Karl Marx en zijne voorgangers

Part 17

Chapter 173,457 wordsPublic domain

Om het problema te verklaren, dat de samenleving voortdurend rijker wordt en de arbeider voortdurend armer, vatte Proudhon de samenleving op, als de Prometheus in persoon, wier levenswerkzaamheid aan andere wetten gehoorzaamt, dan de levenswerkzaamheid van de individuen. De "geconstitueerde waarde" evenwel, zal elken arbeider een steeds grooter produkt verzekeren dan dat hij op elken arbeidsdag, door de vooruitgang van den gemeenschappelijken arbeid behaalt. Marx merkt daartegen op: "In de engelsche maatschappij heeft de arbeidsdag in zeventig jaren, een overschot van 2700 procent aan produktiviteit gewonnen; d. w. z. in het jaar 1840 produceerde hij zeven-en-twintig maal méér dan in 1770." Volgens Proudhon nu, zou men de vraag volgenderwijs moeten stellen: "Waarom was de engelsche arbeider van 1840 niet zeven-en-twintigmaal rijker, dan die van 1770?" Om nu zulk een vraag te poseeren, moet men natuurlijk van te voren aangenomen hebben, dat de engelschen dien rijkdom zonder de historische voorwaarden hadden kunnen produceeren, waaronder hij is voortgebracht; gelijk daar zijn: opeenhoping van privaat-kapitalen, moderne arbeidsverdeeling, machinaal bedrijf, anarchische concurrentiewijze, loonsysteem, in één woord, louter die dingen, welke op klassetegenstellingen berusten. Dit waren n.l., juist de bestaansvoorwaarden voor de ontwikkeling der produktiekrachten en van het arbeidsoverschot. Het was zoomede, en ten einde deze ontwikkeling van de produktiekrachten en dit arbeidsoverschot te kunnen erlangen, noodzakelijk, dat er klassen bestonden die profiteerden en anderen die ontbeerden. Wat is dus den door Proudhon opgewekte Prometheus in laatste instantie? Het is de samenleving, het zijn de maatschappelijke verhoudingen gebaseerd op de klassetegenstellingen.

Deze verhoudingen zijn niet die van individu tegenover individu, maar van arbeider tegenover kapitalist, van pachter tegenover grondbezitter enz. Hef deze verhoudingen op en gij hebt de gansche samenleving opgeheven; uw Promotheus is niets meer dan een phantoom zonder armen of beenen geworden, d. w. z. zonder machinebedrijf, zonder arbeidsverdeeling; dien het in één woord aan alles ontbreekt, wat gij hem oorspronkelijk gegeven hebt, om uit hem, het arbeidsoverschot te kunnen erlangen. En Marx voegt hieraan toe: "dat het volgens Proudhon's theorie praktisch voldoende zou wezen, onder den arbeiders eene gelijke verdeeling van alle de verworven rijkdommen te ondernemen, zonder aan de produktievoorwaarden, op een of andere manier iets noodig te hebben te veranderen." En dan voegt Marx hier reeds bij voorbaat aan toe: "dat eene zoodanige verdeeling zekerlijk aan den individueelen deelhebbers, geen bijzonder groote mate van welstand zal kunnen verzekeren."

Proudhon heeft zich ook onledig gehouden met een critiek op de burgerlijke economie en het is hierover, dat Marx in het tweede gedeelte van de "Misère de la philosophie" het zijne te zeggen heeft.

Proudhon schreef: "Wij geven geen geschiedenis naar de orde des tijds, maar naar de opvolging van de ideën. De economische phazen of categorieën, treden in hunne manifestaties dan gelijktijdig, dan in omgekeerde reeksen op... Die economische theorieën hebben niet voor het minst hunne logische opeenvolging en hunne geleding in de rede; deze orde vleien wij ons te hebben ontdekt."

"De economen," zegt Marx hierop, "stellen de burgerlijke produktieverhoudingen, arbeidsverdeeling, crediet, geld etc. als vaste, onveranderlijke en eeuwige categorieën voor. De heer Proudhon nu, wil ons met een gebaar van de onderlegdheid in deze, die categorieën, principes, wetten en ideën verklaren! De economen toch verklaren ons hoe men onder de hier boven gegeven verhoudingen produceert, wat zij ons niet verklaren," zegt Marx, "hoe deze verhoudingen zelven voortgebracht worden, d. w. z. de historische bewegingen, waardoor ze in het leven geroepen worden. De materialen der economen zijn het voortbewogen en het bewegende leven van de menschen; de materialen van den heer Proudhon zijn de dogma's van de economen. Zoodra men evenwel de historische ontwikkeling van de produktieverhoudingen niet voortzet,--en deze categorieën zijn niets dan de theoretische uitdrukkingen derzelven,--zoodra men in deze categorieën slechts van-zelf ontstane denkbeelden, van de werkelijke verhoudingen onafhankelijke gedachten ziet, is men,--of men wil of niet--gedwongen, de oorsprong dezer gedachten naar de beweging van de zuivere rede te verleggen."

Hoe nu brengt deze zuivere, eeuwige en onpersoonlijke rede deze gedachten voort? Hoe doet zij, om ze voort te brengen?

Marx maakt zich daarbij vervolgens lustig, over Proudhon's manier om à la Hegel te abstraheeren van de werkelijkheid, van de menschen en van de maatschappelijke beweging. Zoo hebben de metaphysici, die zich verbeeldden door middel van zulke abstrakties te kunnen analyseeren en die, hoe meer zij zich verwijderden van de voorwerpen des te meer waanden daarin door te dringen, hunnerzijds het recht te zeggen, dat de dingen dezer wereld slechts stiksels zijn op het stramien dat gemaakt wordt door de logische categorieën. Hier hebben wij het verschil tusschen den philosoof en den christen. De christen kent slechts één vleeschwording van den Logos, in weerwil van de logiek, de philosoof is met die vleeschwording in het geheel nog niet aan het einde. Dat alles wat bestaat, dat alles wat op de aarde en in het water is, door abstraktie tot eene logische categorie kan worden teruggebracht, dat men op deze manier, de totale werkelijke wereld kan doen verdrinken in de wereld van de abstrakties, de wereld der logische categorieën, is geen wonder. Alles wat bestaat, alles wat op de aarde en in het water is, bestaat alléén door middel van beweging van den een of anderen aard. Zoo brengt de beweging der geschiedenis, de sociale betrekkingen; de industrieele beweging, de industrieele produkten voort, enz.

Wat is de absolute methode? De abstraktie der beweging. Wat is de abstraktie der beweging? De beweging in abstrakten toestand. Wat is de beweging der abstrakte toestanden? De zuiver-logische formule der beweging of de beweging der zuivere rede. Waarin bestaat die beweging der zuivere rede? In het in zich-zelf vast te stellen, in zich-zelf tegen te stellen, ten slotte zich weder tezamen-zetten. In het zich als thesis, antithesis en synthesis formuleeren; of: zich te stellen, zich te negeeren en hare negatie dan weder opnieuw te negeeren.

Eenmaal daartoe gekomen, zich als thesis te stellen, splitst zich deze thesis, terwijl zij aan zich-zelf tegenover komt te staan, in twee elkander tegensprekende ideën: in positief en negatief; in Ja en Neen. De strijd dezer beiden, elkander tegengestelde elementen, vormt de dialektische beweging. Het Ja wordt Neen, het Neen wordt Ja, het Ja wordt gelijktijdig Ja en Neen; op deze manier houden de tegenstellingen elkander in evenwicht, neutraliseeren zij zich, heffen zij elkander op. Deze nieuwe gedachte nu, splitst zich wederom in twee elkander weêrsprekende ideën, die hunnerzijds wederom eene nieuwe synthesis vormen. Uit deze voortbrengingsarbeid komt de groep der gedachten voort. Die gedachtengroep gaat in dialektische richting voort, als eene eenvoudige categorie, en verkrijgt daardoor tot antithesis, een tegenovergestelde groep. Uit deze twee gedachtengroepen, ontstaat dan eene nieuwe gedachtengroep, de synthesis van beiden.

Zooals uit de dialektische beweging der enkelvoudige categorie, de groep ontstaat, zoo ontstaat uit de dialektische beweging der groepen, de rij, en uit de dialektische beweging der rijen, het gansche systeem.

Men passe deze rijen op de categorieën der Staathuishoudkunde toe, en men bekomt de logiek, benevens de methaphysiek der Staathuishoudkunde, of met andere woorden, men heeft de aan de gansche wereld bekende economische categorieën, in een minder bekende spraak vertaald. "Proudhon," zegt Marx, "is nog maar nauwelijks tot de twee eerste schreden van deze dialektische methode gekomen, die welke van Hegel stammen en die door Proudhon, in plaats van voortontwikkeld, op klagelijke wijze plat zijn gedrukt. Hij geloofde de wereld, door middel van de beweging der ideën te kunnen verklaren, terwijl hij slechts de gedachten die in ieders hoofd wonen, systematisch gereconstrueerd en volgens eene absolute methode geklassificeerd heeft." Marx gaat dan verder:

"De sociale verhoudingen zijn nauw verbonden met de produktiekrachten. Met het verwerven van nieuwe produktiekrachten veranderen de menschen hunne produktiewijzen; met de manier om hun levensonderhoud te winnen, veranderen zij tevens al hunne maatschappelijke verhoudingen. De handweefmolen, bracht eene samenleving voort met feodale heeren, de stoomweefmolen eene samenleving van industrieele kapitalisten. Maar dezelfde menschen, welke aan de sociale verhoudingen, naar de mate hunner materieele produktiewijze hunne gestalte geven, geven ook aan de principes, aan de ideën, aan de categorieën eene gestalte, en deze eveneens naar de mate hunner maatschappelijke verhoudingen.

"Hierdoor zijn deze ideën, deze categorieën evenzoomin eeuwige, als de verhoudingen welke zij opgedrukt zijn. Zij zijn historische, vergankelijke en voorbijgaande producten.

"Wij leven te midden van eene voortdurende aangroeiing der produktiekrachten, eene verstoring der sociale verhoudingen, eene vervorming van ideën. Onbewegelijk is slechts de abstraktie der beweging,--mors immortalis."

"De economen," zegt Marx, "gaan op zonderlinge wijze te werk. Volgens hen bestaan er slechts twee soorten van instellingen: kunstmatige en natuurlijke. De instellingen van het feodalisme waren kunstmatige, die der bourgeoisie, zijn natuurlijke voor hen. Zij gelijken daarin op de theologen, die ook twee soorten van religie onderscheiden, n. l. die welke zij te verdedigen hebben en die welke zij te bestrijden hebben. De eerste berust, op eene "openbaring Gods", de ander is "een uitvinding van menschen". Wanneer de economen zeggen, dat de tegenwoordige verhoudingen--de verhoudingen der burgerlijke produktie--natuurlijke zijn, dan geven zij daarmede te kennen, dat het verhoudingen zijn, waarin de voortbrenging van den rijkdom en de ontwikkeling der produktiekrachten, zich volgens natuurwetten ontwikkelen. Daarmede zijn deze verhoudingen-zelf, van den invloed van den tijd onafhankelijke natuurwetten geworden. Het zijn eeuwige wetten, welke de samenleving steeds te regeeren hebben. Aldus wás er eens geschiedenis, maar bestaat zij van nu af aan niet meer. Er was eenmaal geschiedenis, omdat er feodale inrichtingen hebben bestaan en omdat men in deze feodale inrichtingen produktieverhoudingen vond, volkomen verschillend van die der burgerlijke samenleving, welke de economen als natuurlijke, en dus als eeuwige willen aangezien hebben.

"Ook het feodalisme had zijn proletariaat: dat van de lijfeigenschap, hetwelk in zijnen kiem, het burgerdom bevatte. Ook de feodale produktie had twee antagonistische elementen, dewelken men eveneens zou kunnen noemen: de goede en de slechte zijde van het feodalisme"....

"Toen de bourgeoisie er bovenóp was gekomen, vroeg zij noch naar de goede, noch naar de slechte zijde van het feodalisme. De produktiekrachten, welke zich onder het feodalisme hadden ontwikkeld, vielen haar in den schoot. Alle oude economische vormen, de privaat-rechtelijke betrekkingen welke met hen in overeenstemming waren; de politieke toestand, welke de erkende uitdrukking der oude samenleving was, werden verbroken.

"Wil men nu de feodale produktiewijze juist beoordeelen, dan moet men haar opvatten, als een op de tegenstelling gebaseerde produktiewijze. Men moet aantoonen, hoe den rijkdom binnen het raam van deze tegenstelling voortgebracht werd; hoe de produktiekrachten zich--gelijktijdig met de tegenstrijdigheid der klassen--ontwikkeld hebben; hoe eene dezer klassen, de slechte zijde, het maatschappelijk euvel steeds aangroeide, totdat de materieele voorwaarden harer emancipatie tot rijpheid gekomen waren. Verklaart dit niet duidelijk genoeg dat de produktiewijze, de verhoudingen waarin de produktiekrachten zich ontwikkelen niets minder als eenige wetten zijn, maar eene bepaalde ontwikkelingstoestand der menschen en hunne produktiekrachten vertegenwoordigen, en dat een in de produktiekrachten der menschen opgetreden verandering, noodzakelijkerwijs eene verandering in hunne produktieverhoudingen teweeg brengen moet? Daar het vóór alle dingen hierop aankomt, niet van de vruchten der civilisatie, de verworven produktiekrachten uitgesloten te zijn, wordt het noodzakelijk de overgebleven vormen waarin zij geschapen werden, te verbreken. Van dat oogenblik af, wordt eene revolutionaire klasse conservatief.

"De bourgeoisie vangt met een proletariaat aan, dat zelve op zijne beurt, een overblijfsel is van het proletariaat uit de feodalistische periode. In het verloop harer historische ontwikkeling, ontwikkelde de bourgeoisie noodzakelijkerwijs haar antagonistisch karakter, dat zich bij haar eerste optreden slechts omsluierd, nog in latenten toestand deed kennen. In die mate waarin de bourgeoisie zich ontwikkelt, ontwikkelt zich in haren schoot een nieuw proletariaat: het moderne proletariaat. Het ontwikkelt zich in eenen strijd tusschen de proletariërsklasse en de bourgeoisklasse; een strijd die, alvorens zij aan beide zijde wordt gevoeld, bespeurd, op hare waarde geschat, begrepen, toegestemd en eindelijk luide wordt geproclameerd, zich voorloopig maar bij gedeelten en in voorbijgaande conflikten, in verstoringswerken openbaart. Aan den anderen kant, wanneer allen die tot de moderne bourgeoisie behooren hetzelfde belang hebben, in zooverre zij ééne klasse, tegenover de andere klasse vormen, dan hebben zij aan elkander tegenovergestelde belangen, zoodra zij-zelf tegenover elkander staan. Deze tegenstelling van belangen, komt voort uit de economische voorwaarden van het burgerlijke leven. Van dag tot dag wordt het hierom duidelijker, dat de produktieverhoudingen waaronder de bourgeoisie zich bevindt, niet een éénvormig, éénzijdig karakter hebben, maar een tweeslachtig. Dat onder dezelfde verhoudingen, waaronder den rijkdom wordt geproduceerd, ook de ellende wordt voortgebracht; dat onder dezelfde verhoudingen waarin de ontwikkeling van de produktiekrachten haren weg gaat, zich eene repressiekracht ontwikkelt; dat deze verhoudingen den burgerlijken rijkdom, d. w. z. den rijkdom der bourgeoisie slechts kunnen voortbrengen, onder voortgezette vernietiging van den rijkdom der leden dezer klasse individueel en onder de voortbrenging van een steeds aangroeiend proletariaat."

"Hoe meer den toestand dezer tegenstellingen naar den voorgrond treedt, des te meer geraken de economen, de wetenschappelijke vertegenwoordigers van de burgerlijke produktiewijze, met hunne eigene theorieën in tegenspraak en vandaar de verschillende scholen die er onder hen bestaan.

"Wij hebben de Fatalistische economen, die in hunne theorie evenzoo onverschillig zijn tegenover datgene, wat zij de euvelen van de burgerlijke produktiewijze noemen, als de bourgeois-zelf in de praktijk dat is tegenover het lijden van den proletariër, die hem aan het verzamelen van zijn rijkdommen geholpen heeft. Zij onderscheiden zich in klassieken en romantieken. De Klassieken, zooals Adam Smith en Ricardo, vertegenwoordigen eene bourgeoisie, die nog in strijd is met de resten van de feodale maatschappij en die slechts hieraan arbeidt, de economische verhoudingen van de feodale smetten te zuiveren; de produktiekrachten te vermeerderen en der industrie en den handel nieuwe drijfkrachten te verschaffen. Het aan deze kampen deelnemende proletariaat kent, door dezen koortsachtigen arbeid in beslag genomen, slechts voorbijgaand en toevallig lijden, beschouwt hetzelve ook als zoodanig. De economen gelijk Adam Smith en Ricardo, welke de geschiedkundigen dezer periode zijn, hebben bloot de missie te bewijzen hoe de rijkdom onder de verhoudingen der burgerlijke produktie verworven werd; deze verhoudingen in categorieën, in wetten te formuleeren en aan te toonen, in hoeverre deze wetten, deze categorieën voor de produktie van den rijkdommen voortreffelijker zijn, dan de categorieën der feodale samenleving. De ellende is in hunne oogen slechts de smart, die met elke geboorte gepaard gaat, zoowel in de natuur als in de industrie.

"De Romantieken behooren tot onze periode, die waarin de bourgeoisie zich in eene direkte tegenstelling bevindt met het proletariaat; die waarin de ellende in een even zoo groote mate aangroeit als de rijkdom. De economen doen zich daarin voor als geblaseerde fatalisten, en werpen, van uit de hoogte van hun standpunt een trotschen blik van verachting op de menschelijke machines, die dien rijkdom voortbrengen. Zij herhalen alle de door hunne voorgangers gegeven uiteenzettingen, maar de onverschilligheid, die bij dezen naïviteit was, is bij hen tot koketterie geworden.

"Komt alsnu de Humanitaire school aan de beurt, welke zich de slechte eigenschappen van de bestaande produktie-verhoudingen zoozéér aantrekt. Deze zoekt, ten einde haar geweten gerust te stellen, de werkelijke contrasten zoo goed het gaat te bemantelen; zij beklaagt oprechtelijk den nood van het proletariaat, de teugellooze concurrentie der bourgeois onder elkander; zij raadt het proletariaat aan matig te zijn, vlijtig te werken en weinig kinderen voort te brengen; der bourgeoisie beveelt zij eenig overleg aan bij haren produktieijver. De geheele theorie van deze school bestaat in eindelooze onderscheidingen tusschen theorie en praktijk, tusschen de principes en de resultaten; tusschen de idee en de toepassing; tusschen inhoud en vorm; tusschen het wezen en de werkelijkheid; tusschen het recht en de feiten; tusschen den goeden en den slechten kant.

"De Philantropische school is de volkomener gemaakte Humanitaire school. Zij loochent de noodzakelijkheid der tegenstellingen. Zij wil alle menschen tot bourgeois maken. Zij wil de theorie verwerkelijken, in zooverre dezelve zich onderscheidt van de praktijk en het antagonisme niet in zich sluit. Vanzelfsprekend is het in de theorie gemakkelijk van de tegenspraken te abstraheeren, waaraan men bij elken schrede in de werkelijkheid zich stoot. Deze theorie zou daarom die der geïdealiseerde werkelijkheid moeten heeten. Deze philantropen willen dus de categorieën behouden, welke de uitdrukking der burgerlijke verhoudingen zijn, zonder de tegenspraak die in haar wezen opgesloten ligt, en die van haar niet is te scheiden. Zij verbeelden zich nog ernstig de burgerlijke praktijk te bestrijden en zij zijn toch nog meer bourgeois, dan alle anderen!

"Gelijk de economen de wetenschappelijke vertegenwoordigers van de bourgeoisklasse zijn, zoo zijn de Socialisten en Communisten de theoretici van de klasse van het proletariaat. Zoolang het proletariaat nog niet genoegzaam ontwikkeld is om zich als klasse te constitueeren en daarvandaan, den strijd van het proletariaat met de bourgeoisie nog geen politiek karakter draagt; zoolang de produktiekrachten nog in den schoot van de bourgeoisie zelve, niet genoeg zijn ontwikkeld om de materieele voorwaarden te laten doorschijnen, die noodzakelijk zijn tot bevrijding van het proletariaat en tot vorming van eene nieuwe samenleving, zoo lang zijn deze theoretici slechts Utopisten, die, om de behoeften der onderdrukte klassen te verhelpen, systemen uitdenken en naar eene regenereerende samenleving zoeken. Maar naar de mate waarin de geschiedenis voortschrijdt en daarmede den strijd van het proletariaat zich duidelijker afteekent, hebben zij niet meer noodig de wetenschap te zoeken in hunne hoofden; zij hebben zich slechts rekenschap te geven van datgene wat zich voor hunne oogen afspeelt en zich tot het orgaan daarvan te maken. Zoolang zij de wetenschap zoeken en niets dan systemen maken, zoolang zij aan den aanvang van den strijd staan, zien zij in de ellende slechts ellende, zonder de revolutionaire gedachte die er zich in verbergt en die in staat is de oude samenleving te doen verdwijnen. Van af dat oogenblik wordt de wetenschap, een bewust voortbrengsel van de historische beweging en heeft zij opgehouden doctrinair te zijn; zij is revolutionair geworden."

Marx onderzocht vervolgens van historische en economische gezichtspunten uit, of de fabriek en de machine, later dan de arbeidsverdeeling "het autoriteitsbeginsel in de samenleving hadden ingevoerd", zooals Proudhon had beweerd. Of aan den eenen kant de arbeider gerehabiliteerd is geworden, in weerwil dat hij aan de anderen kant aan de autoriteit werd onderworpen; of de machine de recompositie der gedeelden arbeid, de aan de analyse tegenovergestelde synthese van den arbeid is, naar Proudhon's bewering.

"De samenleving als geheel," zegt Marx, "heeft met het inwendige van een fabriek dit gemeen, dat ook zij hare arbeidsverdeeling heeft. Neemt men de arbeidsverdeeling als voorbeeld om haar op eene gansche samenleving toe te passen, dan zou ongetwijfeld die samenleving het best voor de produktie van haren rijkdom georganiseerd zijn, welke slechts één enkelen ondernemer als leider heeft, die nog in een vooropgezette, vastgestelde orde, de funkties onder de verschillende leden der maatschappij verdeelt. Maar dit is geenszins het geval. Terwijl in de moderne fabriek de arbeidsverdeeling, door de autoriteit van den ondernemer tot in de onderdeelen geregeld is, kent de moderne samenleving geen anderen regel, geen andere autoriteit voor de verdeeling van den arbeid, dan de vrije concurrentie.

"Onder het patriarchale régime, onder het régime van de kasten, van het feodale- en het gildesysteem, bestond er arbeidsverdeeling in de gansche maatschappij, volgens bepaalde regelen. Zijn deze regelen door een wetgever gegeven geworden? Neen, oorspronkelijk uit de voorwaarden der materieele produktie geboren, werden zij eerst later tot wetten verheven. Aldus werden deze verschillende vormen der arbeidsverdeeling tot even-zoovele grondslagen van sociale organisatie. Wat de arbeidsverdeeling in de werkplaats aangaat, zoo was deze in alle samenlevingsvormen, zeer laag ontwikkeld.

"Men kan als algemeene regel stellen: hoe minder de autoriteit van de deeling van den arbeid, binnen het raam der samenleving ingrijpend werkt, des te meer ontwikkelt zich de arbeidsverdeeling binnen de werkplaats en des te meer is zij aan de autoriteit van een enkele onderworpen. Daarom dus, staan de autoriteiten in de werkplaats en de autoriteit in de samenleving, met betrekking tot de arbeidsverdeeling, tot elkander in eene omgekeerde verhouding." ....

"Hoe is die werkplaats, die fabriek ontstaan?" "Ten dien einde," antwoordt Marx: "hebben wij te onderzoeken hoe de eigenlijke Manufaktuurindustrie zich ontwikkeld heeft." "Ik bedoel hier," zegt Marx, "die industrie, welke nog niet de moderne groot-industrie met hare machines is, die echter niet meer de industrie uit de middeneeuwen, noch zelfs huisindustrie meer is....

"Eene der eerste behoeften voor de vorming der Manufaktuurindustrie, was de akkumulatie van kapitalen, die vergemakkelijkt werd door de ontdekking van Amerika en door de invoer van edele metalen.

"Het is genoegzaam bewezen, dat de vermeerdering van ruilmiddelen ten gevolge had, eenerzijds: de waardevermindering der loonen en grondrenten, anderzijds: de vermeerdering der industrieele winsten. Met andere woorden, met even zooveel als waarmede de klasse der grondbezitters en de klasse der arbeiders, de feodale heeren en het volk zonken, met even zooveel verhief zich de klasse van de kapitalisten, de bourgeoisie.

"Er waren nog andere omstandigheden, die gelijktijdig tot ontwikkeling van de Manufaktuurindustrie bijdroegen. De vermeerdering van de op de markt gebrachte waren, zoodra toen eenmaal de verbinding met Oost-Indië, langs den zeeweg om de Kaap de Goede Hoop was ontdekt, verder het koloniale stelsel en de ontwikkeling van den zeehandel.