Karl Marx en zijne voorgangers
Part 12
De polemiek welke Hegel gevoerd heeft, tegen de historische Rechtsschool, bewees dat hij met deze stelling geenszins eene verheerlijking van àl het bestaande bedoelde, gelijk men in zijnen tijd zich niet ontzien heeft, op deze zijne woorden bij alle reaktionaire maatregelen der Pruisische regeering, zich te beroepen. Hegel bedoelde met deze stelling, dat de rede de historische noodzakelijkheid was, de eeuwige vloeiing in het historische ontwikkelingsproces. Wat deze schept, is werkelijk en redelijk, omdat het noodzakelijk is; zoodra het ophoudt noodzakelijk te zijn, wordt het onwerkelijk en onredelijk.
Hegel heeft de rijke schepping van het duitsche Idealisme in één machtig systeem saâmgevat. Hij heeft alle bronnen en stroomen van dit klassieke tijdperk in ééne bedding geleid, waar zij wel-is-waar in bevroren zijn, door den ijskouden adem van de reaktie die over Duitschland woei, maar die zijne jongeren toch weder, door hunnen eigenen arbeid, konden doen ontdooien.
Toen Hegel tegen de Juli-Revolutie in 1830 te velde trok, toen hij de Engelsche "reformbill" een snijden noemde in de edele ingewanden van een Groot-Brittanje's staatsregeling, toen verlieten hem de scharen zijner jongeren, om naar zijnen eigenen leerling Eduard Gans te gaan luisteren, die lezingen ging houden over des meesters "Rechtsphilosophie", daarbij de revolutionaire zijde van des Meesters methode op den voorgrond stellende en tegen de historische Rechtsschool polemiseeren ging. Men zeide toentertijd dan ook in Berlijn, dat, niet aan de cholera, maar aan deze smartelijke ervaring, zou den grooten Meester overleden zijn.
HOOFDSTUK II.
CRITIEK OP DE HEGELSCHE PHILOSOPHIE.
David Friederich Strausz, Bruno Bauer, Max Stirner en Ludwig Feuerbach, waren de meest beteekenende scholieren van Hegel geweest, die elk hun eigen weg gingen bij de ontwikkeling, van de philosophie van den Meester. Ook Karel Marx behoorde tot de leerlingen van Hegel.
Strausz had behalve zijn "Dogmatiek", de beroemde critiek op "het leven van Jezus" geschreven. Bruno Bauer heeft voor het onderzoek naar het "Ontstaan van het Christendom" beduidenden arbeid geleverd, terwijl Max Stirner weder geheel zelfstandige paden insloeg met zijn "Einzige und sein Eigenthum", welk werk wel eens als een voorlooper van het latere anarchisme, van Bakounine en Krapotkine, is genoemd.
Ludwig Feuerbach en Bruno Bauer behoorden tot de meest beteekenenden van Hegels uitloopers op wijsgeerig terrein. Feuerbach baarde het eerst als beduidend philosoof opzien, door zijn "Wesen des Christenthums." Van-uit Hegel's Idealisme, ontwikkelde hij daarin weder het materialistisch denken. "De natuur bestaat onafhankelijk van alle philosophie," zoo zeide hij, "zij is de grondslag, waarop wij menschen, zelven produkten van de natuur, gegroeid zijn. Buiten de natuur en den menschen bestaat niets, en de hoogere wezens, die onze phantasie geschapen had, zijn slechts phantastische weêrspiegelingen, van ons eigen wezen. De mensch is, wat hij eet." De ban was dus verbroken, het "systeem" was gesprongen en ter zijde geworpen en de tegenspraak was--dewijl zij slechts in de verbeelding bestond--opgelost.
Het materialisme van Feuerbach is evenwel doodgeloopen. En het was Karel Marx die in 1845 er met de volgende 11 stellingen positie tegen nam.
1.
Het hoofdgebrek van alle tot nu toe bestaan hebbend Materialisme--dat van L. Feuerbach niet uitgezonderd--was, dat het objekt, de werkelijkheid, de zinnelijkheid, slechts onder den vorm van het objekt of der aanschouwing werd opgevat; niet echter als menschelijke, zinnelijke werkzaamheid, praktijk, niet subjektief. Daarvandaan kon het geschieden, dat de werkzame zijde, in tegenstelling tot het materialisme, door het Idealisme ontwikkeld werd--maar alleen abstrakt, daar het Idealisme natuurlijk de werkelijke, zinrijke werkzaamheid, als zoodanig, niet kent. Feuerbach wil zinnelijke, van de gedachtenobjekten werkelijk-verschillende objekten; maar hij vat de menschelijke werkzaamheid zelf, niet op als objektieve werkzaamheid. Hij beschouwt daarom in het "Wesen des Christenthums" slechts de theoretische verhouding als het echt menschelijke, terwijl de praktijk slechts in haren smerig-joodschen verschijningsvorm opgevat en gefixeerd kan worden. Hij begrijpt daarvandaan niet de beteekenis van de "revolutionaire", van de praktisch-critische werkzaamheid.
2.
De kwestie, of het menschelijk denken de objektieve waarheid bijgebracht kan worden, is geen kwestie van theorie, maar een kwestie van praktijk. In de praktijk moet de mensch de waarheid, d. w. z. de werkelijkheid en de macht, de dezerzijdschheid van zijn denken, bewijzen. De strijd over de werkelijkheid en de niet-werkelijkheid van het denken, dat zich van de praktijk isoleert, is een van zuiver scholastischen aard.
3.
De Materialistische theorie, dat de menschen produkten zijn van omstandigheden en van opvoeding, veranderde menschen dus, produkten van andere omstandigheden en veranderde opvoeding zijn, vergeet, dat de omstandigheden zelf door de menschen veranderd worden en dat de opvoeders, zelf moeten worden opgevoed. Zij komt daarom met noodwendigheid ertoe, de samenleving in twee deelen te splitsen, waarvan het eene boven het andere verheven is. (Bijv. bij Robert Owen.)
Het tezamenvallen van het veranderen der omstandigheden en der menschelijke werkzaamheid, kan slechts als revolutionaire praktijk, opgevat en rationeel worden begrepen.
4.
Feuerbach gaat uit van het faktum der religieuze zelfontvreemding, van de verdubbeling der wereld in eene religieus voorgestelde en eene werkelijke wereld. Zijn arbeid bestaat hierin, de religieuze wereld door hare wereldlijke grondslag te doen oplossen. Hij overziet, dat na volbrenging van dezen arbeid, de hoofdtaak nog onafgedaan blijft. Het feit namelijk, dat de wereldlijke grondslag zich vanzelf opheft, en zich een zelfstandig rijk in de wolken fixeert, is juist alleen maar uit de zelfverdeeldheid en het zichzelf-tegenspreken dezer wereldlijken grondslag te verklaren. Deze zelf moet alzoo, eerstens, in haren tegenspraak verstaan en daarna, door terzijdestelling van die tegenspraak praktisch gerevolutioneerd worden. Alzoo bijv., nadat de aardsche familie als het geheim van de heilige familie ontdekt is, moet men de eerste zelve theoretisch gecritiseerd en praktisch gerevolutioneerd hebben.
5.
Feuerbach, niet tevreden met het abstrakte denken, appelleert aan de zinnelijke aanschouwing; maar hij vat deze zinnelijkheid niet als een practische, menschelijk-zinnelijke werkzaamheid op.
6.
Feuerbach lost het religieuze wezen in het menschelijk wezen op. Maar het menschelijk wezen is niet een, den individueelen mensch inwonende abstraktie. In zijn werkelijkheid is 't, het ensemble van de maatschappelijke verhoudingen.
Feuerbach, die op de critiek van dit werkelijke wezen niet ingaat, is daarom gedwongen:
1e. Van het historisch verloop te abstraheeren en het religieuze gemoed voor zich te fixeeren, en een abstrakt-geïsoleerd-menschelijk individu voorop te zetten.
2e. Kan bij hem daardoor het menschelijk wezen, slechts als "soort", als innerlijke stomme, de vele individuen alleen maar natuurlijk verbindende algemeenheid, opgevat worden.
7.
Feuerbach ziet daardoor niet in, dat het "religieuze gemoed", zelve een maatschappelijk produkt is, en dat het abstrakte individu, hetwelk hij analyseert, in de werkelijkheid tot eene bepaalde maatschappelijke vorm behoort.
8.
Het maatschappelijk leven is wezenlijk praktisch. Alle mysteriën, welke de theorie verleidt en tot mysticisme maakt, vinden hunne rationeele oplossing in de menschelijke praktijk en in het begrijpen dezer praktijk.
9.
Het hoogste waartoe het beschouwende Materialisme--d. w. z. het Materialisme dat de zinnelijkheid niet als een praktische werkzaamheid begrijpt--het brengt, is de beschouwing van de individu in de "burgerlijke maatschappij".
10.
Het standpunt van het oude Materialisme is de "burgerlijke" maatschappij; het standpunt van het nieuwe, dat der menschelijke samenleving of dat van de vermaatschappelijkte menschheid.
11.
De philosophen hebben tot nog toe de wereld slechts verschillend geïnterpreteerd, maar het komt er op aan haar te veranderen.
HEINRICH KAREL MARX
werd op den 5en Mei 1818 te Trier geboren als de zoon van den advokaat en lateren Justitieraad Marx, die in 1824 met zijne familie van het Jodendom tot het Christendom overging. Marx' stamboom moet van af zijn vader opwaarts tot aan de 16e eeuw toe, slechts rabbijnen aanwijzen; wat zekerder is, dat is, dat zijne moeder afstamde van een hollandsche, joodsche familie. Beide zijne ouders, waren lieden van hooge ontwikkeling.
Nauwelijks de kinderschoenen ontwassen, ging de jonge Marx naar de Universiteit van Bonn, daarna naar die van Berlijn, waar hij ter wille van zijn vader rechtsgeleerdheid bestudeerde en, voor zijn eigen genoegen, geschiedenis en philosophie. Met zijn verstand, van nature als het ware aangelegd voor de dialektiek, moest de jonge Karel Marx zich het sterkst aangetrokken gevoelen tot de philosophie van Hegel. Geen onder die talrijke jongeren, heeft Hegel grondiger bestudeerd, dan Marx. Wat Marx dan ook zoo machtig tot de philosophie van Hegel aantrok, dat was hare dialektische methode, welker revolutionaire spits, juist door het schaduwspel van nevelachtige begrippen omhuld werd. Marx ruimde veelmeer deze begrippen op, terwijl hij zich in de massa van historische stof wierp en met deze feiten de theorie bevruchtte. Van jongs-af bezat hij een onverzadigbare dorst naar weten en eene rustelooze zelfcritiek. Reeds de vrienden zijner jeugd klaagden er over, dat hij door zijn nachtwaken om te werken, zijne sterke gezondheid vaak geschokt heeft. Arnold Ruge schreef aan Ludwig Feuerbach over Marx: "Hij leest zeer veel; hij arbeidt met eene ongemeene intensiviteit en hij heeft een critisch talent, dat somwijlen tot een in overmoed ontaardende dialektiek wordt,.... maar hij voleindigt niets, hij breekt overal af en stort zich steeds van voren af aan, in een eindelooze boekenzee. Hij behoort, volgens zijne geleerde dispositie, gansch der duitsche wereld toe, maar door zijn revolutionaire denkwijze, is hij van haar buitengesloten." Marx vereenigde dan ook in zich, alle faustiaansche aandriften van de duitsche geleerdheid. Hij droeg het leven der wetenschap binnen, zooals hij de wetenschap in het leven binnendroeg. Dit was de vooruitgang, die de duitsche wijsgeerige beschaving alleen nog maar maken kon, die zij onder alle omstandigheden maken moest, wilde zij niet, van een drijfrad der historische ontwikkeling, tot een traprad voor kleinburgerlijke denkers worden.
Van de grootste beteekenis voor Marx' jeugd, was zijne verhouding tot de familie von Westphalen. Dát waren buren van het ouderlijke huis. De graaf von Westphalen was een Pruisisch beambte, van een niet gewoon slag en zeer ruim van opvattingen. Zijn vader was de geheimsecretaris Philip von Westphalen, die in den zevenjarigen oorlog, vijf fransche maarschalken in vijf veldslagen met succes versloeg en daarnevens van nature zoo burgerlijk bleef, dat hij nooit een soldatenuniform droeg en den titel van Generaal-Adjudant van het leger, waarmede de koning van Engeland hem meende te vereeren, lachend van de hand wees. Alleen de verheffing in den adelstand, liet hij zich welgevallen, maar dit, teneinde een meisje te kunnen huwen dat hem aan geesteseigenschappen evenaarde en de dochter van een Schotsche baronnenfamilie was: zij stamde af van den beroemden Argyle, den hertog, die door de veroordeeling onder de tyrannieke regeering van Jacobus II en den heldenmoed waarmede hij zijn vonnis droeg, in de geschiedenis van Engeland wèlbekend is. De jongste zoon uit dezen echt was Lodewijk von Westphalen. In het huis van dezen vrijdenker vond de jonge Marx een tweede tehuis. Terwijl zijn vader hem de fransche beschaving deelachtig deed worden, hem Racine en Voltaire voorlas, leidde de heer von Westphalen hem in de duitsche beschaving in; las hem Homerus en Shakespeare voor, die dan ook voor altijd, Marx' lijfdichters gebleven zijn.
Westphalen's kinderen, werden de speelmakkers van den jongen Marx en het is daarvandaan, dat Marx in de jonge Jenny von Westphalen, die drie jaren ouder was dan hij, spoedig eene geliefde kreeg, die hem geheel zijn leven is blijven aanhangen met de grootste trouw en de grootste liefde. Bereids in 1836, toen Marx naar de Universiteit ging, was de zaak van eeuwige trouw en liefde tusschen hen beiden beklonken. Twee jaren later, verloor Karel Marx zijnen goeden en zachten vader en hiermede eindigde een conflict tusschen hen beiden, dat in den aanvang zich liet aanzien van genoegzaam ernstigen aard te kunnen worden, om tot een scherpen breuk te leiden. Het liep nu nog slechts over Marx' voorkeur voor de philosophie en des vaders neiging, om een advokaat van hem te maken.
Marx' beste vrienden aan de Hoogeschool waren: Bruno Bauer en Karl Friedrich Köppen, aan beider omgang verdankt Marx veel van zijn ontwikkeling. Zij waren beide Hegelianen, gelijk toenmaals in Duitschland en vooral in Pruissen, geen beteekenende kop, zich aan den invloed van den grooten Meester der philosophische redeneerkunst heeft kunnen onttrekken.
Bruno Bauer stamde uit Saksen-Altenburg, en was de zoon van burgerouders; zijn vader was porceleinschilder in Berlijn. Bruno was de oudste van drie broeders, die allen in de geleerde wereld naam gemaakt hebben. Bruno echter, gold als de begaafdste van de drie.
Het was de wensch van Bauer,--die inmiddels reeds in een polemiek met David Friederich Strausz, den grooten schrijver van het "Leven van Jezus", gewikkeld was--om Marx naast zich te hebben aan de redaktie van een critisch tijdschrift, omdat hij van Marx' groote critische en dialektische begaafdheden, wenschte te profiteeren. In de brieven die hij Marx schreef, spoorde hij dezen aan examen te doen; hij wilde Marx een positie zien krijgen aan de Universiteit als hoogleeraar.
Friedrich Köppen was meer geschiedkundige dan philosoof. Beiden hadden een tijdschrift gegrondvest de "Hallische Jahrbücher" genaamd, waarin Köppen over historie en historische figuren schreef, en Bauer zijnen strijd tegen de orthodoxie met groote scherpte streed.
In 't jaar 1841 promoveerde Marx dan, als doktor in de philosophie aan de Hoogeschool te Jena, met eene dissertatie: "Over de philosophie van Epikurus", welke dissertatie toen niet in het licht is verschenen. Zijn voornemen om zich te Bonn als privaatdocent te vestigen, liet hij weldra varen. De wijze toch, waarop de minister Eichhorn zijnen vriend Bauer behandelde, lokte een vrij man, zooals Marx zich dit voelde, allesbehalve aan om zijn nek onder den pruisischen censuur te krommen.
Spoedig daarna krijgt Marx, het was in 1842, de leiding van de radikale "Rheinische Zeitung", waaraan hij vooràf reeds had medegewerkt. Onder de medewerkers dier dagen aan dit blad, dat in Keulen verscheen, en aan de belangen der politiek, handel en nijverheid dienstbaar was gemaakt, telde men de besten onder de Hegelsche "jongeren" als: Bruno Bauer, Köppen, Nauwerk, Max Stiner, Georg Jurg, Mozes Hesz, Hermann Püttmann en den dichter en literator Georg Herwegh.
In de opstellen in dat blad door hem geplaatst, staat Marx nog geheel op het standpunt van de radikale Hegelianen, die uit zuiver ideologische, vooròpgestelde meeningen hunne conclusiën trokken; maar ook reeds, een echo van het fransche socialisme deden hooren. In een polemiek uit die dagen, zeide hij reeds: De "Rheinische Zeitung", die de communistische denkbeelden, in hunne huidige gestalte geen verwerkelijking kan voorspellen ... zal deze ideën aan eene grondige critiek onderwerpen. Dat evenwel de geschriften van P. Leroux, V. Considérant en voor alles, de scherpzinnige werken van P. J. Proudhon niet door invallen van het oogenblik kunnen worden bestreden, maar na lange en diepgaande studieën kunnen worden gecritiseerd ..., is onze vaste overtuiging .... "Op praktische pogingen van communisme, kan men met kanonnen antwoorden, zoodra zij gevaarlijk worden; maar ideën, die zich meester maken van onze intelligentie, die onze gezindheid veroveren, waaraan het verstand ons geweten gaat kluisteren, dat zijn ketens, waaraan men zich niet onttrekt, zonder zijn hart te verscheuren; dat zijn demonen, welke de mensch slechts overwinnen kan, doordien hij zich eraan onderwerpt."
De 28ste Januari van 't jaar 1843, in hetzelfde jaar waarin Marx in het huwelijk trad met Jenny von Westphalen, kwam het verbod van de regeering tot het langer voortbestaan van de "Rheinische Zeitung"....
Uit de noodzakelijkheid, die hieruit geboren werd voor de vrije geesten in Duitschland om hunne denkbeelden te verkondigen, kwam het maandschrift de "Deutsch-Französischen Jahrbücher" voort, dat ternauwernood één jaar heeft bestaan. Herwegh, Arnold Ruge en Heinrich Heine hebben eraan medegewerkt en Marx heeft er zijn eerste artikelen: de critiek op Hegel en het Hegelianisme in gepubliceerd en Engels, zijn eerste staathuishoudkundige opstellen. De opstellen der eerste heeten: "critiek op de Hegelsche Rechtsphilosophie" en "over de Jodenkwestie," een critiek op artikelen van Bruno Bauer over het Jodendom; die der laatste: "Omtrekken eener critiek der nationale-economie" en "de positie van Engeland".
Marx was intusschen naar Parijs gegaan, om er zich voor goed te vestigen en daar was het, dat hij het fransche socialisme bestudeerde en dat hij tevens kennis maakte met Proudhon, in wiens bestrijding hij later tevens de gelegenheid zal vinden, zijn wetenschappelijk standpunt 't eerst, krachtig te ontvouwen.
Maar éérst moeten wij terug, naar het tijdperk van de "Deutsch-Französische Jahrbücher" en Marx' critiek op het Hegelianisme. Hiermede vangen wij dus aan.
TOT CRITIEK DER HEGELSCHE "RECHTSPHILOSOPHIE."
EENE INLEIDING. (1843)
Voor Duitschland is de critiek der religie in wezenlijkheid reeds beëindigd en de critiek der religie is de voorwaarde tot elke critiek.
De profane existentie van de dwaling is gecompromiteerd, nadat hare hemelsche oratio pro aris et focis weêrlegd is. De mensch, die in de phantastische werkelijkheid van den hemel, alwaar hij naar een, "übermensch" zoekend, slechts de weêrschijn van zich-zelf gevonden heeft, zal niet meer geneigd zijn, slechts de weêrschijn van zich-zelve, slechts den onmensch te vinden, waar hij zijne ware werkelijkheid zocht, en vinden moet.
Het fundament van de irreligieuze critiek is: de mensch maakt de religie, de religie niet den mensch. En wel-is-waar is de religie het zelfbewustzijn en het zelfgevoel der mensch, die zich-zelf nog niet tot bewustzijn heeft kunnen brengen of, zich-zelf weder verloren heeft. Maar de mensch is geen abstrakt, buiten de wereld staand wezen. De mensch, dat is de wereld der menschen, de Staat, de sociëteit. Dezen Staat, deze sociëteit, brengt de religie voort, een omgekeerd zelfbewustzijn, omdat zij eene omgekeerde wereld is. De religie is de algemeene theorie dezer wereld, haar encyclopedisch compendium, hare logica in populairen vorm, haar spiritualistisch point d'honneur, haar enthousiasme, haar moreele sanktie, hare slechte vervolkomening, hare algemeene troost- en rechtvaardigingsgrond. Zij is de phantastische verwerkelijking van het menschelijk wezen, omdat het menschelijk wezen, geen ware werkelijkheid bezit. De strijd tegen de religie, is dus middellijk den strijd dier wereld, welker geestelijk dogma de religie is.
De religieuze ellende is, in één woord, de uitdrukking der werkelijke ellende en zij is het protest tegen die werkelijke ellende. De religie is de zucht van het bedrukte schepsel, het gemoed van een hartelooze wereld, zooals zij den geest van eene geestlooze toestand is. Zij is het opium des volks.
De opheffing der religie als het illusoire geluk des volks, is de eisch voor zijn werkelijk geluk. De eisch, de illusies omtrent zijn toestand op te geven, is de eisch om een toestand op te geven, welke aan illusies behoefte heeft. De critiek op de religie is dus, in den kiem, de critiek op het jammerdal, welks heiligheidsschijn de godsdienst is.
Die critiek heeft de imaginaire bloemen aan den stengel afgeplukt, niet opdat de mensch deze phantazielooze, troostelooze stengel drage, maar opdat hij daardoor dien stengel wegwerpen en de levende bloemen er af zoude breken. Die critiek der religie ontgoochelt den mensch, opdat hij denke, handele en zijne werkelijkheid duidelijk zal zien, zooals een ontgoocheld en tot bezinning gekomen mensch; opdat hij zich om zich-zelf en daarmee, om zijn werkelijke zon zich bewege. De godsdienst is slechts de illusoire zon, die zich om den mensch beweegt, zoolang hij zich niet om zich-zelf beweegt.
Het is daarom de taak der geschiedenis, nadat het generzijdsch der waarheid verdwenen is, de waarheid van het dezerzijdsch te doen verspreiden. En het is in de eerste plaats de taak der philosophie, die in dienst der geschiedenis staat, nadat de heiligengestalte van de menschelijke zelfontvreemding ontmaskerd is, de zelfontvreemding, in hare onheilige gestalte te ontmaskeren. De critiek op den hemel, moet zich daarmede omzetten, in eene critiek op de aarde; de critiek der religie in de critiek van het recht; de critiek der theologie in die van de politiek.
De hiervolgende uiteenzetting--een bijdrage tot dezen arbeid--sluit in de eerste plaats niet bij het origineel, maar bij een copie aan, bij de duitsche Staats- en Rechtsphilosophie, om geen andere oorzaak als deze, dat zij zich aan Duitschland aansluit.
Wilde men ook aan het duitsche status quo zelf aanknoopen, hetzij dan op den eenig daartoe passende wijze, dit wil zeggen, negatief, het resultaat zal steeds een anachronisme blijven. Zelfs de negatie van onzen tegenwoordigen politieken toestand bevindt zich reeds als een beschimmeld feit, in de rommelkamer der moderne volken. Wanneer ik de gepoederde pruiken negeer, houd ik altijd nog de opgepoederde pruiken over. Wanneer ik de duitsche toestanden van 1843 negeer, sta ik, naar fransche tijdrekening, nog altijd nauwelijks in 't jaar 1789, veel minder in het brandpunt van den tegenwoordigen tijd.
Ja, de duitsche geschiedenis vleit zich, eene beweging te bezitten, die haar geen volk aan den historischen hemel nog voorgedaan heeft, noch na zal doen. Wij hebben namelijk in de Restauratie der moderne volken gedeeld, zonder van hare Revoluties iets te hebben ontvangen. Wij zijn gerestaureerd geworden, eerstens, omdat andere volken een Revolutie waagden, en tweedens, omdat andere volken een contra-Revolutie leden; de de eene keer, omdat onze Heeren vrees hadden, de andere keer, omdat onze Heeren geene vrees hadden. Wij, met onze herders aan den spits, bevonden ons altijd maar éénmaal in het gezelschap van de vrijheid, op den dag harer begrafenis namelijk.
Eene school, welke de lafhartigheid van heden, legitimeert door de lafhartigheid van gisteren; een school, die elken schreeuw van de lijfeigenen tegen den knoet, voor rebellisch verklaart, zoodra die knoet een bejaarde, een afgestamde, een historische knoet is; een school die de geschiedenis, gelijk Israël's God zijnen dienaar Mozes, slechts haar a posteriori wijst, de historische Rechtsschool, zij zoude zeker de duitsche geschiedenis uitgevonden hebben, ware zij niet zelve eene uitvinding van de duitsche geschiedenis. Als Shijlock, maar als Shijlock de bediende, zweert zij bij elk pond vleesch, hetwelk uit het hart des volks gesneden wordt, op haar schuldbrief, op hare christelijk-germaansche schuldbrief.
Goedmoedige enthousiasten daarentegen, duitsche vaderlanders naar den bloede en vrijzinnigen van reflektie, zoeken onze geschiedenis der vrijheid, aan gene zijde van de geschiedenis in de teutonische oer-wouden. Waardoor onderscheidt zich evenwel onze vrijheidsgeschiedenis van de vrijheidsgeschiedenis van Ebers, wanneer zij slechts in de wouden te vinden is? Bovendien is het bekend; zooals men in het woud inschreeuwt, zoo schalt het uit het woud, tot ons weder terug.