Karl Marx en zijne voorgangers

Part 15

Chapter 153,528 wordsPublic domain

"De politieke emancipatie is tegelijkertijd de oplossing der oude maatschappij, waarop het den volke ontvreemde staatswezen, de heerschersmacht berust. De politieke Revolutie is de Revolutie van de burgerlijke maatschappij. Wat was het karakter der oude samenleving? De feodaliteit. De oude burgerlijke samenleving had een onmiddellijk politiek karakter; d. w. z. de elementen van het burgerlijke leven, zooals bijvoorbeeld het bezit of de familie of de manier van arbeiden waren in den vorm van grondheerlijkheid, van standen en corporatiën, verheven tot elementen van het staatsleven. Zij bepaalden in dezen vorm de verhouding van de individuen op zich-zelf, tot het staatsgeheel, d. w. z. zijn politieke verhouding, zijn verhouding van de scheiding en uitsluiting tot de andere bestanddeelen der maatschappij. Want deze organisatie van het volksleven verhief het bezit of den arbeid niet tot sociale elementen, maar voltooide veelmeer hunne scheiding van het staatsgeheel en constitueerde hen aldus, tot bijzondere maatschappijen, in de maatschappij. Zoo waren intusschen altijd nog de levensfunkties en levensvoorwaarden der burgerlijke maatschappij van politieken aard, zij het ook politiek, in den zin van feodaal, d. w. z. dat zij het individu van het staatsgeheel afsloten; dat zij de bijzondere verhouding zijner corporatiën tot het staatsgeheel omzetten in zijn eigen algemeene verhouding tot het volksleven, zooals tot zijne bepaalde burgerlijke werkzaamheid en situatie. Als eene consekwentie van deze organisatie, doet zich, als eene noodzakelijkheid de staatséénheid kennen, gelijk het bewustzijn, den wil en de werkzaamheid der staatséénheid; de algemeene staatsmacht, eveneens als eene bijzondere aangelegenheid van eene, van het volk afgezonderden heerscher en van zijne dienaren.

"De politieke Revolutie, welke aan deze heerschersmacht een einde maakte en de Staatsaangelegenheden tot volksaangelegenheden verhief, welke den politieken Staat als algemeene aangelegenheid, d. w. z. als werkelijken Staat constitueerde, sloeg noodwendig alle standen, corporatiën, gilden en privilegiën, welke evenzoovele uitdrukkingen van de scheiding van zijn gemeenschapswezen waren, uiteen. De politieke Revolutie hief daarmede het politiek karakter van de burgerlijke samenleving op. Zij sloeg de burgerlijke samenleving in hare eenvoudige bestanddeelen uiteen; eenerzijds in de individuen, anderzijds in de materiëele en geestelijke elementen welke den levensinhoud, de burgerlijke situatie van deze individuen vormden. Zij ontketende den politieken geest, die geleidelijk in de verschillende doodloopende stegen van de feodale maatschappij verdeeld, verbrokkeld en verloopen was; zij verzamelde hem uit deze verstrooiing; zij maakte hem vrij van zijne vermenging met het burgerlijk leven en constitueerde hem, als de spheer van de gemeenschap, van de algemeene volksaangelegenheid, in eene ideale onafhankelijkheid van de bijzondere elementen van het burgerlijk leven. De bepaalde levenswerkzaamheid en de bepaalde levenssituatie, zonken nu tot hunne individueele beteekenis terug. Zij vormden niet meer de algemeene verhouding van de individuen tot het Staatsgeheel. De publieke aangelegenheid als zoodanig, wordt veelmeer tot eene algemeene aangelegenheid van ieder individu, en de politieke funktie, tot zijne algemeene funktie.

"Alleen de voltooiing van het idealisme van den Staat, was tegelijkertijd de voltooiing van het materialisme der burgerlijke samenleving. Het afschudden van het politieke juk, was tegelijk het afschudden van de ketens, welke den egoïstischen geest der burgerlijke samenleving geketend hielden. De politieke emancipatie, was tegelijkertijd de emancipatie der burgerlijke maatschappij van de politiek, van den schijn zelfs van eenen algemeenen inhoud. De feodale maatschappij was opgelost in haren grond, in den mensch. Maar in den mensch, zooals die werkelijk in den grond was: in den egoïstischen mensch.

"Deze mensch, dat lid van de burgerlijke samenleving nu, is de basis, de voorwaarde tot den politieken Staat. Hij is door hem dan ook als zoodanig erkend in de "Menschenrechten".

"De vrijheid van den egoïstischen mensch en de erkenning dezer vrijheid, is echter veelmeer de erkenning van de teugellooze beweging der geestelijke en moreele elementen, welke zijn levensinhoud vormen.

"De mensch wordt daarmede niet van de religie bevrijdt; hij verkrijgt de vrijheid der religie. Hij wordt niet van den eigendom bevrijdt, hij verkrijgt de vrijheid van den eigendom. Hij wordt niet bevrijd, van de zelfzucht van het bedrijfswezen; hij verkrijgt de vrijheid van het bedrijf."

"Alle emancipatie is terugvoeren van de menschelijke wereld, van de menschelijke verhoudingen, tot den menschen zelf.

"De politieke emancipatie is de reduktie der menschen eenerzijds tot op het lid van de burgerlijke samenleving, tot op het egoïstische onafhankelijke individu; anderzijds, tot op den staatsburger, tot op den moreelen persoon.

"Eerst wanneer de werkelijke individueele mensch, den abstrakten staatsburger die in hem is, naar zich terugneemt, en als individueelen mensch in zijn empirisch leven, in zijnen individueelen arbeid, in zijne individueele verhoudingen, paringswezen geworden is; eerst wanneer de mensch zijne "forces propres" als maatschappelijke krachten erkent en georganiseerd heeft en aldus de maatschappelijke kracht niet meer in de gestalte der politieke kracht van zich afscheidt, eerst dan is de menschelijke emancipatie volbracht."

Bruno Bauer zocht nog steeds de Jodenkwestie langs theologischen weg op te lossen.

"Laten wij beproeven," zegt Marx, "om de theologische opvatting van de kwestie te doorbreken. De vraag naar de emancipatiegeschiktheid van de Joden, zet zich naar onze beschouwing om in de vraag, welk bijzonder maatschappelijk element er is te overwinnen om het jodendom op te heffen! Want de emancipatiegeschiktheid van de huidige Joden drukt de verhouding uit van het Jodendom, tot de emancipatie der huidige wereld. Deze verhouding spruit noodwendig voort uit de bijzondere positie van het Jodendom in de huidige, geknechte wereld.

"Beschouwen wij eens den werkelijken wereldlijken jood, niet den sabath-jood gelijk Bauer het doet, maar den alledaagschen jood, wat nader.

"Zoeken wij het geheimzinnige van de joden, niet in hunne religie, maar zoeken wij het geheimzinnige van de religie, in de werkelijke joden.

"Welke is de wereldlijke grond des Jodendoms? De praktische behoeften, het eigenbelang. Welke is de wereldlijke cultus der Joden? De schagger. Welke is zijn wereldlijken God? Het geld!

"Welnu. De emancipatie van den schagger en van het geld, dus van het praktische, reële jodendom, dat beteekent de zelf-emancipatie van onzen tijd.

"Eene organisatie der maatschappij, welke de voorwaarden van den schagger, dus de mogelijkheid om te schaggeren zou opheffen, zou den joden onmogelijk maken. Zijn religieus bewustzijn zou dan als een ijle mist zich oplossen, in den werkelijken levenslust der samenleving. Aan den anderen kant: wanneer de jood, dit zijn praktisch wezen als nietig beschouwt en aan zijne verheffing arbeidt, arbeidt hij boven zijne tegenwoordige ontwikkeling uit, aan de menschelijke emancipatie in het algemeen en keert hij zich tegen de hoogste, praktische uitdrukking der menschelijke zelfvervreemding.

"Wij erkennen dus in het Jodendom een algemeen aanwezig zijnd, anti-sociaal element, hetwelk door de historische ontwikkeling,--waaraan de Joden in deze slechte beteekenis ijverig medegewerkt hebben--op zijne tegenwoordige hoogte gedreven is geworden, op een hoogte, waarop het zich noodzakelijk oplossen moet.

"De emancipatie der Joden in hare laatste instantie, zal de emancipatie der menschheid van het Jodendom zijn."

"Het geld is de naijverige God van Israël, waarnaast geen anderen God bestaan kan. Het geld vernedert alle goden der menschen--en zet ze om in waren. Het geld is de algemeene, voor-zich-zelf geconstitueerde waarde aller dingen. Het heeft daarvandaan de gansche wereld, de menschenwereld benevens de natuur, van hunne eigenaardige waarde beroofd. Het geld is het, den mensch ontvreemde wezen van zijnen arbeid en van zijn bestaan. En dit vreemde wezen beheerscht hem en hij aanbidt het.

"De god der Joden heeft zich verwereldlijkt; hij is tot een wereld-god geworden. De wissel is de wereldlijke god der Joden. Hun god slechts de illusoire wissel.

"Die beschouwing, welke onder de heerschappij van het privaat-eigendom en van het geld over de natuur, gewonnen werd, is de werkelijke verachting, de praktische ontwijding van de natuur, welke in den joodschen godsdienst wel-is-waar bestaat, maar slechts in de verbeelding bestaat."

In dezen zin verklaart Thomas Münzer het voor onverdragelijk: "dat alle creaturen tot eigendom gemaakt worden, de visschen in 't water, de vogels in de lucht, het gewas op de aarde--ook die schepselen moeten vrij worden."

Wat in de joodsche religie abstrakt opgesloten ligt, de verachting der theorie, der kunst, der geschiedenis, die van den menschen als doel, dat is het werkelijke bewuste standpunt, de deugd van den geldmensch......

"Het jodendom bereikte zijn hoogste punt, met de voltooieng van de burgerlijke maatschappij, maar de burgerlijke maatschappij voltooit zich eerst in de christelijke wereld. Slechts onder de heerschappij van het christendom, hetwelk alle nationale, natuurlijke, zedelijke, theoretische verhoudingen der menschen tot uitwendige maakte, kon de burgerlijke samenleving zich volkomen van het Staatsleven afzonderen, alle samenlevingsbanden der menschen verscheuren; het egoïsme stellen in de plaats dezer banden; de menschenwereld in een wereld van atomistische, vijandig tegenover elkander staande individuen, doen oplossen.

"Het Christendom is uit het Jodendom ontsproten. Het heeft zich weder in het Jodendom opgelost." .....

"Het Christendom is de sublieme gedachte van het Jodendom, het Jodendom de ordinaire nuttigheidsaanwending van het Christendom. Maar deze nuttigheidsaanwending kon eerst tot eene algemeene worden, nadat het Christendom, als de voltooide religie, de zelfvervreemding van den mensch, van zich-zelf en van de natuur, theoretisch voleindigd had.... Omdat het reële wezen der joden zich in de burgerlijke maatschappij algemeen verwezenlijkt, daarom kon de burgerlijke maatschappij den Joden niet van de onwezenlijkheid van hun religieus wezen, hetwelk juist slechts de ideale beschouwing van de praktische behoefte is, overtuigen. Alzoo, noch in den Pentateuch, noch in den Talmud, maar in de tegenwoordige samenleving vinden wij het wezen van de huidige Joden; niet als een abstract, maar als een hoogst empirisch wezen; niet slechts als de bekrompenheid der Joden, maar als de joodsche bekrompenheid der samenleving.

"Zoodra het der maatschappij gelukt, het empirische wezen van het Jodendom, den schagger en zijne voorwaarden op te heffen, is de Jood eene onmogelijkheid geworden, omdat dan zijn bewustzijn geen objekt meer zal hebben, dewijl de subjektieve basis van het Jodendom, de praktische behoefte, vermenschelijkt; dewijl dan het conflikt van het individueel-zinnelijke bestaan, met het samenlevingsbestaan der menschen, uit den weg geruimd zal zijn.

"De maatschappelijke emancipatie van de Joden, zal de emancipatie der samenleving van het Jodendom zijn."

SAMENWERKING VAN MARX MET FRIEDRICH ENGELS.

Te Manchester verwijlde Friedrich Engels, een fabrikantenzoon uit Barmen en voor de industrie opgeleid, 21 maanden lang, van af December 1842 tot December 1844. Hij maakte aldaar de school der industrie door en bestudeerde deze zoowel als het wereldhistorische proces der groot-industrie, de philosophische grondslagen en de inwendige tezamenhang der kapitalistische maatschappij. Hij verkreeg daardoor een blik op het geheel, waartoe het engelsche socialisme van Owen in die dagen, zich niet heeft vermogen op te werken. Engels arbeidde als medewerker, aan de "Northern Star", aan den organen van de "Chartisten" dier dagen, zoowel als aan de "New Moral World," van Robert Owen.

Terwijl Marx uit de studie van het fransche socialisme leerde concludeeren, dat niet de Staat de burgerlijke samenleving, maar dat de burgerlijke samenleving den Staat tezamenhoudt, leerde Engels uit de engelsche industrie, dat de economische feiten, die in de tot nog toe geldende geschiedschrijving geenerlei of althans maar een zeer geminachte rol speelden, minstens in de moderne wereld, van een beslissend historische kracht zijn. Dat zij het zijn, die de grondslagen uitmaken voor het ontstaan der huidige klassetegenstellingen in die landen, die zich door middel van de groot-industrie, economisch ontwikkeld hadden zooals Engeland. En dat deze klassetegenstellingen, wederom de grondslag vormen der politieke partijvorming, der partijstrijd en daarmede van de gansche politieke geschiedenis. Langs verschillende wegen waren Marx en Engels dus tot dezelfde conclusies gekomen. Bij Marx gaven de philosophische, bij Engels gaven de economische feiten den doorslag.

Toen Marx en Engels zich in den herfst van 1844 te Parijs voor de tweede maal samentroffen, bleek het hun, dat zij het op het gebied hunner theorieën volkomen eens waren. Hierop berustte dan ook in gansch hun leven de wapenbroederschap, die later is overgegaan in vriendschap, zooals die alleen twee denkers die evenhoog staan, kan vereenigen.

Intusschen ging Engels weder naar Barmen terug en moest Marx te Parijs blijven, daar men in Duitschland een bevel tot inhechtenisneming tegen hem had uitgevaardigd.

Marx werkte toen mede aan een blaadje de "Vorwärts" genaamd, dat door een zekere Bornstein, met geld van den componist G. Meijerbeer was opgericht geworden. Voor het blad schreven ook: Heinrich Heine, die te Parijs een goed en gaarne gezien huisvriend der familie Marx is geweest, de dichter George Herwegh, Michael Bakounine, Moritz Hesz, Arnold Ruge e.a.

Maar het blaadje moest spoedig ophouden te bestaan. De Pruisische regeering had bij de fransche daarop aangedrongen en de laatste had toegegeven. Spoedig daarna werd ook aan Marx het bevel gegeven, door de regeering van den heer Guizot, om Frankrijk en daarmede Parijs te verlaten en Marx, overal verjaagd, moest naar Brussel uitwijken. Aldaar trof hij in het voorjaar van 1845 wederom met Engels tezamen, die van verlangen brandde om met Marx van gedachten te wisselen, over zijn rijp geworden communistische beginselen. Intusschen had deze zijn eerste werk voltooid: "De positie der arbeidende klassen in Engeland." getiteld, waarvan de voorrede nog in Barmen was geschreven. In deze "voorrede" duidt Engels het als doel van dat geschrift aan, de socialistische theorieën en de beoordeeling hunner juistheid, een vasten grondslag te geven en aan alle phantazieën daaromtrent een einde te maken. Een scheiding dus van het utopistisch Socialisme.

Engels hield het voor noodzakelijk, dat voornamelijk de duitsche theoretici, waarvan bijna niet een, anders dan door middel van de Feuerbachsche oplossing van de Hegelsche, speculatieve wijsbegeerte, tot het Communisme gekomen was, de werkelijke levensomstandigheden van het proletariaat zouden leeren kennen. In hunnen klassieken vorm, in hunne voltooieng nu, bestonden zuiver proletarische toestanden, in dien tijd alléén nog maar pas in Engeland, het land der groot-industrie. Daarom schreef Friedrich Engels zijn boek dan ook over engelsche arbeiderstoestanden.

Toen beiden, Marx en Engels elkander te Brussel aantroffen, zetten zij zich aan den arbeid, om naar alle richtingen heen, hun nieuw gewonnen standpunt uiteen te zetten, ten opzichte van de Hegelsche philosophie, om gelijk zij het noemden, "voor goed met hun philosophisch geweten in 't reine te komen." Dat deden zij in een critiek op de Hegeliaansche en de na-Hegeliaansche philosophie; een boek van twee deelen dik. Dat boek is echter nooit gedrukt kunnen worden; de drukker weigerde ter elfder ure iets van Marx te drukken, gelijk er jaren na dien nog geen uitgever te vinden was in Duitschland, die iets van Marx wilde of durfde uitgeven. Het manuscript lieten toen Marx en Engels, gelijk Marx het eenmaal uitdrukte, aan de "knagende critiek der muizen over"; zij hadden hun doel, een afrekening met zich-zelven, volkomen bereikt. Dit manuscript hield ook de 11 stellingen in, van Marx tegen Feuerbach, reeds vroeger medegedeeld en jaren later door Engels tot een geschrift uitgewerkt, onder den naam van "Ludwig Feuerbach of het uiteinde der klassieke Duitsche wijsbegeerte", in welk geschrift door Engels, met groote bescheidenheid erkend wordt, dat de groote philosophische lijnen van de gewonnen levensbeschouwing van hun beiden, geheel en al door Marx getrokken zijn. "Marx was een genie," schrijft hij daar, "waar anderen hoogstens talenten genoemd konden worden."

Marx en Engels sponnen de draden van hunne positieve zelf-critiek verder voort. Zij vereenigden zich tot een zelfstandigen arbeid, eene critische oplossing van het duitsche Idealisme, voor zoover dit in Bruno Bauer en de Berlijnsche "Vrijen," zijn vertegenwoordigers vond. Hierdoor kwam voor 't eerst het geschrift tot stand, dat getiteld was:

"De Heilige Familie"

"of de Critiek der critiseerende critiek van Bruno Bauer en consorten", dat in 1845 in Frankfort a/M. het licht zag. Het geschrift staat in geen uitwendige samenhang met de Deutsch-Französischen Jahrbücher; naar het wezen evenwel, past het volkomen in het raam van den arbeid der beiden, aan dit tijdschrift.

Het doel der "Heilige Familie" is volgens het voorwoord der auteurs, het publiek in te lichten omtrent de illusies van de speculatieve philosophie. "Het reële Humanisme heeft in Duitschland geen gevaarlijker vijand, dan het Spiritualisme of het speculatieve Idealisme, dat in plaats van den werkelijken individueelen mensch, het "zelfbewustzijn" of den "Geest" plaatst, en met den Evangelist leert: "De geest is het, die levend maakt, het vleesch is van geen nut."" Het spreekt vanzelf, dat dezen vleeschloozen geest, slechts in zijne verbeelding, geest bevat. Wat wij aan de Bauersche critiek bestrijden, dat is juist de als carricatuur zich reproduceerende speculatie. Zij is voor ons de volmaaktste uitdrukking van het christelijk-germaansche principe, dat er zijn laatste poging in doet, om de critiek zelve in eene transcendentale om te zetten.

Bauer c.s. hadden ons willen aantoonen, "dat alle groote akties in de geschiedenis tot nog toe, daarom van begin af een misgreep waren of wel succes hadden, naarmate de massa's zich er voor opgewonden en er zich voor geïnteresseerd hadden, of omdat de idee waarom het ging, van een soort was, dat zij zich met eene oppervlakkige opvatting moest vergenoegen en alzoo ook op hunnen bijval rekenen moest." De geest wist, zoo gingen zij bij de uiteenzetting van hun standpunt verder, waarin hij zijne tegenstanders had te zoeken, namelijk in het zelfbedrog en de kernloosheid van de massa's.

In zeker opzicht geleek dit standpunt op dat, waarvan de fransche Utopisten uitgegaan waren. Massabewegingen zooals de fransche Revolutie, waren oogenschijnlijk mislukt en op het allerplatste despotisme uitgeloopen. Elk vooruitgang van den geest bewees dus, steeds meer tegen de vooruitgang van de massa der menschheid in te gaan en haar in een steeds onmenschelijker situatie te brengen. Fourier en Owen traden dan ook in zekere mate op als aktieve geesten, tegenover de passieve massa.

De "Allgemeine Literatur-Zeitung" het orgaan der Jong-Hegelianen van het slag van Bauer en Feuerbach, kantte zich dan ook sterk tegen de massabewegingen van destijds. In hare oogen kon de engelsche industrie, even zoo weinig genade vinden, als de fransche Revolutie. De beschaving van het Westen, was haar en hare medewerkers eigenlijk een soort gruwel.

Het was dus niet het minst in dat geschrift, dat Marx en Engels de geheimenissen van de "speculatieve construktie" ontsluieren moesten. Hierover zeiden zij het volgende:

"Wanneer ik mij uit de werkelijke appelen, peren, aardbeien en amandelen, de algemeene voorstelling "vrucht" vorm, wanneer ik verder ga en mij verbeeld, dat mijne, uit de werkelijke vruchten getrokken abstrakte voorstelling "de vrucht" een buiten mij bestaand iets, ja het ware wezen der peren, der appels enz. is, dan verklaar ik--spekulatief uitgedrukt--de vrucht, voor de substantie der peren, der appelen, der amandelen enz. Ik zeg dan: de peer is een onwezenlijke peer, de appel is een niet-wezenlijke appel. Het wezenlijke uit die dingen, is niet hun werkelijk en zinnelijk te aanschouwen bestaan, maar het door mij uit hen geabstraheerd en een hen ondergeschoven wezen, het wezen mijner voorstelling: "de vrucht." Ik verklaar daarmede appels, peren, amandelen enz. voor niets, dan voor bestaansvormen, voor modi der vrucht. Mijn eindend, door de zinnen ondersteund verstand, onderscheidt zeer zeker een appel van een peer, en een peer van een amandel, maar mijn spekulatief verstand, verklaart deze zinnelijke verschillen voor onwezenlijk, niet-verschillend. Zij ziet in den appel hetzelfde als in den peer en in de peer hetzelfde als in den amandel, namelijk: "de vrucht." De bijzondere werkelijke vruchten, gelden hier dus voor schijnvruchten, welker werkelijk wezen de "substantie," de "vrucht" is.....

"Wanneer de appel, de peer, de amandel of aardbezie in waarheid niets anders zijn dan "de substantie", de "vrucht," dan vraagt men zich af, hoe komt het toch, dat de vrucht zich aan mij dan als appel, dan als peer of dan als amandel vertoont; vanwaar komt deze schijn der menigvuldigheid, die mijne speculatieve aanschouwing van de eenheid, van "de substantie," van de vrucht, zoo in 't oogspringend weerspreekt? Dat komt, zal de speculatieve philosoof u antwoorden, omdat "de vrucht" geen dood, verschilloos en rustend, maar een levend, een in zich-zelf verschillend en bewogen wezen is. De verschillendheid van de profane vruchten, is niet alleen voor mijn zinnelijk verstand, maar ook voor "de vrucht" zelf, voor het spekulatieve verstand van beteekenis. De verschillende profane vruchten zijn verschillende levensuitingen van de "eene vrucht," zij zijn kristallisaties, welke "de vrucht" zelf vormen. Dus in den appel bijv. heeft "de vrucht" een appelachtig, in de peer een perenachtig bestaan. Men moet dus niet meer zeggen, zooals op het standpunt der substantie: de peer is de vrucht, de appel is de vrucht, de amandel is de vrucht, maar veeleer: de vrucht is als peer, de vrucht is als appel, de vrucht is als amandel tezamen gesteld en de verschillen welke appel, peer en amandel van elkander scheiden, zijn even zoovele zelfonderscheidingen van "de vrucht" en maken de bijzondere vruchten evenzoo tot verschillende ledematen van het levensproces der vrucht".... "Men ziet: wanneer de christelijke religie slechts van één "inkarnatie gods" weet, de spekulatieve philosophie bezit evenzoo veel "inkarnaties" als er dingen bestaan, gelijk zij hier in elke vrucht eene inkarnatie van de substantie, van de absolute vrucht bezit. Het hoofdbelang voor de speculatieve philosophen bestaat dus hierin, de werkelijke profane vruchten voort te brengen en dan op geheimzinnige wijze ervan te zeggen, dat er appelen, peren, amandelen en rozijnen zijn..... "Het spreekt van zelf, dat de spekulatieve philosoof deze voortdurende schepping slechts verkrijgt, doordat hij algemeen bekende, in de werkelijke aanschouwing voorhanden zijnde eigenschappen van appelen, peren enz., als het ware door hem uitgevonden bepalingen onderschuift, terwijl hij datgene, wat alleen het abstrakte verstand verschaffen kan, namelijk de abstrakte verstandsformules, de namen der werkelijke dingen geeft. Terwijl hij ten slotte zijn eigen werkzaamheid, waardoor hij van de voorstelling appel, tot de voorstelling peer overgaat, voor de zelfwerkzaamheid van het absolute subjekt "der vrucht" verklaart".....