Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer
Chapter 9
Bij veel planten treedt dikwijls rotting van den stam in, hetgeen men bemerkt aan het rot worden van den bast en later van het hout. Deze ziekte ontstaat door te diep planten en zeer vaak ook bij houtachtige planten door het gieten met te koud water. Ook bij kruidachtige planten komt deze ziekte voor, meestal vergezeld met schimmel; dit is dan het gevolg, behalve van de genoemde oorzaken, van te koude, vochtige lucht. Planten, die aan stamrotting en schimmel lijden, moeten zoo spoedig mogelijk, uiterst voorzichtig, verplant worden, waarop men ze een zoo gunstig mogelijke standplaats moet geven.
Zeer dikwijls lijden de warme planten aan wortelziekte, die op verschillende wijzen, doch zeer dikwijls des winters door begieting met te koud water ontstaat. Iedere kamerplant moet, zooals trouwens reeds in het hoofdstuk over het gieten is gezegd, begoten worden met water, dat minstens vier en twintig uur in het vertrek heeft gestaan, waarin de planten staan en dat daardoor de temperatuur van dit vertrek heeft verkregen. Zeer veel liefhebbers hebben de onvoorzichtigheid hun planten met ijskoud water te begieten; de slechte gevolgen blijven dan echter niet lang uit, daar de wortels ziek worden, afsterven en de dood der geheele plant daarvan het gewone gevolg is. Naast de ziekten, door het gieten met koud water ontstaan, treft men die aan, welke door het te overvloedig gieten worden veroorzaakt. Ook hierdoor ontstaat wortelziekte. Men moet bij alle plantencultuur den groeitijd van den rusttijd onderscheiden. Gedurende den groeitijd heeft een plant overvloedig water noodig, gedurende den rusttijd daarentegen moet men zeer spaarzaam met gieten zijn.
Gedurende den rusttijd geeft men veel planten, in plaats van betrekkelijk weinig, maar al te vaak toch geregeld water. Deze waterhoeveelheid kunnen zij dan natuurlijk niet verwerken, en daar des winters de zon geen kracht genoeg heeft om de plant te doen opdrogen, en zij ook onmogelijk in de vrije lucht kunnen gezet worden, heeft dit ten gevolge, dat de aarde slikachtig en ten laatste zuur wordt. In zulk een zure aarde worden natuurlijk de wortels ziek en beginnen te rotten. Wordt de fout niet vroegtijdig opgemerkt en tegengegaan, dan zijn de planten reddeloos verloren.
Wortelzieke potplanten moeten steeds zoo spoedig mogelijk verpot worden; men wascht de zure aarde zorgvuldig weg, en snijdt vervolgens alle zieke wortels met een scherp mesje zorgvuldig af. Er moet nu voor gezorgd worden, dat de zieke plant in den kleinst mogelijken pot wordt gezet. De pot moet rijkelijk gedraineerd worden, zoodat het water goed kan wegloopen en de te gebruiken aarde moet zeer licht zijn. Raadzaam is het de aarde, vóór het gebruik, goed met scherp zand en stukjes houtskool te vermengen. Op deze wijze behandeld, heeft men kans, dat een zieke plant weder nieuwe wortels krijgt en daardoor weder aanvangt te groeien. Men moet echter zeer voorzichtig zijn met gieten en er op letten, dat de plant, zoodra zij daaraan behoefte krijgt, weder in een grooteren pot wordt verplant.
Gemakkelijker dan planten, die door te veel gieten wortelziek zijn geworden, laten zich die behandelen, welke door te weinig gieten ziek werden en dan een verwelkt aanzien hebben gekregen. Het gieten toch mag vooral niet te gemakkelijk worden opgevat; het is een handigheid, welke door practische ervaring is te leeren. Het grootste gedeelte der zoogenaamde ringwortels bevindt zich onder in den pot; wordt er nu niet genoeg gegoten, dan worden wel de bovenste aardlagen bevochtigd, doch de kluit blijft inwendig droog en na korten tijd zal die van binnen geheel uitgedroogd zijn, de wortels verdrogen en ten slotte gaat de plant ten gronde.
De voor den kweeker en liefhebber onontbeerlijkste grondsoort is zeker wel de boschgrond. Zooals wij reeds in het hoofdstuk over het gieten opgemerkt hebben, bezit deze aarde de eigenschap, dat zij, eenmaal uitgedroogd, slechts zeer moeielijk weder water opneemt. Deze eigenschap bezitten ook alle aardmengsels in meerdere of mindere maten, die met boschgrond vermengd zijn. Is nu een plant, in een dier mengsels geplant, geheel uitgedroogd, dan loopt het water bij het gieten tusschen de kluit en den pot naar het drainagegaatje, zonder de kluit ook maar in het minst te bevochtigen. Deze bijzonderheid merkt de onkundige plantenkweeker niet op, en hij komt ook niet op de gedachte, dat zijn planten droog zijn, wijl hij toch geregeld goot en de aardoppervlakte zijner planten ook behoorlijk vochtig is. Om deze reden is het nuttig zieke planten even uit den pot te nemen, teneinde de aarde en wortels te onderzoeken. Zijn de wortels aangestoken of is de aarde zuur, dan wordt de plant, zooals wij reeds gezegd hebben, verplant. Is de aarde echter uitgedroogd, dan legt men de plant zoolang in een emmer met water, totdat de kluit geheel nat geworden is, iets wat somtijds heel lang kan duren.
Gewoonlijk maakt een liefhebber weinig onderscheid tusschen de planten, die in warme en die in gematigde streken groeien; hij kweekt ze alle in de warme kamer en dat is toch zeer verkeerd. Een bekwaam en practisch kweeker kan aan een plant, die hij nog niet behandeld heeft en die hij zelf niet kent, veelal zien welke aarde en welke temperatuur zij verlangt, en mocht hij zich al eens vergissen, dan zal het niet lang duren, of hij zal zijn fout aan het voorkomen der plant kunnen bemerken. Een zoodanigen practischen blik bezit een leek meestal niet, en wil hij met het kweeken van planten in de kamer succes hebben, dan moet hij van tijd tot tijd beproeven zich daaromtrent op de hoogte te stellen. Niet weinig planten uit gematigde streken hebben een zoo vreemd voorkomen, dat zij de leeken licht doen denken, dat het tropische planten zijn en dus behoefte hebben aan een hooge temperatuur. Van de hiertoe behoorende planten wil ik er slechts een drietal noemen, namelijk de Aspidistra, de Aralia en de Ficus. De Aspidistra is de algemeen bekende, ijzersterke plant, waarvan de groote, groene of bonte bladeren direct uit de aarde ontspringen. Deze plant behoort in China en Japan thuis en verlangt des winters slechts een lage, mits vorstvrije temperatuur en toch wordt zij meestal in een warme kamer gekweekt. Wij hebben nu in de Aspidistra een dier weinige planten, die zelfs bij de slechtste en meest ondoordachte cultuur gezond blijft en waarschijnlijk ook daarom zoo algemeen verspreid is. De Aralia, die uit Japan afkomstig is en de Ficus, die uit Australië stamt, zijn daarentegen zeer gevoelig voor een verkeerde behandeling. Deze beide planten verlangen des zomers een zonnige standplaats in den tuin of vóór het geopende venster, terwijl men ze 's winters moet plaatsen in een kamer, waarvan de gemiddelde temperatuur niet meer dan 45° à 50° Fahr. bedraagt. De meeste plantenliefhebbers weten dit echter niet en zij meenen dezen planten al een zeer goeden dienst te bewijzen, wanneer zij ze een plaats in een warme kamer geven. De planten echter nemen dezen dienst al zeer ongunstig op en toonen dit duidelijk door haar bladeren eerst slap te laten hangen, waarna zij geel worden en eindelijk afvallen. De liefhebber echter verstaat deze plantenspraak niet; verdrietig snijdt hij de geel geworden bladeren af en wanneer dan ten laatste de plant kaler en kaler geworden is en zich eindelijk aan den kop een jong blaadje ontwikkelt, dan wordt dit teeken, al is het ook nog zoo zwak, als een bewijs van goede behandeling beschouwd, terwijl toch maar al te dikwijls juist het tegenovergestelde het geval is.
Te groote warmte toch is voor alle planten, die zich gedurende den winter in haar rustperiode bevinden en die niet tot de tropische gewassen behooren, ten zeerste nadeelig. Vele onzer meest in trek zijnde decoratie- en bloemplanten overwinteren uitstekend in een vorstvrijen kelder of een ongestookt, doch vorstvrij vertrek. Brengt men nu deze planten in een warme kamer, dan wordt de zoo hoognoodige rustperiode verstoord; zij groeien dan door, en wijl het haar aan kracht en vooral aan lucht, licht en zon ontbreekt, kunnen de zich dan ontwikkelende scheuten niet anders dan zeer zwak zijn. Een onkundig liefhebber verheugt zich nu in dit bewijs van leven, en hij vermoedt weinig, dat deze scheuten zich ontwikkelen ten koste van de reservestoffen der plant, en dat zij deze daardoor zeer verzwakken. Dezelfde planten, die des winters in een warme kamer lijden, worden er ook des zomers ziek. Dit zijn alle planten, afkomstig uit de omstreken der Middellandsche zee, van de Kaap, van Nieuw Holland, van China en Japan, en van alle landstreken met een klimaat als het genoemde. Wij moeten dan ook wel verschil maken tusschen kamer- en vensterplanten. De eerstgenoemde hebben behoefte aan warmte en moeten het geheele jaar door in de kamer gekweekt worden; de laatste daarentegen moet men des zomers in den tuin of op de vensterbank buiten het raam kweeken, terwijl zij des winters in een koele kamer of in een kelder bewaard worden. De vensterbloemen hebben dus voor een goeden groei veel versche lucht noodig; in de kamer worden zij slap, laten zij de bladeren en bloemen hangen en spoedig verschijnen jonge scheuten, die dan echter dadelijk met bladluizen overdekt zijn. Deze laatste kunnen ons alle liefhebberij voor planten benemen; het zijn vieze diertjes, die de planten vaak geheel ten gronde richten. Het beste middel tegen ongedierte vindt men in een goed beredeneerde cultuur, waarvan het twee keer daags besproeien der planten, eens des morgens en eens des avonds, een onderdeel uitmaakt. Zijn de ongenoode gasten echter eenmaal verschenen, dan moet men die op de reeds aangegeven wijze weder trachten kwijt te raken en wel bij voorkeur zoo spoedig mogelijk.
Vele lezers zullen zich moeilijk kunnen voorstellen, dat ook de zon, zonder welke geen plantenleven mogelijk is, de oorzaak van plantenziekten kan zijn, en toch is dit inderdaad zoo. Er zijn toch zeer vele schaduwminnende planten en verscheidene van deze zullen, wanneer men ze slechts korten tijd aan de zon blootstelt, spoedig geheel en al bederven. Onder deze planten behooren al de Selaginella's en fijnere Varens. Alle tropische blad- en bloemplanten verlangen des zomers een meer of minder beschaduwde standplaats; zij krijgen, in de zon geplaatst, brandvlekken, worden daardoor leelijk, ja, sterven er dikwijls geheel door. Behalve de z.g.n. vetplanten, waartoe b.v. de Cactussen behooren, zijn er niet veel planten, die des zomers ongeschermd achter een op het zuiden gelegen venster kunnen gekweekt worden. Door de sterke zonnestralen ontstaan namelijk bruine vlekken op de bladeren, die niet meer verdwijnen. Vooral is dit het geval, wanneer de planten, in de volle zon staande, bespoten worden. Vensters, die op het Zuiden gelegen zijn, moeten dan ook voorzien zijn van een inrichting, waarmede men de planten tegen de te scherpe zon kan beschermen, maar niettegenstaande zulk een inrichting, zullen zij toch nog zeer lijden, wanneer aan de vensterbank geen gelegenheid is gemaakt, in den vorm van een bak, waarin ook de potten tegen de zon beschermd staan. Wanneer die toch met volle kracht op de potten schijnt, worden ze zoo warm, dat al de zich aan de zonzijde bevindende wortels verbranden. Niet alleen hierdoor, doch ook nog door het veel te sterk uitdrogen, hebben de planten in dit geval veel te lijden.
Een der grootste gevaren voor onze kamerplanten is zeker wel het gebrek aan voedingsstoffen. De langzaam groeiende planten moeten eens per jaar, bij voorkeur in het voorjaar, verplant worden; met de snel groeiende moet dit in den loop van den zomer meermalen geschieden. De meeste onzer plantenliefhebbers weten dit echter niet; zij laten hun planten jarenlang in denzelfden pot staan en zelfs bij de zorgvuldigste behandeling moet dan een plant ten laatste sterven. Door aanwending van mest kan het verplanten wel tijdelijk uitgesteld worden, in geen geval echter is dit dan, zooals velen denken, onnoodig geworden. Is de aarde slecht en zuur geworden of is de plant zóó beworteld, dat het vormen van nieuwe wortels onmogelijk is, dan moet zij noodzakelijk verplant worden. Mest, van welke hoedanigheid ook, zal in zulke gevallen meer kwaad dan goed doen.
Ten laatste kunnen ook nog ziekten ontstaan door het bevriezen der planten. Zijn zij aan een lichte vorst blootgesteld geweest, dan moet men vóór alles het spoedig ontdooien voorkomen. Een zeer goed middel is, de planten dan zoo spoedig mogelijk met koud water te bespuiten en ze twee of drie dagen in een koele kamer te laten staan. Bevroren planten mogen in geen geval in een verwarmd vertrek of in de zon worden gezet.
Zooals wij gezien hebben, komen de ziekten van kamerplanten uit zeer verschillende oorzaken voort en wij zijn niet in het bezit van pillen of drankjes, waarmede zij weder te genezen zijn. De verschillende oorzaken hebben wij zoo uitvoerig mogelijk beschreven, opdat de lezer zou begrijpen, dat hij zijn planten slechts door een zeer oplettende behandeling gezond kan houden, en dat zieke planten alleen met zeer veel moeite weer genezen kunnen worden.
Het verwarmen der vertrekken.
Een kweeker bewaart zijn planten in vier, door de temperatuur van elkander onderscheiden kassen, namelijk in warme, gematigde en koude kassen, benevens in een oranjerie. De gemiddelde wintertemperaturen bedragen voor de warme kas van 60°-65° Fahr., voor de gematigde kas van 50°-55° Fahr., voor de koude kas van 40°-45° Fahr. en voor de oranjerie van 35°-40° Fahr. De warme kas van een kweeker komt overeen met de woonkamer van een liefhebber, de gematigde kas met een suite of slaapkamer, waarin slechts weinig gestookt wordt, de koude kas met een vertrek, waarin slechts bij strengere vorst gestookt wordt en de oranjerie met den vorstvrijen kelder.
Een liefhebber moet echter niet vergeten, dat hij met een hooge temperatuur nooit die resultaten zal bereiken als een kweeker en hij moet er ook voor zorgen, dat hij de tropische planten gedurende den winter altijd in een lagere temperatuur bewaart dan die, welke de kweeker ze in zijn kassen geeft. De vochtige wanden, de altijd vochtig gehouden paden der warme kassen, de meestal daarin gebruikte warmwatertoestellen, de steeds water uitwasemende planten zijn alle oorzaak, dat in de kassen de vochtigheidsgraad geëvenredigd blijft met den warmtegraad. Een groot voordeel leveren de warme kassen ook nog op, namelijk, dat de temperatuur, doordat er dag en nacht gestookt wordt, steeds vrij gelijkmatig blijft.
Hoe slecht zijn, daarmede vergeleken, de toestanden in onze woonvertrekken! Hoe meer wij overdag stoken, des te droger wordt de lucht en des te ongunstiger wordt zij voor het leven der planten. Daarbij komt nog, dat in sterk verwarmde vertrekken het verschil tusschen dag- en nachttemperatuur meestal zeer groot is. De planten, die overdag in een warmtegraad van ruim 65° Fahr. staan, moeten na een kouden nacht zich des morgens dikwijls met 35° tevreden stellen. Des morgens begint men dan weder te stoken; de temperatuur rijst nu snel, om in den daarop volgenden nacht weder even snel te dalen. Om deze reden groeien tropische planten vaak beter in een vertrek, dat niet zoo warm gestookt wordt. Gedurende koude winternachten doet de buitentemperatuur zich nabij de vensters natuurlijk sterker gevoelen dan meer midden in de vertrekken; reden waarom het zeer geraden is de planten des avonds van het venster te verwijderen. Het beste doet men, de planten des avonds midden in het vertrek te zetten en zoo mogelijk op een verhevenheid, daar de temperatuur boven in het vertrek altijd warmer blijft dan nabij den vloer.
Hij, die het verwarmen zijner vertrekken regelen kan naar de daarin staande planten, doet het best een reguleerkachel te gebruiken. Deze kachels geven geen rook en stof, branden zeer gelijkmatig, kunnen het vertrek op iedere verlangde temperatuur houden en branden, wat een zeer groot voordeel is, ook des nachts door. De droge lucht in het vertrek laat zich eenigszins temperen door achter op de kachel, waarvoor meestal een inrichting is, een ketel met water te zetten, dat dan langzaam verdampt.
Het gebruik van z.g.n. calorifères is in kamers, waar men planten heeft, zeer te ontraden, wijl zij een zeer ongelijkmatige warmte geven, en veel schadelijke dampen verwekken.
In de moderne groote huizen worden vaak alle vertrekken door een centraal toestel verwarmd, dat zóó is ingericht, dat men ieder vertrek de verlangde temperatuur kan geven. Gebruikt men voor deze verwarming heete lucht, dan zullen noch de menschen, noch de planten zich daar wel bij bevinden; wordt echter stoom of warm water gebruikt, dan worden de toestanden veel beter. De vrij omslachtige stoomverwarming wordt betrekkelijk weinig, de warmwaterverwarming daarentegen tamelijk veel aangetroffen. Ook bij deze verwarming moet men den vochtigheidsgraad in de vertrekken verhoogen, door, indien het eenigszins mogelijk is, schotels met water op de buizen te zetten. In koudere vertrekken, die slechts zeldzaam verwarmd worden, is het niet noodig de lucht vochtiger te maken.
Ten slotte willen wij nog opmerken, dat ook in vertrekken, waarin niet gestookt kan worden, zeer harde planten goed kunnen overwinteren. Wordt het zóó koud, dat het in de vertrekken zou kunnen vriezen, dan kan men in zoo'n kamer een veelvoudig gebruikt wordend petroleumkooktoestel, of, zoo men daarover kan beschikken, nog beter een petroleumkacheltje zetten. Bij zeer strenge vorst is het geraden, het toestel of kacheltje ook des nachts, al is het niet hoog, te laten branden.
Het luchten der vertrekken.
Een plant heeft voor haar goede ontwikkeling lucht, licht, warmte, vochtigheid en voedsel noodig, en wel alles in de juiste verhouding. Wij hebben reeds gezien, hoe men zijn planten behoorlijk licht moet verschaffen, hoe men ze moet begieten en bemesten, ook op welke wijze men ze de noodige warmte moet geven; wij willen nu nog even nagaan, hoe men ze aan de noodige frissche lucht moet helpen. Iedere plant neemt uit de lucht bepaalde voedingsstoffen op, zij heeft voor haar onderhoud dus wel degelijk behoefte aan goede lucht.
Des zomers, wanneer de hardere planten in den tuin staan en de zachtere door de desnoods dag en nacht geopende vensters de noodige frissche lucht toegevoerd krijgen, is het gebrek aan lucht niet zeer voelbaar. In oude, slecht gebouwde huizen, enge straten en ingebouwde tuinen zal men dan echter, zooals trouwens altijd, gebrek aan de noodige lucht hebben. In zulk een geval is daar echter niet veel aan te verhelpen. Maar gedurende den winter worden de vertrekken weinig of in het geheel niet gelucht, en mensch en dier hebben daaronder te lijden. De minste frissche lucht behoeven de tropische, in warme vertrekken gekweekte planten, zooals Palmen en andere bladplanten. Staan deze, zooals het behoort, dicht bij het venster, dan krijgen zij genoegzaam versche lucht, door de kieren daarvan. Worden de vertrekken door meerdere personen bewoond, dan moeten zij natuurlijk dagelijks zeer goed gelucht worden. Dit luchten nu moet zoodanig geschieden, dat de planten daar niet door lijden. Heeft men een suite, dan doet men het beste de vensters van dat vertrek, waar geen planten staan, te openen en de tusschendeuren geopend te houden. Heeft men geen suite, dan moet men de planten van de vensters verwijderen, deze openen en in de opening een hor, met dicht ijzergaas bespannen, zetten, ten einde op die wijze tocht te voorkomen. Wil men zulke horren niet gebruiken, dan worden de planten tijdelijk zoo ver mogelijk van de vensters verwijderd en met een lichten doek bedekt, zoodat de koude luchtstroom haar niet direct kan bereiken. Bij het luchten moet men steeds oppassen, dat er geen trekking ontstaat en dus nooit vensters of deuren over elkander openzetten; ook mag, bij koud weder, de temperatuur niet te veel dalen, wat men voorkomen kan door tijdens het luchten flink te stoken.
Bij het luchten van vertrekken, waarin harde planten overwinterd worden, behoeft men niet zoo voorzichtig te zijn. Deze kamers, waarin slechts in hoog noodige gevallen gestookt wordt, kan men altijd luchten, zoolang de buitentemperatuur meer dan 35° Fahr. bedraagt. Bij een dergelijke temperatuur is het beter dezen planten zooveel mogelijk frissche lucht te geven. Des nachts moeten de vensters echter steeds gesloten worden, om te voorkomen, dat onverwacht intredende vorst de planten beschadigt.
In het voorjaar moet zeer veel gelucht worden, niet alleen wijl dan door den invloed van de zon de temperatuur zeer stijgt, maar ook omdat men er voor moet zorgen, de planten, die 's zomers buiten moeten verblijven, behoorlijk aan de lucht te gewennen en te harden.
In onvoldoende of in het geheel niet geluchte vertrekken ontwikkelen vele planten zich ontijdig; zij krijgen dan kleurlooze, zwakke scheuten en bladeren. Bij vele treedt in zulk geval stamrotting en schimmel op, terwijl zij spoedig door ongedierte zullen worden aangetast. Om deze ongemakken te voorkomen, moet men ook des winters iedere goede gelegenheid aangrijpen, ten einde aan de planten behoorlijk frissche lucht te verschaffen.
Het overwinteren en aan den groei brengen van bollen en knollen.
Onder de kamerplanten bevinden zich verscheidene bol- en knolgewassen, die door zeer schoone bloemen uitmunten. Deze ontwikkelen zich des zomers meestal tot flinke planten, die zeer rijk en prachtig kunnen bloeien. In het najaar beginnen ze langzaam te verdorren, zij worden kleiner en kleiner en sterven ten laatste geheel af. De onervaren liefhebber, die wellicht zulk een plant in haar volle ontwikkeling ten geschenke bekwam, ziet haar tot zijn spijt langzaam achteruitgaan, en kan maar niet begrijpen wat de oorzaak daarvan is; hij is in de behandeling der plant toch zoo voorzichtig mogelijk geweest. Ten slotte wordt dan de groote fout begaan, haar weg te werpen.