Karl Marx en zijne voorgangers
Part 11
Wat Owen gemeen had met zijn groote tijdgenooten, Saint-Simon en Fourier, dat was zijne utopistische wereldhervormingzucht; wat hem van hen onderscheidde, dat was zijne praktische blik op de industrieele vooruitgang, waarvan door hem zoo dikwerf de blijken gegeven zijn.
Owen zag dan ook in de toename van de groot-industrie op nijverheidsgebied niets, dat aan-zich slecht is en verderfelijk, gelijk de conservatieve socialisten van zijn tijd bijv., maar iets dat alleen in staat is, de wereld beter te maken. Door de geweldige toename van den rijkdom, die alleen kon worden in het leven geroepen door de produktie op den grootst mogelijken schaal, alleen daardoor kon ook, volgens Owen, de menschheid datgene bereiken wat zij bereiken moest, n.l. een algemeen-maken van de opbrengsten van den arbeid: een communisatie van de nationale goederen. Owen wilde nooit terug, maar steeds vooruit.
En het is vooral hier, bij dat punt in Owen's beschouwingen, dat de latere sociaal-demokraten, dat Marx heeft kunnen aanknoopen. Omdat, gelijk men later zal zien, Marx het kapitalistisch produktiestelsel als een historisch proces in de ontwikkeling der maatschappelijke produktie beschouwt, dat zich, hoofdzakelijk door zijn eigene voortontwikkeling, zelve oplossen moet.
De ontwikkelings- en bewegingswetten van het kapitalistische stelsel, waardoor dit zal moeten geschieden, heeft Marx later ontdekt. Maar dat de moderne groot-produktie op den grootstmogelijken voet en met de meest volmaakte produktiewerktuigen en krachten, de hefboom is, voor de vooruitgang van de menschheid naar de communistische samenleving, is een ontdekking door Robert Owen gedaan, in een tijd, toen de kapitalistische groot-industrie, in verhouding tot de middelen waarover zij later beschikte, nog in hare kinderschoenen stond.
De eene groote Utopist, de graaf de Saint-Simon, profeteerde dat de toekomst aan den arbeid was, en verklaarde de politiek voor de wetenschap der produktie. De andere, Charles Fourier, uit burgerlijker kringen voortgesproten, critiseerde op geweldige wijze de burgerlijke samenleving en toonde aan, "dat de armoede in onze maatschappij uit overvloed voortkomt." En de derde, Robert Owen eindelijk, ontdekte den arbeid als den bron van allen rijkdom in de kapitalistische maatschappij, d. w. z. als de eenige voortbrenger der ruilwaarden; en ontdekte voorts, dat in de nijverheid, de menschheid niet terug moet naar de klein-produktie, maar integendeel, vérder voort moet op den weg van de groot-produktie. Bovendien heeft de laatste, praktisch aangetoond, den grooten invloed die er uitgaat van het stoffelijk milieu op den mensch en van de veranderingen, die deze als sociaal wezen, daardoor kan ondergaan. Al heeft dit Owen ook hier en daar overschat, het blijft een feit, dat hij der wereld met de bewijzen in den hand heeft aangetoond, van hoeveel gewicht, de verandering van het sociaal milieu op de samenleving is en kan worden.
TWEEDE GEDEELTE.
HOOFDSTUK I.
DE ONTWIKKELING DER PHILOSOPHIE.
De critiek op de physikalisch-materialistische en idealistische philosophie van Kant, Fichte en Hegel, is ten allen tijde Marx' sterkste wapen geweest. Hij is daardoor gekomen, tot zijne levens- en wereldbeschouwing en als resultaat daarvan, tot de grondlegging van de sociaal-demokratie als wetenschappelijk stelsel.
Marx volgde hierbij--gelijk in zijn gansche werk--de induktieve methode, die vanaf Bacon van Verulam en Descartes, tot de resultaten der moderne natuurwetenschappen heeft geleid. Hij paste haar toe op de geschiedenis en ook op de economie.
Deze critiek nu moest leiden, tot eene vereeniging van de materialistische levensbeschouwing met de philosophie van Kant, Fichte en Hegel;--welke vereeniging tot het historisch materialisme geleid heeft, en van dààruit, tot eene wetenschappelijke grondlegging van het Socialisme heeft kunnen leiden.
Deze vereeniging geschiedde niet, door eene bloote samenvoeging van beiderlei wereld- en levensbeschouwingen, maar door de critiek daarop uitgeoefend. Critiek van een zoodanigen aard, dat het mogelijk was, het met de moderne ontwikkeling der maatschappij overeenkomende te behouden voor eene voortontwikkeling, en eene verwerping, van wat in het een, noch in het andere stelsel, houdbaar bleek te zijn.
Uit den smeltkroes van deze critiek, die Marx met behulp van het machtige wapen der dialektiek--de groote philosophische denkvrucht, waaraan den naam van Hegel voor altijd is verbonden--uitoefende, kwam het historisch-materialisme als een zuiver goud te voorschijn. En het is met behulp van dit, door harden arbeid gewonnen resultaat, dat Karel Marx in staat was, het kapitalisme, als produktievorm en als maatschappelijk verschijnsel, als het ware onder den mikroscoop van zijn geweldig critisch talent te nemen; het binnenste binnen van dat stelsel, de wetten die het beheerschen en evolutioneeren na te gaan en op deze wijze ook af te leiden, langs wélken weg en in wélken vorm het zich zal en zich moet oplossen, in het communisme.
De grondkwestie van alle philosophie, de strijd tusschen Idealisme en Materialisme; de verhouding van Subject en Object; de vraag of Denken of Zijn, of Geest of Natuur het oorspronkelijkst zijn; of een God de wereld geschapen heeft, of dat de wereld van af de eeuwigheid bestaat, heeft reeds den denkers van uit de oudheid bezig gehouden en zelfs in het kerkgeloof van de middeneeuwen, vond dienzelfden strijd, reeds dikwerf weêrklank.
Zij dook met nieuwe kracht weder op, toen bij den aanvang van het burgerlijk tijdvak, de economische ontwikkeling en dientengevolge de natuurwetenschappen, een snellen opbloei begonnen te nemen. De geboorteplaats van het nieuwere Materialisme is dan ook Engeland; het land van de burgerlijke ontwikkeling door handel en industrie bij uitnemendheid, en zijn baanbreker is Bacon van Verulam geweest.
John Locke leerde daarna, dat niets in den geest kan zijn, dat niet daarvóór in de zinnen bestond. Hij grondvestte de philosophie van het gezonde menschelijk-verstand. Hij wilde daarmede zeggen, dat er geene van de gezonde menschelijke zinnen en het op hen berustend verstand verschillende, philosophie bestaan kon. Hij scheidde politiek en godsdienst van elkander; bestreed in tegenstelling met Hobbes der Staatsmacht het recht om de meeningen den menschen op te dringen of ze uit te delgen; hij predikte voorts de burgerlijke verdraagzaamheid als de hoogste moraal.
In weerwil daarvan, bleef het Engelsche Materialisme een esoterische theorie, een geheimleer voor de bovenste-tienduizend en nog meer eene voor de aristokratie, dan voor de bourgeoisie. Het Engelsche volk was er niet door beroerd geworden en reeds van boven-af, werd de uitspraak gehoord, dat men het volk zijne religie niet ontnemen mocht.
In de 18de eeuw ontdekte Hartley, een materialistisch denker, het menschelijk denken en gevoelen door hersenbewegingen, verklaarde dit laatste dus op materialistische wijze. Maar dezelfde wijsgeer trachtte de zekerheid van de wonderen uit den Bijbel, eveneens aan te toonen, op theologische wijze.
Toenmaals gold voor den ongeloovigen denker, iemand die juist geen materialist was, namelijk de philosoof David Hume, die wel-is-waar elk kerkgeloof verwierp, maar evenzoo ook het Materialisme, doordien hij aan de menschelijke zinnen, eene uitputtende kennis van de wereld bestreed.
Zooals Locke het fransche Materialisme, zoo deed Hume het duitsche Idealisme geboren worden. Was de eerste, de erkende voorlooper van Diderot, d'Alembert enz., de laatste was die van Kant. Op het vasteland van Europa, had zich in de wijsbegeerte van de 17de eeuw, doordien mannen als Descartes, Spinoza en Leibnitz meest beduidende mathematici en physici waren, de Idealistische en de Materialistische wereldbeschouwing tamelijk wel, in evenwicht gehouden. In den aanvang van de 18de eeuw evenwel, ontwikkelde zich het fransche Materialisme, als zelfstandige verschijning. Het splitste zich in twee richtingen, die zich wel-is-waar menigmaal kruisten, maar toch in wezenlijkheid van elkander verschilden. De eene van deze richtingen, ging van Descartes uit en beperkte zich meer of minder, tot de zuivere natuurwetenschappen. De andere, nam de door Locke gesponnen draden weder op. Zij was aanvankelijk eene aristocratische leer, maar allengs erkende de, naar de macht strevende burgerklasse, dat het haar een machtig wapen kon zijn, in haren strijd tegen koningschap, adel en geestelijkheid.
Het fransche Materialisme van de 18de eeuw, verhelderde niet alleen de hoofden ten opzichte der godsdienst, maar het greep diep in het politieke en sociale leven van het Frankrijk dier dagen in.
Helvetius, de eigenlijke grondlegger van het fransche Materialisme, verklaarde in zijn boek "De l'Homme" ("Over den mensch") dat de grondslagen der moraal waren: de zinnelijke eigenschappen en de eigenliefde, het genot en het welbegrepen persoonlijk belang. Hoofd-gezichtspunten van zijn systeem waren: de natuurlijke gelijkheid van de menschelijke intelligenties, de éénheid tusschen de vooruitgang van de rede en de vooruitgang van de industrie; de natuurlijke goedheid van de menschen en de macht van de opvoeding.
Het fransche Materialisme vond zijn toppunt in de beroemde "Encyclopedie"; zooals het zijn politieke omzetting vond in de verklaring van de beroemde "Rechten van den Mensch". Het verliep in het utopistisch socialisme, dat aan zijne theorieën ontleende, de beschouwingen over de "oorspronkelijke goedheid" en de "gelijke" intellectueele begaafdheid van den mensch, de almacht der ervaring, gewoonte en opvoeding; de invloed der uitwendige omstandigheden op den mensch; de hooge beteekenis van de industrie, het recht op genot enz., gelijk wij dit bij de behandeling van hunne stelsels, in het eerste gedeelte van dit boek, hebben kunnen zien.
In weerwil van deze schitterende resultaten, rustte het fransche Materialisme evenwel nog op een wankelen grondslag. De natuurwetenschappen hadden, wel-is-waar groote vorderingen gemaakt, maar eerst de mechaniek was tot een behoorlijk resultaat gekomen. Chemie en biologie stonden nog in hunne kinderschoenen; men wist nog niets van eene ontwikkelingsleer der natuur en kon dus nog niets weten omtrent eene evolutie in de geschiedenis. De natuur bewoog zich in een eeuwige kringloop, en de menschelijke natuur, aldus was de beschouwingswijze, was van den aanvang af gelijk, zij werd bij tijd-en-wijle verduisterd, zooals in de Middeleeuwen, maar dan weder, was zij strevende naar hare natuurlijke rechten. Het Materialisme beroerde nog den innerlijken samenhang van de wereldraadsels niet. Zoo kon het Idealisme, het nog weder eens op zich nemen, met te trachten deze raadsels op te lossen en zij deed dit in de duitsche philosophie van op het uiteinde der 18e en aan den aanvang van de 19e eeuw.
Kant's "Kritiek van de zuivere Rede," werd in het Revolutiejaar 1789 algemeen bekend. Het duitsche Idealisme, zooals het door Kant is geleeraard, was wel-is-waar een terugslag op het engelsch-fransche Materialisme, maar geenszins was het een reactie daarop. Kant versloeg het Materialisme met succes op zijn eigen gebied, doordien hij het principe van de ontwikkeling, in de natuur binnenleidde. Hij loste de eeuwigen duur van het zonnesysteem op, doordien hij het ontstaan van de Zon en dat van alle Planeten, uit roteerende nevelmassa's verklaarde. Zelfs sprak hij in zijne "Populaire Voorlezingen" reeds het denkbeeld van de ontwikkeling van de menschen uit het dierenrijk uit, als iets dat van-zelf sprak. Uitdrukkelijk verwierp hij de leer van het oudere Idealisme, dat alle kennis door ervaring en de zinnen verkregen, niets was dan louter schijn en er slechts in de ideën van de zuivere rede, waarheid is. Hij zeide omgekeerd: alle kennis van dingen uit de enkele, zuivere rede, is niets dan louter schijn en slechts in de ervaring is er waarheid.
Kant's wezenlijke arbeid bestond juist hierin, dat hij, aanknoopend aan David Hume, het kenvermogen van den mensch onderzocht en door de critiek van de zuivere rede, de gansche ervaring, tezamen met alle historische en exacte wetenschappen omkeerde, door de eenvoudige stelling dat onze begrippen zich niet naar de voorwerpen richten, maar de voorwerpen naar onze begrippen; dat wij de dingen buiten ons niet zien, zooals zij zijn, maar zooals zij aan onze onvolkomen zinnen zich voordoen; dat de gansche verschijningswereld tot op de zinnelijke aanschouwing van ruimte en tijd, voor de menschen, alleen slechts in de menschelijke voorstelling bestaat, terwijl zich achter haar het absolute wezen van de dingen, het ding-aan-zich verbergt, in een ondoordringbaar duister. Aan de eene zijde waren hiermede Denken en Zijn verzoend, maar aan de andere zijde, gingen zij daarmede zooveel te verder, weder uit elkander. Kant loste het wereldraadsel niet óp, hij verklaarde het voor onoplosbaar. In de dingen zelf kunnen geen tegenspraken bestaan, want alles wat een tegenspraak bevat, is onmogelijk, daarentegen verwikkelt ons het denken in onvermijdelijke tegenspraken. Dit was de grondslag van de beroemde Antimonieën van Kant, zooals daar zijn: begrensdheid en onbegrensdheid van de wereld, deelbaarheid en ondeelbaarheid van de materie, vrijheid en noodwendigheid.
Brak nu Kant de objektieve wereld geheel en al af, terwijl hij haar bestaan in de werkzaamheid van het menschelijk bewustzijn oploste, Fichte bouwde haar, tegelijkertijd op Kant's theorieën voortbouwend en hen omscheppend, weder uit het menschelijk bewustzijn op. Fichte was met de natuurwetenschappen van nabij, niet bekend. Het Ik, d. w. z. de mensch, niet als individu, maar als soort, was voor hem het werkelijke "Ding-aan-zich", het menschelijk bewustzijn niet de spiegel, maar de schepper van de objektieve wereld, welker bestaan zich niet uit de zuivere denkvormen laat verklaren, maar welker bestaansvormen, door het zuivere denken voortgebracht geworden zijn. Uit hen leidde Fichte, ruimte en tijd, kwantiteit en kwaliteit, mogelijkheid, werkelijkheid en noodzakelijkheid af. Het denken is een zelfstandig proces, dat zich met noodwendigheid voltrekt. "Met elke stelling is zijne tegenstelling gegeven, en in de voortdurende overwinning van deze gestadige tegenspraken, door eene hoogere eenheid, beweegt de idee zich vooruit."
Hiermede nam Johan Gottlieb Fichte de oud-Grieksche, dialektische-philosophische methode weder op. Deed hij nu echter uit de zuivere innerlijkheid van het subjekt, het objekt geboren worden, zoo werden geest en natuur een en hetzelfde. En inderdaad verklaarde Fichte, het Ik, dan ook voor het subject-objekt.
Op zijne theorieën voortspinnend en tegelijk hen weder omscheppend, voerden Schelling en Hegel daartegen aan: "wanneer subjekt en objekt een-en-hetzelfde zijn, dan is geen van hen beiden de zaak-zelf; het subjekt zoo min als het objekt, het denken zoo min als het zijn, den geest zoo min als de natuur; maar elk van hen, is dan slechts ééne zijde van de zaak en de geheele zaak is niets anders dan het proces, dat door beide heengaat en in den geest van den mensch, tot het bewustzijn van zich-zelf komt".
Bij Schelling bleef de identiteit van subjekt en objekt een blooten inval. Bij de pogingen om haar te begronden, geraakte hij hoe langer hoe meer in eene phantastische natuurphilosophie verward, totdat hij tenslotte belandde bij het openbaringsgeloof.
Hegel daarentegen, vatte de absolute Idee, die hij voor de levenwekkende ziel van de gansche wereld verklaarde, als een logisch en historisch proces op. De geest, het aan-zich en voor-zich bestaande Ik, wordt in verschillende ontwikkelingsphazes eerst bewustzijn, dan zelfbewustzijn, dan beschouwend en dan handelend verstand, tenslotte den zich-zelf-begrijpenden gevormde en religieuzen geest. Dan zet bij zich om in de natuur, waarin hij als blinde noodzakelijkheid werkt en arbeidt zich in de geschiedenis uit het ruwe weder op, tot dat hij zich-zelf begrijpt. Dit historisch proces, is slechts een afspiegeling van het logische proces, dat zich onbekend met het: wanneer? en het: waarheen? voltrokken heeft.
Hegel vatte aldus het historische, tevens als een logisch proces op. Waar Kant de ontwikkeling in de natuur leidde, daar leidde Hegel haar de geschiedenis binnen. Waar Fichte aan de dialektische methode weder aanknoopte, daar maakte Hegel haar tot den springenden fontein des levens. Met het begrip Zijn, is ook het begrip van niet-Zijn gegeven, en uit den strijd van beiden, ontstaat het hoogere begrip van het Worden. Alles bestaat en bestaat tegelijk niet, want alles is in vloed en is voortdurend onderworpen aan eene gestadige verandering, is onderworpen aan een voortdurend en nooit stilstaand proces van Worden en Vergaan.
De dialektische beweging van de duitsche philosophie voltrok zich dus aldus, dat Kant's stelling: "Alles wat een tegenspraak in zich bevatte is onmogelijk", omsloeg in de stelling van Hegel: "Wat over het algemeen der wereld beweegt, is de tegenspraak."
Hiermede nu was iets bereikt, dat men eene overwinning kon noemen op het engelsch-fransche Materialisme. De dialektische beweging in de natuur zelf in te voeren en haar aan te nemen, is eerst mogelijk geworden, nadat de natuurwetenschappen die geweldige vooruitgang hadden gemaakt, gelijk dat het eerst in de tweede helft van de 19e eeuw het geval is geweest. Hier heeft de door Kant gegeven stoot, zijne afsluiting het eerst gevonden in de theorie van Darwin, waardoor de gansche organische natuur, planten en dieren en daarmede ook den mensch, als het voortbrengsel van een ontwikkeling wordt opgevat, die zich, in millioenen na millioenen jaren voortgezet heeft.
Hegel evenwel, kwam in dit opzicht niet boven de meeningen van de fransche Materialisten uit, de perken van de ontoereikende natuurkennis lieten dat ook destijds niet toe. Hij deelde nog de meening van de fransche Materialisten, dat de natuur een, zich in gelijke kringloopen bewegend, zich steeds gelijkblijvend geheel met eeuwige wereldlichamen, met onveranderlijke vormen van organische wezens was. Maar hij doorbrak die beschouwingswijze toch, voor zoover zij namelijk, door de engelsche Materialisten op de geschiedenis werd overgedragen. Hij vatte de geschiedenis van de menschheid op, als een gestadig in beweging zijnd, aan verandering en omschepping onderworpen, van lager naar hooger opstijgend proces en hij beproefde door geweldigen geestesarbeid, in de verschillende vakken van de historische wetenschap, de inwendige tezamenhang, de voortdurende phazenloop van dit proces, door alle schijnbare dwaalwegen en toevalligheden heen, te vervolgen. Dewijl hij de dingen als afspiegelingen van de begrippen opvatte, kwam hij wel-is-waar tot al te willekeurige geschiedenisconstrukties, maar daar halsstarrige dingen als historische feiten dit zijn, zich niet zoo gemakkelijk onder het juk der begrippen dwingen laten, kwam hij toch ook tot geniale blikken, op de tezamenhang van de geschiedenis der menschheid.
Kant's grondgedachte van alle moraal: "Handel zóó dat gij de menschheid, zoowel in uw persoon, als in de persoon van elk ander, tegelijk als doel en niet alleen maar als middel gebruikt," kon ontstaan in een land, waarin de burgerlijke klasse weinig en de proletarische klasse, nog in het geheel niet ontwikkeld was.
En Fichte liet erop volgen, dat "geen mensch andere krachten voor zich mag in gebruik nemen; dat den mensch moet arbeiden, maar niet als een lastdier, dat onder den last, in slaap neder zakt en na nooddruftige verkwikking weder tot het dragen van denzelfden last gewekt zal worden. De mensch behoort angstloos met list en met vreugde te werken en tijd over te houden om zijnen geest en zijn oogen ten hemel te verheffen, voor welker aanblik hij geboren is!" Fichte brandmerkte met deze uitspraak en met anderen, de feodale adel van zijnen tijd, die lui en ondeugend was. Hij proklameerde de majesteit van het Recht in deze stelling: "Het Recht moet gewoonweg bestaan en wie dit niet door zichzelven inziet, moet tot dat inzicht gedwongen worden." En daarnevens predikte Fichte de vrijheid en de gelijkheid "voor alles wat een menschelijk aangezicht draagt."
In zijn "Rechtvaardiging van de fransche Revolutie" zegt hij o. a. "De eigendom kan geen anderen oorsprong hebben, dan die van den arbeid. Wie niet arbeidt, heeft niet het recht van de samenleving middelen tot zijn bestaan te verlangen." In zijn "Grondslagen van het Natuurrecht," schrijft hij: "Diegene, welke niet zoo veel heeft dat hij ervan leven kan, behoeft noch den eigendom van anderen te erkennen, noch achting te hebben voor dezelve, daar de grondslagen van het maatschappelijk verdrag, tot zijne schade aangetast zijn geworden. Elkeen behoort eigendom voor zich te hebben; de samenleving is verplicht, allen van arbeidsmiddelen te voorzien en allen moeten arbeiden om te leven."
In zijn "Rechtsstaat", voorspelt hij, dat eene gemeenschappelijke organisatie komen moet, welke realiseeren zal, wat hij als Recht verlangt. "De arbeid en de verdeeling zullen gemeenschappelijk georganiseerd zijn; elkeen ontvangt voor een nauwkeurig bepaald deel arbeids, een bepaald gedeelte van het kapitaal, hetwelk zijn eigendom, naar de mate van het recht vaststelt. Het eigendom zal alzoo algemeen verbreid zijn. Niemand mag overvloed hebben, zoolang niet allen van het noodzakelijkste voorzien zijn. En het eigendomsrecht aan voorwerpen van weelde, ontbeert dien grond in zooverre, dat niet elk burger zijn aandeel kan bekomen, van dien eigendom. De landlieden en de arbeiders zullen zich behooren te vereenigen, teneinde zoovéél mogelijk, met zoo weinig mogelijk inspanning van krachten te kunnen voortbrengen."
In zijne verhandeling over "De gesloten Handelsstaat", die in 1800 verscheen en aan den pruisischen minister van finantiën Struensee opgedragen was, werkte Fichte bovengenoemde socialistische gedachten verder uit, bestreed hij de theorieën van Adam Smith, de vrije concurrentie-leer en het denkbeeld, dat de Staat zich heeft te beperken, tot een bescherming van het recht. Maar hij neemt daarbij toch weder een ander standpunt in, dan de fransche en engelsche socialisten van zijnen tijd; hij is ook dáárin een tegenstander van Adam Smith, dat hij van de bepaling van de waarde der goederen door den arbeid, niets wil weten; hij ziet in den vrijen handel, eene onhoudbare overlevering uit de "denkwijze onzer voorouders." Voor de moderne naties, meende hij, geldt niet meer, wat voor de middeneeuwsche eenheid van het christelijk Europa gold. Fichte erkende evenwel in zijn tijd reeds, de zware lasten die er op het volk kwamen te drukken, door het uitzuigend militairisme en hij probeerde dan ook den Staat geheel en al om te vormen. Als zoodanig, geldt dan ook hij nog eenigszins voor eene der utopistische Socialisten, omdat hij in zijn wereldhervormende sociale plannen niet uitging van de bestaande feiten, maar van een aan zijn brein ontsprongen plan. Hij wilde den Staat omvormen tot eene harmonische gemeenschap, waarvan de deelen op zich-zelve, de individuen, hun natuurlijk recht zullen verzekerd zien, op een gelukkig en tevreden bestaan. Maar aan den anderen kant, dacht hij zich dien Staat als een verstands-Staat, geheel en al afgesloten van het buitenland, met een bijzonder soort geld en met de overige Staten slechts in gemeenschap, niet door middel van den handel, maar door dat van de wetenschap alleen.
Ook Hegel heeft eenmaal zijne philosophie den voorlooper genoemd, van een tijd waarin er een vrij volk zal bestaan. Na de nederlaag van de franschen bij Waterloo, verklaarde hij het voor de natuurlijke roeping van de duitschers, voor den hoofdwinst hunner teruggewonnen onafhankelijkheid, dat zij thans ongestoord het heilige vuur van de philosophie in bewaring konden nemen. Toen hij naar Berlijn beroepen, zijne "Philosophie van het Recht" schreef, teneinde het Recht als een redelijk, zich uit zich-zelf ontwikkelend organisme voor te stellen, ging hij van de stelling uit: "Het bestaande is redelijk en het redelijke is dat wat bestaat."