Karl Marx en zijne voorgangers

Part 14

Chapter 143,478 wordsPublic domain

Het ontbreekt evenwel elke bijzondere klasse in Duitschland, niet alleen aan de consekwentie, aan de scherpte, den moed en de roekeloosheid die er noodig zijn, om als negatieve representanten van de samenleving te kunnen worden bestempeld. Het ontbreekt evenzoo aan elken stand, die breedte van ziel die zich met de volksziel, hetzij dan momenteel identificeeren kan; die genialiteit, welke de materieele macht, tot politieke macht begeestert; die revolutionaire koenheid, welke den tegenstanders het trotsche parool toeslingert: Ik ben niets en ik moet álles zijn!

De hoofdinhoud van de duitsche moraal en eerlijkheid, niet alleen die der individuen, maar ook der klassen, is veeleer die bescheiden zelfzucht, die zijne bekrompenheid doet gelden en tegen zich zelve geldend laat maken. De verhouding tusschen de verschillende spheren van de duitsche samenleving, is daarvandaan niet dramatisch, maar episch. Elke op zich begint zich te gevoelen en dit naast de andere met hunne bijzondere aanspraken, niet zoodra zij verdrukt worden, maar zoodra zonder hun toedoen, de tijdsomstandigheden een gezellige onderlaag scheppen, waarop zij wederzijdsch eenigen druk uitoefenen kunnen. Zelfs het moreele zelfgevoel van de duitsche middelklasse, berust slechts op het bewustzijn, de algemeene vertegenwoordigster der klein-burgerlijke middelmatigheid van alle overige klassen te zijn. Het zijn daarvandaan niet alleen slechts de duitsche koningen, welke mal-à-propos op den troon komen, het is elke spheer van de burgerlijke samenleving, die haren nederlaag lijdt, nog vóór zij haren zege heeft kunnen vieren; hare eigene beperkingen ontwikkelt, alvorens zij de haar tegenoverstaande beperkingen overwonnen; haar kleinzielig wezen doet gelden, alvorens zij van eenig grootmoedig wezen heeft kunnen doen blijken. Zoodat zelfs de gelegenheid tot eene groote rol voor immer voorbij is, nog voordat zij voorhanden was; zoodat elke klasse, zoodra zij de strijd met de boven haar staande klasse begint, reeds in de strijd met de onder haar staande gewikkeld is. Daarvandaan bevindt het vorstendom zich in strijd met het koningschap; de bureaukratie in een strijd tegen den adel; de bourgeoisie in strijd tegen hen allen, terwijl het proletariaat reeds begint, zich in de strijd met de bourgeoisie te wikkelen. De middelklasse waagt het nauwelijks, van haar standpunt uit de gedachte harer emancipatie te formuleeren of reeds verklaart de ontwikkeling der sociale toestanden, zooals de vooruitgang der politieke theorie, dit standpunt-zelf voor antikwarisch, of minstens voor zeer problematisch.

In Frankrijk is het voldoende dat iemand iets is, om alles te kunnen zijn. In Duitschland durft niemand iets zijn, om niet van alles afstand te moeten doen. In Frankrijk is de gedeeltelijke emancipatie, den grond voor de universeele. In Duitschland is de universeele emancipatie conditio sine qua non van elke partieele. In Frankrijk moet de werkelijkheid, in Duitschland, moet de onmogelijkheid de trapsgewijze bevrijding van de gansche vrijheid baren. In Frankrijk is elke bijzondere volksklasse, politiek idealist en gevoelt zich direkt, niet als een bijzondere klasse, maar als een representant van de sociale nooden in 't algemeen. De rol van emancipator gaat alzoo hier den rij langs in dramatische bewegingen, over op de verschillende klassen van het fransche volk, totdat zij eindelijk aanlandt bij eene klasse, welke de sociale vrijheid niet meer onder voorwaarde van zekere, buiten de menschen liggende en toch voor de menschelijke samenleving geschapene voorwaarden verwezenlijkt, maar veelmeer alle voorwaarden van het menschelijk bestaan, met vooropstelling der sociale vrijheid organiseert. In Duitschland daarentegen, waar het praktische leven evenzoo geestloos, als het geestelijke leven er onpraktisch is, heeft geen klasse der burgerlijke samenleving de behoefte en de geschiktheid der algemeene emancipatie, zoo zij niet door hare onmiddellijke positie, door de materieele noodzakelijkheid, door hare ketens zelven, daartoe wordt gedwongen.

Waarin bestaat alzoo de positieve mogelijkheid der duitsche emancipatie?

Antwoord: In de vorming eener klasse met radikale ketenen, eene klasse der burgerlijke samenleving, welke geen klasse der burgerlijke samenleving is; een stand, die de oplossing van alle standen beteekent, een spheer, die een universeel karakter door haar universeel lijden begint en geen bijzonder recht in beslag neemt, omdat geen bijzonder onrecht, maar onrecht als zoodanig, aan haar gepleegd wordt. Die niet meer op een historische, maar alleen nog op de menschelijke titel provoceeren kan; die in geenerlei eenzijdige tegenstelling tot de consekwenties, maar in eene alzijdige tegenstelling tot de voorwaarden van het duitsche staatswezen staat; een spheer ten slotte, die zich niet emancipeeren kàn, zonder zich van alle overige spheren der samenleving te emancipeeren; die, in één woord het volle verlies van de menschheid is, dus slechts door de volkomen hèrwinning van de menschheid zich-zelf kan terugwinnen. Deze oplossing van de samenleving als een bijzondere stand, is het proletariaat.

Het proletariaat vangt eerst door de baanbrekende industrieele beweging aan, in Duitschland iets te worden. Want niet door de uit-de-natuur ontstane, maar de kunstmatig geproduceerde armoede, niet de mechanische, door de zwaarte der samenleving neêrgedrukte, maar de, uit hare acute oplossing, bij voorkeur uit de oplossing der middenstanden te voorschijn komende menschenmassa, vormt dat proletariaat; hoewel gaandeweg, zooals van zelf spreekt, ook de uit natuurlijke oorzaken ontstane armoede en de christelijk-germaansche lijfeigenschap, in zijne rangen komen.

Wanneer het proletariaat de oplossing van de bestaande wereld-orde verkondigt, dan spreekt dit slechts het geheim uit van zijn eigen bestaan, want het is de faktische oplossing van deze wereldorde. Wanneer het proletariaat de vernietiging verlangt van den privaat-eigendom, dan verheft het slechts tot principe der maatschappij, wat de maatschappij tot haar principe verheven heeft; wat in hem, als negatief resultaat der maatschappij, reeds buiten zijn toedoen belichaamd is. De proletariër bevindt zich dan ook, met betrekking tot de wordende wereld op denzelfden rechtsgrond, waarop de duitsche koning met betrekking tot de gewordene wereld zich bevindt, wanneer hij het volk, zijn volk, zooals hij het paard, zijn paard noemt. De koning--terwijl hij het volk voor zijn privaat-eigendom verklaart--spreekt het slechts uit, dat de privaat-bezitter, de koning is.

Gelijk de philosophie in het proletariaat hare materieele, zoo bezit het proletariaat in de philosophie, zijn geestelijke wapenen en zoodra de bliksemschicht der gedachten, grondig in deze naïeve volksbodem zal zijn ingeslagen, zal de emancipatie van den duitschers tot menschen, worden voltrokken.

Resumeeren wij ten slotte: de eenig praktisch-mogelijke bevrijding van Duitschland, is de bevrijding op het standpunt van de theorie, welke de menschen voor het hoogste wezen der menschheid verklaart. In Duitschland is de emancipatie van de middeneeuwen slechts mogelijk, als eene emancipatie die tegelijkertijd die van de gedeeltelijke overwinningen der middeneeuwen is. In Duitschland kan geenerlei soort van knechtschap gebroken worden, zonder dat élken vorm van knechtschap gebroken wordt. Het grondige Duitschland kan zich niet revolutioneeren, zonder van grond-uit te revolutioneeren. De emancipatie van de duitschers, is de emancipatie van de menschheid. Het hoofd dezer emancipatie is de philosophie, het hart is het proletariaat. De philosophie kan niet worden verwezenlijkt, zonder de opheffing van het proletariaat; het proletariaat kan zich niet opheffen, zonder de verwezenlijking van de philosophie te worden.

Wanneer alle inwendige voorwaarden daartoe vervuld zijn, zal de duitsche opstandingsdag worden aangekondigd door het kraaien van den Gallischen haan.

Eveneens uit het jaar 1843, en geschreven te Brunswijk zijn de opstellen van Karel Marx over:

DE JODENKWESTIE.

Bruno Bauer had in dat jaar twee artikelen geschreven over deze kwestie. Het eerste was getiteld: "De Jodenkwestie"; het andere "Over de geschiktheid der hedendaagsche Joden en Christenen zich te emancipeeren", geschreven in Zwitserland en uitgegeven door George Herwegh.

De Jodenkwestie was in die dagen een der slippen waaraan het duitsche idealisme, de economische ontwikkeling gepakt had. De christelijk-germaansche Staat mishandelde, verdrukte en vervolgde den joden, terwijl hij ze aan den anderen kant, tegelijk duldde, begunstigde, ja zelfs liefkoosde.

De duitsche-Bondsakte had in artikel 16, een algemeene jodenwetgeving tot uitgangspunt genomen, maar aan die belofte was evenmin voldaan, als aan zoovele anderen. De duitsche joden leefden staatsrechtelijk nog in de ruïnes van de feodaal-middeneeuwsche Ghetto-toestanden. In den Pruissischen Staat alleen, bestonden achttien verschillende joden-wetgevingen, die naar gelang der verschillende lokale gesteldheid, liepen, van af de gelijkstelling van de joden met de christenen, tot aan de meest achterlijke en middeneeuwsch-barbaarsche verhoudingen toe.

Daarbij kwam dat de moorddadige rol die den joden opgedwongen was, doordien men hen alleen het geldwoekerdom vrijliet, tegen hen een verschrikkelijken haat had ontketend en dit niet alleen onder de boeren en kleine handwerkers, maar ook in de steden, doordien juist daar de joden aan economische macht en invloed wonnen voornamelijk door den geldhandel, waarop zij zich hadden toegelegd. De joden schudden daardoor zelf aan de ketenen hunner onmenschelijke positie in de beschaafde maatschappij en vandaar dat er in die dagen, onder de zich noemende "humanisten", algemeen over hunne positie werd gesproken. Zoo ook door Bruno Bauer in genoemde opstellen.

"De duitsche Joden," zegt Marx daarop, "begeeren emancipatie; welke emancipatie begeeren zij? De Staatsburgerlijke, de politieke emancipatie. Bauer zegt: Niemand in Duitschland is politiek geëmancipeerd. Wij-zelf zijn onvrij! Gij Joden zijt egoïsten, omdat gij een emancipatie voor U-zelf verlangt, gij behoort, als duitschers, als menschen, deel te nemen aan de menschelijke emancipatie........

"Of verlangen de Joden gelijkstelling met de christelijke onderdanen? Dan erkennen zij den christelijken Staat als gerechtigd, erkennen zij het regiment der algemeene onderdrukking. Waarom misvalt hun dit speciale juk, terwijl hun het algemeene juk niet tegenstaat? Waarom moeten de duitschers zich voor de bevrijding der joden warm maken, waar de jood zich niet warm maakt voor de bevrijding der Duitschers?" Hierbij, en bij nog meer dergelijke belangrijke vragen door Bauer gesteld, erkent Marx dat Bauer de kwestie wel nieuw gesteld heeft, maar haar niet geheel heeft kunnen oplossen. "Wanneer Bauer," zegt Marx, "den Joden vraagt: hebt gij, van uw standpunt bekeken het recht, de politieke emancipatie te begeeren, dan vragen wij, omgekeerd: "heeft het standpunt der politieke emancipatie het recht, van de Joden de opheffing van het Jodendom, van de menschen in het algemeen, de opheffing der religie te verlangen?"

"De Jodenkwestie verkrijgt een ander gezicht, al naar den staat, waarin den Jood zich bevindt. In Duitschland, waarin geen politieken Staat, geen Staat als zoodanig bestaat, is de Jodenkwestie nog een zuiver theologische. De Jood bevindt zich daar nog in de religieuze tegenstelling tot den Staat, die het christendom als zijn grondslag erkent. Dezen Staat is de theoloog ex professo.

"In Frankrijk in den constitutioneelen Staat, is de Jodenkwestie een kwestie van constitutionalisme, een kwestie van halfheid der politieke emancipatie. Daar hier de schijn van een staatsreligie, hoewel ook in de nietszeggende en zich zelf tegensprekende formule,--in de formule van een religie der meerderheid--behouden is gebleven, zoo behoudt de verhouding van de Joden tot den Staat, den schijn van een religieuze, theologische tegenstelling.

"Eerst in de Amerikaansche Vrijstaten--minstens in een deel derzelven--verliest de Jodenkwestie hare theologische beteekenis en wordt zij een zuiver wereldlijke kwestie. Slechts daar, waar de politieke Staat het stadium van zijne volkomene ontwikkeling is genaderd, kan de verhouding van den Jood, van den religieuzen mensch in 't algemeen tot den politieken Staat, dus de verhouding van de godsdienst tot den Staat, in hare eigenaardigheid en in hare zuiverheid te voorschijn treden."

Marx werkt deze vraag geheel in hare algemeenheid uit, en komt daardoor ertoe, de verhouding van godsdienst en Staat meer diepgaand te behandelen.

"De politieke emancipatie van de Joden," vervolgt Marx dan, "van de christenen, over het algemeen van den religieuze menschen, is de emancipatie van den Staat van het jodendom, van het christendom, van de religie in het algemeen. In zijnen vorm, in de aan zijn wezen eigenaardige wijze als Staat, emancipeert de Staat zich van de religie, d. w. z. "doordien den Staat als Staat, zich niet meer tot eene religie bekent en zich als Staat gaat voelen. De grens van de politieke emancipatie ligt schijnbaar juist daarin, dat de Staat zich van een beperking bevrijden kan, zonder dat den mensch werkelijk van haar vrijkomt; dat de Staat een vrijen Staat kan zijn, zonder dat de mensch een vrije mensch is" ....

"Maar de verhouding van den Staat tot de religie, namelijk van den vrijen Staat, is toch slechts de verhouding waarin de menschen, die den Staat vormen, zich tot de religie bevinden. Hier volgt dus uit, dat den mensch door het medium van den Staat, zich politiek bevrijdt, doordien hij zich in tegenspraak stelt met zich-zelf, doordien hij op een abstrakte en beperkte, op partieele wijze zich boven deze belemmeringen verheft, Er volgt verder uit, dat de mensch langs een omweg, door een medium,--zij het dan ook door een noodzakelijk medium--zich bevrijdt, wanneer hij zich politiek vrij maakt. Ten slotte volgt er ook uit, dat de mensch, zelfs wanneer hij door de bemiddeling van den Staat zich als atheïst proklameert, d. w. z. wanneer hij den Staat atheïstisch maakt, steeds nog religieus bevangen blijft, juist omdat hij langs een omweg, door middel van een medium tot erkenning van zich-zelf komt. De religie is juist de erkenning van den mensch langs een omweg, door eenen bemiddelaar. De Staat is de bemiddelaar tusschen den mensch en zijne vrijheid. Zooals Christus een bemiddelaar was, die den mensch zijne geheele goddelijkheid, zijne gansche religieuziteit op den schouders legde, zoo is den Staat de bemiddelaar, waarin hij zijne gansche ongoddelijkheid, zijne geheele menschelijke onbevangenheid gelegd heeft.

"De politieke verheffing der menschen boven de religie, deelt in alle gebreken, zoo ook in de voorkeur, van de politieke verheffing in het algemeen. De Staat als Staat, annuleert bijv. het privaat-eigendom, de mensch verklaart op politieke wijze, het privaat-eigendom voor opgeheven, zoodra hij den census opheft voor het aktieve en het passieve kiesrecht, gelijk dit geschiedt is in de Amerikaansche Staten. Hamilton interpreteert deze gebeurtenis, van uit een politiek standpunt zeer juist aldus: "De groote hoop heeft de zege over het eigendom en den geld-rijkdom behaald." Is het privaat-eigendom niet ideëel opgeheven, wanneer de niet-bezittende, tot wetgever over de bezittende geworden is?.....

"De voltooide politieke Staat is naar zijn wezen, het paringsleven van de menschen, in tegenoverstelling tot hun materieel leven. Alle voorwaarden van dit egoïstisch leven, blijven buiten de staatsspheer in de burgerlijke samenleving bestaan, maar als eigenschappen van de burgerlijke samenleving. Waar de politieken Staat zijne voltooiing bereikt heeft, leidt de mensch, niet alleen in gedachten, in bewustzijn, maar in de werkelijkheid, in het leven, een dubbel leven, een hemelsch en een aardsch leven; het leven in het politiek gemeenschapswezen, waarin hij zich laat gelden als gemeenschapswezen en het leven in de burgerlijke samenleving, waarin hij als privaat-persoon werkzaam is, de andere menschen als middel beschouwt, zich-zelf tot middel vernedert en tot speelbal van aan hem vreemde machten wordt. De politieke Staat, staat in evenzoo spiritualistische verhouding tot de burgerlijke samenleving, als de hemel tot de aarde. Hij bevindt zich tot haar in dezelfde tegenstelling; hij moet die op dezelfde wijze overwinnen, als de religie de bekrompenheid der profane wereld; d. w. z. doordat hij haar eveneens weder erkennen, herstellen, zich-zelf door haar moet laten beheerschen. De mensch in zijne naaste werkelijkheid, in de burgerlijke maatschappij, is een profaan wezen. In den Staat daarentegen, waar de mensch als gemeenschapswezen geldt, is hij het ingebeelde lid, van een ingebeelde souvereiniteit; is hij van zijn werkelijk individueel leven beroofd en van eene onwerkelijke algemeenheid vervuld.

"Het conflikt, waarin den mensch zich als bekenner eener religie bevindt met zijn staatsburgerschap, met de andere menschen als leden van de gemeenschap, laat zich terugbrengen tot de wereldlijke splitsing, tusschen den politieken Staat en de burgerlijke samenleving. Zeer zeker blijft de mensch als bourgeois, evenals de jood, slechts sophistisch in het staatsleven, zooals de citoyen slechts sophistisch jood of bourgeois blijft; maar deze sophistiek is niet persoonlijk, zij is de sophistiek van den politieken Staat zelf. Het verschil tusschen den religieuzen mensch en den staatsburger, is het verschil tusschen den koopman en den staatsburger, tusschen den daglooner en den staatsburger, tusschen den grondbezitter en den staatsburger, tusschen het levende individu en den staatsburger........................

"Wij zeggen aldus niet, met Bauer, tot de Joden: gij kunt niet politiek geëmancipeerd worden, zonder u radikaal te emancipeeren van het Jodendom. Wij zeggen eerder tot hen: omdàt gij politiek geëmancipeerd kunt worden, zonder u volkomen en zonder tegenspraak los te kunnen maken van het Jodendom, daarom is de politieke emancipatie-zelve, niet de menschelijke emancipatie. Wanneer gij joden, politiek geëmancipeerd kunt worden, zonder U menschelijk te kunnen emancipeeren, dan ligt de halfheid en de tegenspraak daarvan in u-zelven niet alleen, maar in het wezen en de categorie van de politieke emancipatie."

Marx onderzoekt vervolgens het wezen van de in 1789 verkondigde "Menschenrechten" en der "Burgerschapsrechten." De "droits de l'homme", de menschenrechten, zijn als zoodanig te onderscheiden van den "droits du citoyen", de rechten des staatsburgers. "Wie is de van den citoyen verschillende homme? Niemand anders dan het lid van de burgerlijke samenleving! Voor alles moet het feit geconstateerd worden, dat de z. g. n. "Menschenrechten", de "droits de l'homme" in onderscheiding van den "droits du citoyen" niets anders zijn, dan de rechten van het mede-lid der burgerlijke samenleving, d. w. z. van den egoïstischen mensch; de van de menschen en van de gemeenschap gescheiden individu."

"Geen van de z. g. n. "Menschenrechten"," zegt Marx, "gaat verder dan, en boven den egoïstischen mensch uit zooals hij is: medelid der burgerlijke maatschappij; de mensch op zichzelf, de op zijn privaat-belang en privaat-willekeur teruggetrokken en van de gemeenschap verwijderde mensch. Verre van dien, dat de mensch in haar als gemeenschapswezen opgevat wordt, schijnt veelmeer dat gemeenschapsleven zelf, haar de samenleving toe en de beperking harer oorspronkelijke zelfstandigheid. De eenige band die haar samenhoudt, is de natuurnoodwendigheid; is de behoefte en het privaat-belang, de conserveering van haren eigendom en van hare egoïstische persoonlijkheid.

"Het is reeds raadselachtig dat een volk, hetwelk zoo even aan zijne bevrijding begon, door alle barrières tusschen de verschillende volksdeelen neer te halen en een politieke samenleving te grondvesten, dat een zoodanig volk, de berechtiging van den egoïstischen, de van den medemensch en van het gemeenschapswezen afgezonderde menschen, plechtiglijk proklameert (Declaration de 1791). Ja, deze proklamatie op een oogenblik herhaalt, waarop de heldhaftige opoffering van allen, de natie kan redden en daarom gebiedend noodzakelijk is geworden; op een oogenblik, waarin de opoffering van alle belangen der burgerlijke samenleving, aan de orde van den dag was, en het egoïsme als een misdaad zou moeten worden zijn gestraft. (Declaration des droits de l'homme etc. 1793). Nog raadselachtiger wordt dit feit, als wij zien dat het staatsburgerschap, de politieke gemeenschap, door de politieke emancipators zelven tot een bloot middel voor de instandhouding dezer zoogenaamde menschenrechten verlaagd zijn geworden; dat aldus de "citoyen" tot den dienaar van den egoïstischen "homme" verklaard wordt; de spheer waarin de mensch als gemeenschapswezen leeft, beneden de spheer waarin hij als deelgenoot leeft gedegradeerd wordt, en ten slotte, dat niet den mensch als "citoyen" maar den mensch als "bourgeois", voor den eigenlijken en den waarachtigen mensch wordt aangezien.

"Le but de toute association politique est la conservation des droits naturelles et imprescriptibles de l'homme. (Declar. des droits etc. de 1791 art. 2). Le gouvernement est institué pour garantir à l'homme la jouissance de ses droits naturels et imprescriptibles (Decl. etc. de 1793 art. 1).

""Het doel van elke politieke associatie is, de instandhouding van de natuurlijke en de onafwijsbare rechten van den mensch". "Het gouvernement is ingesteld om te waarborgen aan den mensch, de uitoefening van zijne natuurlijke en niet te vervreemden rechten." ("Verklaring van de Rechten van den mensch" van 1793, art. 1 en 2).

"Alzoo in de momenten zelfs, van zijne nog jeugdig frisch en zijn, door den drang der omstandigheden ten top gevoerd enthousiasme, verklaart het politiek leven zich voor een bloot middel, welker doel is, het leven der burgerlijke samenleving. Wel 't sterkst staat hier de revolutionaire praktijk in flagranten tegenstrijd tot zijne theorie. Terwijl bijv. de zekerheid voor een menschenrecht verklaard wordt, wordt de schending van het briefgeheim openlijk op de dagorde gezet. Terwijl de "liberté indéfinie de la presse", (Constitution de 1793 art. 122), als consekwentie van het menschelijk recht der individueele vrijheid gewaarborgd wordt, wordt de persvrijheid volkomen vernietigd, want: "la liberté de la presse ne doit pas être permise lorsqu'elle compromet la liberté publique." (Robespierre jeune, histoire parlementaire de la Rev. française, par Buchez et Roux V. 28 p. 135.) (De vrijheid van den pers kan niet worden toegelaten, zoodra zij in botsing komt met de publieke vrijheid.) Dat wil dus zeggen: het menschenrecht der vrijheid houdt op een recht te zijn, zoodra het in conflikt komt met het politieke leven; terwijl volgens de theorie het politieke leven slechts de waarborg van de menschenrechten, der rechten van den individueelen mensch dus, moet worden prijsgegeven zoodra het met zijn doel, deze menschenrechten zelven in tegenstrijd komt. Maar de praktijk is slechts uitzondering en de theorie regel. Wil men echter zelfs de revolutionaire praktijk, als de juiste positie der verhouding beschouwen, dan blijft er steeds een raadsel ter oplossing over, waarom in het bewustzijn der politieke emancipators deze verhouding op haren kop gesteld is, en het doel, als middel en het middel, als het doel zich vertoont. Dit optisch bedrog van hun bewustzijn, zou dan altijd nog een raadsel blijven, hoewel dan een psychologisch, een theoretisch raadsel.

"Het raadsel is evenwel eenvoudiger op te lossen.