Karl Marx en zijne voorgangers
Part 16
"Tegen de hoofdstelling van Bruno Bauer, waarnaar alle groote akties in de geschiedenis tot nu toe, derhalve van te voren reeds mislukt zouden zijn en zonder ingrijpend succes, omdat de massa zich ervoor geïnteresseerd en opgewonden had, of omdat de idee waarom het ging, op den bijval der massa rekenen moest, voerde Marx aan: De "idee", blameerde zich altijd, in zooverre zij met het "belang" in botsing kwam. Aan den anderen kant, is het licht te begrijpen, dat elk massaal en historisch en doorzettend "principe" als het voor het eerst het wereldtooneel betreedt, in de "idee" of in de "voorstelling", verre de werkelijke grenzen te buiten gaat en zich met menschelijke belangen gewoonweg verwisselt. Het belang van de bourgeoisie in de Revolutie van 1789, verre ervan verwijderd, "mislukt" te zijn, heeft alles "gewonnen" en heeft het "ingrijpendste" succes gehad, hoezeer ook het "pathos" in rook vervlogen is en hoezeer ook de "enthusiastische" bloemen, waarmede dit belang zijn wieg omkranste, verwelkt zijn. Dit belang was zóó machtig, dat het de pen van een Marat, de guillotine van de terroristen, den degen van Napoleon, zoowel als het crusifix der Bourbons overwon. "Mislukt" is de Revolutie slechts voor die massa, welke in de politieke "idee", niet de idee van haar werkelijk "belang" bezat; welker waarachtig levensprincipe alzoo met het levensprincipe der Revolutie niet tezamenviel; welker reële voorwaarden voor emancipatie wezenlijk verschillend waren, van de voorwaarden, waarbinnen de bourgeoisie zich in de samenleving emancipeeren kon.
"De Revolutie is mislukt, omdat de massa binnen welker levensvoorwaarden zij werkelijk is blijven stil staan, eene beperkte en exclusieve, niet de totaliteit omvattende massa was; omdat het talrijkste, van de bourgeoisie verschillende deel van de massa, in haar principe geen werkelijk belang, maar slechts een idee bezat. Het was een illusie der terroristen, den modernen Staat, die berust op de burgerlijke samenleving, naar het model van den antieken Staat te willen vormen, terwijl deze samenleving toch op de slavernij berustte. Welk een kolossale vergissing! de moderne burgerlijke samenleving, de samenleving der industrie, der algemeene concurrentie, der, van de vrij hare doeleinden najagende private belangen, der anarchie en de zichzelf vervreemdende natuurlijke en geestelijke individualiteit, in de "Rechten van den Mensch" te willen doen erkennen en te doen sanktioneeren; tegelijkertijd de levensuitingen dezer samenleving, van opzichzelfstaande individuen te willen annuleeren, en tevens de politieke kop dezer samenleving, naar antiek model te willen vervormen. Het was de illusie van een Napoleon, den Staat als doel te beschouwen en het burgerlijk leven slechts als zijn schatmeester en zijne subalternen, die geen eigen wil mogen hebben. De terroristen zoowel als Napoleon, leden met hunne illusies volmaakt schipbreuk. Daarna kwam de bourgeoisie nog weder eenmaal tegenover de contra-Revolutie te staan. Eindelijk verwezenlijkten zich in het jaar 1830 hare wenschen van het jaar 1789, slechts met dat verschil, dat hare politieke "verheldering" nu voltooid was; dat zij in den constitutioneelen, representatieven Staat, niet meer het ideaal van den Staat, niet meer het heil der wereld en der algemeen-menschelijke doeleinden meende na te kunnen streven, maar in hem veel meer, de officieele uitdrukking harer uitsluitende macht en de politieke erkenning, van haar bijzonder belang heeft gezien.".....
"De natuurnoodwendigheid, de menschelijke wezenseigenschappen, hoe vervreemd of de menschen ook van elkaâr mogen schijnen,--het belang, houdt de leden van de burgerlijke maatschappij te zamen; het burgerlijke en niet het politieke leven is hunnen reëlen band. Niet de Staat houdt de atomen der burgerlijke maatschappij bij elkander, gelijk Bruno Bauer meende, maar dit, dat zij slechts atomen in de voorstelling zijn, in den hemel harer verbeelding, terwijl zij in de werkelijkheid echter, geweldig van atomen verschillen een wezenlijk namelijk, geen goddelijke egoïsten, maar egoïstische menschen zijn. Slechts politiek bijgeloof, kan zich tegenwoordig nog inbeelden, dat het burgerlijk leven door den Staat bijeengehouden moet worden; terwijl omgekeerd toch in de werkelijkheid den Staat door het burgerlijke leven tezamen gehouden wordt.
"Gelooft de critiseerende critiek in de kennis der historische werkelijkheid, ook maar slechts aan haar begin te zijn gekomen, zoolang zij de theoretische en de praktische verhouding van de menschen tot de natuur, de natuurwetenschap en de industrie, buiten hare historische wetenschap sluit? Of, meent zij een of andere periode inderdaad reeds te hebben leeren kennen, zonder bijv. de industrie dezer periode, de onmiddellijke produktiewijze van het leven-zelf te hebben kunnen leeren kennen? Zeer zeker, de spiritualistische, de theologische critiek kent slechts,--kent ten minste in hare verbeelding--de politieke, de littéraire en de theologische hoofd- en staatsakties der geschiedenis. Zooals zij het denken van de zinnen, de ziel van het lichaam, zich-zelf van de wereld scheidt, zoo maakt zij de geschiedenis los van de natuurwetenschap en van de industrie. Zoo ook meent zij, niet in de gewone materieele produktie op aarde, maar in de nevelachtige wolkenbeelden aan den hemel, de geboorteplaats der geschiedenis te moeten zien."
Van de utopistische Socialisten, was het wel het meest Fourier en zijn denkbeelden, die hebben bijgedragen tot de inhoud van de "Heilige Familie". Marx stelde op den voorgrond "dat de organisatie van den arbeid" geen wachtwoord van de Socialen, maar een van de politiek-radikale partij is, die in Frankrijk een bemiddeling zocht te bewerken, tusschen de politiek en het socialisme. Beiden toonen echter aan, wat ook de groote Utopisten nooit begrepen hebben n.l.: de historische ontwikkeling, de zelfwerkende beweging van de arbeidersklasse, zegt Marx.
En op de bemerking van Bauer, dat de arbeider niets heeft, omdat hij niets maakt en dat hij niets maakt, omdat zijn arbeid steeds eene individueele blijft, een op zijn dagelijksche behoefte berekende is, antwoordde Engels dit: "De critiseerende critiek voert niets uit; de arbeider doet alles, ja, zoozéér alles, dat hij de gansche critiek ook in zijn geestelijke scheppingen beschaamt; de engelsche en fransche arbeiders kunnen hier getuigenis van afleggen." En wat de tegenstelling tusschen geest en massa aangaat door Bauer geconstrueerd, stelde Marx hierna in het licht, dat de communistische critiek der Utopisten, praktisch wél deugdelijk heeft beantwoord aan de behoeften der groote massa. Hij zeide, dat men om dit te weten, de studie, de weetgierigheid, de zedelijke energie en de rustelooze aandrift tot ontwikkeling van de fransche en engelsche werklieden moet hebben leeren kennen, om zich een voorstelling te kunnen maken van den menschelijken adel dier bewegingen.
Voor het eerst behandelde Marx in de "Heilige Familie" ook den arbeider-publicist en socialist: Pierre Joseph Proudhon. Edgar Bauer had er zich lustig over gemaakt, dat Proudhon uit het principe der gelijkheid, de laatste redelijke grond aller bewijzen voor den eigendom zocht te concludeeren. Daarop nu antwoordde Marx, dat Proudhon hier hetzelfde doet als Bauer, die aan alle zijne ontwikkelingen het oneindige zelfbewustzijn te gronde legt en dit principe, ook als het scheppende grondbeginsel van de, het oneindige zelfbewustzijn--door hare oneindige bewusteloosheid--schijnbaar juist elkander tegensprekende Evangeliën, te gronde legt. Marx wijst erop, dat voor de praktische franschen het principe der gelijkheid juist hetzelfde is, als voor de theoretische duitschers, het principe van het zelfbewustzijn. Zooals in Duitschland de destruktieve critiek, voordat zij met Feuerbach van de beschouwing der werkelijkheid uitgegaan was, al het bepaalde en bestaande door het principe van het zelfbewustzijn trachtte op te lossen, heeft de destruktieve critiek in Frankrijk door het principe der gelijkheid, hetzelfde trachten te bereiken.
En zooals Bruno Bauer de theologie critisch oploste, maar steeds principieel van de theologie uit, zoo doet Proudhon het met de nationaal-economie, principieel van de nationaal-economie uit. Maar de groote vooruitgang door Proudhon bereikt, is volgens Marx deze, dat hij den privaat-eigendom, de grondvoorwaarde van de Staathuishoudkunde, welke hare vertegenwoordigers als een onomstootelijk, niet verder uiteen te zetten feit behandelen, aan het eerste en tevens beslissende en tegelijkertijd, wetenschappelijke onderzoek heeft onderworpen.
Marx betoogt verder tegenover Bauer--die de eenzijdigheid van Proudhon veroordeelde, waar hij zijne wapens ontleende aan de feiten van de ellende en de armoede en deze feiten als absoluut gerechtigd en den rijkdom als een absoluut ongerechtigd feit aanneemt--dat de voorwaarde tot het bestaan van het geheel, de erkenning moet zijn van den aard der beide zijden, dat proletariaat en rijkdom tegenstellingen zijn. Als zoodanig vormen zij één geheel. Zij zijn beiden gestaltenissen van den privaten eigendom. Het is echter hier niet genoeg, ze voor twee zijden van een gehéél te verklaren, maar het gaat hier om de bepaalde positie, welke beiden in die tegenstelling innemen: "Den privaat-eigendom als rijkdom, is ertoe gedwongen, zich-zelf en daarmede zijne tegenstelling, het proletariaat in stand te houden. Het is de positieve kant van de tegenstelling, het inzich-zelf bevredigde privaat-bezit. Het proletariaat omgekeerd, als proletariaat is gedwongen zich-zelf en daarmede zijne noodzakelijke tegenstelling,--die het tot proletariaat doet worden,--het privaatbezit dus op te heffen. Dit is de negatieve kant van de tegenstelling; zijn onrust in zich-zelf, het opgeloste en zich-oplossende privaat-bezit. In den boezem dier tegenstelling, is den privaat-bezitter al dus de conservatieve, de proletariër de destruktieve partij. Van gene gaat de aktie uit tot het instandhouden, van deze de aktie tot de vernietiging der tegenstelling. Het privaat-eigendom drijft zeer zeker zich-zelf, in zijne economische beweging voort naar zijne eigene oplossing, maar slechts door van hem onafhankelijke, bewustelooze, tegen zijnen wil plaatsvindende, door den aard van den zaak bepaalde ontwikkeling; slechts doordien het een proletariaat als proletariaat voortbrengt, de zijn geestelijke en physieke ellende bewuste ellende; de hare mensch-onteering bewuste, mensch-onteering en daarom, de zich-zelf verheffende mensch-onteering. Het proletariaat voltrekt het oordeel, dat het privaat-bezit door de voortbrenging van het proletariaat over zich-zelf velt; zooals het 't oordeel voltrekt, dat de loonarbeid over zich-zelf velt, doordien hij den vreemden rijkdom en de eigen ellende voortbrengt. Wanneer het proletariaat zegeviert, dan is het daarmede niet geworden tot eene absolute kant van de samenleving. Het kan slechts zegevieren, doordien het zich-zelf en zijn tegendeel opheft. Alsdan is evenzoowel het proletariaat, als zijn noodzakelijke tegenstelling, den privaten eigendom verdwenen."
Over het verwijt, dat men, door aan het proletariaat een historische taak op den schouders te leggen, den proletariërs tot "godheden" maakt, zegt Marx dit: "Veeleer is dit juist omgekeerd! Omdat de abstraktie van alle menschelijkheid, zelfs van den schijn van menschelijkheid in het proletariaat voltrokken is op praktische wijze; omdat in de levensvoorwaarden van het proletariaat, alle levensvoorwaarden van de huidige maatschappij in hare onmenschelijke toppunten tezamengevat zijn; en omdat de mensch in hem zich-zelf verloren heeft, maar tegelijkertijd weder hèrwonnen heeft en niet alleen door het theoretisch bewustzijn van dit verlies, maar ook door de onmiddellijke, door de niet meer af te wijzen, niet meer te verbloemen nood--de praktische uitdrukking der noodwendigheid!--tot opstand tegen deze onmenschelijkheid gedwongen is, daarom kan en moet het proletariaat zich-zelf bevrijden. Het kan zich-zelf echter niet bevrijden, zonder zijne eigene levensvoorwaarden op te heffen. Het kan die levensvoorwaarden evenwel niet opheffen, zonder alle menschelijke levensvoorwaarden van de huidige samenleving, die zich in zijne situatie samenvatten, op te heffen. Het maakt niet te vergeefs de harde, maar tevens stalende school van den arbeid door. Het komt er niet op aan, wat deze of gene proletariër of zelfs ook het gansche proletariaat, zich bij wijlen als doel voor oogen stelt. Het komt er op aan, wat het is en wat het historisch genoodzaakt zal zijn te doen. Zijn doel en zijn historische aktie, zijn hem in zijne eigene levenssituatie, zooals in de gansche organisatie van de huidige burgerlijke maatschappij, zinnebeeldig en onherroepelijk voorgeteekend."
HOOFDSTUK III.
MARX TEGEN PROUDHON.
Ten tijde dat Marx in Parijs leefde, verkeerde hij ook aldaar, met den reeds hier genoemden franschen socialist Pierre Joseph Proudhon. Proudhon was letterzetter geweest en had het, na een jeugd van armoede en ontbering, tot een bekend schrijver gebracht. Marx vertelt zelve, dat hij met Proudhon lange nachten achtereen gediscussieerd had over economische vraagstukken. Marx leidde hem de Hegeliaansche philosophie binnen, wat hij later evenwel betreuren moest, daar Proudhon, doordien hij geen duitsch verstond, nooit in staat is geweest Hegel zelve te bestudeeren in diens eigen taal. Hem is daardoor van de denkbeelden van dien wijsgeer, altijd een valsch denkbeeld bijgebleven. Nadat Marx Parijs verlaten had, kwam Proudhon onder den invloed van den duitschen socialist Karl Grün.
In Juni van 1847 deed Marx in het fransch een geschrift het licht zien, bij wijze van antwoord op Proudhon's geschrift "La philosophie de la Misère" ("De philosophie der ellende") dat getiteld was: "La misère de la philosophie" ("De ellende der philosophie") van de grootste beteekenis, niet alleen om de polemiek, maar vooral daardoor, omdat het de wetenschappelijke inleiding van Marx' lateren en wetenschappelijken arbeid kan genoemd worden; zoowel in philosophisch als in staathuishoudkundig opzicht.
In de "Voorrede" tot dit geschrift, die gedagteekend is uit Brussel, den 15e Juni 1847 zegt Marx: "De heer Proudhon heeft het ongeluk op eene eigenaardige wijze te worden miskend. In Frankrijk heeft hij het recht, een slecht econoom te zijn, omdat men hem aldaar voor een geducht duitsch philosoof houdt; in Duitschland daarentegen, mag hij een slecht philosoof zijn, omdat hij daar doorgaat voor een sterk fransch staathuishoudkundige. In onze dubbele hoedanigheid van duitscher èn van econoom, zien wij ons genoodzaakt, tegen deze dubbele dwaling op te komen.
"De lezer zal begrijpen, dat wij bij dezen ondankbaren arbeid, meermalen de critiek van den heer Proudhon over de duitsche philosophie, op den achtergrond zullen moeten laten treden en daarnevens ons eenige bemerkingen over de politieke-economie in het algemeen zullen moeten veroorloven."
Van de twee gedeelten, waaruit het geschrift bestaat, houdt het eerste zich bezig met Proudhon's "geconstitueerde waarde."
Marx toont aan, dat de ruil der waren, naar de mate van de in hen belichaamde arbeidstijd "de revolutionaire toekomsttheorie" van Proudhon, niets anders is, dan wat de econoom Ricardo heeft geconstateerd als te zijn de theorie van de burgerlijke maatschappij. De waarde van den arbeid wordt bepaald door den arbeidstijd die er benoodigd is, voor de voortbrenging van al datgene, wat den arbeider voor zijn onderhoud en voor zijne voortplanting noodig heeft. Ricardo heeft het dus al uiteengezet: "verminder de onderhoudskosten der menschen door matiging van den natuurlijke prijzen, der voor het leven noodzakelijke voeding en kleeding en gij zult zien, hoe de loonen zullen dalen, zelfs wanneer de vraag naar arbeiders ook sterk stijgt." De natuurlijke prijs van den arbeid, is niets anders dan een minimum van het loon. Zoo is de door den arbeidstijd gemeten waarde, noodzakelijkerwijs de formule voor de moderne slavernij van den arbeider, inplaats van gelijk Proudhon dit aannam, de "revolutionaire theorie" voor de emancipatie van het proletariaat te wezen.
Teneinde zijne utopie te steunen, verklaarde Proudhon, dat zich aanbod en vraag ontwijfelbaar dekken zullen, wanneer de waarde van een produkt bepaald wordt door de in hem belichaamde arbeidstijd. Voor deze meening heeft hij het schijnbaar historische bewijs aangevoerd, dat de nuttigste dingen, den geringsten produktietijd vorderen; dat de samenleving steeds met de gemakkelijkste industrieën aanvangt, en dan, geleidelijk tot de produktie van dingen voortgaat die grooter arbeidstijd vorderen en aan hare behoeften beantwoorden.
Marx voerde hiertegen aan, dat die dingen zich op gansch andere manier hebben voltrokken dan Proudhon wel denkt. Op het moment waarop de civilisatie een aanvang neemt, begint ook de produktie zich op te bouwen op de tegenstelling der beroepen, der standen, der klassen en ten slotte, op de tegenstelling tusschen den opgehoopten en den onmiddellijken arbeid. Zonder tegenstelling geen vooruitgang; dat is de wet welke de beschaving tot op heden gevolgd heeft. Tot nu toe, hebben zich de produktiekrachten op grond van deze heerschappij der klassentegenstellingen ontwikkeld. De geschiedenis evenwel toont ook aan, dat de manier waarop de produkten zich tegen elkander ruilen, in het algemeen zich richt, naar de manier waarop zij voortgebracht worden. De individueele ruil beantwoordt aan een bepaalde produktiewijze, die op klasse-tegenstellingen berust. Het verbruik van de produkten wordt bepaald door de sociale verhoudingen, waarin de consumenten zich tot elkander bevinden en deze verhoudingen, berusten op de tegenstellingen der klassen. Weshalve zijn katoen, aardappelen en brandewijn, de steunpunten van de burgerlijke maatschappij, de voorwerpen van algemeen verbruik? Omdat zij de maatschappelijk-nuttigste produkten zijn, of omdat zij als de ellendigste produkten, in eene op ellende gegrondveste samenleving, het natuurnoodzakelijke voorrecht genieten, tot gebruik van de groote massa te dienen?
Eerst in eene komende samenleving, waarin de klassetegenstellingen zullen zijn verdwenen, waarin geene klassen meer zullen bestaan, zal het gebruik niet meer van het minimum van den produktietijd afhankelijk zijn, die men aan de verschillende voorwerpen besteedt, maar de produktietijd zal dan afhankelijk zijn van hunne maatschappelijke nuttigheid.
In de burgerlijke maatschappij, worden aanbod en vraag niet door de, in de arbeidswaarde opgesloten waarde der producten geregeld, maar de oszillatorische (schommelende) beweging van vraag en aanbod, vormt uit den arbeidstijd, hunne waardemeter. Elke nieuwe uitvinding, welke het mogelijk maakt in één uur te produceeren, wat tot nog toe in twee uren geproduceerd is kunnen worden, òntwaardigt alle gelijksoortige produkten welke zich op de markt bevinden. De concurrentie dwingt den producenten het produkt van twee uren, evenzoo goedkoop te verkoopen, als het produkt van één uur arbeids. De concurrentie zet de wet door, waarnaar de waarde van een produkt door de, tot zijn voortbrenging noodwendige hoeveelheid arbeidstijd wordt bepaald. Niet den tijd waarin een zaak wordt geproduceerd, maar den tijd waarin zij kan worden geproduceerd, bepaalt hare waarde en dit minimum kan alleen door de concurrentie worden bepaald. Het feit dat de arbeidstijd, als de maat van de ruilwaarde dient, wordt op deze wijze tot de wet van eene bestendige waarde-vermindering van den arbeid, die met overproduktie en industrieele anarchie hand aan hand gaat.
Marx stelt de utopie van Proudhon gelijk, met den wensch van iemand die gaarne zoû zien, dat de waren in zulke proporties zouden worden voortgebracht, dat men ze tot de gewone, hem believende prijs van de hand zou kunnen zetten. Hij wijst erop, dat het van-huis-uit eene burgerlijke illusie geweest is, zich den individueelen ruil zonder klasse-tegenstellingen voor te spiegelen; om zich de burgerlijke maatschappij, als een toestand van harmonie voor te stellen en als eene van eeuwige gerechtigheid, die niemand veroorlooft zich te verrijken, op kosten van anderen. Maar de "juiste proportie tusschen aanbod en vraag" was slechts mogelijk in die tijden, waarin de produktie-middelen beperkt waren, waarin den ruil zich binnen buitengewoon enge grenzen voltrok; waarin de vraag het aanbod, de consumptie, de produktie beheerschte. Zij is onmogelijk geworden met het ontstaan van de groot-industrie, die al reeds door de instrumenten waarmede zij werkt gedwongen is, gedurig in steeds grootere mate te produceeren; die niet op de vraag kan wachten; die met natuur-noodzakelijkheid de gestadige, aan elkander opvolgende wisselingen van prosperiteit en depressie, krisis, stilstand, nieuwe prosperiteit en zoo vervolgens, door moet maken. "In de huidige maatschappij," gaat Marx voort, "in de op individueelen ruil gebaseerde industrie, is de anarchie die er in de productie heerscht, de bron van zóóveel ellende, maar gelijktijdig óók de oorzaak der vooruitgang. Nochtans, van tweeën een: of men wil de juiste proporties van vroegere eeuwen, mèt de produktiemiddelen van onzen tijd,--en dan is men reaktionair en utopist tegelijk,--of men wil de vooruitgang zonder de anarchie, en dan moet men afstand doen van het behoud der produktiekrachten op de basis van den individueelen ruil."
Marx toont vervolgens aan, hoe het met de bijzondere nuttigheidstoepassingen, die Proudhon gemaakt had omtrent het goud en het zilver, eigenlijk precies is gesteld.
Goud en zilver, zouden volgens Proudhon de eerste waren zijn, welker waarde tot constitueering zijn gekomen en uit de souvereine wijding zegt Proudhon: "die erop werd gedrukt door de zegels van de vorsten, is er het geld uit voortgekomen." "Het geld," antwoordt Marx hierop, "is niet een zaak maar eene maatschappelijke verhouding; een schakel in den ganschen keten van de economischen verhoudingen en als zoodanig op het innigst met hen verbonden. Gelijk de individueele ruil, beantwoordt het aan eene bepaalde produktiewijze. Het believen der souvereinen heeft het geld niet geschapen. Inderdaad, men moet wel èlke historische kennis missen, om niet te weten, dat de souvereinen zich ten allen tijden hebben moeten schikken naar de maatschappelijke verhoudingen, maar dat zij dezen nooit de wet hebben kunnen voorschrijven! Zoowel de politieke, als de burgerlijke wetgeving proclameeren en protocoliseeren, slechts het willen van de economische voorzienigheid; het recht is slechts de officieele erkenning van dat feit. Het zegel der souvereinen drukte op het goud niet zijne waarde, maar het gewicht; maar juist in hunne eigenschap als munt, als waardeteeken, zijn goud en zilver onder alle waren de eenige, die niet door hare produktiekosten worden bepaald, wat dan ook door D. Ricardo reeds lang en helder in het licht gesteld is geworden. Het geld, als praktische proef op de geconstitueerde waarde van Proudhon, past daarop, zooals een tang op een varken past."