt den heer Proudhon niet verder dan tot het ideaal van den kleinen burger. Teneinde dit ideaal te verwezenlijken, valt hem niets beters in, dan ons terug te voeren naar de periode van de handwerksgezellen, hoogstens naar die van de handwerksmeesters uit de Middeneeuwen. "Het is genoeg," zoo zegt hij ergens in zijn boek, "een enkele maal in zijn leven een meesterstuk vervaardigd te hebben, om zich een enkele maal als een mensch te hebben gevoeld."..... Is dit niet, zoowel naar den vorm als naar den inhoud, het door de Gilden uit de Middeneeuwen steeds verlangde "meesterstuk?""
Marx toont dan, met eene beschouwing over "concurrentie" en "monopolie" aan, dat deze niet zooals Proudhon had te kennen gegeven, natuurlijke, maar maatschappelijke categorieën zijn. Hij zegt: "de geheele geschiedenis, is eene voortdurende verandering der menschelijke natuur.".....
"De concurrentie is geene noodzakelijkheid van de menschelijke natuur, zooals Proudhon meende, maar gelijk zij in de 18e eeuw, uit historische oorzaken geboren is geworden, zoo zoû zij in de 19e, uit historische oorzaken eveneens weder kunnen verdwijnen. Zij is niet de industrieele, maar de commercieele wedijver, zij kampt niet om het produkt maar om de winst. Er zijn zelfs phazen in het economische leven der volken, waarin de geheele wereld aangegrepen was door een soort van dolle woede, om winsten te maken zonder te produceeren. Deze speculatiekoorts, die periodiek terugkomt, onthult ons dan het ware karakter van de concurrentie, die aan de noodzakelijke voorwaarden van den industrieelen wedijver zoekt te ontkomen. De slechte zijde van de concurrentie, door Proudhon zoo op den voorgrond gesteld en die hij daarom uitroeien wil, drijft juist de geschiedenis vooruit. Hoe koortsachtiger de concurrentie nieuwe produkten schiep, des te meer vertoonde zij de burgerlijke verhoudingen en schiep zij daarmede, de materieele voorwaarden voor eene nieuwe samenleving."
MARX OVER WERKSTAKINGEN EN OVER VAKVEREENIGINGEN.
Proudhon had geschreven: "De werkstaking der arbeiders is onwettig. En het is niet alleen het Wetboek van Strafrecht dat dit zegt, maar ook het economisch systeem, de noodzakelijkheid van de bestaande orde.... Dat elke individueele arbeider de vrije beschikking moet hebben over zijn persoon en over zijn handen kan geduld worden; maar dat de arbeiders door middel van samenspanning, zich vermeten het monopolie geweld aan te doen, kan de maatschappij niet toelaten."
"De economen en de socialisten," zegt Marx, "zijn het hier op één punt samen eens: in het veroordeelen van de coalities der arbeiders. Zij motiveeren deze hunne veroordeeling alleen maar verschillend. De economen zeggen tot den arbeiders: vereenigt u niet. Want doordat gij u vereenigt, houdt gij den regelmatigen gang van de industrie tegen, verhindert gij er de fabrikanten in hunne bestellingen na te komen; stoort gij den handel en bevordert gij de snellere invoering van machines, die uwen arbeid voor een deel overbodig maken en u daardoor dwingen zullen, een nog lager loon aan te nemen. Overigens is uw werken om niet; uw loon zal steeds, door de verhouding van het aantal gezochte handen tot die van het aantal aangeboden handen, worden bepaald. En het is even zoo belachelijk als het gevaarlijk is, u te verzetten tegen de eeuwige wetten van de Staathuishoudkunde.
"De socialisten (d. w. z. de toenmalige: die van de school van Fourier in Frankrijk en de volgelingen van Owen in Engeland) zeggen tot den arbeiders: vereenigt u niet, want wat zoudt ge er ten slotte bij kunnen winnen? Eene loonsverhooging? Welnu, de staathuishoudkunde zal u met evidente bewijzen overtuigen, dat op de loonsverhooging van een paar penningen, die gij in het gunstigste geval daarmede kunt bereiken, een terugslag volgt van een veel langduriger aard. Goede rekenaars zullen het u voorrekenen, dat gij jaren zult noodig hebben om door middel van die loonsverhooging, slechts de kosten goed te maken dien gij zult moeten uitgeven voor uwe organisatie en tot het behoud uwer loonsverhooging benoodigd. Wij als socialisten, wij zeggen tot u, dat nog afgezien van deze geldkwestie, gij met dat al nog steeds de arbeiders zult moeten blijven, zooals uwe meesters steeds uwe meesters zullen blijven, voor en na. Daarom: geen vakvereenigingen, geen politiek; want vakvereenigingen oprichten en in stand houden, is dit niet aan politiek meêdoen?
"De Economisten willen, dat de arbeiders de maatschappij zullen doen blijven zooals deze thans is en gelijk zij dit ons, in hunne handboeken hebben voorgeteekend en bezegeld.
"De Socialisten willen, dat de oude samenleving zal gelaten worden voor wat zij is, om des te beter in de nieuwe samenleving binnen te kunnen treden, die zij met zoo grooten voorzorg uitgewerkt hebben.
"In weerwil van beiden; in weerwil van Handboeken en Utopisten hebben de arbeidersvereenigingen geen oogenblik opgehouden te bestaan, met de ontwikkeling van de industrie zich te ontwikkelen en tot bloei te komen. Dit is heden ten dage zoozeer het geval, dat de ontwikkelingsgraad van die vereenigingen in een zeker land, juist den rang kenmerkt die dat land in de hiërarchie van de wereldmarkt inneemt. Engeland, alwaar de industrie op het hoogst is ontwikkeld, bezit de omvangrijkste en best-georganiseerde vakvereenigingen.".....
"De eerste pogingen van de arbeiders om zich te vereenigen nemen steeds den vorm van coalities aan.
"De groot-industrie brengt een menigte, aan elkander onderling onbekende lieden op eene plaats tezamen. De concurrentie verdeelt ze naar hunne belangen, maar de instandhouding van het loon, het gemeenschappelijk belang tegenover hunnen meester, drijft hen tot de gemeenschappelijke gedachte van den weêrstand: tot de coalitie. Aldus heeft de coalitie steeds een dubbel doel: n.l. het opheffen van de concurrentie tusschen de arbeiders onderling en het vormen van eene algemeene concurrentie, tegenover den ondernemer. Wanneer het eerste doel van den weêrstand slechts geldt de instandhouding van het loon, dan formeeren zich de aanvankelijk geïsoleerde coalities, in de mate waarin, aan den anderen kant, de kapitalisten hunnerzijds zich vereenigen tot het bieden van weêrstand, tot groepen; en tegenover het steeds sterker vereenigde kapitaal, wordt de instandhouding der associatie voor hen een sterker noodzakelijkheid zelfs, dan de instandhouding van het loon. Dit is zóó waar, dat de engelsche economen ganschelijk verstomd ervan staan, hoe de arbeiders een groot deel van hun loon opofferen, ten gunste van hunne vakvereenigingen, een deel dat in de oogen van de economen slechts aan het loon ten goede had mogen komen. In deze kampen,--ware burgeroorlogen zijn het!--vereenigen en ontwikkelen zich alle elementen voor den komenden krijg. Eenmaal aangeland bij dat punt, neemt de coalitie een politiek karakter aan.
"De economische verhoudingen, hebben voor het eerst de massa der bevolking, in arbeiders omgezet. De heerschappij van het kapitaal heeft voor deze massa gemeenschappelijke belangen en eene gemeenschappelijke situatie geschapen. Zoo is deze massa bereids eene klasse tegenover die van het kapitaal, maar zij is dit nòg niet, voor-zich-zelf. In den strijd die wij slechts in eene enkele harer phasen gekenschetst hebben, sluit zich de massa te zamen; constitueert zij zich als klasse voor-zichzelf. De belangen welke zij verdedigt, worden daardoor klasse-belangen. De strijd van klasse tegenover klasse is een politieken strijd."
...."Eene onderdrukte klasse is de levensvoorwaarde, voor elke, op klassetegenstellingen berustende samenleving. De bevrijding van de onderdrukte klasse, sluit aldus noodwendig in zich, de schepping van eene nieuwe samenleving. Wil de onderdrukte klasse zich kunnen bevrijden, dan moet er eene ontwikkelingshoogte bereikt wezen, waarop de reeds verworven produktiekrachten en de geldende maatschappelijke inrichtingen, niet meer naast elkander kunnen bestaan. Onder alle produktie-instrumenten is de grootste produktiekracht: de revolutionaire klasse zelf. De organisatie van de revolutionaire elementen als klasse, stelt als voorwaarde, het gereedzijnde bestaan van alle produktiekrachten, die zich over het algemeen in den schoot der oude samenleving ontvouwen kunnen.
"Wil dat zeggen, dat er nadat de oude samenleving zal zijn ingestort, eene nieuwe klasseheerschappij tot stand zal komen, die in eene nieuwe politieke heerschappij haar toppunt vinden zal? Neen!
"De voorwaarde tot bevrijding van de arbeidende klasse, is de afschaffing van èlke klasse; zooals de voorwaarde tot de bevrijding van den "derden stand", de burgerlijke orde van zaken, de afschaffing der oude standen geweest is.
"De arbeidende klasse zal in den loop der ontwikkeling in de plaats van de oude burgerlijke samenleving, eene associatie plaatsen, welke de klassen en hunne tegenstelling uitsluit, en er zal geene eigenlijke politieke macht meer bestaan, omdat juist de politieke macht, de officieele uitdrukking is van de klassetegenstellingen in de burgerlijke samenleving."
HOOFDSTUK IV.
HET HISTORISCH MATERIALISME.
In het geschrift tegen Proudhon is reeds in de behandeling van de stof, het wetenschappelijk standpunt van Marx, zijne philosophische, historische en economische gezichtspunten duidelijk te zien. Dat nieuwe standpunt was gewonnen, door eene vereeniging van het beste dat het fransche Materialisme van de 18e eeuw in Holbach en Helvetius geleverd heeft,--de revolutionaire kern uit die levensbeschouwing,--met het uit de critiek op de speculatieve en de idealistische wijsbegeerte der Hegelsche school, verkregen realisme.
De grondslag voor die levensopvatting--eene vereeniging van de oude tegenstellingen van Denken en Zijn, of die van geest en stof,--was het bestaande, de ervaring, de mensch. Het klassieke fransche materialisme van de 18e eeuw, kòn de wereld niet opvatten als één proces; van de in gestadige en voortdurende, historische voort-ontwikkelingsgang zich bevindende materie.
Aan den anderen kant was het Idealisme van Hegel gedoemd om te verstarren in de beschouwing van de "absolute idee." Bij de Jong-Hegelianen ontwikkelde zij zich dan ook tot de zuivere burgerlijke ideologie eenerzijds en tot de speculatieve wijsbegeerte anderzijds, door het abstraheeren van de begrippen, van hunne eigen moeder: de werkelijkheid.
Maar Hegel had toch reeds de evolutie in de geschiedenis geconstateerd en ook de weg ontdekt, al was dit slechts door zuiver abstraheeren, waarlangs dit geschiedde: de dialektische ontwikkeling in de geschiedenis.
De begrippen "toeval" en "willekeur," waren reeds door Spinoza uit de philosophische beschouwing der dingen buitengesloten en de causaliteit tot eene absolute wet door hem verheven, waaraan alles in de natuur zooals ook in den menschelijken wil, onderworpen was.
De groote gedachte van de vooruitgang in beschaving, die het voornaamste voortbrengsel van de Hegelsche philosophie was,--de dialektische ontwikkeling--heeft, als sleutel tot het begrip van het verleden, de geschiedeniswetenschap op een hooger plan kunnen stellen. De toepassing van de evolutionaire, dus dialektische ontwikkeling op de menschelijke samenleving is, in wetenschappelijken zin en beteekenis, niet verschillend van die, welke Darwin toepaste op de biologie en waarmede hij tot zijne, voor de vooruitgang der biologische wetenschappen zoo baanbrekende resultaten was gekomen. En het is in het algemeen geen toeval, dat beide wetenschappelijke ontdekkingen, voor natuur en samenleving van het grootste belang, in een en denzelfden tijd zijn tot stand gekomen. Darwin en Marx kenden elkander echter niet.
Maar in hetzelfde jaar,--alleen dit is er toevalligs aan--dat Charles Darwin zijn "Ontstaan van de Soorten" publiceerde, zag ook van Marx "Kritiek der Staathuishoudkunde" het licht. Dit was in 't jaar 1859.
Met de nieuwe levensbeschouwing lieten zich, noch het standpunt van de "humanistische" socialisten, noch dat van de "utopistische" socialisten vereenigen.
Vooral de laatsten hadden bij hunne beschouwingen, hoe nauw deze dikwijls de werkelijkheid ook raakten, steeds ééne onveranderlijke en vaste, "menschelijke natuur" aangenomen, waarvan zij ook steeds uitgingen en ondanks alles steeds op terugkwamen. Dat deze niet echter er was kon de geschiedenis aantoonen, zoodra zij maar op hare reële basis, de menschheid zelve werd teruggevoerd. Wat is echter de menschheid en wat beweegt haar? Wat maakt, in laatste instantie de beweegkracht der geschiedenis uit? Is het het toeval? Neen. Zijn het ideën dan? Maar deze wonen in menschen; in de samenleving van produceerende en consumeerende, werkende en niet-werkende individuen. En de ideën zelven, waren ook nooit eeuwige en onvergankelijke, maar steeds naar den aard der samenleving die ze produceerde, andere.
Trouwens, reeds om die eeuwige vastheid van de menschelijke "natuur" had Hegel zich in zijne "Geschiedenis-philosophie" lustig gemaakt. Het was namelijk met betrekking tot de socialistische Utopisten, die zich het hoofd stuk peinsden over de "beste" wetgeving en over de "beste" maatschappij.
En ook zelfs de burgerlijke geschiedschrijving, in den aanvang van de 19e eeuw, van Augustin Thierry en Michelet voornamelijk, de eerste in zijne geschiedschrijving van de burgerlijke revoluties in Engeland en die van 1789 in Frankrijk, de tweede in zijne groote studiën over de middeneeuwen; zoowel als de minister Guizot in zijn "Essai sur l'histoire de France", hadden de samenleving zelve aangetoond als de grondslag van de geschiedenis te zijn.
Die grondslag evenwel, is evenmin een vaste en steeds blijvende; zij zelve verandert en deze hare verandering is niet minder dan die van de samenleving en de gansche natuur, aan de wetten der evolutie onderworpen.
De vrucht nu van de philosophische levensbeschouwing van Marx, die gebouwd was op de dialektische ontwikkeling in natuur en samenleving, hare revolutionaire vrucht dus, was het historisch materialisme. De toepassing van deze beschouwingswijze op de geschiedenis, leidde tot de opvatting van de burgerlijke samenleving, als te zijn gebaseerd op de klasse-tegenstellingen van bezit, d. w. z. kapitaal eenerzijds en niet-bezit, d. w. z. van arbeid anderzijds. De formuleering van het begrip van den modernen klassenstrijd, was hiervan wederom het gevolg.
Toen Marx zich aan de ontleding zette van de burgerlijke, de kapitalistische samenleving van tegenwoordig, teneinde uit deze analyse bloot te leggen, de drijvende krachten die hare produktiewijze voortbewegen en oplossen; een arbeid die aangevangen is met "Zur Kritik der politischen Ökonomie" en voortgezet is in zijn hoofdwerk "das Kapital"; ging hij, naar hij in de Voorrede van het eerste geschrift ons mededeelt, uit van de volgende wetenschappelijke denkmethode, die in groote trekken, de grondslag is te noemen van het historisch materialisme. Hij zegt daar:
"Mijne onderzoekingen leidden tot het resultaat, dat rechtsverhoudingen, zoowel als staatsvormen noch uit zich-zelf te begrijpen zijn, noch uit de zoogenaamde algemeene ontwikkeling van den menschelijken geest, maar veelmeer in de materieele levensverhoudingen wortelen, welker totaal Hegel, naar het voorbeeld van de Engelschen en Franschen uit de 18e eeuw onder den naam van de "burgerlijke maatschappij" tezamenvat; dat evenwel, de anatomie der burgerlijke maatschappij, in de staathuishoudkunde is te zoeken. De navorsching van de laatste, in Parijs door mij aangevangen, heb ik te Brussel voortgezet, waarheen ik tengevolge van het verbanningsbevel des heeren Guizot heb moeten uitwijken. Het algemeene resultaat dat zich aan mij opdrong, en dat eenmaal gewonnen, tot den leiddraad mijner studiën werd, kan in het kort aldus worden geformuleerd: